Conclusie
Nummer22/01776 P
eerstemiddel bevat de klacht dat de vaststelling van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en de oplegging van de maatregel onvoldoende met redenen zijn omkleed. Aangevoerd wordt dat het hof onder meer heeft vastgesteld dat de betrokkene heeft samengewoond met [betrokkene 1] en dat het zeer aannemelijk is dat de betrokkene een bijdrage heeft geleverd aan de vaste lasten voor de woning waar zij samenwoonden en dat ook is gebleken dat hij bepaalde kosten voor levensonderhoud van hen beiden voor zijn rekening nam, maar dat het bedrag dat daarvoor in aanmerking is genomen niet (zonder meer) uit de bewijsmiddelen blijkt. Daarnaast wijzen de stellers van het middel erop dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat [betrokkene 1] een uitkering genoot, terwijl deze niet is meegenomen bij de berekening van het legale inkomen, terwijl bij de berekening van de 'bezittingen en uitgaven' een bedrag ad € 15.172,51 ter zake van 'Zorgverzekering/sparen/levensonderhoud' en een bedrag ad € 3.588,00 ter zake van 'Vaste lasten Nibud' van een tweepersoonshuishouden wel zijn meegenomen. Gelet hierop zou de vaststelling van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en de oplegging van de maatregel onvoldoende met redenen zijn omkleed.
geschrift, zijnde het (onherroepelijke)
arrestin de strafzaak tegen de betrokkene van het gerechtshof Den Haag van 29 april 2022 met rolnummer 22-003576-20, bij welk arrest de veroordeelde is veroordeeld tot straf ter zake van:
relaasvan de betreffende opsporingsambtenaar - zakelijk weergegeven - (p. 27 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
verklaringvan de
betrokkene, afgelegd ter terechtzitting
in hoger beroepvan 15 april 2022, inhoudende - zakelijk weergegeven –:
tweedemiddel bevat een klacht met betrekking tot de inzendtermijn in cassatie.