Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Onderdeel 1.1klaagt dat het oordeel in rov. 3.11 – dat de eis tot vergoeding van bij staat op te maken schade afgewezen wordt – onjuist is, voor zover dit oordeel erop berust dat [verweerder] gesteld heeft dat een omzettingsverklaring ontbreekt en dat [eiser] niet gesteld zou hebben dat dit anders is (rov. 3.10). Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat het, zo nodig ambtshalve op de voet van art. 25 Rv Pro en/of door middel van interpretatie, moest onderzoeken of in de processtukken van [eiser] een omzettingsverklaring in de zin van art. 6:87 lid 1 BW Pro besloten ligt, dus ook indien [eiser] niet met zoveel woorden gesteld heeft dat een omzettingsverklaring uitgebracht is. Het onderdeel betoogt dat [eiser] ’s processtukken geen andere conclusie toelaten dan dat daarin besloten ligt dat [eiser] als schuldeiser geen nakoming maar vervangende schadevergoeding wenst. [eiser] heeft immers geëist om [verweerder] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding en heeft zodanige feitelijke stellingen aan deze eis ten grondslag gelegd dat deze, eventueel in onderling verband en in samenhang bezien, duidelijk genoeg waren voor de rechter en de wederpartij om toewijzing op de door de rechter bij te brengen rechtsgrond te kunnen rechtvaardigen, aldus het onderdeel.
4.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
Toerekenbare tekortkoming: te weinig capaciteit warmtepompsysteem
onderdeel Bwordt toegelicht waarom het bestreden oordeel onbegrijpelijk is. Het onderdeel gaat ervan uit dat het hof heeft geoordeeld dat met het enkele feit dat het systeem de gegarandeerde temperatuur niet haalt, sprake is van een toerekenbare tekortkoming. Gezien de bewoordingen van de garantie en de uitleg die partijen daaraan hebben gegeven, is daarvoor volgens het onderdeel ook noodzakelijk dat [verweerder] tekort zou zijn geschoten in het treffen van adequate maatregelen indien de temperatuur niet wordt gehaald, of in het dragen van de kosten daarvan. Partijen hebben de garantie (zie hiervoor het e-mailbericht van 28 september 2011, aangehaald onder 2.4) allebei opgevat als een garantie die inhield dat, indien met het systeem de 16°C inderdaad niet zou worden gehaald, [verweerder] garant staat voor het uitvoeren van maatregelen en de daaruit voortvloeiende kosten die nodig zijn om die temperatuur wel te halen. Dit is volgens het onderdeel de enige logische uitleg van de garantie: de temperatuur van 16°C was al in 2008 in de opdrachtbrief van [eiser] als uitgangspunt genoemd. De garantie voegde daaraan slechts toe dat, mocht de temperatuur niet worden gehaald, [verweerder] op zijn kosten maatregelen zou treffen. Van een tekortschieten kan dan pas sprake zijn indien [verweerder] tekort zou schieten in zijn (voorstellen tot) herstel en het dragen van de kosten, en niet, zoals het hof lijkt te oordelen, al door het enkele feit dat bleek dat een systeem werd geleverd waarmee de temperatuur niet werd gehaald. Deze uitleg van de garantie blijkt uit het handelen van partijen, te weten de zoektocht (inclusief een deskundige die over de verbeterpunten rapporteerde) naar de juiste wijze van herstel en de verschillende stellingen van beide kanten over verzuim bij de wederpartij. Indien het hof heeft geoordeeld dat de garantie inhield dat indien met dit systeem de temperatuur van 16°C niet werd gehaald en dit meebracht dat [verweerder] meteen in verzuim was dan wel dat de verzuimregeling buiten toepassing moest blijven, dan is het hof buiten de rechtsstrijd getreden en is dit gezien de in het onderdeel aangehaalde stellingen waaruit de wijze blijkt waarop partijen de garantie uitleggen, onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.
nietblijvend onmogelijk is, bestaat het recht op schadevergoeding pas indien de schuldenaar in verzuim is. [15] Het verzuimvereiste maakt dan onderdeel uit van het tekortkomingsbegrip. [16] Uit de stellingen van [verweerder] en [eiser] kan worden afgeleid dat zij allebei van oordeel zijn dat nakoming niet reeds blijvend onmogelijk was. [17]
Multi Vastgoed/Nethou) [18] , waarin het ging om een garantie van de aannemer (Multi Vastgoed) jegens de opdrachtgever (Nethou) die inhield dat de door Multi Vastgoed aan te brengen gevelbeplating deugdelijk was, volgt dat een dergelijke garantieverplichting meebrengt dat het achterwege blijven van de gegarandeerde eigenschappen van een geleverde zaak (in casu de gevelbeplating) ‘zonder meer een tekortkoming oplevert van de debiteur’ (rov. 3.5). De Hoge Raad heeft verder overwogen dat in zo’n geval de schuldeiser in beginsel de keuze heeft tussen nakoming, voor zover deze nog mogelijk is, en schadevergoeding in enigerlei vorm.
Hof: U heeft een garantie [heeft] gegeven en uit zowel de memorie van grieven als de memorie van antwoord volgt dat het systeem dat u heeft geïnstalleerd daar niet aan voldoet.
Multi Vastgoed/Nethou [21] heeft geoordeeld dat het achterwege blijven van de gegarandeerde eigenschappen van een geleverde zaak ‘zonder meer een tekortkoming oplevert van de debiteur’. Indien dus sprake is van een schending van een dergelijke garantieverplichting, is de tekortkoming een gegeven. De klacht dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden, faalt daarom.
eerste klacht van onderdeel C.1voert aan dat zelfs als wordt uitgegaan van de uitleg van de garantie waarbij het enkele niet halen van de 16°C al een schending hiervan is die een toerekenbare tekortkoming oplevert, het bestreden arrest uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is. Bij zijn oordeel dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming, heeft het hof miskend dat [verweerder] heeft gesteld dat het werk aan de aan te leggen installatie(s) ten tijde van de opschorting van de werkzaamheden nog niet klaar was. Een oplevering van het werk heeft niet plaatsgevonden. [verweerder] werkte onder regie van [eiser] en werd bovendien met latere wijzigingen door [eiser] van de inrichting van de hal geconfronteerd. Hierdoor kan er, anders dan het hof heeft geoordeeld, geen sprake zijn van een constatering van de schending van een (garantie)verplichting nu voor deze constatering noodzakelijk is dat het werk (voldoende) is afgerond en dit niet het geval was. In het kader van deze klacht voert
onderdeel C.3aan dat het hof de rechtsgevolgen van het niet beëindigd en opgeleverd zijn van het werk heeft miskend en dat het hof daarmee rechtens onjuist heeft geoordeeld en/of essentiële stellingen van [verweerder] niet (kenbaar) in zijn oordeel heeft betrokken waardoor het oordeel van het hof dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming onvoldoende is gemotiveerd.
overige klachten van onderdeel C.1en
onderdeel C.2zijn aangevoerd voor het geval dat het hof wél zou zijn uitgegaan van de door onderdeel B voorgestane uitleg van de garantie, aldus dat pas sprake kan zijn van een tekortkoming indien [verweerder] na schending van de garantie zijn plicht tot het treffen van de nodige maatregelen/zijn plicht tot herstel, op zijn kosten, niet nakomt. Nu het hof niet is uitgegaan van deze uitleg van de garantie (zie de behandeling van onderdeel B), missen de onderdelen feitelijke grondslag en falen zij om die reden.
Multi Vastgoed/Nethou [26] volgt dat de schuldeiser bij schending van een garantieverplichting zoals hier aan de orde, in beginsel de keuze heeft tussen nakoming, voor zover dat nog mogelijk is, en schadevergoeding in enigerlei vorm. Uit de stellingen van partijen kan worden afgeleid dat zij allebei van oordeel zijn dat nakoming niet blijvend onmogelijk was, maar dat nakoming na de schending van de garantieverplichting nog tot de mogelijkheden behoorde. [27]
Voor zover [verweerder] zou zijn tekortgeschoten kunnen de tekortkomingen gelet op het vorenstaande [verweerder] niet toegerekend worden. [verweerder] is niet schadeplichtig jegens [eiser] voor zover [eiser] schade zou hebben geleden, hetgeen [verweerder] bestrijdt. [verweerder] is nimmer in verzuim komen te verkeren. Nakoming zou nog mogelijk zijn. Een extern vermogen kan bijgeplaatst worden.’ (mijn onderstreping, A-G).
toegerekendomdat sprake is van schuldeisersverzuim in de zin van art. 6:58 BW Pro (met de woorden ‘gelet op het vorenstaande’ in de memorie van grieven (onder 106) doelt [verweerder] immers op zijn standpunt dat sprake is van schuldeisersverzuim in de zin van art. 6:58 BW Pro).