Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft onderzocht of [eiser] de Nederlandse taal (voldoende) verstaat en spreekt (wat niet het geval is), en of aan hem al dan niet bijstand van een tolk zou moeten worden verstrekt. Volgens het onderdeel bestond deze plicht omdat deze kort geding procedure een onderdeel van de uitleveringsprocedure betreft, waarin over de aantasting van fundamentele rechten wordt beslist. Het onderdeel wijst er onder meer op dat deze plicht op grond van art. 29 lid 1 Uitleveringswet Pro jo art. 275 Sv Pro bestaat in het onderdeel van de uitleveringsprocedure waarin over de toelaatbaarheid van de uitlevering wordt beslist, en dat deze plicht ook bestaat in het ‘parallelle geval’ van de overleveringsprocedure, waarin wordt beslist over overlevering op grond van het Unierecht, in welke procedure de beoordeling of bij overlevering een fundamenteel recht dreigt te worden geschonden, aanstonds plaatsvindt door de rechter (genoemde plicht om een tolk toe te voegen is voor dat geval geregeld in art. 30 lid 1 Overleveringswet Pro jo art. 275 Sv Pro).
- Ik wil graag dat in het proces-verbaal wordt genoteerd dat er vandaag een groot probleem was met de bijstand door een tolk. Ik heb slechts 10% van wat tijdens deze zitting is gezegd kunnen verstaan. (…)”
hij‘niet in bezit is van het proces-verbaal’. Waarom dit het geval is [8] en welk gevolg daaraan eventueel zou moeten worden verbonden, vermeldt de repliek niet en is zonder die vermelding niet duidelijk. Aan de opmerking in de repliek valt om deze reden al voorbij te gaan. Onderdeel 1 loopt op een en ander al stuk.