ECLI:NL:PHR:2024:121

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 februari 2024
Publicatiedatum
2 februari 2024
Zaaknummer
23/02609
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10(2) Wet op de dividendbelastingArt. 11a Wet op de dividendbelastingArt. 9(3) Wet op de dividendbelastingArt. 47 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 63 VwEU
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt weigering teruggaaf dividendbelasting niet-ingezeten beleggingsfonds wegens ontbreken bewijs inhouding

Deze zaak betreft het beroep van een naar Duits recht opgericht niet-ingezeten beleggingsfonds dat teruggaaf van dividendbelasting vraagt over de jaren 2012 tot en met 2014. Het fonds stelt zich vergelijkbaar met een ingezeten fiscale beleggingsinstelling (fbi) en beroept zich op het vrije kapitaalverkeer om dezelfde fiscale voordelen te verkrijgen.

De Inspecteur heeft de verzoeken geweigerd omdat het fonds geen dividendnota’s of ander bewijs van inhouding van Nederlandse dividendbelasting heeft overgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond wegens onvergelijkbaarheid met een ingezeten fbi. Het hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard omdat het fonds niet aannemelijk heeft gemaakt dat Nederlandse dividendbelasting te zijnen laste is ingehouden en daardoor niet is toegekomen aan de beoordeling van de vergelijkbaarheid en toetsing aan het vrije kapitaalverkeer.

In cassatie betoogt het fonds dat de weigering in strijd is met het vrije kapitaalverkeer, algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat het hof een verkeerde bewijslastverdeling toepaste. De A-G concludeert dat het hof terecht niet aan deze punten is toegekomen omdat het bewijs van inhouding ontbrak. Ook is er geen ambtshalve toetsingsplicht aan EU-recht of algemene beginselen. De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het cassatieberoep ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep van het niet-ingezeten beleggingsfonds wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van bewijs van inhouding van dividendbelasting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02609
Datum2 februari 2024
BelastingkamerA
Onderwerp/tijdvakDividendbelasting – 2012 t/m 2014
Nr. Gerechtshof BK-SHE 22/00344 tot en met 22/00346
Nr. Rechtbank 17/4419 tot en met 17/4421
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaak van
[X]
tegen
STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

1.De feiten en het geding in feitelijke instanties

De feiten

1.1
De belanghebbende is een naar Duits recht opgericht en in Duitsland gevestigd beleggingsfonds. Hij heeft geen vaste inrichting in Nederland en is in Nederland niet inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting.
1.2
De belanghebbende heeft voor de jaren 2012 t/m 2014 verzocht om teruggaaf van dividendbelasting tot hetzelfde bedrag als een ingezeten fiscale beleggingsinstelling (fbi) aan afdrachtvermindering genoten zou hebben. Die verzoeken zijn door de Inspecteur afgewezen. De belanghebbende is tevergeefs in bezwaar gegaan.
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant
1.3
De belanghebbende stelde voor de Rechtbank dat het vrije kapitaalverkeer hem hetzelfde recht op afdrachtvermindering toekent als nationaalrechtelijk aan een ingezeten fiscale beleggingsinstelling (fbi) toekomt omdat hij behoudens zijn vestigingsplaats vergelijkbaar is met een ingezeten fbi.
1.4
Volgens de Rechtbank heeft de Inspecteur de teruggaafverzoeken terecht afgewezen, gegeven dat u in de zaak
BNB2021/89 [1] heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd als niet-ingezeten beleggingsinstellingen, doordat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering waarvoor wél-inhoudingsplichtige ingezeten fbi’s in aanmerking komen. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch
1.5
De belanghebbende stelde ook in hoger beroep met een beroep op Unierecht dat zij recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting tot hetzelfde bedrag als de afdrachtvermindering die een ingezeten fbi zou genieten omdat hij behoudens zijn vestigingsplaats vergelijkbaar is met een ingezeten fbi. De Inspecteur stelde dat de belanghebbende geen dividendnota’s heeft overgelegd zodat (de omvang van) het bedrag waarvoor recht op teruggaaf zou bestaan onvoldoende aannemelijk is gemaakt en reeds daarom geen recht op die teruggaaf bestaat. De Inspecteur achtte de belanghebbende overigens ook objectief onvergelijkbaar met een dooruitdelings- en inhoudingsplichtige fbi.
1.6
Het Hof heeft overwogen dat de term “te zijnen laste ingehouden dividendbelasting” in art. 10 Divb Pro betekent dat de teruggevraagde dividendbelasting moet zijn geheven van de verzoeker als opbrengstgerechtigde in de zin van art. 1(1) Divb. Als de Inspecteur betwist – zoals in casu – dat de belanghebbende aan de voorwaarden voor teruggaaf voldoet, rust op de belanghebbende de last om feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, die meebrengen dat hij wel aan die voorwaarden voldoet. [2] Onduidelijkheid daarover en bewijsnood komen daarbij voor zijn rekening, aldus het Hof. [3]
1.7
Het Hof stelde vast dat de belanghebbende, hoewel diverse malen daarop en op mogelijke consequenties gewezen, geen dividendnota’s heeft overgelegd of anderszins inhoudelijk is ingegaan op het standpunt van de inspecteur. Evenmin is gesteld of gebleken dat op grond van art. 9(3) Divb uitreiking van dividendnota’s achterwege kon blijven. De verzochte teruggaaf stuit er dan op af dat de belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat en zo ja, hoeveel Nederlandse dividendbelasting te zijnen laste is ingehouden in de betrokken jaren, zodat niet is komen vast te staan dat en tot welk bedrag de teruggevraagde dividendbelasting ten laste van de belanghebbende is ingehouden.
1.8
Het Hof kwam aldus niet toe aan de vraag of de belanghebbende al dan niet objectief vergelijkbaar is met een ingezeten fbi en heeft het hogere beroep ongegrond verklaard.

2.Het geding in cassatie

De belanghebbende heeft tijdig en ook overigens regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Voor de inhoud van het cassatiemiddel en van het verweer verwijs ik naar onderdeel 4 van de bijlage.

3.Beoordeling

Op de gronden vermeld in onderdeel 5 van de bijlage bij deze conclusie meen ik dat het middel niet tot cassatie leidt.

4.Conclusie

Ik geef u in overweging het cassatieberoep van de belanghebbende ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal

Voetnoten

1.HR 9 april 2021, nr. 19/00104, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2021:506,
2.Het Hof verwees naar HR 18 oktober 2019, nr. 18/03614, ECLI:NL:HR:2019:1610, r.o. 2.4.2.
3.Het Hof verwees naar de conclusie van 28 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:70, onderdeel 7.2.