Conclusie
ADVOCAAT-GENERAAL
1.Ten geleide
2.De regels
De teruggaafregeling (tot 2008)
uiteindelijkegerechtigdheid bij de verzoeker Artikel IV, onderdeel B.1 van de Wet overige fiscale maatregelen 2024 [4] wijzigt art. 4(4) Wet Divb als volgt:
3.De feiten, de geschillen en de oordelen van het Hof
Fidelity Fund. [5]
RechtbankZeeland/West-Brabant heeft in alle zaken de weigering als terecht aangemerkt. In de zaken over boekjaren vóór 2008 oordeelde zij dat de belanghebbenden, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet hebben ingestemd met een dividendbelastingvervangende betaling als bedoeld in r.o. 5.4 van uw arrest HR
BNB2021/73. [6] Reeds daarom bestond volgens haar geen recht op teruggaaf. In de stellingen van de belanghebbenden zag de Rechtbank geen grond om EU-rechtelijk een andere wijze van rechtsherstel geboden te achten of om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Aan klachten over de “vele onduidelijkheden ten aanzien van het rechtsherstel zoals voorgeschreven door de Hoge Raad” is de Rechtbank voorbij gegaan, reeds omdat de belanghebbenden niet hebben toegelicht welke die onduidelijkheden zijn en zij ook geen eigen berekening hebben ingebracht, maar ook omdat die klachten niet wegnemen dat de belanghebbenden niet hebben ingestemd met de voor vergelijkbaarheid met fbi’s vereiste vervangende betaling.
BNB2021/89 [7] dat het vrije kapitaalverkeer niet wordt belemmerd als niet-ingezeten beleggingsfondsen niet in aanmerking komen voor afdrachtvermindering, gegeven dat zij niet inhoudings- of afdrachtsplichtig zijn voor de Nederlandse dividendbelasting. De Rechtbank heeft alle beroepen ongegrond verklaard.
HofDen Bosch was in alle zaken in geschil of de belanghebbenden over de desbetreffende boekjaren recht hebben op teruggaaf van dividendbelasting c.q. (het bedrag van) afdrachtvermindering. De Inspecteur stelde onder meer dat zij, hoewel herhaaldelijk daarom gevraagd en hoewel gewezen op mogelijke consequenties van nalaten, geen dividendnota’s hebben overgelegd, waardoor - los van andere redenen die zich tegen teruggaaf verzetten – alleen al geen teruggaaf mogelijk is omdat (de omvang van) het bedrag waarvoor recht op teruggaaf zou bestaan niet aannemelijk is gemaakt. De uitspraken op bezwaar vermelden dat het zonder de gevraagde dividendnota’s niet mogelijk is om juiste bedragen en percentages te berekenen en dat de Inspecteur de belanghebbende daar in eerdere correspondentie al op heeft gewezen, evenals op het feit dat zijns inziens reeds daarom geen grond bestaat voor teruggaaf, nu de omvang van de claim onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De voorgenomen uitspraak op bezwaar vermeldt dat het bijvoorbeeld niet mogelijk is om vast te stellen of de claim ziet op 25% ingehouden dividendbelasting (vóór verdragstoepassing) of 15% (ná verdragstoepassing), wat volgens de Inspecteur relevant is voor de dividenden van vóór 1 januari 2017. Ook het verweerschrift bij de Rechtbank vermeldt dat de belanghebbende, ondanks daar meer malen om te zijn verzocht, geen dividendnota’s heeft overgelegd. De belanghebbenden hebben geen verklaring gegeven voor het niet-ingaan op die verzoeken.
4.De cassatieberoepen
5.Gemeenschappelijke beoordeling
contra legemvertrouwen wekken of kan de Staatssecretaris begunstigend beleid voeren. De gemachtigde stelt dat de Inspecteur een de belanghebbenden
benadelendbeleid voert. Dat gaat niet over toepassing van het fbi-regime, maar over de uitoefening van de controlebevoegdheden die de Inspecteur heeft ex art. 47 e.v. AWR. Bij die bevoegdheidsuitoefening heeft de Inspecteur uiteraard wél beleidsruimte, en anders dan de formele wet, kan het controlebeleid wél aan algemene beginselen van behoorlijk
bestuurworden getoetst.
nova: zij gaan slechts over gesteld feitelijk door de Inspecteur gevoerd (dividendnota)controlebeleid. Deze feitelijke stellingen zijn bij het Hof niet ingenomen en kunnen niet met enige vrucht voor het eerst bij de cassatierechter worden ingenomen, die immers niet over feitenvaststelling gaat. Nu het Hof geen oordeel over die bij hem niet-aangevoerde feitelijke stellingen heeft kunnen geven, kan dat niet-bestaande oordeel in cassatie ook niet op (on)begrijpelijkheid of motivering worden getoetst.
NJ2016/249 [11] als gegevens die geen specialistische kennis veronderstellen en waarvan de juistheid in redelijkheid niet voor betwisting vatbaar is. De vragen in welke gevallen de Inspecteur in de praktijk al dan niet om dividendnota’s of ander bewijs vraagt naar aanleiding van een verzoek om teruggaaf, verrekening of afdrachtvermindering van dividendbelasting, en of verschil in opvraagbeleid gerechtvaardigd kan worden door de effectiviteit van controles, door verschil in feitelijke omstandigheden zoals (niet-)kruispeilbaarheid (ik merk op dat de belanghebbenden vanwege hun niet-onderworpenheid vergelijkbaar lijken met niet-belastingplichtige lichamen) of door andere omstandigheden, lenen zich mogelijk voor discussie tijdens een vaktechnisch overleg van een internationaal belastingadvieskantoor, maar het lijkt mij uitgesloten dat de antwoorden erop algemeen bekend zijn. Ik zou die antwoorden niet weten. Zelfs chat-GPT zou niets zinnigs kunnen zeggen over de merites van deze feitelijke stellingen.
ex officiote toetsen of het (dividendnota)controlebeleid van de Inspecteur ter zake van teruggaafverzoeken een
de factodiscriminatie inhoudt van niet-ingezeten, maar met ingezeten fbi’s vergelijkbare fondsen, zulks in strijd met de vrijheid van kapitaalverkeer of de vrijheid van (financiële) dienstverlening.
Van der Weerd e.a.) [12] en evenmin consumentenbescherming betreft. [13] Het Hof is nationaalrechtelijk niet bevoegd om buiten het geschil te gaan en in dat geval geldt – als geen regels van openbare orde of consumentenbescherming aan de orde zijn - geen EU-rechtelijke plicht tot toepassing van ambtswege, aldus HvJ
Van Schijndel en Van Veen. [14] Uit dat laatste arrest volgt ook dat het EU-recht een cassatierechter niet verplicht om in te gaan op voor het eerst in cassatie ingesteld beroep op EU-recht als de beoordeling daarvan feitelijk onderzoek vergt.
ordre public), die verkeersvrijheid betreft noch consumenten-bescherming tegen oneerlijke bedingen, noch mededingingsrecht, en de Hoge Raad is EU-rechtelijk niet verplicht om in te gaan op beroepen op EU-recht die feitelijk onderzoek vragen, zoals de feitelijke stelling dat de fiscus een
de factokapitaalverkeerbelemmerend controlebeleid zou voeren.
custodian(van het effectendepot, neem ik aan) ondertekend jaaroverzicht en dat de Inspecteur daarmee akkoord is gegaan. De gemachtigde heeft geen zaaknummers vermeld van die procedures. Een zoekopdracht op
rechtspraak.nlmet de term ‘teruggaaf dividendbelasting’ naar uitspraken van het Hof Den Bosch waaraan een zitting op 30 juni 2023 voorafging, leverde negen
hitsop. Geen van die uitspraken bevestigt de stelling van de gemachtigde dat hetzelfde Hof in vergelijkbare zaken heeft geoordeeld dat niet-overlegging van dividendnota’s na betwisting geen beletsel voor teruggaaf kan zijn. In drie van die zaken heeft dat Hof de desbetreffende door de gemachtigde pas ter zitting ingenomen stelling tardief verklaard. [18] Eén van die drie zaken (rolnrs. 22/01592 t/m 22/01597) betrof een naar Brits recht opgericht en in het VK gevestigd beleggingsfonds dat voor 2009 t/m 2014 teruggaaf van dividendbelasting wenste. Dat fonds had voor 2012 t/m 2014 geen dividendnota’s overgelegd. De gemachtigde beriep zich ter zitting op het gelijkheidsbeginsel, voor het eerst stellende dat bij Nederlandse fondsen geen dividendnota’s worden opgevraagd. Het Hof verklaarde dat beroep als volgt tardief:
rechtereen controlebeleid zou voeren door al dan niet dividendnota’s te ‘eisen’. Het is immers de
Inspecteurdie al dan niet bewijs van inhouding ten laste van het desbetreffende fonds verlangt, al dan niet in de vorm van dividendnota’s, omdat hij (de omvang van) het gestelde recht op teruggaaf van dividendbelasting betwist. De rechter heeft bij een dergelijke betwisting geen keus dan de bewijslast bij de verzoeker te leggen die stelt een recht te hebben. De gemachtigde stelt niet dat het Hof in strijd met de vrije bewijsleer uitsluitend een bepaalde
soortbewijs (dividendnota’s) zou hebben toegelaten; integendeel: de gemachtigde brengt zelf in dat het Hof ook een verklaring van de
custodianvan het desbetreffende effectendepot als voldoende bewijs aanvaardt tegenover de betwisting van het teruggaafrecht door de Inspecteur.
custodian, hoewel de Inspecteur bij herhaling en kennelijk al vanaf de bezwaarfase (de omvang van) de door de gemachtigde gestelde teruggaafrechten gemotiveerd heeft betwist.