Conclusie
1.Inleiding
2.De zaak
zonder meerniet als deelname aan de ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie kan worden aangemerkt. In deze zaak is immers geen sprake van een verdere context – bijvoorbeeld een bezoek met anderen aan een gerechtsgebouw – die de gedraging een intimiderend karakter geeft, zoals in de zaak waarin de Hoge Raad in 2023 heeft geoordeeld. Daarmee wordt de vraag of het dragen van kleding binnen het bereik van art. 140 lid Pro 2 (oud) Sr valt scherper gesteld.
3.De relevante processtukken
4.De eerste klacht: de uitleg van art. 140 lid Pro 2 (oud) Sr
5.De tweede klacht: het op de openbare weg dragen van Bandidos-kleding
dat de leden niet meer in het openbaar de colours van de Hells Angels mogen dragen.In het daartegen ingestelde cassatieberoep oordeelde de Hoge Raad dat het uiteindelijk aan de strafrechter is om te beslissen of het in het openbaar dragen van de colours van een strafbaar feit oplevert. Gelet op de in dit betoog uiteengezette ruime interpretatie van de wetgever en de belangrijke – veelal intimiderende – rol die colours hebben, kan met recht worden gesteld dat een dergelijke gedraging de werkzaamheid van de verboden organisatie voortzet, ook in geval van andere motorclubs dan Hells Angels. Het uitdragen van de clubcultuur met het dragen van kleding is immers niet voorbehouden aan deze organisatie, maar een kenmerkend onderdeel van de cultuur van alle inmiddels verboden verklaarde OMG’s. Om deze organisaties geheel te verbannen uit de maatschappij, is noodzakelijk een dergelijke wezenlijke gedraging tegen te gaan.”
als zodanigbinnen het bereik van art. 140 lid Pro 2 (oud) Sr kan vallen.
De derde klacht: uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over verhouding tussen niet-verboden lokale afdeling en verboden landelijke organisatie