Conclusie
Kubus)
[verweerder])
1.Feiten
arrest).
overeenkomst). Deze houdt onder andere in dat [verweerder] toetreedt tot de coöperatie, dat [verweerder] de formule en handelsnaam van Kubus mag gebruiken en dat [verweerder] aan Kubus bepaalde vergoedingen moet betalen.
Lid B:
2.Procesverloop
In eerste aanleg
kantonrechter) een procedure tegen [verweerder] aanhangig gemaakt en veroordeling van deze gevorderd tot, onder andere, betaling van € 8.931. Daaraan heeft Kubus ten grondslag gelegd dat [verweerder] haar een uittreedvergoeding is verschuldigd.
vonnis) heeft de kantonrechter, voor zover van belang, de vordering in conventie ter zake van de uittreedvergoeding afgewezen.
hof).
MvG).
Uitkomst
Juridisch kader: uittreedvoorwaarden moeten statutaire grondslag hebben
3.Bespreking van het cassatiemiddel
contractueelbeding tussen het lid en de coöperatie zónder grondslag in de statuten van de coöperatie. Volgens het hof, hier, wel (zie rov. 3.7 en 3.10-3.11 van het arrest). [7] In het discours krijgt deze vraag, ook na relevante Hoge Raad-arresten uit 2015 en 2024, [8] geen eenstemmig antwoord. [9] M.i. dient deze vraag in beginsel
bevestigendte worden beantwoord. [10] Ik licht dit toe onder 3.28-3.33 hierna, tegen de achtergrond van 3.5-3.27 hierna. Daarna bezie ik nog, kort, wat een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW Pro behelst. Zie onder 3.34-3.38 hierna. Een drietrapsraket derhalve.
Achtergrond
een statutaire grondslag: [16]
van de statuten. De omschrijving van de coöperatieve vereniging in art. 2 van Pro de wet uit 1876 bevatte, zoals gezegd, dat zij een “vereeniging van personen” is “waarbij de in- en uittreding van leden is toegelaten”. Dit is mede als volgt toegelicht: [37]
reguleringervan wenselijk is geacht, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis van art. 2:60 BW Pro. [49] Eenzelfde ‘enerzijds, anderzijds’ is daarin terug te vinden voor art. 12 lid 1 van Pro de wet uit 1925. [50] Dit stijgt dus uit boven het belang dat is gemoeid met wilsovereenstemming tussen de coöperatie en het individuele (aspirant-)lid. Het heeft er bovendien (minst genomen enige) schijn van dat aan deze regulering ook een
gelijkheidsgedachteten grondslag lag; in die zin dat leden bij uittreding, in overeenstemming met de omstandigheden, zo veel mogelijk gelijk moeten worden behandeld. [51] De coöperatieve gedachte [52] en de notie van gelijkheid van leden gaan, nog steeds, goed samen. Gesproken wordt wel over een beginsel van gelijkheid van leden, een beginsel dat oude papieren heeft. [53] Dit gaat dan weer goed samen met een vereiste statutaire grondslag van eventuele uittreedvoorwaarden in de zin van art. 2:60 BW Pro, de statuten gelden immers (uitzonderingen daargelaten) voor ieder lid gelijkelijk. [54]
structuuraspect van de coöperatie. [57]
materiële toets. Uit het voorgaande volgt dat art. 2:60 BW Pro uitdrukt dat ledenbinding bij de coöperatie is toegestaan, maar, kort gezegd, niet buitensporig mag zijn. [58] Hierbij zijn blijkens art. 2:60 BW Pro het doel en de strekking van de coöperatie, waaronder de coöperatieve gedachte, van belang. [59] Deze verwijzing naar doel en strekking is overgenomen uit art. 12 lid 1 van Pro de wet uit 1925, [60] dat ter zake weer was terug te voeren op rechtspraak omtrent art. 7, aanhef en onder 8° van de wet uit 1876. [61]
Deze oordelen van het hof geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, verweven als zij zijn met beoordelingen van feitelijke aard, in cassatie verder niet op juistheid worden onderzocht. Zij zijn niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.”
Contractuele uittreedvoorwaarde zónder statutaire grondslag?
contractueelbeding tussen het lid en de coöperatie zónder grondslag in de statuten van de coöperatie?
bevestigendte beantwoorden. Daarbij betrek ik ook het volgende.
grondslagonverlet en drukt alleen uit dat een
uitwerkingelders toelaatbaar (rechtsgeldig) is. [78]
de statutenvan de coöperatie de verplichtingen die de leden tegenover de coöperatie hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd, in. [81] Art. 2:27 lid Pro 4, aanhef en onder c BW wordt in de literatuur wat betreft de vereiste statutaire grondslag eveneens strikt begrepen, bijvoorbeeld (en wederom) door Rensen. [82] En - toegegeven - ook wel ietsje minder strikt, maar genuanceerd en dan nog steeds niet (ook) redenerend vanuit een zuiver contractuele basis. [83] Er zijn nog andere voorbeelden te geven, zoals art. 2:36 BW Pro in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW, al genoemd onder 3.6 hiervoor. [84] , [85]
niet integraalgeregeld te worden in de statuten van de coöperatie in kwestie. Er bestaat ook bij het in deze bepaling bedoelde vereiste van een statutaire grondslag als uitgelegd door de Hoge Raad een zekere, niet slechts marginale, mogelijkheid tot uitwerking in andere instrumenten, zoals een overeenkomst tussen lid en coöperatie. Van een rigide, inflexibele systematiek is derhalve geen sprake.
Het hof heeft(…)
geconcludeerd dat de statutenvan DOC Kaas
geen basis bevatten voor terugbetalingvan het uitgekeerde deel van de transactiesom,
dat sprake is van een met art. 2:60 BW Pro strijdige situatie en dat art. 11 lid 4 Hr Pro een nietige bepaling is. Dit oordeel moet worden bezien in het licht van de (…) vaststellingen van het hof dat de transactiesom “te betalen [is] aan de leden van DOC Kaas” (…), dat de transactiesom “een tijdens het fusiebesluit van 21 mei 2015 aan alle leden (…) toegezegde (extra) (financiële) vergoeding” is (…) en dat de aanspraak van de melkveehouders op hun deel van de transactiesom rechtstreeks voortvloeit uit het fusiebesluit (…).
In het oordeel van het hof ligt aldus besloten dat de terugbetalingsverplichting van art. 11 lid 4 Hr Proafbreuk doet aan de al bij het fusiebesluit aan de leden toegezegde transactiesom en dus
aan uittreding een financiële verplichting verbindt, en daarom is aan te merken als een voorwaarde die is verbonden aan de uittreding van een lid zoals bedoeld in art. 2:60 BW Pro. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, (…). Dat de leden van DOC Kaas art. 11 lid 4 Hr Pro niet hebben ervaren als een uittredingsbeperking, is in dit verband niet van belang (…).”
Wat is een ‘uittreedvoorwaarde’?
nietzo beperkt dient te worden begrepen dat de daarin bedoelde ‘uittreedvoorwaarde’ alleen ziet op een voorwaarde die moet worden vervuld, wil een opzegging haar werking hebben. Dan zou het immers een koud kunstje zijn om art. 2:60 BW Pro te omzeilen, namelijk door niet een preconditie voor rechtsgeldige opzegging te formuleren, maar slechts een (financieel) gevolg te verbinden aan de rechtsgeldige beëindiging van het lidmaatschap.
Bespreking van de onderdelen
“Er is een dúbbele rechtsbetrekking:contractueel
is de vergoeding verschuldigd”)
lidmaatschapvan de coöperatie een vergoeding verschuldigd zou zijn. Want [verweerder] is een vergoeding verschuldigd op grond van (de opzegging van) de overeenkomst. [108]
Hierbij zeg ik het lidmaatschap (…) op per 31 juli 2020”. Overigens valt, zeker zonder méér (wat in het subonderdeel dus ontbreekt), ook niet in te zien dat deze oordelen en vaststelling onjuist dan wel onbegrijpelijk zouden zijn. Daarbij zij bedacht dat het subonderdeel dus enkel leunt op stellingen van Kubus in de MvG en negeert wat daarna ter mondelinge behandeling in hoger beroep is besproken en ter zake is vastgesteld in rov. 3.5, eerste zin, waarop het hof dus juist voortbouwt (in verbinding met rov. 3.4 inzake de overeenkomst, door het subonderdeel niet bestreden) in rov. 3.10-3.11. Zie onder 3.42.1 hiervoor. Daarbij zij verder bedacht dat het subonderdeel dus, gelijk het hof in rov. 3.5, tweede zin, ervan uitgaat dat [verweerder] zijn
lidmaatschapvan Kubus heeft opgezegd.
goodwill” en niet ter zake van de beëindiging van het lidmaatschap van de coöperatie. In wezen gaat het om een financiële afrekening betreffende (de voor- en nadelen van) de franchiseverhouding. Hieruit kan geen andere conclusie volgen dan dat de uittreedvergoeding geen voorwaarde is als bedoeld in art. 2:60 BW Pro. Daarom is het andersluidende oordeel van het hof onjuist dan wel onbegrijpelijk.
dragende motiveringop. Voornoemde oordeel van het hof is derhalve onjuist noch onbegrijpelijk te noemen.
“De vergoeding is contractueel verschuldigd: daarom is geen statutaire grondslag nodig”)
nietdat de dans van art. 2:60 BW Pro alleen wordt ontsprongen als de franchiseovereenkomst “losstaat”, dus in absolute zin, van het lidmaatschap van de coöperatie (oftewel de lidmaatschapsverhouding).