Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
Artikel 11
€ 20.000.000. Deze transactiesom wordt aan de leden uitgekeerd met inachtneming van de volgende regels:
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 februari 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen de coöperatie DOC Kaas en haar leden, de melkveehouders, over de uitbetaling en terugbetaling van een transactiesom die voortvloeit uit een fusie met DMK Deutsches Milchkontor eG. DOC Kaas had in haar huishoudelijk reglement een bepaling opgenomen die terugbetaling van reeds uitgekeerde bedragen verplicht stelde indien leden hun lidmaatschap vóór een bepaalde datum beëindigden.
De melkveehouders stelden dat deze terugbetalingsverplichting nietig is wegens het ontbreken van een statutaire basis, zoals vereist op grond van art. 2:60 BW Pro. De rechtbank wees de vorderingen toe, maar het hof vernietigde dit en veroordeelde DOC Kaas tot betaling van de transactiesom en melggeld, met wettelijke handelsrente. Het hof oordeelde dat de terugbetalingsverplichting een uittredingsvoorwaarde is die statutaire basis vereist en dat deze ontbrak, waardoor de bepaling nietig is.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat art. 11 lid 4 van Pro het huishoudelijk reglement een uittredingsvoorwaarde bevat waarvoor een statutaire basis vereist is en dat deze ontbreekt, waardoor de bepaling nietig is. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de leveringen melk aan DOC Kaas kwalificeren als handelsovereenkomsten in de zin van art. 6:119a BW, waardoor DOC Kaas wettelijke handelsrente verschuldigd is over de niet-betaalde bedragen.
Het cassatieberoep van DOC Kaas wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de terugbetalingsverplichting in het huishoudelijk reglement is nietig en DOC Kaas moet de melkveehouders de verschuldigde bedragen met wettelijke handelsrente betalen.