In deze zaak oordeelt de procureur-generaal bij de Hoge Raad over een strafzaak waarin de verdachte wordt verdacht van verkrachting, gepleegd door twee of meer verenigde personen. De verdachte stelde dat de verklaringen van het slachtoffer onbetrouwbaar en inconsistent waren, wat volgens hem tot vrijspraak moest leiden vanwege onvoldoende bewijs. De Hoge Raad concludeert dat dit verweer geen feitelijke grondslag heeft, omdat het hof voldoende gemotiveerd heeft waarom de gebruikte delen van de verklaringen betrouwbaar zijn.
Het slachtoffer heeft meerdere verklaringen afgelegd, waarin zij aanvankelijk terughoudend en inconsistent was, maar uiteindelijk aangaf door meerdere verdachten te zijn verkracht terwijl zij bewusteloos was. Het hof en de rechtbank hebben op basis van diverse getuigenverklaringen, letselrapportages en andere bewijsmiddelen vastgesteld dat het slachtoffer op de avond van het delict aanwezig was, bewusteloos raakte en later pijnklachten had. De verklaringen van het slachtoffer zijn slechts gebruikt voor die onderdelen die betrouwbaar werden geacht.
Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding deels behandeld. De rechtbank wees de vordering toe voor immateriële schade van €7.500,- en verklaarde andere posten, zoals zorgverlof en materiële schade, niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing of omdat deze schade niet rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. De Hoge Raad bevestigt dat deze beslissingen niet onbegrijpelijk zijn en dat de strafrechter binnen zijn beoordelingsvrijheid kan bepalen welke delen van de vordering worden toegewezen en welke niet-ontvankelijk worden verklaard.
De conclusie van de procureur-generaal is dat zowel het middel van de verdachte als dat van de benadeelde partij falen. De zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling, conform eerdere conclusies en uitspraken.