Conclusie
II.De achtergrond van de zaak
De bewezenverklaring
De bewijsmiddelen
als verklaring van [verdachte]:
als relaas van [betrokkene 2] , opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee:
als relaas van [betrokkene 4] , opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee:
als relaas van [betrokkene 6] , adjudant onderofficier der Koninklijke Marechaussee:
als relaas van [betrokkene 7] , senior medewerker Forensische Opsporing:
als bijlage 02 betreffende een foto:
De bewijsoverwegingen
Het juridisch kader
betekenisvan het begrip ‘voorwerp’ in art. 142a lid 1 Sr vooralsnog niet beantwoord. Wel is in lagere rechtspraak een aantal zaken te vinden waarin de verdachte werd vervolgd voor het plaatsen van een nepbom. In een aantal gevallen ging het om visueel sterk op een bom gelijkende voorwerpen. [9] Ook een meer provisorisch aandoend voorwerp als een kartonnen doos met daarin een baksteen en twee vellen papier en drie kranten leidde tot een veroordeling. [10] In één geval ging het – net als in de voorliggende zaak – om een nepbom die in een koffer was verstopt [11] , en in een ander geval om een pakketje dat was achtergelaten in een afvalbak voor de rechtbank in Groningen. [12] In geen van deze zaken stelde de feitenrechter eisen aan het voorwerp. Dat laat onverlet dat de aard of het uiterlijk van het voorwerp wel een rol kan spelen in de overwegingen van de rechter omtrent het vereiste oogmerk van de verdachte. Zo woog de rechtbank Amsterdam in de in voetnoot 9 aangehaalde zaak bij haar oordeel dat de verdachte met het oogmerk had gehandeld een ander ten onrechte te doen geloven dat door het voorwerp een ontploffing kan worden teweeggebracht onder meer mee dat de achtergelaten doos de uiterlijke kenmerken van een nepbom had. [13] In haar vonnis van 6 juni 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:3490 oordeelde de rechtbank Midden-Nederland dat de verdachte niet met het vereiste oogmerk om anderen te doen laten geloven dat er een nepbom was die zou kunnen ontploffen had gehandeld, onder meer omdat het door de verdachte geplaatste pakketje feitelijk niet meer betrof dan een klein doosje met duct tape eromheen, het open was aan één uiteinde en er geen zichtbare bedrading was. Diezelfde rechtbank kwam ook in haar vonnis van 1 april 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1220 tot een vrijspraak wegens het ontbreken van het vereiste oogmerk. De verdachte in die zaak had een nepbom, die hij als surprise voor een vriend had gemaakt, per ongeluk achtergelaten op het perron van station Utrecht Lunetten. Volgens de rechtbank had de verdachte de surprise niet achtergelaten met als doel anderen ten onrechte te laten geloven dat hiermee een ontploffing teweeg kon worden gebracht. Naar haar oordeel was evenmin sprake van noodzakelijkheidsbewustzijn. Daarbij betrok de rechtbank de omstandigheid dat de verdachte leed aan verschillende psychische stoornissen, waaronder concentratie- en geheugenstoornissen, alsook het feit dat medewerkers van de instelling waar de verdachte verbleef hem er niet op hadden gewezen dat anderen zouden kunnen schrikken of een verkeerde indruk zouden krijgen van de surprise. Tot slot noem ik het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 5 april 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:1485. De verdachte had bij de hoofdingang van een ziekenhuis in Emmen een gele plastic tas achtergelaten, met daarin een basketbal waaraan elektriciteitskabel(s) en flesjes met kleurloze vloeistof waren bevestigd, die van verschillende teksten waren voorzien. De verdachte was niet vervolgd voor het plaatsen van een nepbom als bedoeld in art. 142a lid 1 Sv, maar voor bedreiging door een nepbom te plaatsen bij die hoofdingang. De rechtbank overwoog in dat verband dat een dergelijk samenstel van voorwerpen ontegenzeggelijk de suggestie van een explosief voorwerp wekt en dat het daarmee naar objectieve maatstaven redelijkerwijs geschikt was om bij het personeel van het ziekenhuis, patiënten of andere bezoekers vrees aan te jagen dat zij het slachtoffer zouden kunnen worden van een ontploffing of een brand. Hieraan deed volgens de rechtbank niet af dat zich in de tas (en dus niet van buitenaf zichtbaar) een briefje bevond waarop het woord “NEP” – in samenhang met allerlei andere teksten, en dus niet los – was geschreven.
Belgiëhet plaatsen van een nepbom strafbaar is gesteld in art. 328 Strafwetboek Pro (ik begrijp: art. 328bis Strafwetboek), dat luidt:
Franserecht in dit verband slechts expliciet strafbaar het doen van valse bommeldingen (art. 322-14 Code Pénal) en niet ook het plaatsen van een nepbom. Ook daar worden dergelijke gedragingen vermoedelijk vervolgd als strafbare bedreiging. Art. 222-17 van de Code Pénal bepaalt:
Duitsestrafrecht levert het plaatsen van een nepbom evenmin een afzonderlijk strafbaar feit op. Wel is in bredere zin strafbaar het veinzen dat een bepaald (min of meer ernstig) strafbaar feit wordt gepleegd. Par. 126 lid 2 van het Strafgesetzbuch luidt:
Verenigd Koninkrijkheeft het plaatsen van een nepbom wél expliciet strafbaar gesteld, namelijk in section 51 lid 1 van de Criminal Law Act 1977, luidend: [24]
Verenigde Staten van Amerikakent weliswaar geen equivalent van het Nederlandse art. 142a lid 1 Sr [26] , maar in verschillende staten is het plaatsen van een nepbom wél (op uiteenlopende wijze) vastgelegd in het eigen statelijke strafrecht. Ik noem bijvoorbeeld art. 46.08 van de Texas Penal Code, dat luidt:
Perez v. State, waarin de verdachte een tas had meegenomen naar een gerechtsgebouw, met daarin metalen voorwerpen, batterijen, elektronische apparaten en gereedschap, en ook een draad die verbonden was met een leeg blikje buiten de tas. Omdat de onderdelen op explosieven leken en bedoeld waren om alarm teweeg te brengen, werd de verdachte in eerste aanleg veroordeeld voor het bezit van een nepbom. De veroordeling bleef in hoger beroep in stand. The Court of Appeals for the First District of Texas overwoog in zijn beslissing van 9 april 2009 onder meer dat het aannemelijk is dat mensen bij het zien van de voorwerpen die Perez in zijn tas had, mede gelet op de wijze waarop ze daarin gerangschikt waren, zouden denken dat het om (onderdelen van) een explosief ging.
Het eerste en het tweede middel en de bespreking daarvan
voorwerpop de keper beschouwd geen gelijkenis vertoont met een bom of explosief. Weliswaar is denkbaar dat wanneer in een dergelijk scenario een bekennende verklaring van de verdachte of overige aanwijzingen die hun licht kunnen schijnen op de intentie van de verdachte ontbreken, zich bewijstechnische problemen kunnen voordoen ter zake van het vereiste oogmerk. Aan de vaststelling van het
oogmerkzou in dat geval wel kunnen bijdragen de mate waarin het gebruikte voorwerp op een bom of explosief lijkt of een dergelijk artefact herbergt, alsook de mate waarin dat zichtbaar is voor anderen. De
aardvan het voorwerp speelt dan echter niet zozeer een rol bij de bepaling of is voldaan aan de eis van art. 142a Sr dat sprake is van een ‘voorwerp’, maar kan wel alsnog van betekenis zijn in het kader van de beoordeling van de vraag naar het bestaan van het oogmerk van de verdachte.
nepbom) te laten lijken en door de productbeschrijving van de modelleerklei en papieren die betrekking hebben op de beveiliging van Defensieterreinen in de koffer te stoppen.
NJ2004/413 wordt betoogd dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet, althans onvoldoende met redenen is omkleed, omdat het hof in de bewijsmiddelen een foto heeft opgenomen terwijl in de bewijsconstructie een toelichting ontbreekt waarom deze foto redengevend is voor het bewijs. De stellers van het middel doelen daarbij op een foto van de inhoud van de koffer, die het hof als bewijsmiddel 6 heeft opgenomen in de aanvulling op het arrest en tevens in de bewijsmotivering heeft getoond (zie hiervoor onder de randnummers 7 en 8).
Het middel
Het verweer van de verdediging
public watchdogin onze democratische samenleving. Natuurlijk weet hij dat journalisten geen vrijbrief hebben voor het overtreden van de wet omdat zij nu eenmaal journalist zijn. Maar hij weet ook dat dat overtreden onder omstandigheden wel degelijk gerechtvaardigd is en nodig om belangrijke informatie te kunnen vergaren en brengen aan het publiek.
inhoudvan de koffer “voorbij [gaat] aan het toelaatbare binnen de voornoemde exceptie” en daarom toch vervolging ingesteld voor het feit waar het vandaag over gaat – enigszins gechargeerd: omdat er schroefjes in de koffer zaten.
chilling effectop de pers in het algemeen en negatieve invloed op het gevoel dat het slecht gesteld is met de persvrijheid in Nederland zouden onmiskenbaar algemeen gevoelde gevolgen zijn van een voor client ongunstige uitspraak van Uw Hof. De bereidheid van journalisten onderzoek te doen waarbij op de rand van het toelaatbare zal moeten worden geopereerd zal zonder twijfel verder afnemen, terwijl het belang van een goede onderzoeksjournalistiek in een democratische rechtsstaat van eminent belang is. Er staan dus grotere belangen op het spel dan alleen de persoonlijke van client.
De beslissing van het hof op het gevoerde verweer
De bespreking van het middel
NJ2013/294, m.nt. Dommering in zijn oordeel niet betrokken (i) de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm, gelet op het belang van het geschonden voorschrift en (ii) het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmaking.
NJ2013/294, m.nt. Dommering bepaald dat journalisten bij hun werkzaamheden slechts onder bijzondere omstandigheden zijn ontslagen van hun plicht zich aan de strafwet te houden. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de vervolging en van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit dient, vooropgesteld dat de journalist te goeder trouw en op grond van een accurate feitelijke basis handelt en betrouwbare en precieze informatie geeft in overeenstemming met de journalistieke ethiek, in het bijzonder de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm, gelet op het belang van het geschonden voorschrift, te worden afgewogen tegen het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmaking, het daadwerkelijke nadeel dat door het bewezenverklaarde feit is ontstaan en de mate waarin de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid.