ECLI:NL:PHR:2024:111

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 februari 2024
Publicatiedatum
29 januari 2024
Zaaknummer
22/02570
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 SrArt. 326 lid 1 SvArt. 81 lid 1 ROArt. 2 onder B OpiumwetArt. 3 onder B Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatiemiddelen in zaak medeplegen en dwang bij op naam zetten auto’s

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan twaalf voorwaardelijk, wegens onder meer medeplegen van diefstal, gewelds- en dwangmiddelen en overtredingen van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Het hof oordeelde dat verdachte samen met een medeverdachte een slachtoffer onder dwang had gedwongen om meerdere auto’s op zijn naam te zetten, waarbij ook persoonlijke documenten werden misbruikt.

In cassatie stelde de verdediging onder meer dat de processen-verbaal van twee terechtzittingen ontbraken en dat de bewezenverklaring met betrekking tot één auto onvoldoende was onderbouwd. De Hoge Raad constateerde dat de getekende processen-verbaal inderdaad ontbraken, maar dat dit geen belang bij cassatie opleverde omdat de inhoud van de zittingen niet substantieel was voor de uitkomst.

Ten aanzien van de bewezenverklaring oordeelde de Hoge Raad dat het hof voldoende en overtuigend bewijs had voor de dwang en medeplegen, ook voor de auto waarvan het slachtoffer niet zelf aanwezig was bij de overschrijving. De verklaringen van het slachtoffer en getuigen, samen met tapgesprekken en andere bewijsmiddelen, ondersteunden het oordeel van het hof.

De Hoge Raad vond geen aanleiding voor vernietiging van het arrest en wees het cassatieberoep af. De strafrechtelijke veroordeling en de opgelegde maatregelen blijven daarmee in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02570

Zitting6 februari 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 8 juli 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens onder 2 “diefstal door twee of meer verenigde personen”, onder 3 “medeplegen van een ander door een feitelijkheid en bedreiging met een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen”, onder 4 “medeplegen van een ander door geweld en bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen”, onder 5 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”, onder 6 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”, onder 7 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, onder 8 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, onder 9 “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en onder 10 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist over de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen en de vordering van de benadeelde partij, en heeft het hof aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/02561. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

4. Het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting en de uitspraak van het hof nietig zijn, omdat de processen-verbaal van de terechtzittingen van het hof van 1 juni 2021 en 11 juni 2021 ontbreken.
5. Op grond van art. 326 lid 1 Sv Pro houdt de griffier het proces-verbaal van de terechtzitting, waarin aantekening geschiedt van de vormen die in acht zijn genomen en van al wat met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt.
6. Het bestreden arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 1, 2 en 11 juni 2021, 10 juni 2022, 8 juli 2022 en op het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. De processen-verbaal waarop het middel doelt, hebben dus betrekking op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op basis waarvan het bestreden arrest is gewezen, maar ontbraken in het dossier dat op 14 oktober 2022 door de Hoge Raad is ontvangen. Naar aanleiding van een verzoek van de raadsman op grond van art. 4.3.6.3 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden is bij het hof nadere informatie ingewonnen.
7. Door de Hoge Raad is daarop ten eerste ontvangen een voor fotokopie conform door de griffier van het hof getekend afschrift van het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 juni 2021, waaruit kan worden afgeleid dat het onderzoek op 1 juni 2021 in aanwezigheid van advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte is onderbroken tot de terechtzitting van 2 juni 2021 om 10:00 uur. Dit document gaat vergezeld gaat van een proces-verbaal van bevindingen van de voorzitter van 12 januari 2023, waarin deze bericht dat het getekende proces-verbaal van de terechtzitting van 1 juni 2021 in het ongerede is geraakt en dat daarvan uitsluitend een ongetekende versie als digitaal bestand beschikbaar is.
8. Daarnaast is door de Hoge Raad ontvangen een proces-verbaal van bevindingen van de voorzitter van het hof van 12 januari 2023, waarin deze bericht dat het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 11 juni 2021 (waarop het onderzoek in de zaak is gesloten) niet (meer) beschikbaar is. Daarbij merkt hij op dat de sluiting van het onderzoek op 11 juni 2021 om 13:30 uur en de datum van uitspraak op 25 juni 2021 om 13:30 uur reeds op 3 juni 2021 per e-mailbericht aan de raadslieden en de advocaat-generaal bekend zijn gemaakt.
9. Gelet op het voorgaande is de klacht dat de (getekende) processen-verbaal ontbreken, gegrond. Ik heb mij vervolgens afgevraagd wat daarvan het gevolg moet zijn. Ik meen dat de verdachte in deze zaak geen belang heeft bij cassatie en zal dit toelichten.
10. Met betrekking tot de toegestuurde afschrift van het proces-verbaal van 1 juni 2021 is aannemelijk dat de inhoud daarvan overeenkomt met het originele document. Aan het begin van het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juni 2021 is namelijk te lezen dat (i) de raadsman en de advocaat-generaal ermee instemmen dat het onderzoek ter terechtzitting wordt hervat in de stand van het geding “ten tijde van de onderbreking van het onderzoek op 1 juni 2021”, (ii) de behandeling op 2 juni 2021 is begonnen met het voordragen van de zaak door de advocaat-generaal, (iii) de voorzitter heeft medegedeeld dat twee benadeelde partijen hun vorderingen tot schadevergoeding in hoger beroep hebben gehandhaafd en (iv) de verdachte onmiddellijk na het voordragen van de zaak door de advocaat-generaal is gevraagd naar zijn bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg. Gelet daarop is aannemelijk dat ter terechtzitting van 1 juni 2021 geen inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden, en dat komt overeen met het door het hof verstrekte afschrift. Bij gebrek aan argumenten voor het tegendeel, heeft de verdachte in verband met het ontbreken van het getekende proces-verbaal van 1 juni 2021 naar mijn oordeel onvoldoende belang bij cassatie.
11. Met betrekking tot het ontbrekende proces-verbaal van 11 juni 2021 geldt het volgende. De voorzitter heeft aangegeven dat op 11 juni 2021 het onderzoek is gesloten. Dit wordt ondersteund door de omstandigheid dat het hof op 25 juni 2021 een tussenarrest heeft gewezen en de sluiting van het onderzoek op 11 juni 2021 al is aangekondigd in het proces-verbaal van de laatste zitting vóór 11 juni 2021, te weten de zitting van 2 juni 2021. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juni 2021 kan ook worden afgeleid dat uit het proces-verbaal van 11 juni 2021 slechts de sluiting van het onderzoek zal blijken. Het proces-verbaal van 2 juni 2021 eindigt immers als volgt:

“Aan verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De voorzitter deelt mee:

Het hof zal nu de behandeling van de zaak van [betrokkene 1] voortzetten. Aan het einde daarvan zal het hof zich beraden op de vraag of het hof binnen 14 dagen na heden uitspraak doet, of dat het hof meer tijd nodig heeft voor het concipiëren van de arresten. In dat geval zal het hof het onderzoek schorsen tot een zitting, waarop het onderzoek zal worden gesloten. Het hof neemt hierover contact op met de raadsman. De raadsman geeft data en tijdstippen vervolgens door aan verdachte.

De raadsman van verdachte stemt hiermee in.

Opmerking griffier: de raadsman van verdachte en verdachte verlaten de zittingszaal. Na afloop van de behandeling van de strafzaak tegen medeverdachte [betrokkene 1] heeft het hof na een korte onderbreking van de zitting besloten het onderzoek te schorsen tot 11 juni 2021 om 13:30 uur. Op deze zitting zal het onderzoek formeel worden gesloten, waarna de uitspraak van de arresten volgt op 25 juni 2021 om 13:30 uur.
De
voorzitterdeelt mee dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van
11 juni 2021te
13.30 uur, waarop het onderzoek zal worden gesloten. Op deze wijze heeft de zittingscombinatie meer tijd dan de gebruikelijke 14 dagen beraad.
Hierop wordt het onderzoek ter terechtzitting
geschorst voor bepaalde tijdtot de terechtzitting van
11 juni 2021 te 13.30 uur. Op 25 juni 2021 om 13:30 uur zal uitspraak worden gedaan.”
12. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat op de terechtzitting van 11 juni 2021 alleen de formele sluiting van het onderzoek heeft plaatsgevonden, waarna een tussenarrest is gewezen.
13. Daarmee wijkt deze zaak af van de zaken die ten grondslag lagen aan drie uitspraken van de Hoge Raad waarop in de schriftuur een beroep wordt gedaan. [1] In die zaken was immers in het geheel geen proces-verbaal van de terechtzitting of van het onderzoek door de raadkamer opgemaakt, zodat de naar aanleiding van het onderzoek gedane uitspraak oncontroleerbaar was.
14. In de voorliggende zaak staat buiten twijfel dat de twee ontbrekende processen-verbaal inhoudelijk niet van belang kunnen zijn voor de uitkomst van de zaak. In de schriftuur wordt het belang van de verdachte bij cassatie verder ook niet onderbouwd. Daarom moet worden aangenomen dat de verdachte geen belang bij cassatie heeft. [2]
15. Het middel faalt.

Het tweede middel

16. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onder 4 ten aanzien van de auto met kenteken [kenteken 4] niet uit de bewijsmiddelen volgt.
17. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 juli 2017 tot en met 12 juni 2018, te Hoogezand, tezamen en in vereniging met een ander, [betrokkene 2], door geweld of enige andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld gericht tegen die [betrokkene 2] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, te weten het plaatsen van zijn handtekening ten behoeve van het op zijn naam zetten van een aantal auto's, te weten de auto's met kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] en [kenteken 3] en [kenteken 4] en het afstaan van zijn paspoort en rijbewijs en bankrekeningnummer ten behoeve van het afsluiten van de verzekeringen voor voornoemde auto's, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader:
- tegen die [betrokkene 2] gezegd dat ze zijn botten gaan breken als hij iets niet doet en
- meermalen in het gezicht van die [betrokkene 2] geslagen en
- tegen die [betrokkene 2] gezegd: "Ik weet waar je woont", "Ik weet waar je familie en je kinderen wonen" en
- tegen die [betrokkene 2] gezegd dat hij een auto op zijn naam moest zetten en dat hij, verdachte, voor de kosten zou zorgen en
- tegen die [betrokkene 2] gezegd dat hij een handtekening moest zetten ten behoeve van het overschrijven van voornoemde auto's en
- tegen die [betrokkene 2] gezegd dat hij zijn paspoort en rijbewijs en bankrekeningnummer moest geven”.
18. Ik merk allereerst het volgende op. Het middel is uitdrukkelijk beperkt tot de feiten ten aanzien van de auto met kenteken [kenteken 4]. In de bewezenverklaring zijn vier auto’s opgenomen. Daarom rijst op voorhand de vraag welk belang de verdachte heeft bij cassatie: voor de hoogte van de opgelegde straf lijkt dit deel van de bewezenverklaring niet van belang. In de schriftuur is het belang van de verdachte daarom terecht nader onderbouwd. De stellers van het middel hebben daarin aangevoerd dat het belang van de verdachte is gelegen in de hoogte van de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer, waarin het schadebedrag dat met deze auto is veroorzaakt is meegenomen. Ik zal het middel daarom inhoudelijk bespreken.
19. Het hof heeft over het onder 4 bewezenverklaarde overwogen:
“Vast staat dat [betrokkene 2] de in de tenlastelegging opgenomen auto’s enige tijd op naam heeft gehad. De auto’s waren echter feitelijk eigendom van verdachte en/of [betrokkene 1]. Zij gebruikten de auto's, terwijl de daarmee gemoeide kosten voor rekening van [betrokkene 2] kwamen.
Op grond van de aangifte van [betrokkene 2] en onder meer de getapte communicatie tussen verdachte en [betrokkene 1] rondom de overschrijving van de Volkswagen Touareg met kenteken [kenteken 3], stelt het hof vast dat er sprake was van een taakverdeling tussen verdachte en [betrokkene 1] ten aanzien van het op naam zetten van auto’s en bijbehorende verzekeringen. [betrokkene 1] zette met [betrokkene 2] de auto’s op naam van laatstgenoemde en verdachte zette de verzekeringen op naam van [betrokkene 2] of liet dit doen. Daartoe vroeg verdachte de handtekening, de persoonlijke documenten en het bankrekeningnummer van [betrokkene 2].
Dat verdachte en [betrokkene 1] hiermee onder meer de bedoeling hadden om zelf te ontkomen aan de kosten die gemoeid gaan met het op naam hebben van een auto(verzekering), blijkt onder meer uit het tapgesprek waarin [betrokkene 1] tegen verdachte zegt: “we rijden gratis, wat wil je nog meer” en uit een ander tapgesprek waarin [betrokkene 1] zegt dat het ‘mooi’ is dat het belastinggeld met betrekking tot de Passat kennelijk is afgeschreven van de rekening van [betrokkene 2].
Het hof heeft bij de beoordeling of sprake is van ‘dwang’ de volgende omstandigheden in aanmerking genomen.
[betrokkene 2] werkte in de shisha lounge van [betrokkene 1] onder verdachte en bevond zich aldus in een ondergeschikte positie ten opzichte van verdachte en [betrokkene 1]. Meerdere getuigen omschrijven [betrokkene 2] als een kwetsbare, verstandelijk beperkte man. De manier waarop verdachten met hem omgingen kenmerkte zich door intimidatie, waarbij niet alleen werd gedreigd met geweld, maar ook daadwerkelijk geweld werd gebruikt. Zo verklaart [getuige], die ook in de shisha lounge heeft gewerkt, dat verdachten [betrokkene 2] uitscholden, bedreigden en als ‘een slaafje’ hebben gebruikt. [betrokkene 2] liet dit alles gebeuren. Hij was niet in staat voor zichzelf op te komen en weerstand te bieden aan verdachten. Door de intimidaties, bedreigingen en het uitgeoefende geweld hebben verdachten een sfeer gecreëerd waarin [betrokkene 2] hen wel moest gehoorzamen en hij aan hen geen weerstand durfde te bieden. Het onder dergelijke omstandigheden [betrokkene 2] opdragen mee te werken aan het op naam stellen van kentekens levert naar het oordeel van het hof dwang in de zin van artikel 284 Sr Pro op. Nu [betrokkene 2] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij zich bij en vanaf de tweede auto onder druk gezet voelde en bij de eerste auto nog vertrouwen had in verdachte en [betrokkene 1], acht het hof de tenlastegelegde dwang ten aanzien van de eerste auto (met kenteken [kenteken 5]) niet bewezen en zal het hof verdachte ten aanzien van die auto vrijspreken.
Het hof stelt ten aanzien van het tenlastegelegde medeplegen vast dat uit de tapgesprekken blijkt dat verdachte en [betrokkene 1] praten over dat zij ‘gratis rijden’, over het op naam zetten van auto’s en verzekeringen en over het feit dat ‘die sufferd’ belastinggeld heeft betaald, wat betrekking heeft op de Volkswagen Passat. Daarnaast neemt het hof de hiervoor genoemde taakverdeling tussen verdachte en [betrokkene 1] in aanmerking en betrekt het hof dat uit de bewijsmiddelen volgt dat zowel verdachte als [betrokkene 1] gerelateerd kunnen worden aan het gebruik van de auto’s. Verder volgt uit de verklaring van [getuige] dat verdachte en [betrokkene 1] hebben bijgedragen aan een bedreigende en intimiderende sfeer jegens [betrokkene 2]. Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [betrokkene 1] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 4 tenlastegelegde dwang.”
20. Het hof heeft het onder 4 bewezenverklaarde gebaseerd op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor aangever inclusief bijlagen d.d. 10 juli 2018 (pagina 1792 e.v. map 5). voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:
A: (…) Ze hebben mij onder de knie gezet. Ze hebben tegen mij gezegd dat als ik dit of dat niet doe, ze mijn botten breken. Ze weten waar mijn familie en kinderen wonen.
V: Tegen wie wil je aangifte doen?
A: Ik wil aangifte doen tegen [verdachte], ik weet de achternaam niet precies. Iets van [verdachte]
(het hof begrijpt: [verdachte])ofzo. Ik wil ook aangifte doen tegen [betrokkene 1].
V: Waarom wil je aangifte doen?
A: Ik heb een stapel met schulden die op mijn naam staan, maar het zijn hun schulden. (…) Ik heb hun kosten betaald. De auto’s bijvoorbeeld, de invorderingen van de belastingen die gaan gelijk af van mijn rekening. Zij hebben altijd gezegd we betalen alles. Ik heb het hun uit goede naam gegeven. (…) Mijn moeder is mijn eigen boekhouder en zag dat er allemaal dingen open stonden. Zij zag dat de auto’s niet verzekerd waren en dat er allemaal boetes waren. Snelheidsboetes op plekken waar ik niet geweest ben. (…) Zij reden de auto’s, niet ik. (…) Zij hebben achter mijn rug ook verzekeringen voor auto’s afgesloten. Als eentje niet betaald werd en dan werd vervolgens de verzekering afgesloten werd, sloten zij een nieuwe verzekering af op mijn naam. Ze hebben kopieën van mijn paspoort en rijbewijs. (…) Ik ben ook weleens geslagen. Ik ben bang voor hem, voor [betrokkene 1]. Hij is een agressief persoon. Als ik iets verkeerd doe, dan wordt hij best wel fel in een keer. Ik moet wel uitkijken. Als ik mijn telefoon bijvoorbeeld niet opneem, dan wordt hij ook boos. Hij is best wel slim, hij weet zo op je in te praten dat je dingen voor hem doet. (…) Zij hebben mij gewoon verneukt. Leuk bijvoorbeeld de auto meegeven aan mij om mijn kinderen op te halen, maar achteraf met al die dingen hebben zij mij gewoon verneukt. Zij staan zo boven mij en ik ben helemaal hier onder (…).
V: Wanneer is dit allemaal begonnen?
A: In juli 2017. Ik kwam daar als klant in de shisha lounge, de [zaak] in Hoogezand. Ik maakte toen kennis met [verdachte]. (…) Ik vertelde toen dat ik in een echtscheiding zat en in een onzekere periode. Ik had geen werk en wel schulden. (…) [verdachte] gaf toen aan dat ze wel een auto voor mij konden regelen en dat ik daar wel kon schoonmaken. (…) De intentie van mij was om daar te werken, en mijn leven weer een beetje op te pakken. (…) Ze hadden dingen beloofd, die dingen die ik voor mijn toekomst wilde. Ik had een doel, mijn leven weer oppakken. Ik zou dan beginnen met het lichtste werk om dan steeds een stapje hoger te kunnen. Als ik niet ging werken dan kon ik mijn doel niet behalen. Zij wisten dat ik wilde werken.
A: Er was een verandering op een gegeven moment. Ze waren aan het begin lief, maar na een tijd ging dat veranderen. (…) Ik werd gehaald en gebracht door [verdachte] of [betrokkene 1]. (…) Af en toe mocht ik de auto van [betrokkene 1] of [verdachte] lenen. (…) Maar af en toe mocht ik de auto niet gebruiken, dan moesten ze iets anders met de auto doen. (…)
V: Wat voor afspraken werden er dan gemaakt?
A: De afspraken over het schoonmaken heb ik gemaakt met [verdachte]. (…) [verdachte] krijgt de opdrachten van [betrokkene 1]. Wat [verdachte] zegt dat moet gebeuren en als dat niet gebeurt dan komt [betrokkene 1]. En dan is het altijd twee tegen een en ik kan niet tegen twee op.
V: Wat voor gevoel kreeg je hierbij?
A: Ik kreeg het gevoel dat ik een schop na kreeg. Ik hielp hun maar ik kreeg een schop na. Ik voelde me echt ellendig. Ik heb een hele benauwde situatie achter de rug. En dan komen al die schulden er ook nog overheen. Die achter mijn rug zijn gemaakt. Ik voelde me echt onderdrukt. Ik kon geen nee zeggen. Ik kon niet vanuit mezelf daar weggaan. Ze hebben mij op verschillende manieren kunnen overtuigen om daar te blijven werken. [verdachte] komt heel netjes over, weet precies wat hij zegt. Ik ging er dan ook vanuit dat hij de waarheid sprak, maar niet dus. [betrokkene 1] was meer op de achtergrond, en vertelde [verdachte] wat hij moest doen. (…) Ik kreeg alleen instructies van [verdachte]. Als ik dat niet deed dan kreeg ik de gevolgen. (…) Ik kreeg dan klappen in het gezicht. Ik heb weleens een bloedneus er aan overgehouden. Ik had angst voor [betrokkene 1]. Als [betrokkene 1] mij dan ophaalde met de auto dan kreeg ik met de vlakke hand een klap in het gezicht. Hij vertelde mij dan wat ik fout heb gedaan. (…) [verdachte] en hij waren altijd samen. Ook bijvoorbeeld als ik geen Abi zei achter de naam van [betrokkene 1], dan kreeg ik al een tik. Abi betekent broer. Uit respect moet ik dat dan altijd zeggen. Ik ben gewoon bang voor [betrokkene 1]. (…) [betrokkene 1] heeft mij een paar keer geslagen. Ik was dan ook bang als er niks was en [betrokkene 1] kwam binnen in de lounge en groette dan, ook dan was ik bang dat er weer wat zou gaan gebeuren. Dus daarom durfde ik geen nee te zeggen tegen de opdrachten die ik van [verdachte] kreeg. Ik zat er heel diep in. (…)
A: (…) Ik werd ook bedreigd door [verdachte] en [betrokkene 1], ze zeiden bijvoorbeeld dat ze weten waar ik woon.
A: Die schulden komen door [verdachte]. Zij vertelden mij dat ze dat allemaal wel zouden betalen maar ze hebben nooit betaald. (…) In totaal is die schuld 25.000 euro geworden. (…)
A: [verdachte] was mijn “boekhouder”. Ik moest de enveloppen/post op mijn naam aan [verdachte] geven en dat zou hij dan wel voor mij gaan regelen. (…)
V: Hoe is het gegaan met het op jouw naam zetten van de auto’s?
A: [betrokkene 1] heeft mij een keer geslagen. Dit ging toen over dat ik [verdachte] had beledigd ofzo. Ik kreeg toen een pak slaag van [betrokkene 1]. [betrokkene 1] heeft mij toen onderdrukt. Hij zei tegen mij dat ik een auto op mijn naam moest zetten. [verdachte] zei wel dat zij voor de kosten op zouden draaien. Zij rijden in de auto’s, ik niet. (…)
V: Hoe gaat het dan met het overzetten op jouw naam?
A: [betrokkene 1] en ik gaan dan naar het postkantoor in Hoogezand. (…) [betrokkene 1] gaat mee naar binnen en dan moet ik een handtekening zetten, [betrokkene 1] betaalde 10 euro voor het overschrijven van de auto. Dan staat het op mijn naam. Door [betrokkene 1] wordt beloofd dat alles betaald wordt voor die auto. (…) Ik zocht hier niets achter. (…) Ik bracht dan de post van deze auto op mijn naam naar [verdachte] en die zou dat regelen, maar later kwamen mijn moeder en ik er achter dat er niks betaald werd. (…)
A: (…) [verdachte] heeft mij een keer gevraagd om mijn paspoort en rijbewijs en bankrekening te geven. Hier heeft hij kopieën van gemaakt. Ik heb ook weleens zelf een kopie gegeven. Ik heb dat aan hem gegeven met de intentie dat hij er geen misbruik van zou maken. Alle verzekeringen voor alle auto’s heb ik niet afgesloten, maar dat heeft [verdachte] gedaan.
V: Welke auto’s heb je nog meer op jouw naam gehad?
A: Een Seat Altea, met kenteken [kenteken 4]. (…) Dit was hooguit een maand. (…) Ik was er niet bij toen deze auto op mijn naam overgeschreven werd. Ik weet niet hoe [verdachte] dat gedaan heeft. Ik weet alleen dat [verdachte] een botsing heeft gehad met deze auto en dat ik een brief gekregen heb met iets van aansprakelijkheid daarover.
V: Wie maakte gebruik van deze auto?
A: Alleen [verdachte]. [verdachte] had deze auto voor zichzelf, en [betrokkene 1] had toen ook een auto voor zichzelf, dit was een Volkswagen Passat. Ik had geen vervoer. Ik werd naar de lounge gebracht en gehaald door [verdachte] of [betrokkene 1].
V: Wie had de beschikking over de sleutels van deze auto?
A: [verdachte]. Ik heb nooit de beschikking over enige sleutels van auto’s die op mijn naam staan of hebben gestaan. Alleen de keren dat ik een auto mocht lenen om mijn kinderen op te halen, heb ik de sleutels gehad.
[…]
A: Voor al deze auto’s zijn ook verkeersboetes binnengekomen. Dat is heel wat. (…)
V: Welke afspraken zijn er gemaakt met betrekking tot het op naam zetten van de auto’s?
A: Ik mocht die auto’s wel eens lenen voor mijn kinderen, maar voor de rest niet. Ik had verder geen keuze, ik kreeg er verder niks voor terug. Op dat moment wist ik ook niets van de boetes enz. Er is pas op het laatste moment naar boven gekomen dat er niks betaald is. (…)
V: hoe vaak ben je geslagen door [betrokkene 1]?
A: Af en toe werd ik geslagen. (…) Ik denk dat ik in de periode dat ik bij de Lounge heb gewerkt had, ongeveer 4 keer geslagen ben. Eerst was er een positieve vibe, maar daarna niet meer. (…) Ze gingen me steeds meer opeisen. Ik voelde me een slaafje van hun. (…) Omdat ik op [verdachte] schold heeft [betrokkene 1] me later geslagen. Vanaf dat moment was het niet echt meer vriendelijk en leuk. (…) In mijn hoofd word ik dan angstig en heb ik vrees. (…) [verdachte] heeft mij wel bedreigd. (…) [verdachte] en [betrokkene 1] kwamen binnen en ik was vergeten het kopje op te ruimen. (…) Ik ging een beetje in tegen [verdachte], omdat ik vond dat ik als slaafje behandeld werd. Vervolgens moest ik naar achteren toe in de Lounge samen met [betrokkene 1]. Ik moest daar verantwoording afleggen. Ik kreeg toen van [betrokkene 1] een klap met de vlakke hand. Ik moest respect hebben voor [verdachte] en mocht niet zo reageren. (…)
V: Had je ook letsel?
A: Ik had een keer een bloedneus. Het heeft pijn gedaan. (…)
V: Hoe zijn de onderliggende verhoudingen tussen [verdachte] en [betrokkene 1]?
A: Ze werken samen. Ze zijn geen familie van elkaar maar trekken wel elke dag samen op.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige d.d. 24 januari 2019. afgenomen door de rechter-commissaris van de Rechtbank Noord-Nederland. voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:
[betrokkene 1] en [verdachte] zeiden dat ze iemand nodig hadden in de shisha bar als schoonmaker. (…) Ik bouwde ook een sociaal leven op. Het gaf mij een goed gevoel. Op den duur vroegen de verdachten mij om gunsten. In een later stadium hebben ze mij onder druk gezet. (…) De VW Touareg ([kenteken 3]) was zijn laatste auto. (…) Ze hebben mijn naam gebruikt op meerdere auto’s, (…) de Passat ([kenteken 2]), Seat ([kenteken 4]) en VW Polo ([kenteken 1]). (…) Ik moest mijn post aan verdachten afgeven. Als je onder druk wordt gezet kun je niet meer terug. (…) Ik voelde mij onder druk gezet. (…) [betrokkene 1] heeft mij in het gezicht geslagen, (…) [verdachte] heeft mij bedreigd. Hij heeft gezegd dat hij mijn botten zou breken. (…) Ik ben twee keer bij het postkantoor meegegaan met [betrokkene 1] (…). U vraagt mij wanneer de omslag kwam naar het mij gedwongen voelen. Dat was op het moment dat ik een tweede auto kreeg
(het hof begrijpt: de Volkswagen Touareg, met kenteken: [kenteken 3]). (…) Ik ging niet weg bij de verdachten omdat ze mij moesten betalen en ik geloofde ze. (…) U vraagt mij of ik mij met betrekking tot het op naam stellen van auto’s mij gedwongen voelde dat te doen. Ja, best wel. (…) Ik kwam in 2018 erachter dat ik niet betaald kreeg. Tegen die tijd had ik al 4 auto’s gehad. (…) De verdachten betaalden de auto’s en deze kwamen op mijn naam. Ze hebben verzekeringen afgesloten achter mijn rug om. (…) Ze hebben ook verkeersovertredingen gemaakt en die kwamen allemaal op mijn naam te staan. U vraagt mij of ik mijn rijbewijs en paspoort moest afstaan. Ja, in het begin wel. Ze hebben er toen kopieën van gemaakt. De documenten zijn we teruggegaan. Ze hebben gefraudeerd met mijn paspoort en rijbewijs. Op het moment dat ik mijn rijbewijs moest afgeven voelde ik nog geen dwang. Dat kwam later, op het moment toen ik de druk steeds meer voelde. (…) Mijn vrijheid werd afgenomen. (…) De stemming van verdachten was heel hard. (…) Mijn angst is dat ze mij of mijn kinderen iets aan zouden doen. (…) Een keer heeft [verdachte] een ongeluk gehad en toen ben ik aansprakelijk gesteld, omdat die auto op mijn naam stond. U vraagt mij of ik vrijwillig in zee ben gegaan met de verdachten. Er zit een haai naast je en die kan elk moment bijten. Zo voelde ik mij. Dit heb ik vanaf het begin af aan ervaren. (…) De verdachten werkten samen. (…) [verdachte] was de hoofdgebruiker van de Seat. Ik reed daar zelf niet in. [verdachte] heeft een keer een kettingbotsing gehad en hij schoof dat toen op mij af, omdat de auto op mijn naam stond. (…) De Polo is overgeschreven bij het postkantoor en daar was ik bij. [betrokkene 1] had mij onder druk gezet dat de auto op mijn naam moest. Bij de meeste auto’s werd ik onder druk gezet. Ik was bang voor de verdachten. Alleen bij de eerste auto wist ik niet beter, toen had ik nog goed vertrouwen in ze. (…) [betrokkene 1] heeft het langst gereden in de Passat. Hij heeft daar ook de meeste boetes mee gereden. (…) Na een aantal maanden werd ik geslagen door [betrokkene 1]. Dit was in het eindstadium. (…) Dat hij mij sloeg had ook wel te maken met de auto’s. Ik zie het niet als mishandeling, maar ik voelde mij erg onder druk gezet. (…) Het klopt dat ik bij twee van de auto’s erbij ben geweest toen ze op mijn naam kwamen te staan. Dat ging om de Passat en de Polo. (…) [verdachte] heeft mij bedreigd. Als ik niet naar hem zou luisteren zouden er gevolgen zijn. (…) Op het moment dat ik een weerwoord had begon hij mij te bedreigen. (…) [verdachte] wist van het slaan, want hij zei tegen mij “Je weet wat [betrokkene 1] met je doet, als je dit en dat niet doet”. (…) In het totale plaatje had het slaan met de onderdrukking te maken.”
21. In de schriftuur wordt gesteld dat ten aanzien van de Seat Altea met kenteken [kenteken 4] niet uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer door geweld of enige andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld wederrechtelijk is gedwongen (i) zijn handtekening te plaatsen om de auto op zijn naam te zetten en (ii) zijn paspoort, rijbewijs en bankrekeningnummer af te staan om de verzekering op zijn naam te zetten. Uit de bewijsmiddelen zou slechts volgen dat het slachtoffer er niet bij was toen die auto op zijn naam werd gezet en dat hij niet weet hoe de verdachte dat heeft gedaan.
22. Wat betreft het onder (ii) genoemde deel van de bewezenverklaring merk ik het volgende op. Anders dan de stellers van het middel ben ik van oordeel dat het hof dit wel degelijk uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden. In bewijsmiddel 1 is het slachtoffer gevraagd hoe het is gegaan “met het op jouw naam zetten van de auto’s”. Het slachtoffer heeft daarop geantwoord dat hij is geslagen en onderdrukt en dat tegen hem is gezegd dat hij een auto op zijn naam moest zetten. Het slachtoffer heeft ook verklaard dat de verdachte en het slachtoffer zelf kopieën van zijn paspoort, rijbewijs en bankrekening hebben gemaakt, en dat alle verzekeringen voor alle auto’s door de verdachte zijn afgesloten en niet door het slachtoffer zelf. Uit bewijsmiddel 2 blijkt verder dat het slachtoffer zijn post aan de verdachten moest afgeven, dat het slachtoffer zich onder druk gezet voelde, dat het slachtoffer door de verdachten in zijn gezicht is geslagen en is bedreigd met het breken van zijn botten, dat de verdachten verzekeringen hebben afgesloten achter de rug van het slachtoffer om, dat het slachtoffer zijn rijbewijs en paspoort moest afstaan en daarvan kopieën zijn gemaakt waarna daarmee door de verdachten is gefraudeerd en dat het slachtoffer het gevoel had dat zijn vrijheid werd afgenomen en bang was dat de verdachten hem of zijn kinderen iets aan zouden doen. Het hof heeft daaruit kunnen afleiden dat het slachtoffer door geweld of enige andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld wederrechtelijk is gedwongen zijn paspoort, rijbewijs en bankrekeningnummer af te staan om ook de verzekering van de auto met het kenteken [kenteken 4] op zijn naam te zetten.
23. Met betrekking tot het onder (i) genoemde deel van de bewezenverklaring wordt in de schriftuur gewezen op de volgende passage uit bewijsmiddel 1:
“ V: Welke auto’s heb je nog meer op jouw naam gehad?
A: Een Seat Altea, met kenteken [kenteken 4]. […] Ik was er niet bij toen deze auto op mijn naam overgeschreven werd. Ik weet niet hoe [verdachte] dat gedaan heeft.”
24. De steller van het middel lijkt daaruit af te leiden dat de verdachten het slachtoffer ten aanzien van de auto met het kenteken [kenteken 4] niet hebben gedwongen tot ‘het plaatsen van zijn handtekening ten behoeve van het op zijn naam zetten’ van deze auto. De verdachte heeft immers zelf verklaard dat hij er niet bij was toen deze auto op zijn naam is gezet. Er zou dan een tegenstrijdigheid zijn tussen de bewezenverklaring en dit bewijsmiddel.
25. Daar denk ik anders over. Ten aanzien van punt (ii) is bewezenverklaard dat de verdachte samen met de medeverdachte het slachtoffer ‘wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, te weten het plaatsen van zijn handtekening ten behoeve van het op zijn naam zetten van een aantal auto's, te weten de auto's met kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] en [kenteken 3] en [kenteken 4]’. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid – en dat wordt in cassatie niet bestreden – dat het slachtoffer onder dwang zelf zijn handtekening heeft gezet voor het op zijn naam zetten van de eerste drie genoemde auto’s. Uit de uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheden (i) dat ook de vierde auto met kenteken [kenteken 4] op naam van het slachtoffer stond, (ii) dat niet het slachtoffer maar de verdachte de gebruiker van deze auto was en (iii) dat de verdachten ook voor deze auto een verzekering op naam van het slachtoffer hebben afgesloten, heeft het hof kennelijk – en niet onbegrijpelijk – afgeleid dat de verdachten een bij het slachtoffer afgedwongen handtekening hebben gebruikt om ook de vierde auto op de naam van het slachtoffer te zetten. Ook dit deel van de bewezenverklaring is daarom toereikend gemotiveerd.
26. Het middel faalt.

Slotsom

27. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
28. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 6 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:3, HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:73 en HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:235.
2.Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Frielink van 13 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:814, onder 5.11 (HR 1 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1574: art. 81 lid 1 RO Pro).