Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
Voorbedachte raad
mogelijkheidtot beraad heeft gehad als een bewijsvermoeden dat dit beraad ook
daadwerkelijkheeft plaatsgevonden. Het staat de rechter echter vrij om ondanks dit bewijsvermoeden toch tot een vrijspraak te komen als hij meent dat sprake is van contra-indicaties. [4] Deze mogelijkheid om aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen dan aan de vaststelling dat de verdachte zich heeft kunnen beraden op zijn besluit betekent echter niet dat de feitenrechter, als hij tot een veroordeling wil komen, het bestaan van contra-indicaties volledig moet kunnen uitsluiten. Als het Gerecht, zoals de advocaat-generaal ter terechtzitting heeft aangevoerd, van deze opvatting is uitgegaan, zou het een te strenge en dus onjuiste maatstaf hebben aangelegd.
redelijkerwijsniet kan worden uitgesloten. Hierin ligt besloten dat het Gerecht
niet buiten redelijke twijfelheeft kunnen vaststellen dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit. Daarmee is een bewezenverklaring van voorbedachte raad niet meer mogelijk. Aan de vraag of sprake is van contra-indicaties is het Gerecht dus in het geheel niet toegekomen, omdat het bestaan van contra-indicaties pas van belang is als de mogelijkheid tot beraad is vastgesteld door de rechter. Daarmee heeft het Gerecht het beoordelingskader juist toegepast.