Conclusie
1.Korte aanduiding van de zaak
2.Feiten en procesverloop
De wrakingskamer heeft ter zitting mondeling uitspraak gedaan en heeft het wrakingsverzoek afgewezen. [11]
[verweerster] heeft bij e-mail van 11 augustus 2022 laten weten dat zij niet instemt met kennisneming door het hof van de correspondentie met THT.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Ter onderbouwing van dat verzoek is gesteld dat uit het proces-verbaal (p. 5) is gebleken dat de voorzitter van het hof kennelijk vragen heeft voor THT die tijdens de mondelinge behandeling niet beantwoord konden worden, zodat THT de gelegenheid dient te krijgen daarvan kennis te nemen en deze (schriftelijk of tijdens een mondelinge behandeling) te beantwoorden(curs. A-G). THT zou daarbij tevens een rapport van de Belastingdienst van 25 oktober 2021 willen inbrengen en bespreken. Dit rapport en de aanbiedingsbrief heeft THT - zonder toestemming van [verweerster] - als bijlagen bij de e-mail van 10 augustus 2022 aan het hof toegezonden.
Deze e-mail is ingekomen nadat het partijdebat is gesloten en een datum voor arrest is bepaald. [verweerster] heeft bij e-mail van 11 augustus 2022 laten weten dat zij niet instemt met kennisneming door het hof van de correspondentie met THT.”
8. Klaarblijkelijk heeft het gerechtshof (…) geoordeeld dat geen aanleiding bestond om de zitting uit te stellen en cliënte de gelegenheid te bieden een nieuwe advocaat te stellen.
Ik behandel deze constatering/impliciete klacht hierna onder 3.31 e.v. tezamen met de behandeling van par. 4.4 van de procesinleiding.
Bij de bespreking van deze onderdelen neem ik het volgende juridisch kader tot uitgangspunt.
Juridisch kader(i) De mondelinge behandeling en gevolgen van niet-verschijnen
De door het hof bepaalde datum van 1 juni 2022 was door beide partijen niet als verhinderdatum opgegeven. [16]
a. indien tussen de dag waarop de verhinderdata uiterlijk moesten zijn opgegeven en de datum waarop de dagbepaling heeft plaatsgevonden meer dan twee weken zijn verstreken [17] , of
b. indien sprake is van klemmende redenen of overmacht.
Daarnaast bepaalt artikel 7.6 van het procesreglement dat onttrekking van de advocaat aan de zaak voorafgaande aan de zitting onvoldoende reden is voor uitstel van de zitting, tenzij het hof anders beslist.
Bedoelde gevolgtrekking moet wel ten minste zodanig worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing zowel voor partijen als voor derden — in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen — controleerbaar en aanvaardbaar te maken. [18]
Transautrex/De Staat [19] in dit verband het volgende overwogen:
Hetzelfde is bepaald in artikel 5.5 van het procesreglement. Daarin is opgenomen dat het hof geen kennis neemt van berichten van een partij die het hof bereiken nadat arrest is bepaald, tenzij de wederpartij met de kennisneming heeft ingestemd. [20]
Transavia/Racadio c.s.van 3 mei 2013. [21] De Hoge Raad voegde in dit arrest daaraan het volgende toe:
onderdeel 3wordt geklaagd dat indien het hof wel van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan, de kennelijke afwijzing door het hof van de door THT aangevoerde grond, onbegrijpelijk of onvoldoende is gemotiveerd. Het hof heeft namelijk, ondanks zijn aankondiging daartoe in rov. 5.4, niet vastgesteld, laat staan gemotiveerd, dat het beraad in raadkamer het hof tot het inzicht heeft gebracht dat hij geen nadere informatie meer behoefde om een beslissing te nemen. Het woord “raadkamer” komt daarna in het arrest niet voor, aldus het onderdeel.
Bovendien kon het geven van een nadere motivering volgens het onderdeel wel van het hof worden verwacht, omdat in de brief van THT van 10 augustus 2022, onder 12 en 13, is gesteld dat:
Voor de beslissing op een heropeningsverzoek geldt verder meer in het bijzonder dat de rechter deze beslissing niet hoeft te motiveren, tenzij sprake is van een procedure waarbij de rechter zijn beslissing dient te baseren op de toestand ten tijde van zijn uitspraak. Het hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat de onderhavige procedure niet in die categorie valt. Het hof hoefde zijn afwijzing dus niet te motiveren.
Daarbij voert het onderdeel, samengevat, opnieuw aan dat het hof er immers aan voorbij heeft gezien dat de (voornaamste) reden voor heropening is gelegen in de omstandigheid dat het hof het onderzoek heeft gesloten hoewel hij niet over alle informatie beschikte waarover hij kennelijk meende te moeten beschikken om de zaak te kunnen berechten.
Voorts voert het onderdeel aan dat de voorzitter aan het einde van de zitting [24] heeft opgemerkt dat deze de vragen voor THT op dat moment niet kon bespreken. Daaruit volgt dat het hier niet het risico betrof waarover het hof in het arrest heeft gesproken, maar de onmogelijkheid waarvoor het hof zich gesteld zag ter zitting om aan THT de vragen te stellen die het hof kennelijk had willen stellen, aldus, zakelijk weergegeven, het onderdeel.
Ook onderdeel 5 kan derhalve niet tot cassatie leiden.