Uitspraak
1.Geding in cassatie
's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2.Beoordeling van het middel
[CC-00-DD] .
3.Beslissing
29 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die tussen juni 2014 en januari 2016 een aanhanger van het merk Hapert voorhanden had waarvan hij wist dat deze door diefstal of verduistering was verkregen. Het hof oordeelde dat verdachte opzettelijk handelde, mede vanwege het feit dat hij een vals kenteken monteerde dat hij de dag ervoor had gehuurd om de ware identiteit van de aanhanger te verhullen.
De bewijslast bestond uit verklaringen van diverse betrokkenen, politieprocessen-verbaal, GPS-trackinggegevens en een onderzoek naar het voertuigidentificatienummer en kenteken. Verdachte kon geen aannemelijke verklaring geven voor het bezit van de aanhanger en het valse kenteken. Het hof concludeerde dat verdachte willens en wetens de aanhanger voorhanden had die afkomstig was uit enig misdrijf.
De advocaat-generaal adviseerde vernietiging en terugwijzing, maar de Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof. Het arrest benadrukt dat het ontbreken van een geloofwaardige verklaring door verdachte en de montage van een vals kenteken voldoende bewijs vormen voor opzetheling.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en bevestigt dat het hof de bewijsvoering zorgvuldig heeft gewogen. Het arrest werd uitgesproken op 29 januari 2019 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor opzetheling van een door misdrijf verkregen aanhanger.