Conclusie
cancellable swapgesloten met Rabobank in het kader van financiering door Rabobank. In deze procedure vorderen zij onder meer schadevergoeding op de grond dat Rabobank haar zorgplicht heeft verzaakt. Het hof heeft geoordeeld dat het beroep van Rabobank op verjaring slaagt en de vorderingen afgewezen. Ik meen dat het oordeel dat de vorderingen zijn verjaard, in cassatie vergeefs wordt bestreden. Een van de klachten over miskenning van de devolutieve werking van het hoger beroep slaagt naar mijn mening.
instemming’:
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt dat het hof niet is ingegaan op de stellingen van Wayland c.s. in de inleidende dagvaarding dat het beroep van Rabobank op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dat de verjaringstermijn op grond van artikel 3:321 BW Pro is verlengd en dat Rabobank op de voet van artikel 3:322 BW Pro afstand van verjaring heeft gedaan.
Onderdeel 2klaagt over het verjaringsoordeel in rov. 4.6.
onderdeel 2en daarna
onderdeel 1.
Belastingadvies Maltaroute), waarin is overwogen: [8]
subonderdeel 2.1heeft hof de toepasselijke maatstaf te ruim heeft uitgelegd omdat de brief van Wayland c.s. van 6 april 2010 niet rept van schade en Wayland c.s. daarin hun aanvankelijke doelstelling – het van tafel krijgen van de
cancellable swaps– neerwaarts hebben bijgesteld. Wayland c.s. hebben in die brief Rabobank uitsluitend verzocht een beter voorstel te doen om de geschillen tussen partijen op te lossen, aldus de klacht.
Subonderdeel 2.2verbindt hieraan een motiveringsklacht.
cancellable swapsongeschikt waren en dat Rabobank haar zorgplicht had geschonden en dat niet ter discussie staat dat ICC een ter zake kundige adviseur op het gebied van rentederivaten is. Het hof concludeert dat Wayland c.s. (in ieder geval) op 6 april 2010 de kennis en het inzicht hadden die nodig waren om te beoordelen of Rabobank een deugdelijke prestatie had geleverd door de
cancellable swapste adviseren en met hen af te sluiten en om te beoordelen of Wayland c.s. daarbij al dan niet had voldaan aan haar informatie-, waarschuwings- en vergewisplicht. De in
subonderdeel 2.1genoemde omstandigheden dat in die brief niet wordt gesproken van schade en dat de brief werd geschreven in het kader van onderhandelingen, staan daaraan naar mijn mening niet noodzakelijkerwijs in de weg, te meer nu de door het hof geciteerde brief melding maakt van nadelen die volgens Wayland c.s. verbonden waren aan de swaps.
subonderdeel 2.2aangevoerde grond dat de brief van Wayland c.s. van 6 april 2010 alleen gaat over de onderhandelingen met betrekking tot de geschillen over de financiering. Dit staat immers niet in de weg aan het oordeel dat Wayland c.s. inzicht hadden verkregen in de ongeschiktheid van de geadviseerde swaps. Anders dan
subonderdeel 2.2veronderstelt, heeft het hof zijn beoordeling niet gebaseerd op het rapport van ICC, maar op de brief die Wayland c.s. naar aanleiding daarvan schreven aan Rabobank.
cancellable swapszijn opgenomen. Dat maakt niet uit, omdat de later naar voren gebrachte verwijten 2, 4 en 5 voortvloeien uit tekortkomingen waarmee Wayland c.s. op 6 april 2010 wél bekend waren. Deze redenering van het hof is niet onbegrijpelijk en het hof heeft in dit verband terecht meegewogen dat Wayland c.s. ter zake van deze tekortkomingen – die niet in de brief van 6 april 2010 zijn terug te vinden – niet apart meer of andere schade hebben gevorderd.
Subonderdeel 1.1.1voert aan dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend door niet in te gaan op de stellingen van Wayland c.s. die zij in de inleidende dagvaarding ten grondslag hebben gelegd aan het betoog dat een mogelijk beroep van Rabobank op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, en die zij niet hebben prijsgegeven. Volgens
subonderdeel 1.1.2is het oordeel onbegrijpelijk, omdat één of meerdere van deze stellingen tot het oordeel zouden kunnen leiden dat het beroep van Rabobank op de verjaring van de vorderingen van Wayland c.s. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
(ii) Rabobank diende in september 2014 op last van de Minister van Financiën het dossier van Wayland c.s. te herbeoordelen. Rabobank heeft dat uiteindelijk pas op 15 juli 2015 gedaan, zij het onjuist en ondeugdelijk. Gelet op het UHK had moeten worden geoordeeld dat de cancellable swaps ongeschikte en non-conforme producten zijn. Pas op 29 maart 2018 heeft Rabobank Wayland c.s. bericht dat de cancellable swaps niet onder de reikwijdte van het UHK vallen, zodat Wayland c.s. Rabobank niet eerder in rechte hebben kunnen betrekken. (dagvaarding nr. 425)
(iii) Wayland c.s. en Rabobank hebben tussen 2014 en 2018 steeds met elkaar gesproken over de cancellable swaps en Wayland c.s. hebben op advies van Rabobank gewacht tot duidelijk was of het UHK van toepassing zou zijn. De verjaringstermijn kan dan ook niet eerder zijn aangevangen dan het moment waarop duidelijk werd dat de cancellable swaps niet onder het UHK vielen. (dagvaarding nr. 426)
(iv) De verjaringstermijn is in ieder geval niet eerder aangevangen dan nadat Wayland c.s. hun advocaat in de arm hadden genomen, waarbij Wayland c.s. erop hebben gewezen dat een cliënt van de bank niet zonder meer op de hoogte hoeft te zijn van het bestaan van de zorgplicht van de bank. De bank is immers een professionele en bij uitstek deskundige dienstverlener en bij de cliënt ontbreekt deze professionaliteit en deskundigheid. Voorts mag een cliënt van de bank, indien hij wél op de hoogte is van deze zorgplicht, ervan uitgaan dat de bank deze zorgplicht jegens hem naleeft. Het niet naleven van de zorgplicht is namelijk geen tekortkoming van de bank die de cliënt zonder meer behoort op te merken. Op de cliënt rust pas een onderzoeksplicht indien hij van de zorgplicht op de hoogte is en gerede aanleiding heeft te veronderstellen dat de bank daarin kan zijn tekortgeschoten. (dagvaarding nr. 426)
(v) Wayland c.s. waren niet volledig op de hoogte van de zorgplicht van Rabobank en als dat al anders zou zijn, hadden zij erop mogen rekenen dat Rabobank die zorgplicht zorgvuldig zou hebben nageleefd. Op grond van jurisprudentie rustte op Wayland c.s. geen onderzoeksplicht, zelfs niet bij verlieslatende beleggingen. Toen Wayland c.s. het idee kregen dat er iets niet in de haak was hebben zij contact opgenomen met Rabobank. (dagvaarding nrs. 427-428).
(vi) De verjaringstermijn vangt aan op de dag nadat Wayland c.s. zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon daadwerkelijk bekend zijn geworden. De verjaringstermijn is dan ook aangevangen daags nadat Wayland c.s. een advocaat in de arm hadden genomen en die advocaat hen voor het eerst heeft gewezen op de risico's en hen kenbaar heeft gemaakt dat de cancellable swaps ongeschikt zijn voor de doeleinden die Wayland c.s. voor ogen stonden en dat die cancellable swaps bovendien het renterisico niet afdekten. (dagvaarding nrs. 429-430)
(vii) De verjaring is in ieder geval pas gaan lopen op het moment dat Rabobank Wayland c.s. de – ondeugdelijk uitgevoerde – herbeoordeling heeft verstrekt, te weten op 15 juli 2015. Zelfs in deze herbeoordeling meent Rabobank nog dat haar niets te verwijten valt, zodat niet kan worden gezegd dat Wayland c.s. daar wel van op de hoogte zouden moeten zijn. Nu vaststaat dat de herbeoordeling ondeugdelijk is, staan de redelijkheid en billijkheid eraan in de weg dat inmiddels een aantal jaar is verstreken. (dagvaarding nr. 431)
(viii) Rabobank heeft in de herbeoordeling gemeld geen fouten te hebben gemaakt en zij heeft Wayland c.s. steeds bericht het UHK af te wachten, waarmee Rabobank geruststellende mededelingen aan Wayland c.s. heeft gedaan. Wanneer een professionele wederpartij, zoals Rabobank, ontkent dat een fout is gemaakt, kan de verjaringstermijn nog niet aanvangen. (dagvaarding 432-434)
Wayland c.s. hebben die stellingen in het kader van hun beroep op artikel 6:2 lid 2 BW Pro geplaatst in de sleutel van het betoog dat zij Rabobank niet eerder in rechte hebben kunnen betrekken. Dit is een betoog dat op zichzelf kan worden gevoerd in het kader van artikel 6:2 lid 2 BW Pro, maar het kan ook (en misschien wel beter) worden betrokken op het aanvangsmoment van de korte verjaringstermijn, omdat het daarbij gaat om de vraag wanneer de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen (zie hiervoor in 3.7.2).
Het hof heeft in rov. 4.6, slot, geconcludeerd dat Wayland c.s. (in ieder geval) op 6 april 2010 de kennis en het inzicht hadden die nodig waren om te beoordelen of Rabobank een deugdelijke prestatie had geleverd door de swaps te adviseren en met hen af te sluiten en om te beoordelen of Wayland c.s. daarbij al dan niet had voldaan aan haar informatie-, waarschuwings- en vergewisplicht. Daarmee is het hof ook ingegaan op de stellingen die Wayland c.s. in de dagvaarding hadden aangevoerd in het kader van hun beroep op artikel 6:2 lid 2 BW Pro.
Gezien de aard van deze stellingen en het betoog van Wayland c.s., valt niet in te zien dat het hof daarnaast deze stellingen nogmaals afzonderlijk zou moeten bespreken in het kader van een beroep op artikel 6:2 lid 2 BW Pro. De omstandigheid dat een schuldeiser geen verwijt kan worden gemaakt van het niet tijdig instellen van een rechtsvordering, maakt een beroep op verjaring immers nog niet zonder meer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (zie hiervoor in 3.7.1). Het voorgaande geldt uiteraard ook voor zover de overige in
subonderdeel 1.1.1genoemde stellingen van Wayland c.s. erop neerkomen dat haar niet verweten kan worden eerder actie te hebben ondernomen.
Het hof heeft afdoende gereageerd op deze stellingen in zijn rov. 4.6. Daarin ligt een verwerping besloten van het betoog, kort gezegd, dat Wayland c.s. eerst kennis hadden van de door hen aan Rabobank verweten zorgplichtschending nadat zij een advocaat in de arm hadden genomen (in 2016) dan wel Rabobank uitsluitsel had gegeven over de toepassing respectievelijk de toepasselijkheid van het UHK (in 2015 en 2018).
cancellable swapsen Wayland c.s. op advies van Rabobank hebben gewacht tot duidelijk was of het UHK van toepassing zou zijn. Het enkele feit dat partijen met elkaar hebben gesproken, is echter onvoldoende voor een geslaagd beroep op artikel 6:2 lid 2 BW Pro (zie hiervoor in 3.7.2). Dat Rabobank heeft geadviseerd te wachten (kennelijk: met een aansprakelijkheidstelling), is een blote stelling van Wayland c.s. die door Rabobank in feitelijke instanties is bestreden. [19] Het hof behoefde daarom niet afzonderlijk op deze stelling in te gaan.
cancellable swapsongeschikt waren en dat zij Wayland c.s. hierover geen duidelijkheid heeft verschaft, maar dat zij ervoor heeft gekozen haar algemene voorwaarden in stilte te wijzigen. Het hof heeft dit verweer niet, althans niet kenbaar, in zijn oordeel betrokken en heeft daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de klacht. Voor het geval aangenomen moet worden dat het hof het voornoemde verweer van Wayland c.s. wél in zijn oordeel heeft betrokken, klaagt
subonderdeel 1.2.2dat het oordeel onbegrijpelijk is, omdat het hof dan ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de voornoemde, essentiële stelling van Wayland c.s.
cancellable swapszou worden geparkeerd en dat Wayland c.s. al haar rechten ter zake behoudt.
Voorts wijst de klacht erop dat Wayland c.s. hebben gesteld (iii) dat Rabobank op 2 februari 2018 Wayland c.s. per e-mail heeft bericht dat naar voorlopig oordeel van Rabobank het UHK niet van toepassing is op de
cancellable swapsen dat de klachten die Wayland c.s. in haar brief van 22 december 2017 heeft geuit (alsnog) door haar zullen worden behandeld indien en voor zover het UHK niet van toepassing zou zijn. Rabobank heeft Wayland c.s. daarbij verzocht geduld en begrip te hebben voor de lange termijn waarop de klachten kunnen worden behandeld.
Het vraagstuk van de renteswaps wordt geparkeerd, met behoud van rechten”. Aan deze passage uit het gespreksverslag hebben Wayland c.s. in de dagvaarding nr. 129 als hun conclusie verbonden: ”
Partijen spreken af dat eisers hun rechten – als gevolg van het verstrijken van de tijd – niet verliezen”.Rabobank is, voor zover ik kan zien, in feitelijke instanties niet ingegaan op deze stelling in het kader van haar beroep op verjaring.
Subonderdeel 1.3.1wijst hier terecht op en dient naar mijn mening te slagen. [25] Rabobank voert in cassatie aan (schriftelijke toelichting nr. 34) dat Wayland c.s. voor een beroep op afstand van verjaring onvoldoende hebben gesteld in de dagvaarding nrs. 444-446. Ik meen dat het hof de stellingen in de dagvaarding nrs. 129 en 444-446 in onderling verband had dienen te lezen en de gegrondheid van het beroep op afstand van verjaring had dienen te onderzoeken. Na cassatie en verwijzing kan alsnog onderzocht worden of het beroep van Wayland c.s., op afstand van verjaring slaagt. Hetgeen in het subonderdeel overigens nog wordt aangevoerd kan daarbij, zo nodig, nog aan de orde komen.
subonderdeel 1.3.1bedoelde mededelingen van Rabobank en de afspraak met Rabobank er niet toe zouden moeten leiden dat het beroep van Rabobank op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
subonderdeel 1.4treft het slagen van één of meerdere klachten van de vorige subonderdelen ook het oordeel van het hof in rov. 4.10, omdat het hof ook bij de beoordeling van vordering IV het verweer van Wayland c.s. tegen het beroep op verjaring niet, althans niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken.
onderdeel 1. Het slaagt ook niet voor zover het voortbouwt op
subonderdeel 1.3.1.
In rov. 4.9-4.10 gaat het over een in oktober 2017 tussen partijen gemaakte afspraak ter beslechting van een toen tussen hen bestaand geschil over de door Rabobank in 2009 doorgevoerde opslagverhogingen (rov. 4.9). Wayland c.s. waren reeds in oktober 2011 bekend met de feiten en omstandigheden waarop hun beroep op, kort gezegd, een wilsgebrek ter zake van deze afspraak is gegrond, zodat toen de verjaringstermijn van drie jaar (artikel 3:52 lid 1 onder Pro b en c BW) is gaan lopen. Zij hebben de vernietiging eerst ingeroepen in hun akte in eerste aanleg van 20 november 2019, en dat was te laat. Daarom wijst het hof de vorderingen III en IV af (rov. 4.10).
Rabobank wijst er naar mijn mening terecht op dat Wayland c.s. hun beroep (onder meer) afstand van verjaring hebben betrokken op hun vorderingen I en II ter zake van het sluiten van de
cancellable swaps, maar niet ook op hun vorderingen III en IV ter zake van de vernietigbaarheid van afspraak van oktober 2017 over de opslagverhogingen. [26] Het slagen van
subonderdeel 1.3.1heeft daarom geen gevolgen voor het oordeel in rov. 4.10.
subonderdeel 1.3.1dat slaagt.
subonderdeel 1.3.1,het bestreden arrest dient te worden vernietigd en de zaak dient te worden verwezen naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.