ECLI:NL:PHR:2023:932

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 oktober 2023
Publicatiedatum
16 oktober 2023
Zaaknummer
22/03465
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 lid 2 SvArt. 245 SrArt. 251 SrArt. 9 lid 1 SrArt. 28 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling dansleraar voor seksueel misbruik minderjarige meisjes

De verdachte, een dansleraar, is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens het plegen van ontuchtige handelingen met twee minderjarige meisjes tussen 12 en 16 jaar, waarbij sprake was van seksueel binnendringen. Hij kreeg een gevangenisstraf van 45 maanden en een beroepsverbod opgelegd.

In cassatie werd geklaagd over de bewezenverklaring en het beroepsverbod. De verdediging stelde dat het bewijs onvoldoende was en dat het beroepsverbod disproportioneel was, met name omdat het ook betrekking had op het lesgeven aan minderjarige jongens, terwijl de feiten alleen vrouwelijke slachtoffers betroffen.

De Hoge Raad bevestigt dat het hof voldoende steunbewijs heeft gevonden, waaronder schakelbewijs en ondersteunend bewijs, en wijst de klachten over de bewijsvoering af. Ook oordeelt de Hoge Raad dat het beroepsverbod passend is, gezien het misbruik van de positie van de verdachte en het risico op herhaling. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot 45 maanden gevangenisstraf en het beroepsverbod voor het geven van dansles aan minderjarigen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03465
Zitting17 oktober 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 19 september 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens het "met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd", onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf van 45 maanden en tot een ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van dansleraar voor minderjarigen.
1.2
Het cassatieberoep is op 20 september 2022 ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van zowel feit 1 (aangeefster [aangeefster 1] ) als feit 2 (aangeefster [aangeefster 2] ). Geklaagd wordt dat het hof de bewezenverklaring onvoldoende, althans ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het tweede middel is gericht tegen het opgelegde beroepsverbod.
1.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

2.De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsmotivering

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
hij op meerdere tijdstippen in de periode van 8 oktober 2004 tot 8 oktober 2008 te [plaats], met [aangeefster 1] , geboren in het jaar 1992, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1] , hebbende verdachte telkens met zijn penis, het lichaam van die [aangeefster 1] oraal en vaginaal gepenetreerd;
2.
hij op meerdere tijdtippen in de periode van 6 mei 2005 tot 6 mei 2006 te [plaats], met [aangeefster 2] , geboren in het jaar 1990, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 2] , hebbende verdachte telkens met zijn penis, het lichaam van die [aangeefster 2] oraal en vaginaal gepenetreerd.”
2.2
Het hof heeft aan deze bewezenverklaring 13 bewijsmiddelen ten grondslag gelegd. Deze luiden als volgt:
“1. De verklaring van de
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 18 januari 2019 (…):
Het klopt dat mijn roepnaam [verdachte] is en dat ik dansleraar ben.
2. De verklaring van de
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2021 (…):
Ik ken allebei de aangeefsters via de [dansschool] . Ik heb hen een aantal keren streetdance les gegeven. Ik gaf alleen danslessen aan mensen van 16 jaar en ouder. Andere leeftijden mochten niet meedoen. Voor [aangeefster 1] en [aangeefster 2] heb ik een uitzondering gemaakt.
Aangeefster [aangeefster 1] kwam ik ooit tegen in de gang van de dansschool. Toen wij elkaar een tijdje kenden vertelde zij mij over haar leven. [aangeefster 1] wilde een relatie met mij.
Met aangeefster [aangeefster 2] heb ik een keer gezoend buiten op de hoek bij de dansschool. Het was een zoen met tong. Twee weken na die zoen wilde [betrokkene 1] met mij praten. [betrokkene 1] is een gesprek met mij aangegaan over het feit dat de ouders van [aangeefster 2] haar hadden verteld dat wij seks hebben gehad.
3. De verklaring van de
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 september 2022(…):
Ik heb telefoonnummers uitgewisseld met [aangeefster 1] .
De vader van [aangeefster 2] heeft tegen [betrokkene 1] gezegd dat ik seksueel contact heb gehad met [aangeefster 2] . Seksueel contact is met iemand naar bed gaan.
U toont mij bladzijde 85 van het politiedossier met daarop een foto van mijn woonkamer. Het klopt dat daarop een kast is te zien met allemaal cd’s.
U toont mij bladzijde 90 van het politiedossier met daarop een foto van mijn slaapkamer. Het klopt dat er een spiegel is aan het hoofdeinde van mijn tweepersoonsbed.
4. Een proces-verbaal verhoor verdachte (…). Dit proces-verbaal houdt in (…) als de op 16 november 2017 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van
verdachte:
lk woon alleen op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Tussen de 21 en 22 jaar woon ik daar.
Ik ben nog steeds werkzaam als dansleraar. Dat is mijn beroep en daarmee verdien ik mijn geld.
In 1999 ben ik officieel begonnen. Ik geef street dance.
5. Een proces-verbaal aangifte ter zake seksueel misbruik (…). Dit proces-verbaal houdt in (…) als de op 24 maart 2017 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van
[aangeefster 1], geboren op [geboortedatum] 1992:
Hij (het hof begrijpt: de verdachte) was toen de man van mijn leven, zo heb ik dat toen opgeschreven als 12 jarig meisje. Daarom vind ik het ook lastig, dat hij gestraft moet worden voor iets wat ik toen ook leuk vond.
Op mijn 11e ging ik naar de middelbare school. Het eerste jaar ging het goed, goede cijfers. Tweede jaar minder, toen begon ik met hiphoppen. Dat hiphoppen ben ik gaan doen op [verdachte] 's dansschool " [dansschool] ". Ik was 12 jaar toen ik daar begon (het hof begrijpt: in 2004 of 2005). [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte) gaf dansles. [verdachte] was na de eerste les bij mij gekomen en hij zei dat ik met de grote meiden mee mocht doen. Hij maakte direct indruk op mij. Ik was helemaal hotel de botel eigenlijk. Ik weet nu wat flirten is en dat is wat er toen gebeurde. Hij begon over mijn naam, dat hij die zo mooi vond. Ik mocht meteen met de groep boven de 16 mee doen en dat vond ik heel leuk. Dat een leraar dan zoiets zegt dat doet je goed. Ik ben die lessen gaan volgen. Ik heb een abonnement genomen en ging 2 keer naar dansles in de week. Ik kwam toen ook [aangeefster 2] (het hof begrijpt hier en hierna: aangeefster [aangeefster 2] ) tegen. Zij deed klassieke dans en deed soms mee met hip hop. Ik heb met haar gesproken en heb tegen haar gezegd dat ik ooit op "Broadway" wilde dansen. [aangeefster 2] vertelde mij toen dat het goed zou zijn om privé lessen te gaan volgen. Ik ben toen een keer naar [verdachte] gestapt na de les. Ik denk na een maand of zo. Ik heb gezegd tegen hem dat ik vrouwelijk wilde dansen, meer musical zeg maar. Hij vroeg toen om mijn telefoonnummer en zou contact met mij opnemen. Dat was al een mobiel nummer.
Na een aantal weken kwam ik thuis na dansles en kreeg ik een telefoontje. [verdachte] zei dat hij vaak aan mij dacht. Ik was thuis op mijn kamer op dat moment. Hij voelde zich aangetrokken tot mij en nodigde mij bij hem thuis uit. Hij legde mij uit hoe ik bij hem thuis moest komen. Hij woonde in de [...] , helemaal alleen. Toen ik daar aan kwam was hij daar, boven aan de trap stond hij te wachten.
Het was eng maar ook wel spannend. Hij was toch de dansleraar en iedereen keek tegen hem op. Het was een grote eer en ik kon aan niets anders denken. Ik droomde dat ik met hem aan het dansen was in de studio. Het maakte veel impact. Ik wist dat hij ouder was. Ik weet dat hij 42 was toen, dat heb ik volgens mij later thuis aan hem gevraagd. Hij zei dan dat hij mij niet als kind zag. Ik was best wel lang en onzeker. Ik was nog helemaal niet bezig met seks.
Ik ging voor het eerst met de metro naar de [...] . Het was echt een sprong in het diepe. Ik was heel zenuwachtig. Hij zei, doe maar rustig. Er stond een bank in de woonkamer. Ik ben gaan zitten en hij gaf mij wat te drinken. Ik had zoiets nog nooit gedaan maar het voelde wel goed. Al die meisjes vonden hem leuk en dan ik. Na een tijdje praten legde hij een matras op de grond. Hij nam het initiatief. Hij maakte dingen bespreekbaar waar ik mee zat. Hij luisterde.
Tijdens de eerste keer dat ik bij hem was zette hij op een gegeven moment porno op. Er was zo'n 1 persoonsmatras tegen de muur en dat legde hij op de grond. Hij begon mij te zoenen en later heb ik hem op dat matras gepijpt. Ik was in mijn BH en een string. Hij was helemaal naakt. Volgens mij duwde hij mijn hoofd daar (het hof begrijpt: naar verdachtes penis) naar toe. Hij kwam klaar, altijd wel. Altijd onveilig.
Hij bracht mij naar de metro maar daar mocht ik nooit met hem zoenen. We moesten oppassen. Altijd op zijn hoede. Hij zei een keer dat als ik 18 was dat hij met mij ging trouwen. Dat dacht ik ook al die tijd.
Al toen ik op die bank ging zitten zei hij dat ik het niet verder mocht vertellen, dat het belangrijk was dat het ons geheim was. Niemand mocht het van ons afpakken. Dat werd wel groot belicht.
Hij was ook bang dat ik het mijn ouders zou vertellen.
Het heeft wel een jaar geduurd voordat ik het iemand heb verteld.
Vanaf toen was het ook veel sms-en. Ook tijdens school. De naam waarin (het hof begrijpt: waarmee) hij in mijn telefoon stond was " [alias] ". Soms ging ik wel 3 keer in de week naar hem. Ik deelde alles met hem. Hij wilde ook de roddels op de dansschool weten. We gingen vaak samen douchen. Na de dansles ging ik naar hem. Hij bleef zeggen dat ik goed kon dansen en dat ik zoveel talent had. Dan kwamen de seksuele handelingen.
Na een maand of 2 à 3 denk ik zei hij: laat mij van jou een vrouw maken. Ik was daar veel in het weekend. Hij heeft mij toen ook ontmaagd. Ik was toen denk ik 13 jaar, zeker geen 16. Ik had toen een beugel en die had ik van mijn 12e. Daar kan ik het aan herinneren. Ik lag onderop, naakt. We hadden eerst gedoucht. Hij zei toen, laat mij een vrouw van je maken. Ik weet wel dat het pijn deed. Hij zei, doe maar rustig, gewoon blijven ademen. Ik had het idee dat hij voor mij zorgde. Het deed wel heel veel pijn. Het was ook weer onveilig. Ik wist er ook niet genoeg vanaf. Mijn wereld draaide om hem en om dansen.
Mijn beste vriendinnetje heeft aan mij gevraagd of ik iets met mijn dansleraar had. Ik heb dat keihard ontkend. Onze vriendschap heeft daaronder geleden. Dat was toen ik in de 3e klas zat. Ik was denk ik 14 jaar. Ik zag hem zo vaak en wilde het delen maar dat kon niet. Tijdens Nederlandse les kreeg ik een soort paniekaanval. Toen kwam de mentor, [betrokkene 2] , naar mij toe. Ik zei dat ik ergens mee zat maar er niet over kon praten. Hij heeft mij toen naar de vertrouwenspersoon gestuurd. Dat was op [school 1] op de [b-straat] . De vertrouwenspersoon was [betrokkene 3] (het hof begrijpt: de getuige [betrokkene 3] ). Ik heb nog een uitgescheurd briefje van haar maar die is moeilijk te lezen.
- Een kopie van dit briefje wordt bij de aangifte gevoegd [doorgenummerde bladzijde 23] - (het hof begrijpt: de in bewijsmiddel 11 bedoelde uitgescheurde bladzijde)
Dit was in 2005 of 2006. Ze zei tegen mij dat alles wat ik vertelde hier bleef. Ze schreef wel dingen op. Ik heb haar toen wel verteld wat mij was overkomen met [verdachte] . Ik heb meerdere gesprekken met [betrokkene 3] gehad. Ik ging elke week naar haar toe, ik denk wel een jaar lang. Op een gegeven moment had ik er geen zin meer in. De eerste keer heb ik haar direct verteld over [verdachte] . Dat ik een relatie had met mijn dansleraar. En dat ik ook wel wist dat het niet goed was. Ik had er verdriet en pijn van.
Na een jaar vertelde [betrokkene 3] mij, dat het om een strafbaar feit ging. Ze zei dat ze naar mijn ouders ging of naar de politie. Toen was ik zo boos en heb ik die pagina uit haar schrift gescheurd. Alsof ik bewijs wilde vernietigen. Ik was overstuur. Ik ben toen naar [betrokkene 4] gegaan, een klasgenoot. Die heb ik uit de klas gehaald.
[betrokkene 3] had mij beloofd dat ze niets zou doen zonder mijn toestemming maar na een week kwam ik op kantoor en toen zag ik iedereen zitten. Toen wist ik genoeg. Ik wilde van het gebouw afspringen. Ik vertrouwde [betrokkene 4] , ik heb hem verteld dat ik een relatie had met de dansleraar. Mijn vader wilde naar de politie gaan, maar toen heb ik gezegd dat ze mij dan niet meer zouden zien. Mijn ouders dachten toen dat het over was maar het is nog 2 jaar doorgegaan. Dansen was wel per direct gestopt. Stiekem ging ik er nog wel heen en ik was nog wel 3 keer in de week bij hem. Toen begon het liegen, tegen iedereen, om bij [verdachte] te zijn. Ik heb [verdachte] niet verteld dat het was uitgekomen. Ik was toen 14.
Mijn vader werd wel heel wantrouwig. Hij belde mij continue waar ik was en met wie. Ik was dan altijd bij [verdachte] en hij zat gewoon naast mij. Ik had ook een vriendinnen groepje en dat gebruikte ik. Ik spijbelde ook veel, voor een paar uurtjes. Om seks te hebben met [verdachte] en praten. Alle seksuele handelingen hebben tussen [verdachte] en mij plaatsgevonden. Anaal ook geprobeerd maar nooit helemaal gelukt. Verder alle standjes. Ik was heel snel volwassen op seksueel gebied.
Ik kan het huis van [verdachte] omschrijven als [...] -achtig, blauwe deuren. Bovenste verdieping helemaal rechts. Klein halletje met een badkamerdeur tegenover de deur. Dan een woonkamer met een bank. Die heeft hij later vervangen voor een hoekbank. Er hing ook een spiegel, bij dat matras. Als we seks hadden kon ik mijzelf zien. Er was een keuken met een balkonnetje. Vanuit de keuken kon je naar zijn slaapkamer. Alle kamers zaten aan elkaar eigenlijk. De slaapkamer was boven bij het plafond met zwart wit gestreept behang, van die pianotoetsen. Groot 2 persoons bed met een spiegel daarachter. Er was een stereo met heel veel cd's. Er was ook heel veel kleding. Er hing een laken voor het raam als gordijn.
Hij zei dat hij alleen was. Dat ik zijn meisje was. Hij wist wel dat ik maagd was, dat ik geen seksuele ervaring had. Dat pijpen vond ik ook raar. Misschien dat hij daarom porno opzette op de achtergrond.
Hij was zeker op de hoogte van mijn leeftijd.
6. Een proces-verbaal van 17 maart 2021, opgemaakt door de raadsheer-commissaris (…) belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam. Dit proces-verbaal houdt in (…) als de op voormelde datum tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van
[aangeefster 1]:
Ik ben in het najaar 2004 naar [school 1] gegaan. In de tweede klas waarin ik in oktober 2005 13 jaar werd, ben ik gaan dansen bij [dansschool] . Ik heb de tweede klas gedoubleerd. In het najaar 2007 toen ik 15 jaar werd, zat ik in de derde klas. Daar heb ik contact gekregen met de vertrouwenspersoon [betrokkene 3] . Ik heb haar toen verteld over mijn relatie met [verdachte] . Zij heeft op een gegeven moment contact opgenomen met mijn ouders. Ik zag ze op school. Ik raakte toen in paniek. Ik heb toen gepraat met [betrokkene 4] , ik wilde niet naar huis. Mijn vader belde mij. Hij zei dat ik naar huis moest komen. Ik heb mijn ouders toen verteld over de relatie met [verdachte] . Mijn vader wilde naar de politie. Ik dreigde dan van huis weg te lopen en daarom heeft hij het niet gedaan. Aan het einde van dat schooljaar ben ik van school gewisseld naar [school 2] . In dat schooljaar toen ik 16 jaar was geworden, heb ik een einde gemaakt aan de relatie.
Ik ben op de dansschool begonnen in de jeugdgroep 12 tot 16 jaar. [verdachte] heeft mij uit de les gehaald en gezegd dat ik wel met ouderen kon mee dansen. Ik had [verdachte] verteld dat ik op Broadway wilde dansen en hij zei dat ik dan wel vrouwelijker moest leren bewegen. Hij heeft toen mijn telefoonnummer gevraagd. Hij heeft mij enkele weken later gebeld. Daarover heb ik verklaard. Ik ben toen voor de eerste keer naar zijn huis gegaan.
[verdachte] heeft mij uitdrukkelijk meerdere keren gezegd dat het iets speciaals tussen ons was. Het was belangrijk dat niemand het wist.
Toen [verdachte] mij belde en mij vroeg naar zijn huis te komen, vond ik dat spannend. Ik was ook nerveus. Ik was toen ook niet verliefd. Ik dacht dat hij mij misschien een dansles wilde geven. Hij stond voor mij op een voetstuk en ik vond het doodeng. Zoals ik eerder heb verklaard hebben wij die eerste keer gepraat. [verdachte] zat veel dichter bij mij dan ik gewoon vond. Wij hebben toen gezoend. Hij heeft een matras op de grond gelegd en de tv aan gezet en daar stond porno op. Ik wist niet wat ik daar van moest denken. Ik heb hem toen oraal bevredigd; hij heeft mij uitgelegd hoe dat moest. Als ik er nu aan terug denk, begrijp ik niet wat mij bezielde. Dat was het begin van de relatie. Daarna zag ik hem heel vaak. Ik denk dat ik een maand daarna of zo mij ook verliefd voelde.
Toen [verdachte] mij die eerste keer belde heeft hij onder meer gezegd dat ik heel mooi was en heel speciaal.
7. Een proces-verbaal aangifte ter zake seksueel misbruik (…). Dit proces-verbaal houdt in (…) als de op 4 april 2017 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van
[aangeefster 2], geboren op [geboortedatum] 1990:
Ik ken [verdachte] als dansleraar van [dansschool] , streetdance en hiphop. De dansschool heet [dansschool] . [verdachte] huurde de dansstudio's bij [betrokkene 1] . Ik ben bij [dansschool] gekomen in 2005. Ik was daar aan het dansen en kwam zo in contact met [verdachte] . Een paar maanden later ben ik zijn lessen gaan volgen. Op dinsdag en donderdag avond had ik een hiphop les. Ik was aan het eten en toen bespraken wij (het hof begrijpt: de aangeefster en de verdachte) bijvoorbeeld een foto die aan mijn sleutelbos hing. Ik was een keer verdrietig en toen kwam hij bij mij zitten. Ik besprak mijn relatie met mijn familie. Ik vond dit veilig omdat hij geen connectie met mijn familie had. Ik voelde mij daardoor vrij om met hem te praten over mijn familie en wat mij dwars zat.
Het eerste flirt moment was denk ik het gesprek over de foto aan mijn sleutelbos. Later hebben we telefoonnummers uitgewisseld en begonnen we te sms-en. Ik kan mij nog een keer herinneren dat hij bij de Thai aan het eten was. Hij sms-te mij of ik hem op wilde komen halen. Ik deed dit en dat was de eerste keer dat wij met elkaar gingen zoenen. Ik had een echte crush op hem. Ik voelde mij vertrouwd met hem. Ik vertrouwde hem. Het was voor mij duidelijk dat dit alleen moest plaatsvinden buiten de dansschool en buiten de mensen van de dansschool. Hij speelde op mijn gevoel in. Hij zei tegen mij dat ik hem hypnotiseerde, eigenlijk gebruikte hij ander termen dan verliefd zijn. Hij wist niet wat hem overkwam enzovoort, enzovoort.
Ik was toen vijftien (15) jaar oud. Hij wist dat. Dat heb ik aan hem verteld. Hij wist op welke school ik zat. Hij zei wel tegen mij dat ik er ouder uitzag dan mijn leeftijd. Ik had op mijn 14e op 10 februari voor het eerst met iemand gekust en dat is mij bij gebleven. In mei werd ik 15 jaar (het hof begrijpt: op 6 mei 2005) en daarna heb ik met [verdachte] gezoend.
Ik heb op een later tijdstip wel aan een vriendin verteld over de relatie met [verdachte] maar zij reageerde zo heftig. Haar naam is [betrokkene 5]. Zij vond het niet okay en ik voelde mij hierdoor gekwetst. Voor mij voelde het namelijk wel okay, ik voelde mij speciaal door mijn band met hem. Ik heb aan haar verteld dat ik een relatie had met een oudere docent en dat ik heel erg verliefd op hem was. Toen kwam zij al met haar mening en toen heb ik niets meer gezegd.
We belden in die tijd heel veel, vooral 's avonds. In een van die gesprekken hebben we afgesproken en dat kon zeker niet bij de dansschool omdat niemand ons samen mocht zien. Dat had [verdachte] vaker benadrukt, ik mocht er met niemand over praten. Ik heb een routebeschrijving gekregen naar zijn woning.
Dat was naar schatting misschien 3 weken tot een maand nadat we voor het eerst hadden gezoend. Ik moest naar [...] . Het was een flatgebouw. Ik denk dat het 2 of 3 hoog was. In de woning had hij een woonkamer, een slaapkamer, een keuken en een badkamer. En nog iets van een rommelhok waar mensen wel eens bleven logeren.
De eerste keer seks was de eerste keer dat ik bij hem was. We hadden ons beide uitgekleed en dat was gewoon bij hem op bed. Ik was heel erg gespannen dus het lukte niet direct. Hij zei tegen mij dat ik moest ontspannen. Daarna volgde een vrijpartij. Omdat het mijn eerste keer was lag er bloed op het matras. Ik heb niet het initiatief genomen. De eerste keer hebben wij seks zonder condoom gehad. Later ben ik aan de pil gegaan. Er werd bijna nooit een condoom gebruikt.
We belden elkaar bijna elke avond en elk gesprek eindigde met het feit dat ik niets met mijn ouders kon bespreken.
Alle seksuele basishandelingen zijn door ons verricht. Vaginale penetratie, ik heb hem gepijpt en tongzoenen met elkaar. Hier is het bij gebleven.
Ik was een keer bij hem en toen deed hij de televisie aan. Ik zag dat er een pornofilm op de tv was. Ik zag [verdachte] een keer per week, dan weer drie weken niet en het kon ook zo zijn dat ik hem drie keer per week zag. We hadden dan altijd seks met elkaar. Hij had het vaak druk en had dan geen tijd voor mij. Van mijn kant kwam er nooit een nee. Ik was zo afhankelijk van hem. Wij deden nooit samen dingen in het openbaar. Op de dansschool deden wij normaal tegen elkaar. Ik was vaak vroeg uit en ging dan uit school naar hem toe, tussen uren. Ik maakte wel gebruik van het feit dat mijn ouders dachten dat ik op de dansschool was en dan was ik bij hem.
Hij liet mij speciaal voelen. Ik had problemen thuis en bij hem voelde ik mij bijzonder en speciaal. Hij zei tegen mij dat ik model kon worden. Ik heb beloofd aan hem dat ik dit tegen niemand zou vertellen. Ik was verliefd en andere mensen begrijpen dit niet. [verdachte] benadrukte dat een relatie met zo een groot leeftijdsverschil normaal was in een andere cultuur. Hij zei tegen mij dat andere mensen dit dus niet konden begrijpen. We hadden in mijn ogen zo een bijzondere band hierdoor.
We hadden een geheim en daardoor isoleer je.
Hij zei tegen mij: "Als je straks 18 jaar bent dan vindt niemand het meer erg en dan kunnen we hand in hand over straat". Daarmee impliceerde hij dat we tegen die tijd nog steeds samen zouden zijn. Ik merkte toen (het hof begrijpt: nadat de vader van aangeefster er achter was gekomen dat zij de pil gebruikte) dat ik het allemaal niet meer zo goed aankon. Wachten totdat ik hem mocht zien, het geheim houden en de controle die helemaal bij hem lag. In die periode heb ik mijn moeder in vertrouwen genomen maar zij zei dat ik het aan mijn vader moest vertellen. Mijn vader wilde aangifte doen bij de politie maar dat wilde ik niet. Wij zijn toen samen naar [betrokkene 1] (het hof begrijpt: de getuige [betrokkene 1] ) gegaan en hebben aan haar verteld dat ik een relatie met [verdachte] had. In het eerste gesprek reageerde zij heel begripvol. Het tweede gesprek verliep een stuk minder positief. [betrokkene 1] had met [verdachte] gesproken. [betrokkene 1] heeft mij toen de toegang tot de dansschool ontzegd. Dit speelde toen ik 16 jaar was, in de tweede helft van 2006.
8. Een proces-verbaal van 17 maart 2021, opgemaakt door de raadsheer-commissaris (…) belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam. Dit proces-verbaal houdt in (…) als de op voormelde datum tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van
[aangeefster 2]:
Ik ben in gesprek geraakt met [verdachte] in de wachtruimte op de dansschool. Ik maakte daar huiswerk in de periode tussen school en de dansles. De gesprekken met [verdachte] gaven mij een vertrouwd gevoel. Hij had een luisterend oor. In de lessen was het gewoon leraar en leerling. Op een gegeven moment sms-te hij mij dat hij bij de Thai in de buurt had gegeten en hij vroeg mij om naar buiten te komen om hem te ontmoeten. Toen hebben wij voor de eerste keer gezoend. Ik denk dat enkele weken daarna ik voor het eerst naar zijn woning ben gegaan. Na mijn 15e verjaardag ben ik gezoend door [verdachte] . Het opzetten van een pornofilm door [verdachte] gebeurde een van de eerste keren dat ik bij hem in de woning kwam.
9. Een proces-verbaal van bevindingen (…). Dit proces-verbaal houdt in (…) als
mededeling van verbalisanten:
Op verzoek van de officier van justitie (…) hebben wij een onderzoek ingesteld in de woning van de verdachte (…). In de woning hebben wij vervolgens foto's gemaakt van de verschillende vertrekken, te weten;
- foto 1: centrale toegangsdeur [a-straat]
- foto 2: toegangsdeur [a-straat 1]
- foto 3: woonkamer
- foto 5: keuken
- foto 7: "rommel" kamer
- foto 9: slaapkamer
- foto 10: hal
- foto 11: badkamer
10. De eigen waarneming van het hof gedaan in raadkamer op 5 september 2022 (overeenkomend met de eigen waarneming van de rechtbank gedaan ter terechtzitting van 18 januari 2019) dat op de foto op blz. 90 van het doorgenummerde dossier (foto 9) is te zien dat de bovenkant van het behang op de slaapkamer een motief bevat van pianotoetsen.
11. Een proces-verbaal van verhoor getuige (…). Dit proces-verbaal houdt in (…) als de op 5 april 2017 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van
[betrokkene 3]:
(mededeling door verbalisanten: Wij hebben u benaderd omdat [aangeefster 1] aangifte bij ons heeft gedaan en zij heeft uw naam genoemd. Ook heeft zij een blad uit een schrift gescheurd met daarop iets door u geschreven. Dat was voor ons niet goed te lezen, mogelijk dat u dit voor ons kan voorlezen.)
Haar mentor en afdelingshoofd, genaamd [betrokkene 2] , heeft mij benaderd dat het niet goed ging met haar (het hof begrijpt: met aangeefster [aangeefster 1] ). Ook over haar schoolkwaliteiten maar ook privé. Ze wilde daar met niemand over praten en daarom is het verzoek bij mij terecht gekomen om met haar te gaan praten. Toen is [aangeefster 1] bij mij terecht gekomen. Ze zat toen in de 3e, ze kwam heel volwassen over op mij. Veel meer dan de andere leerlingen uit de 3e. Ze was ook erg slim maar dreigde voor de tweede keer te doubleren. Dat geeft meestal wel aan dat er iets aan de hand is. Ik was toen vertrouwenspersoon. Ik weet niet of ik direct een afspraak heb gemaakt. Op een gegeven moment kwam wel ter sprake, zijn leeftijd, in mijn hoofd heb ik de leeftijd van 42. Zij zat in de 3e dus zij was rond de 14 of 15 jaar oud. Ik heb gezegd dat het niet kan, dat het een verboden relatie is en dat het volgens de wet niet kan. Dat heb ik wel duidelijk gemaakt. Ik weet dat ze absoluut niet wilde dat haar ouders het wisten. Daar is nog veel gedoe over geweest. Ik heb haar ouders naar school gehaald maar dat was later. Zij reageerde heel heftig.
Zij vond iets bij die man wat goed voelde. Ik heb gezegd dat ze verslaafd is aan zo'n man. Een totale afhankelijkheid van zo'n man. Ik heb gezegd dat het moet stoppen, dit is niet goed voor haar. Het is strafbaar dus je ouders moeten het ook weten. Ik lees hier ook dat ze in een gesprek aangeeft dat het gestopt is, maar ik weet dat dat niet zo was.
Ik had tegen [betrokkene 2] gezegd, dit is iets meldplichtigs. Het gaat om iets wat strafbaar is en dat ik actie moest ondernemen. We laten dan de ouders naar school komen. Het liefst voer ik zo’n gesprek met iedereen erbij, maar [aangeefster 1] wilde dat niet.
Uiteindelijk vertelde ze dat het de dansleraar was. Er was sprake van een seksuele relatie. Als daar geen sprake van is heb ik ook die meldplicht niet.
[aangeefster 1] was woest op mij. Ik kan mij herinneren dat haar ouders er waren en dat zij binnen kwam. Vanaf dat moment was ze zo boos dat er geen contact meer was. Ik had haar vertrouwen geschaad.
(mededeling verbalisant: Uitgescheurde pagina wordt voorgelezen (het hof begrijpt: door de getuige [betrokkene 3] en hieronder weergegeven)
“Ben heel moe, slaap slecht, te laat naar bed, ik eet niet op tijd.
Doe te veel dingen, slaap door mijn wekker. Geen zin, vriendinnen buiten school zijn leuk op school niet. Een week niet gedanst want het blok moest af.
Moeder niet verantwoordelijk. Mijn eigen keuze om hard te werken.
Liever geen HAVO. Denk niet meer aan die man. Heeft er niets mee te maken.
Om niet aan hem te denken wil ze hard gaan werken. Geen contact meer met hem. Heel druk bezig. Heel lang niet gezien. Hij is nog steeds het belangrijkste. School heeft voor mij geen toekomst.
Ja vader dacht dat je wat met de dansdocent had.”
12. Een proces-verbaal van verhoor getuige (…). Dit proces-verbaal houdt in (…) als de op 4 april 2017 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van
[betrokkene 4]:
Ik ken [aangeefster 1] van de middelbare school. We zijn toen goede vrienden geworden. Dat was [school 1] te [plaats]. Dus het was denk ik rond de 2004. In de loop van de jaren zijn we bevriend geraakt. In de 2e of 3e klas vertelde ze dat ze via haar dansen iemand had ontmoet van een oudere leeftijd. Hij was ook dansleraar op haar dansschool. Ze kreeg daar les van hem, in een soort gevorderd klasje. Ze was trots dat ze daar aan mee mocht doen. Ze vertelde dat ze een soort relatie met hem had, ook seksueel. Zijn leeftijd was rond de 40, staat mij bij. Ik wist dat ze toen via school het aan de vertrouwenspersoon had verteld. Ze vertelde dat ze met [betrokkene 3] had gesproken maar dat er ruzie was gekomen. [betrokkene 3] had beloofd het niet tegen haar ouders te vertellen, maar dat had ze toch gedaan.
Ik wist wel dat ze af en toe bij hem sliep. Ze vertelde dat hij een donkere huidskleur had.
13. Een proces-verbaal van verhoor getuige (…). Dit proces-verbaal houdt in (…) als de op 23 april 2017 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van
[betrokkene 5]:
Ik ken [aangeefster 2] van [school 3] in [plaats]. Dus vanaf de middelbare school. [aangeefster 2] heeft verteld dat haar dansleraar [verdachte] heette. Ik ging weleens met haar mee naar haar dansles in [plaats]. [aangeefster 2] had aan mij verteld dat zij seks met hem had gehad en ik vond dat helemaal niks. Ik vond het vies en verkeerd om met zo een jong en kwetsbaar meisje naar bed te gaan als je zelf oud bent.
Ik kan me aan een kant voorstellen dat zij zich goed voelde bij [verdachte] . Op die leeftijd ben je onzeker over alles en hij overlaadde haar met complimentjes. Hij vond haar mooi en geweldig en dat is fijn om te horen. Toen ik hem voor het eerst zag verbaasde het mij dat het een donkere man was. Ik weet niet waarom maar het is gewoon nooit bij mij opgekomen dat hij donker kon zijn. Bovendien was hij ook echt ouder.”
2.3
In zijn arrest heeft het hof onder het kopje ‘Bewijsoverwegingen’ het volgende overwogen:
“De raadsman heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe - kort gezegd - het volgende aangevoerd.
De modus operandi is niet specifiek genoeg om gebruik te kunnen maken van schakelbewijs. De twee tenlastegelegde feiten moeten daarom afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij mag voor elk van de tenlastegelegde feiten het bewijs niet uitsluitend op één getuigenverklaring zijn gebaseerd. De verklaringen van de getuigen die de rechtbank ter zake van elk van de beide afzonderlijke feiten naast de verklaringen van elk van de aangeefsters als bewijsmiddel heeft gebruikt, zijn telkens afkomstig van dezelfde bron, te weten de aangeefsters en bieden daarom geen steunbewijs voor de aangiftes. Meer specifiek heeft de raadsman nog naar voren gebracht dat in de verklaring van de getuige [betrokkene 3] wel de emoties en het niet goed functioneren van [aangeefster 1] naar voren komen, maar dat dit geen zelfstandig steunbewijs oplevert, omdat deze verklaring niet ziet op door deze getuige zelf bij de aangeefster waargenomen fysieke gevolgen en de waarneming niet direct na het strafbare feit, maar veel later plaatsvond.
In het kader van de overtuiging heeft de raadsman opgemerkt dat de aangeefsters tegenstrijdig hebben verklaard. Daarnaast heeft de raadsman het volgende opgemerkt.
De aangeefsters hebben verklaard dat de voordeur van de verdachte blauw van kleur was, terwijl op de ter zitting overgelegde kopie van een foto te zien is dat de deuren van de flat mintgroen van kleur zijn en, volgens de beheerder van het gebouw, ook mintgroen waren ten tijde van het tenlastegelegde.
Het interieur van de woning van de verdachte kon aangeefsters bekend zijn via de sociale media waarvan de verdachte al snel na het beschikbaar komen gebruik maakte en waarop hij beeldmateriaal plaatste waarop ook het interieur van zijn woning zichtbaar was. De verdachte heeft ter terechtzitting van 8 november 2021 verklaard - en dat herhaald op 5 september 2022 - dat sommige jongens uit het demo-team bij hem thuis kwamen, omdat hij hun haren knipte. De raadsman heeft de woning van de verdachte in dit verband ‘een clubhuis’ genoemd. Met een van de jongens die wel bij de verdachte thuis kwamen, heeft een van de aangeefsters volgens de verdachte ook een relatie gehad, zodat zij ook van hem kan hebben gehoord over de inrichting van verdachtes woning.
Bij de rechtbank heeft de verdediging aangevoerd dat het ‘bij verdachte een open huis was, waar gastchoreografen sliepen (...). Daarnaast filmde cliënt zichzelf destijds (en nog steeds) in zijn woning terwijl hij choreografieën opnam. Deze filmpjes deelde hij’. Ter terechtzitting van 5 september 2022 heeft de verdachte verklaard dat hij op sociale media zit voor de promotie van zijn dansschool, dat hij soms thuis danst en de filmpjes daarvan op die media plaatst. Derhalve kan de beschrijving van het interieur van deze woning door de aangeefsters niet overtuigend meewerken aan het bewijs.
Ook aan de door aangeefster [aangeefster 1] overgelegde strippenkaart, naar eigen zeggen door haar bewaard uit de tijd van de gebeurtenissen in kwestie, kan geen steunbewijs worden ontleend voor haar stelling dat zij in de woning van verdachte is geweest, nu deze strippenkaart niet op naam is gesteld en de zone waarin afgestempeld is niets zegt over de precieze bestemming.
Verder kan niet worden genegeerd dat de getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat, toen zij over het gedrag van de verdachte is benaderd door de vader van [aangeefster 2] , dit ging over kussen, en niet over seks.
De verdachte dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan (steun)bewijs. Indien het hof vindt dat er wel voldoende (steun)bewijs is, dient de verdachte te worden vrijgesproken omdat de aangiftes niet voldoende overtuigen.
Het hof verwerpt de door de raadsman gevoerde verweren en overweegt hieromtrent als volgt.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de geloofwaardigheid en juistheid van de verklaringen van aangeefsters [aangeefster 1] en [aangeefster 2] . Zij hebben duidelijk en gedetailleerd verklaard en de verklaringen bevatten niet slechts beschuldigende en negatieve uitlatingen over de verdachte. Beide aangeefsters hebben uitgelegd dat zij destijds verliefd waren op de verdachte en dat zij het geweldig vonden dat hij - als de dansleraar op wie alle meisjes verliefd waren - hen uitkoos als degene met wie hij een relatie wilde. Zij keken tegen hem op en hoopten dat hij hen kon helpen met de verwezenlijking van hun ambities op dansgebied. De wijze waarop in de verklaringen van de aangeefsters de worsteling met tegenstrijdige gevoelens naar voren komt bij het verwerven van het inzicht dat de verdachte misbruik van hen heeft gemaakt, sterkt het hof in de overtuiging van de authenticiteit en betrouwbaarheid van de aangiften.
Het hof vindt daarbij ook van belang dat zowel [aangeefster 1] als [aangeefster 2] , in de periode waarin de strafbare feiten volgens hen plaatsvonden, derden daarover in vertrouwen hebben genomen. [aangeefster 1] heeft dit in 2006 aan de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] verteld, nadat zij tijdens de Nederlandse les als 14-jarige in de derde klas van de middelbare school een paniekaanval had gekregen. [aangeefster 2] heeft een maand of vier nadat de seks met de verdachte in 2005 begon daarover aan de getuige [betrokkene 5] verteld. Voor de afkeurende oordelen van hun gesprekspartners stonden de aangeefsters destijds - nog in de ban van de verdachte - niet open. Het heeft nadien nog heel lang geduurd voordat bij de aangeefsters het besef is gekomen en gegroeid dat de verdachte misbruik van hen heeft gemaakt en zij er uiteindelijk toe overgingen aangifte te doen tegen de verdachte. Deze gang van zaken beschouwt het hof als een sterke contra-indicatie voor de valsheid van de aangiften zoals deze door de verdediging wordt bepleit. Het hof acht de verklaringen van de aangeefsters ieder voor zich betrouwbaar. Van tegenstrijdigheden die afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de kern van de verklaringen is geen sprake. De verklaringen vinden daarbij deels steun in de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij met aangeefster [aangeefster 2] heeft getongzoend.
De verdachte heeft verklaard dat de getuige [betrokkene 1] hem ermee heeft geconfronteerd dat zij door de vader van [aangeefster 2] erop is aangesproken dat de verdachte seks met [aangeefster 2] zou hebben gehad. Deze verklaring van de verdachte strookt met de verklaring van de aangeefster en haar vader (op doorgenummerde p. 63 van het politiedossier). Daarom hecht het hof geen waarde aan de hiervan op dit punt (namelijk: seks dan wel kussen) afwijkende verklaring van de getuige [betrokkene 1] , waarop door de raadsman is gewezen.
Steunbewijs
Het hof is anders dan de raadsman van oordeel dat er naast het hierna te bespreken schakelbewijs voldoende ondersteunend bewijs voor de aangiftes aanwezig is. (…).
Het hof wijst in dat verband evenals de rechtbank op de verklaringen die aangeefsters hebben gegeven met betrekking tot de woning van verdachte. Aangeefster [aangeefster 1] verklaart zeer gedetailleerd over de woning van verdachte, in het bijzonder met betrekking tot de pianotoetsen op het behang in de slaapkamer en de spiegel achter het bed. Dit komt overeen met de beschrijving en de foto’s van de woning die de politie in het proces-verbaal van bevindingen over de woning van verdachte heeft opgenomen. Aangeefster [aangeefster 2] geeft een algemenere beschrijving van de aanwezige kamers en indeling, maar ook deze beschrijving komt overeen met de woning van de verdachte. Hieruit kan worden afgeleid dat aangeefsters daadwerkelijk in de woning van de verdachte zijn geweest, wat ondersteuning biedt aan hun verklaringen over wat zich daar heeft afgespeeld.
De stelling van de verdediging dat het interieur van de woning van de verdachte in de tenlastegelegde periode vaak op de sociale media te zien is geweest zodat de aangeefsters de beschrijving hiervan daaraan hebben kunnen ontlenen acht het hof niet onderbouwd en wordt als niet aannemelijk terzijde gesteld. Datzelfde geldt voor het scenario dat een van de jongens die bij de verdachte over de vloer kwamen de woning aan een van de aangeefsters zou hebben beschreven, welk scenario evenmin – bijvoorbeeld met een schriftelijke verklaring van deze jongen, waarvan de verdachte verklaarde dat hij hem nog tegenkomt op sociale media – van een begin van onderbouwing is voorzien.
De door de raadsman overgelegde foto, waarop staat “verhuurd [a-straat 2]” – verdachte is woonachtig op [a-straat 1] – maakt niet aannemelijk dat de aangeefster [aangeefster 1] (die heeft gesproken van ‘blauwe deuren’) een onjuiste kleur van de voordeur van de woning van de verdachte zouden hebben genoemd en doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de aangifte of aan de betekenis van de beschrijving van de woning van verdachte. Op de foto is de centrale toegangsdeur te zien aan de buitenzijde van het appartementencomplex, niet de deur van de woning van de verdachte in dat complex. Overigens is van de overgelegde foto onbekend van wanneer deze precies dateert.
Het hof acht de verklaring van de getuige [betrokkene 3] bruikbaar als steunbewijs met dien verstande dat uit die verklaring blijkt dat de aangeefster [aangeefster 1] haar al ten tijde van het misbruik daarover in vertrouwen heeft genomen en dat zij absoluut niet wilde dat daarop door [betrokkene 3] actie zou worden ondernomen.
De door [aangeefster 1] overgelegde strippenkaart zal het hof niet voor het bewijs gebruiken, zodat hetgeen de raadsman daarover heeft opgemerkt verder geen bespreking behoeft.
Schakelbewijs
De verklaringen van de beide slachtoffers zijn onafhankelijk van elkaar afgelegd en vertonen wat betreft de beschrijving van de wijze waarop de onderscheiden feiten zijn begaan op essentiële punten belangrijke overeenkomsten, met name voor wat betreft de aanloop naar, de omstandigheden waaronder en de aard van de seksuele handelingen die tussen hen en de verdachte hebben plaatsgevonden.
Uit de bewijsmiddelen blijkt immers het volgende:
- de verdachte is als dansleraar via de dansschool in contact gekomen met de slachtoffers;
- de slachtoffers waren tussen de 12 en 16 jaar oud;
- de verdachte won het vertrouwen van de slachtoffers en complimenteerde hen;
- de slachtoffers keken tegen de verdachte op omdat hij hun oudere dansleraar was en zij voelden zich uitverkoren en speciaal;
- de verdachte wisselde telefoonnummers uit met de slachtoffers en zocht telefonisch of via sms, contact met hen;
- de verdachte nodigde de slachtoffers uit om naar zijn woning te komen;
- bij het eerste bezoek van de slachtoffers aan zijn woning gaat de verdachte over tot respectievelijk orale seks en vaginale seks;
- de verdachte heeft zijn slachtoffers ontmaagd en had onveilige seks met zijn slachtoffers;
- de verdachte zette soms een pornofilm op als de slachtoffers bij hem thuis kwamen;
- de verdachte zei tegen de slachtoffers dat de relatie geheim moest blijven, dat ze aan de buitenwereld niets moesten laten merken en dat als ze achttien jaar oud waren openlijk blijk kon worden gegeven van de relatie.
Gelet op voornoemde overeenkomsten in de verklaringen kunnen deze over en weer mede redengevend worden geacht voor het bewijs dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft gepleegd.
Met betrekking tot aangeefster [aangeefster 2] zal de bewezenverklaarde periode worden ingekort tot 6 mei 2006, de datum waarop zij zestien jaar is geworden.”
2.4
Het hof heeft in zijn arrest onder het kopje ‘Nadere bewijsoverweging’ het volgende overwogen.
“De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 8 november 2021 verklaard dat hij een keer met aangeefster [aangeefster 2] heeft gezoend buiten op de hoek bij de dansschool en dat dit een zoen met tong was. Desgevraagd door de voorzitter ter terechtzitting van 5 september 2022 heeft de verdachte bevestigd dat hij op de terechtzitting van 8 november 2021 het vorenstaande heeft verklaard. De verdachte voegde daaraan op 5 september 2022 toe dat zijn raadsman hem later heeft gecorrigeerd, dat hij een fout zou hebben gemaakt, omdat hij het aanwezig zijn op een terechtzitting als spanningsvol ervaart.
Het hof acht de verklaring van de verdachte, dat hij zich in dit belangrijke detail vergist heeft omdat hij spanning ervoer, mede gezien de duidelijke en gedetailleerde weergave van de betreffende communicatie in het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof op 8 november 2021, niet aannemelijk en stelt deze lezing van de verdachte dan ook als ongeloofwaardig terzijde.”

3.Het eerste middel

3.1
In het eerste middel wordt opgekomen tegen de bewezenverklaring “nu het gerechtshof ten onrechte en/of onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat ten aanzien van de beide feiten 1 en 2 voldaan is aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro. Meer in het bijzonder is het oordeel van het gerechtshof dat er voldoende steunbewijs is om tot een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 te komen onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, en/of is de bewezenverklaring van deze feiten (in zoverre) niet naar de eis der wet met redenen omkleed.”
De bewijsminimumregel
3.2
Bij de bewijsminimumregel van art. 342 lid 2 Sv Pro (de unus testis regel) is de centrale vraag is of de verklaring van een getuige – in zedenzaken meestal de verklaring van een aangeefster – voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Het antwoord op die vraag is sterk casuïstisch. In het algemeen geldt dat verklaringen die afkomstig zijn van dezelfde bron – dus tot de getuige herleidbare verklaringen van horen zeggen – onvoldoende steun bieden voor een bewezenverklaring. [1] Aangezien de bewijsminimumregel van art. 342 lid 2 Sv Pro betrekking heeft op de bewezenverklaring in zijn geheel, [2] behoeft het tweede bewijsmiddel, dat kan bestaan uit bijvoorbeeld een verklaring van een tweede getuige, een verklaring van de verdachte, een proces-verbaal van bevindingen van de politie of een forensisch-technische rapportage, niet specifiek betrekking te hebben op de strafbare gedraging of de betrokkenheid van de verdachte daarbij. [3] Wel dient het tweede bewijsmiddel “op relevante wijze” in een niet te ver verwijderd verband te staan met de inhoud van de verklaring van de getuige/aangeefster en dient het ook redengevend te zijn voor de bewezenverklaring. [4] Onder omstandigheden, in het bijzonder “wanneer de waardering van het bewijsmateriaal in cassatie vragen oproept”, [5] kan een nadere duiding van de door de rechter relevant geachte feiten en omstandigheden uit het tweede bewijsmiddel worden verlangd, maar het tweede bewijsmiddel kan ook voor zich spreken. [6]
3.3
Indachtig het uitgangspunt dat het bewijs en de waardering van het bewijs bij uitstek het domein van de feitenrechter is, kan diens oordeel dat een tweede bewijsmiddel voldoende steun biedt voor een bewezenverklaring, zelfs als die steun ‘enkel’ ziet op een op het oog betrekkelijk ondergeschikt onderdeel van de verklaring van de aangeefster, in cassatie overeind blijven. Ook een schakelbewijsconstructie kan voldoende steunbewijs bieden. [7] Voorzichtigheid is voortdurend geboden. De strekking van de unus testis regel – het waarborgen van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing – vergt dat. Immers, de regel “(verbiedt) de rechter (…) tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal”. [8]
Bespreking van het middel
3.4
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld dat in deze zaak geen gebruik kan worden gemaakt van schakelbewijs, omdat “de enige overeenkomst (is) dat beide dames op dezelfde dansschool dansten. Daarna hebben ze met elkaar gesproken en een verklaring afgelegd.” (p. 13 zittingspv). Betoogd is dat aan de verdachte twee afzonderlijke (“losse”) strafbare feiten zijn ten laste gelegd waarvoor het beschikbare bewijs per feit zou moeten worden beoordeeld. Die beoordeling zou volgens de raadsman moeten resulteren in een tweetal vrijspraken omdat geen van beide aangiften voldoende wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal.
3.5
Het hof heeft de raadsman niet gevolgd. Wel heeft het hof zich laten verleiden tot de overweging dat het hof
“anders dan de raadsman van oordeel (is) dat er naast het hierna te bespreken schakelbewijs voldoende ondersteunend bewijs voor de aangiftes aanwezig is.”In cassatie wordt deze overweging aangegrepen en wordt in deelklacht 1 betwist dat er specifiek voor feit 2 voldoende ondersteunend bewijs beschikbaar is. In deelklacht 2 wordt datzelfde betoogd maar dan voor beide feiten. Dat dit laatste in de toelichting op de beide deelklachten tot enige overlap heeft geleid, zal niet verbazen.
3.6
Waar het mij veel meer om gaat is het volgende. In de opmaat naar deelklacht 2 schrijft de steller van het middel dat het zojuist geciteerde oordeel van het hof erop neerkomt “dat het gerechtshof meent dat naast – dus: los van – het schakelbewijs, er voldoende ondersteunend bewijs is.” So far, so good. Maar dan: “Dit brengt mee dat het gerechtshof kennelijk oordeelt dat het schakelbewijs op zichzelf onvoldoende kracht toekomt om als steunbewijs te dienen in het kader van artikel 342 lid 2 Sv Pro. Dat een schakelbewijsconstructie wel als steunbewijs kan dienen (vgl. HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1817) laat dus onverlet dat het gerechtshof dit in casu niet als zodanig heeft gebezigd, en dit ook uitdrukkelijk niet heeft willen doen.”
3.7
Anders dan de steller van het middel kan ik uit het geciteerde oordeel van het hof niet afleiden i) dat het hof in de onderhavige zaak het schakelbewijs “kennelijk” op zichzelf onvoldoende heeft bevonden om als steunbewijs te dienen en ii) dat het hof in deze zaak “uitdrukkelijk niet” van de schakelbewijsconstructie gebruik heeft willen maken. Ik begrijp de overweging van het hof zo dat het hof heeft geoordeeld dat voor elk strafbaar feit op zichzelf al voldoende ondersteunend bewijsmateriaal beschikbaar is en dat er daarnaast ook nog schakelbewijs is. Dat het hof bij de bewijsvoering wel degelijk ook van de schakelbewijsconstructie gebruik maakt, blijkt naar mijn mening ook zonneklaar uit het arrest. Onder het kopje ‘Schakelbewijs’ (zie hiervoor onder randnr. 2.3) stelt het hof vast dat de verklaringen van de beide slachtoffers onafhankelijk van elkaar zijn afgelegd en wat de beschrijving van de feiten betreft op essentiële punten met elkaar overeenkomen, met name voor wat betreft de aanloop naar, de omstandigheden waaronder en de aard van de seksuele handelingen die tussen hen en de verdachte hebben plaatsgevonden. Vervolgens somt het hof tien specifieke overeenkomsten tussen de verklaringen van de beide aangeefsters op en oordeelt op basis hiervan dat de verklaringen “over en weer mede redengevend worden geacht voor het bewijs dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft gepleegd.” Naar mijn oordeel heeft het hof dit gedaan volgens de regels van de kunst.
3.8
Met de vaststelling dat het hof in de bewijsvoering feitelijk wel gebruik heeft gemaakt van de schakelbewijsconstructie, berust de in cassatie betrokken stelling dat het hof dat niet heeft gedaan, op een verkeerde lezing van het arrest. Het middel mist daarmee feitelijke grondslag. Aangezien het hof bovendien op juridisch juiste wijze vorm en inhoud heeft gegeven aan de schakelbewijsconstructie en mede op basis daarvan heeft geoordeeld dat voldoende ondersteunend bewijs voor de aangiftes aanwezig is, zie ik niet in welk belang nog wordt gediend met een afzonderlijke bespreking van de deelklachten. De deelklachten gaan hier immers volstrekt aan voorbij.
3.9
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
In het tweede middel wordt geklaagd dat het beroepsverbod op ontoereikende gronden dan wel op onbegrijpelijke wijze is opgelegd. Aangevoerd wordt dat dit “(i)n het bijzonder geldt (…) voor het aan verzoeker opgelegde verbod op het geven van dansles aan
alleminderjarigen (…), nu het [AG: hof] ter onderbouwing hiervan heeft overwogen dat het gegeven dat verzoeker als dansleraar nu nog steeds in contact komt met meisjes jonger dan 16 jaar een onaanvaardbaar risico vormt voor minderjarige meisjes en deze motivering het opleggen van een beroepsverbod ten aanzien van het geven van dansles aan minderjarige jongens, waartoe het beroepsverbod zich gelet op de formulering ook uitstrekt, niet kan dragen.” In de toelichting op het middel wordt gesteld dat dit oordeel van het hof innerlijk tegenstrijdig is en dat het opgelegde beroepsverbod disproportioneel is, omdat de verdachte geen gevaar voor minderjarige jongens vormt. Het te ruim geformuleerde beroepsverbod verdraagt zich volgens de steller van het middel daarom niet met een grondbeginsel voor de straftoemeting, het zogenoemde proportionaliteitsbeginsel, welk beginsel onder meer ook tot uitdrukking komt in art. 49 lid 3 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (EU Handvest).
4.2
Ten aanzien van de strafoplegging heeft het hof het volgende overwogen:

Oplegging van straffen en maatregelen
(…)
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van twee minderjarige meisjes, tussen de 12 en 16 jaar oud, terwijl hijzelf ouder was dan 40 jaar. Deze meisjes leerde hij kennen in de dansschool waarin hij hun dansleraar was. Zij keken vanwege die positie tegen hem op. De verdachte heeft op slinkse wijze misbruik gemaakt van zijn positie als dansleraar en is daarbij doelbewust en berekenend te werk gegaan. Hij heeft het vertrouwen gewonnen van de meisjes en heeft hen met complimenten overladen. Bij aangeefster [aangeefster 1] heeft hij de suggestie laten bestaan dat hij haar (bij hem thuis) zou gaan helpen met het voor haar danscarrière belangrijke ‘vrouwelijker bewegen’. Tegen aangeefster [aangeefster 2] zei hij dat ze wel model kon worden. Hij heeft telefoonnummers uitgewisseld met de meisjes en contact met hen gezocht, hen bij hem thuis uitgenodigd en daar bij beiden bij het eerste bezoek het initiatief genomen tot met het verrichten van vergaande seksuele handelingen. Voor beide meisjes, die in die periode verliefd op hem werden, was dit het begin van een lange periode van seksueel misbruik, waarin de verdachte telkens onveilige seks heeft gehad met zijn minderjarige slachtoffers. Dit was niet alleen een grove inbreuk op hun lichamelijke integriteit. Doordat de verdachte er bij zijn slachtoffers op aandrong dat zij aan niemand mochten vertellen van de relatie, omdat anderen dat ‘niet zouden begrijpen’, raakten beide slachtoffers in een benarde, geïsoleerde situatie waarin zij voortdurend moesten liegen tegen hun dierbaren.
Het is algemeen bekend dat het plegen van ontucht met jeugdigen zeer nadelige gevolgen kan hebben voor hun ontwikkeling als mens, in het bijzonder op seksueel gebied. De slachtoffers van de verdachte waren in kwetsbare en voor hun ontwikkeling belangrijke fases van hun leven.
Uit de slachtofferverklaringen die zij ter terechtzitting hebben afgelegd, blijkt dat de desastreuse gevolgen die van het handelen van de verdachte verwacht konden worden, zich hebben verwezenlijkt. De gebeurtenissen hebben een enorme impact gehad op de slachtoffers. Zeer pijnlijk is dat uit de slachtofferverklaringen blijkt dat zij verstrikt zijn geraakt in het web van de verdachte en dat zij zichzelf, volkomen ten onrechte, daarover nog steeds schuldig voelen. Hun jeugd is door de verdachte ernstig beschadigd en zij kampen met de gevolgen daarvan nog steeds in hun dagelijks leven.
De verdachte heeft misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van de slachtoffers en van het overwicht dat hij als gerenommeerd dansleraar op zijn leerlingen had ten behoeve van het botvieren van zijn eigen seksuele verlangens. Hij is daarbij doortrapt te werk gegaan zonder zich te laten weerhouden door de te verwachten schade die hij zijn slachtoffers toebracht. De verdachte heeft ook later geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden, noch heeft hij berouw of mededogen getoond naar de slachtoffers. In tegendeel, hij heeft tijdens zijn berechting in hoger beroep nog gesuggereerd dat een van de aangeefsters door een naast familielid zou zijn misbruikt. Met zijn handelen heeft verdachte zeer ernstig inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van de meisjes en hun (seksuele) ontwikkeling verstoord. Met zijn proceshouding heeft hij vervolgens herstel van het toegebrachte leed verder bemoeilijkt. Het hof rekent dit verdachte bijzonder zwaar aan.
De raadsman heeft bepleit dat het hof, bij een bewezenverklaring, aan de verdachte een forse taakstraf en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf oplegt omdat het oude feiten betreft, de verdachte een blanco strafblad heeft, er geen nieuwe feiten naar voren zijn gekomen en gezien de levensfase waarin de verdachte zich nu bevindt.
Het hof is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst, de lange duur en de gevolgen van het misbruik geen andere straf is gerechtvaardigd dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De door de raadsman gesuggereerde straffen doen op geen enkele wijze recht aan de aard en de ernst van het bewezen verklaarde. Ook de door de advocaat-generaal voorgestelde gevangenisstraf acht het hof, in het licht van het hiervoor overwogene, te laag.
Het hof acht, alles afwegende en daarbij rekening houdend met de onwenselijk lange duur van de procedure, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof heeft acht geslagen op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Beroepsverbod
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte een beroepsverbod wordt opgelegd omdat er zorgen bestaan omtrent de omgang van de verdachte met minderjarigen en de verdachte hieromtrent geen openheid van zaken heeft gegeven.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten dateren van 14 jaar geleden, dat de verdachte langere tijd werkzaam is als dansleraar en dat er, ondanks de ruchtbaarheid die aan deze zaak is gegeven, geen nieuwe feiten naar voren zijn gekomen en dat een beroepsverbod niet bedoeld is als extra leedtoevoeging, namelijk dat de verdachte zijn beroep niet meer zou kunnen uitoefenen.
Het hof stelt vast dat de verdachte zijn positie als dansleraar van de jeugdige slachtoffers misbruikte om met hen nader in contact te komen, om indruk op hen te maken en om hun vertrouwen te winnen met gesprekken in de dansschool, waarna hij hen bij hem thuis heeft uitgenodigd. De verdachte heeft verklaard over de wijze waarop hij zijn woning mede gebruikte ten behoeve van zijn activiteiten als dansleraar. Een van zijn jeugdige slachtoffers, die destijds nog helemaal niet met seks bezig was, heeft verklaard dat zij aanvankelijk dacht dat de verdachte haar bij hem thuis misschien wel een dansles wilde geven. In zijn woning ging de verdachte evenwel bij het eerste bezoek over tot vergaande seksuele handelingen met de minderjarige slachtoffers. Naar het oordeel van het hof is daarmee voldaan aan de vereisten van artikel 251 van Pro het Wetboek van Strafrecht om de verdachte te ontzetten van het beroep van dansleraar voor minderjarigen.
Uit de onderhavige zaak blijkt dat de verdachte destijds twee slachtoffers heeft gemaakt waarbij de pleegperiode overlap vertoont. De verdachte heeft geen inzicht willen geven in zijn handelen en daarvoor geen verantwoordelijkheid genomen. De verdachte komt als dansleraar nu nog steeds in contact met meisjes jonger dan 16 jaar en het hof is van oordeel dat dit een onaanvaardbaar risico vormt voor minderjarige meisjes.
Uit een oogpunt van het voorkomen van recidive acht liet hof het noodzakelijk om als bijkomende straf een beroepsverbod aan de verdachte op te leggen, zodat de verdachte ook na ommekomst van zijn gevangenisstraf gedurende vijf jaren niet het beroep van dansleraar voor alle minderjarigen kan uitoefenen.”
4.3
Het beroepsverbod is een bijkomende straf (art. 9 lid Pro 1, aanhef en sub b onder 1 jo art. 28 lid Pro 1, aanhef en sub 5, Sr). Deze straf kan alleen worden opgelegd bij strafbare feiten waarvoor dat in de wet is bepaald. Het verbod strekt ertoe “te voorkomen dat de veroordeelde in de specifieke context waarin het delict speelde opnieuw in de fout zal gaan.” [9] Door de verdachte uit die context te halen, wordt beoogd te voorkomen dat de verdachte nogmaals een delict zal plegen. [10] In geval van een veroordeling tot een tijdelijke vrijheidsstraf dient het beroepsverbod ten minste twee en maximaal vijf jaren langer te duren dan de opgelegde vrijheidsstraf (art. 31 lid Pro sub 2 Sr). [11] Deze constructie voorkomt dat de vrijheidsstraf het beroepsverbod geheel absorbeert. [12]
4.4
Bij de in de onderhavige zaak aan de orde zijn strafbare feiten – een tweetal zedendelicten als bedoeld in art. 245 Sr Pro (het seksueel binnendringen bij minderjarigen tussen de twaalf en de zestien jaren oud) – kan op grond van art. 251 lid 2 Sr Pro een beroepsverbod worden opgelegd, mits die feiten in (de context van) de beroepsuitoefening zijn begaan. [13] De aan de rechter op het terrein van de straftoemeting toebedeelde vrijheid, geldt ook hier. Als een beroepsverbod voor het bewezenverklaarde wettelijk mogelijk is, is het de rechter die bepaalt of de daadwerkelijke oplegging daarvan passend en geboden is. Hij zal daarbij acht slaan op de persoon van de verdachte, de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan. Wanneer die omstandigheden in belangrijke mate worden gekleurd door de beroepsuitoefening van de verdachte, dringt de grond voor het opleggen van een beroepsverbod zich op. De rechter zal daarbij niet alleen terugkijken, maar vooral ook vooruitkijken. Hij zal een inschatting maken van het gevaar voor herhaling en zal, als hij daarvoor vreest, door het opleggen van een beroepsverbod kunnen trachten dat gevaar te beteugelen. Het aan de straftoemeting ten grondslag liggende proportionaliteitsbeginsel brengt met zich mee dat de rechter bij het opleggen van deze sanctie maatwerk levert. [14] Dat geldt zowel voor de beslissing om het verbod op te leggen, als voor de inhoud (oftewel: de reikwijdte) en de duur van het verbod.
4.5
In de onderhavige zaak wordt geklaagd over de omvang van het door het hof opgelegde beroepsverbod. Volgens de steller van het middel is het onbegrijpelijk dat het verbod ook betrekking heeft op het lesgeven aan minderjarige jongens “(i)n aanmerking genomen dat de bewezenverklaarde feiten betrekking hebben op vrouwelijke minderjarigen, (…) er (…) geen aanwijzingen zijn voor seksueel contact (…) met mannelijke minderjarigen dan wel met mannen in het algemeen, en het gerechtshof (…) heeft vastgesteld dat er een onaanvaardbaar risico bestaat voor minderjarige ‘meisjes’ (…)”. Een beroepsverbod om dansles te geven aan mannelijke minderjarigen zou geen enkel doel dienen en het verbod om les te geven aan
alleminderjarigen zou disproportioneel zijn.
4.6
De vraag die voorligt is of de omstandigheden waar de steller van het middel naar verwijst – kort samengevat: de verdachte heeft geen belangstelling voor minderjarige jongens – het opgelegde beroepsverbod onbegrijpelijk maken. Het hof heeft in zijn arrest afzonderlijke motiveringen gewijd aan de opgelegde vrijheidsstraf en aan het opgelegde beroepsverbod In de motivering van de vrijheidsstraf spreekt het hof uitsluitend over de vrouwelijke minderjarige slachtoffers. In de motivering van het beroepsverbod bezigt het hof vooral sekseneutrale woorden als ‘minderjarigen’, ‘jeugdige slachtoffers’ en ‘minderjarige slachtoffers’. Enkel in één zin spreekt het hof over ‘meisjes’. Dat is de zin waar de steller van het middel over struikelt. Die zin luidt: “De verdachte komt als dansleraar nu nog steeds in contact met meisjes jonger dan 16 jaar en het hof is van oordeel dat dit een onaanvaardbaar risico vormt voor minderjarige meisjes.” Deze enkele zin maakt de motivering van de oplegging van een beroepsverbod voor het geven van dansles aan alle minderjarigen, niet onbegrijpelijk en evenmin innerlijk tegenstrijdig. Het hof heeft in die overweging immers ook vastgesteld dat de verdachte de dansschool en zijn positie als dansdocent heeft misbruikt om in contact te komen met zijn slachtoffers en dat de verdachte geen inzicht heeft willen geven in zijn beweegredenen. [15] Ik begrijp dat het hof tegen die achtergrond geen enkel risico heeft willen nemen en de verdachte volledig uit de context van het geven van dansles aan alle minderjarigen heeft willen weren. Kennelijk heeft het hof hierbij voor ogen gestaan dat in het geval de verdachte wel aan minderjarige jongens les zou mogen geven, bepaald niet ondenkbaar is dat de verdachte op die wijze toch in contact zou kunnen komen met minderjarige meisjes. Leeftijdgenoten zoeken elkaar nu eenmaal op. Die situatie heeft het hof willen vermijden. Aldus beschouwd acht ik de motivering van het hof niet onbegrijpelijk.
4.7
In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 september 2022 blijkt dat de verdachte “ook daadwerkelijk lesgeeft aan mannelijke [AG: ik begrijp minderjarige] dansers”. Daarmee zou het belang voor een tot minderjarige meisjes beperkt beroepsverbod zijn gegeven. Uit datzelfde proces-verbaal blijkt echter ook dat met de verdachte destijds de afspraak was gemaakt dat hij alleen les gaf aan mensen van 16 jaar en ouder en dat hij geen les gaf aan kinderen jonger dan 16/17 jaar. Afgezien van het feit dat de verdachte zich blijkens het arrest en de bewezenverklaarde feiten niet aan die afspraak heeft gehouden, brengt enkel en alleen al het bestaan van die afspraak met zich mee dat het opgelegde beroepsverbod niet snel disproportioneel kan worden geacht. De omstandigheid dat het hof het beroepsverbod niet heeft beperkt tot minderjarige meisjes sluit immers naadloos aan bij die afspraak.
4.8
In de toelichting op het middel wordt ook nog vermeld dat het opgelegde beroepsverbod verbazing wekt. Ik zie dat anders. In eerste aanleg is, na een daartoe strekkende eis van de officier van justitie en conform het advies van de reclassering, door de rechtbank een beroepsverbod opgelegd dat zich uitstrekt tot het lesgeven aan alle minderjarigen. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal oplegging van hetzelfde verbod gevorderd. Bij die voorgeschiedenis kan toch niet worden gezegd dat wanneer het hof de advocaat-generaal in de eis volgt, het opgelegde verbod verbazing wekt. Dat hing toch in de lucht. Afgezien daarvan, wekt het niet eerder verbazing dat uit de stukken niet blijkt dat van de zijde van de verdediging in feitelijke aanleg nimmer een punt is gemaakt van een beroepsverbod dat meer omvat dan een verbod op het lesgeven aan minderjarige meisjes? Er is enkel geopponeerd tegen het opleggen van een beroepsverbod an sich. Bij die stand van zaken mist het betoog dat een beroepsverbod dat meer omvat dan een verbod op het lesgeven aan minderjarige meisjes disproportioneel zou zijn, in cassatie al snel feitelijke grondslag.
4.9
Het middel faalt. De opgelegde bijkomende straf is niet disproportioneel. Niets staat eraan in de weg dat de verdachte zijn beroep van dansleraar gewoon kan blijven uitoefenen ten aanzien van meerderjarigen.

5.Slotsom

5.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 12 februari 2013, ECLI:2013:BZ1890,
2.Zie o.a. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452,
3.Zie bijvoorbeeld HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1354,
4.Corstens/Borgers & Kooijmans, a.w., p. 851.
5.Aldus annotator W.H. Vellinga in de afsluitende zin van zijn noot onder HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:1594,
6.Zoals in HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094,
7.HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1817,
8.HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1095, rov. 2.3.
9.F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter,
10.M. Malsch, W.C. Alberts, J.W. de Keijser en J.F. Nijboer,
11.Zie voor een voorbeeld waarin de opgelegde ontzetting te lang duurde HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:606.
12.P.C. Vegter, in: J. Boksem e.a. (red.),
13.Art. 245 Sr Pro is sinds 1 januari 2005 opgenomen in art. 251 Sr Pro. Dat is gebeurd in het kader van de uitvoering van het Kaderbesluit van de Raad ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie (2004/68/JBZ; later vervangen door Richtlijn 2011/93/EU).
14.Het Wetboek van Strafrecht bevat geen algemene richtsnoeren voor de straftoemeting. In de literatuur worden deze afgeleid uit art. 9a Sr (waarin wordt gerefereerd aan de ernst van het feit, de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd) en art. 24 Sr Pro (bevattende het draagkrachtbeginsel, oftewel het evenredigheids- dan wel proportionaliteitsbeginsel). Zie o.m. P.A.M. Mevis,
15.In de motivering van de opgelegde vrijheidsstraf spreekt het hof over een verdachte die ‘op slinkse wijze’ misbruik heeft gemaakt van zijn positie als dansleraar en daarbij ‘doelbewust en berekenend’ te werk is gegaan. Ook vallen de woorden ‘doortrapt’.