Conclusie
De verklaring van verdachte,afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van [geboortedatum] 2022, voor zover inhoudende:
Een proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 2] namens [A] B.V.te [plaats] , gedateerd 16 oktober 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 6 e.v.):
Een proces-verbaal van bevindingen, gesloten op 16 oktober 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 12 e.v.):
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 1], gesloten op 16 oktober 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 32 e.v.):
Een proces-verbaal van bevindingen, gesloten op 22 oktober 2022, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 36):
NJ2019/310, m.nt. Rozemond stelt de Hoge Raad in rov. 2.5.3 voorop dat uit de wetsgeschiedenis van art. 416 lid 1 Sr Pro volgt dat de wetgever met het opnemen van het bestanddeel “ten tijde van” onder meer het verwerven of voorhanden krijgen van het goed, heeft willen bewerkstelligen dat in het geval dat iemand eerst na het verwerven of voorhanden krijgen wetenschap heeft verkregen van de herkomst uit misdrijf, hij niet strafbaar is ter zake van opzetheling. Bij de bewijsvoering ter zake van de wetenschap van de herkomst uit misdrijf “ten tijde van” onder meer het voorhanden krijgen van een goed mag, aldus nog altijd de Hoge Raad in voormeld arrest uit 2019 (rov. 2.5.4), de rechter betrekken dat aanwijzingen ontbreken dat de wetenschap van de herkomst uit misdrijf eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen van het goed. Daarbij kan de procesopstelling van de verdachte een rol spelen. De rechter mag aldus bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven (rov. 2.3.3). De Hoge Raad komt in de vier genoemde zaken telkens tot een verwerping van de tegen het bewijs van opzetheling aangevoerde klacht, waarbij aan het ontbreken van een aannemelijke verklaring van de verdachte betekenis wordt toegekend voor het bewijs dat de verdachte ook ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed moet hebben geweten dat het was verkregen uit misdrijf. [3]