ECLI:NL:PHR:2024:1297

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 december 2024
Publicatiedatum
2 december 2024
Zaaknummer
23/04620
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 240b Sr (oud)Art. 252 SrArt. 359 lid 2 SvArt. 348 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor ontucht met minderjarig stiefkind, mishandeling echtgenote en bezit kinderporno

De verdachte werd door het hof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf wegens meermalen ontuchtige handelingen met zijn minderjarige stiefkind, mishandeling van zijn echtgenote en bezit en vervaardiging van kinderpornografische afbeeldingen. De bewezenverklaring omvatte onder meer seksuele handelingen met het toen minderjarige stiefkind vanaf 2014, mishandeling van de echtgenote vlak voor haar vertrek uit het huis, en het bezit van foto’s met seksuele strekking van het slachtoffer.

In cassatie stelde de verdediging vijf middelen aan de orde, waaronder de betrouwbaarheid van de verklaringen van de slachtoffers, de herkenning van de verdachte op een foto waarop een seksuele handeling te zien is, de uitleg van het begrip 'vervaardigen' in de strafbepaling omtrent kinderpornografie, en de afwijzing van getuigenverzoeken. De Hoge Raad concludeert dat het hof de verklaringen van de slachtoffers voldoende gemotiveerd betrouwbaar achtte, dat de herkenning van de verdachte op de foto gegrond is, en dat het hof terecht oordeelde dat vervaardigen ook kan worden aangenomen als de verdachte niet zelf de opnameapparatuur bedient maar wel de regie had.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht de getuigenverzoeken afwees omdat het hof geen noodzaak zag en dat het hof weliswaar een onjuiste maatstaf hanteerde, maar dat dit niet tot cassatie leidt omdat het belang voor de verdediging niet duidelijk is gemaakt. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot zeven jaar gevangenisstraf blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/04620

Zitting3 december 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 22 november 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens:
1. primair “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een minderjarig kind dat aan zijn zorg is toevertrouwd, meermalen gepleegd”;
2. “ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind of pleegkind, meermalen gepleegd”;
3. “een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verwerven en in bezit hebben, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd”;
4. subsidiair “mishandeling, begaan tegen zijn echtgenote, meermalen gepleegd” en
5. “een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij integraal toegewezen en in verband daarmee een schadevergoedingsmaatregel opgelegd op de wijze zoals in het arrest vermeld. De rechtbank had de verdachte eerder vrijgesproken van het onder 5 tenlastegelegde.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.H.L. Antonides, advocaat in Roermond, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak in het kort en de bewezenverklaring

2.1
De bewezenverklaring en de daaraan ten grondslag liggende bewijsconstructie houden het volgende in. [slachtoffer 1] is de dochter van [slachtoffer 2]. [slachtoffer 1] is geen dochter van de verdachte, maar heeft wel diens achternaam aangenomen. [slachtoffer 2] had een relatie met de verdachte en is in december 2012 samen met [slachtoffer 1] bij hem ingetrokken. In februari 2014 zijn de verdachte en [slachtoffer 2] getrouwd. Volgens de bewezenverklaring is de verdachte in maart 2014 begonnen seksuele handelingen te verrichten bij [slachtoffer 1], die toen 15 jaar oud was (feit 1 primair). De verdachte is daar ook na de zestiende verjaardag van [slachtoffer 1] mee doorgegaan (feit 2). Sinds juli 2014 leefde de verdachte met [slachtoffer 1] alleen in diens huis nadat [slachtoffer 2] was wegegaan. Vlak voor haar vertrek werd [slachtoffer 2] verschillende keren door de verdachte mishandeld (feit 4 subsidiair). Voordat [slachtoffer 1] 18 jaar oud werd, heeft zij een foto gemaakt van zichzelf en de verdachte toen zij hem aan het pijpen was in een jacuzzi (feit 5). In dezelfde periode is van de verdachte en [slachtoffer 1] een serie portretfoto’s gemaakt waarop [slachtoffer 1] met een ontbloot bovenlijf te zien was (feit 3). In juli 2018 is [slachtoffer 1] weggegaan bij de verdachte en zijn de seksuele handelingen gestopt. [slachtoffer 1] was toen 19 jaar oud.
2.2
Voluit is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“1. primair
hij in de periode van 4 maart 2014 tot en met 31 januari 2015 in [plaats] meermalen telkens met een kind dat hij, verdachte, verzorgde en opvoedde als behorend tot zijn, verdachtes, gezin, zijnde een aan zijn, verdachtes, zorg toevertrouwde minderjarige, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1999), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ;
2.
hij in de periode van 1 februari 2015 tot en met 31 januari 2017 in [plaats] meermalen telkens ontucht heeft gepleegd met zijn, verdachtes, minderjarig stiefkind en/of pleegkind, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1999, door het meermalen telkens duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 1] ;
3.
hij op tijdstippen in de periode van 15 december 2016 tot en met 7 maart 2019 in [plaats] afbeeldingen, te weten foto’s bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij een kind dat hij, verdachte, verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn, verdachtes, gezin, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1999), die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken, heeft verworven en in bezit gehad, welke seksuele gedragingen bestonden uit het gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en poseert in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past en door de (onnatuurlijke) pose en de wijze van kleden van deze persoon nadrukkelijk de (ontblote) borsten en billen in beeld gebracht worden, waarbij de afbeelding aldus telkens een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling (de foto’s met bestandsnamen: 161215_V2_[verdachte]_2635, 161215_V2_[verdachte]_2624, 161215_V2_[verdachte]_2680 en 161215_V2_[verdachte]_2691);
4. subsidiair
hij in de periode van 11 juli 2014 toten met 28 juli 2014 in [plaats] meermalen telkens opzettelijk mishandelend zijn, verdachtes, echtgenote, te weten [slachtoffer 2], bij de keel en/of hals heeft vastgegrepen en vastgepakt en vastgehouden en vervolgens met kracht met zijn, verdachtes, handen de keel en/of hals heeft dichtgedrukt (gehouden) en/of de mond en neus van die [slachtoffer 2] met zijn, verdachtes, handen heeft bedekt gehouden en/of - met gebalde vuist met kracht tegen de mond heeft geslagen en/of - met zijn, verdachtes, voet op de voet van die [slachtoffer 2] is gaan staan en/of bij de haren heeft vastgepakt en aan de haren zijn, verdachtes, kant uit heeft getrokken, waardoor deze pijn heeft ondervonden;
5.
hij op 20 november 2016 in [plaats] een afbeelding, te weten een foto, van een seksuele gedraging, waarbij een kind dat hij, verdachte, verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn, verdachtes, gezin, dat kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1999, is betrokken, heeft vervaardigd, welke seksuele gedraging bestond uit het met de penis oraal penetreren van het lichaam van die [slachtoffer 1] .”
2.3
Voor de bewijsmiddelen verwijs ik naar het bestreden arrest.

Het eerste middel

3.1
Het middel heeft betrekking op de feiten 1, 2 en 5 en houdt in dat het hof onvoldoende gemotiveerd voorbij is gegaan aan het verweer van de verdediging dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] onbetrouwbaar zijn en derhalve niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.
3.2
Het hof heeft het in het middel genoemde verweer als volgt samengevat en verworpen:

Bewijsoverwegingen

A.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder feit 1, feit 2, feit 4 subsidiair en feit 5 tenlastegelegde. Daartoe is - op de gronden zoals nader in de overgelegde pleitaantekeningen verwoord - in de kern het volgende aangevoerd.
De verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] zijn in de visie van de verdediging onbetrouwbaar en worden door de raadsman als kennelijk leugenachtig bestempeld. Hiertoe wijst de raadsman met nadruk op de wijze waarop aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard. Zo heeft zij niet gedetailleerd verklaard, gaf zij geen duidelijke antwoorden op vragen, had zij zich goed voorbereid op kritische vragen, gaf zij geen blijk van emoties, heeft zij tegenstrijdig verklaard, gaf zij niet zonder aarzeling antwoord, wist zij vragen niet te beantwoorden of durfde zij het niet te zeggen, was zij lacherig en zijn terloops opmerkingen over schadevergoeding ‘hoe meer, hoe beter’ gemaakt.
Het rapport van deskundige dr. G. Wolters inzake de betrouwbaarheid van haar verklaringen kan volgens de raadsman niet tot een andere conclusie leiden, nu er op dat rapport het nodige is aan te merken. Indien dat rapport door het hof tot het bewijs zal worden gebezigd, dan doet de verdediging het voorwaardelijke verzoek om de deskundige ter terechtzitting te horen over en te bevragen naar zijn bevindingen.
Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij met niemand anders dan met de verdachte in de jacuzzi zou hebben gezeten, waaraan het Openbaar Ministerie het bewijs ontleent dat het de penis van de verdachte moet zijn geweest op de foto waarop is te zien dat aangeefster een manspersoon pijpt in de jacuzzi. Indien het hof tot het oordeel zou komen dat het de verdachte is die door aangeefster oraal wordt bevredigd, dan doet de verdediging het voorwaardelijke verzoek om [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6] als getuigen te mogen horen, teneinde hen te vragen of zij op enig moment met aangeefster in de jacuzzi hebben gezeten teneinde de betrouwbaarheid van haar verklaring te kunnen toetsen en om te kunnen verifiëren of zij de betrokken persoon zijn op de betreffende foto.
De verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] worden voorts niet ondersteund door de verklaringen van de verdachte en [slachtoffer 2]. Zij worden volgens de raadsman zelfs door hun verklaringen weersproken. Aldus ontbreekt steunbewijs voor de aangifte. Het steunbewijs dat in het dossier aanwezig is, is ‘van horen zeggen’ (waaronder de getuigenverklaring van vriendin [getuige 7]) en ziet niet op belangrijke aspecten van de verklaringen van aangeefster.
Daarbij wekt het bevreemding dat [slachtoffer 2], zoals zij heeft verklaard, nimmer iets van de vermeende seksuele handelingen heeft gemerkt, terwijl zij in het bed sliep waar een en ander zou hebben plaatsgevonden.
[slachtoffer 1] heeft ook gesteld dat seksuele handelingen zouden zijn opgenomen, maar de politie heeft alle mogelijke gegevensdragers onderzocht en daarop zijn geen beelden aangetroffen.
(…)
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
(…)

C.Het hof stelt vast dat aangeefster [slachtoffer 1] gedetailleerd en in de kern consistent heeft verklaard over hetgeen met de verdachte is voorgevallen. De verklaring van aangeefster vindt bovendien steun in de overige tot het bewijs gebezigde getuigenverklaringen van [slachtoffer 2], [getuige 7], [getuige 3] en [getuige 8], alsmede in het aangetroffen fotomateriaal.

De verklaring van [slachtoffer 2] ondersteunt de mogelijke locaties en momenten waar(op) het misbruik zou hebben plaatsgevonden, namelijk in de jacuzzi op een carnavalsavond in 2014, terwijl [slachtoffer 2] naar het toilet was, alsook in het kader van filmavonden in het bed van de verdachte en [slachtoffer 2], terwijl [slachtoffer 2] sliep. Dat destijds seksueel misbruik door de verdachte heeft plaatsgevonden, vindt steun in de verklaring van [getuige 7], die verklaarde dat haar vriendin [slachtoffer 1] haar - toen [slachtoffer 1] haar moeder net naar [plaats] was vertrokken - heeft verteld dat zij seks had gehad met de verdachte, voordat haar moeder naar [plaats] vertrokken was. Deze verklaring van [slachtoffer 1] vindt tevens verankering in de verklaring van [getuige 8], zijnde de moeder van [getuige 7], aan wie [getuige 7] destijds heeft doorverteld wat aangeefster haar had verteld. Haar dochter [getuige 7], die een aantal maanden ouder is dan [slachtoffer 1] , was nog minderjarig toen zij vertelde dat [slachtoffer 1] seks had met de verdachte. Daarenboven heeft [getuige 7] zelf nog het volgende verklaard uit eigen waarneming. Toen zij en [slachtoffer 1] nog minderjarig waren, bleef de verdachte met carnaval wijntjes voor hen kopen, omdat zij dat nog niet zelf konden daar zij nog geen achttien jaar oud waren. Toentertijd, rond die carnaval van drie jaren tevoren (hof: aldus in 2016), is [getuige 7] ook een keer blijven logeren en ’s ochtends lag [slachtoffer 1] niet meer naast [getuige 7], maar [slachtoffer 1] lag bij verdachte in bed. Volgens [getuige 7] zei [slachtoffer 1] haar zelfs dat verdachte vroeg of [getuige 7] ook bij hen kwam liggen, zodat zij met zijn drieën in het tweepersoonsbed kwamen te liggen. Voorts ondersteunt [getuige 3] de verklaring van [slachtoffer 1] over het seksuele misbruik door de verdachte. Niet alleen verklaarde hij over de emoties die hij waarnam bij aangeefster toen zij hem inlichtte over het misbruik. Ook vertelde [getuige 3] over de door hem ontvangen (…) app-berichten van de verdachte met de tekst: "
Vraag maar eens aan jouw vriendin hoe trouw ze is want je kunt haar niet vertrouwen, vraag maar hoe het echt zit" en de spijtbetuiging van de zijde van de verdachte. Dit alles ondersteunt naar het oordeel van het hof de verklaring van aangeefster dat zij seksueel is misbruikt door de verdachte toen zij minderjarig was.
Ten slotte vindt het hof ondersteuning voor de verklaring van aangeefster in het niets verhullende aangetroffen fotomateriaal. In de eerste plaats de fotoshoot van 15 december 2016 (en niet van januari 2017, zoals door de verdediging ter terechtzitting in eerste aanleg geopperd) toen [slachtoffer 1] nog minderjarig was en waaraan de verdachte volgens deze aangeefster ‘een erotisch tintje’ wilde geven. Het betreft een coherente serie foto’s die volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van bevindingen zijn aangemerkt als kinderpornografisch van aard, vanwege de seksuele strekking van de beelden. In de tweede en laatste plaats gaat het hierbij om de foto van 20 november 2016 in de jacuzzi waarop te zien is dat aangeefster [slachtoffer 1] de verdachte oraal bevredigt, naar - eigen zeggen - dat zij hem pijpt, terwijl zij nog minderjarig was. Al deze foto’s leveren steunbewijs op voor de verklaringen van aangeefster dat de verdachte met haar, toen zij nog minderjarig was, de bewezenverklaarde ontuchtige handelingen heeft gepleegd (…)
De omstandigheid dat in de verklaringen van [slachtoffer 1] op detailniveau enige discrepanties zijn te ontwaren, maakt niet dat die verklaringen als onbetrouwbaar terzijde moeten worden gesteld. Een verklaring daarvoor kan worden gevonden in de feilbaarheid van het menselijk geheugen. Het gaat in dezen om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop ze zijn afgelegd. Daarover is reeds vastgesteld dat [slachtoffer 1] details in haar verklaringen benoemd, die ook terugkomen in de overige bewijsmiddelen.
Het voorgaande leidt ertoe dat de verklaringen van [slachtoffer 1] op het hof authentiek en betrouwbaar overkomen, zodat deze bruikbaar zijn om te bezigen tot het bewijs en ook daartoe worden gebezigd. Het hof ziet ook geen aanleiding om te veronderstellen dat [slachtoffer 1] een onwaarachtige verklaring heeft afgelegd over de bewezenverklaarde en vergaande seksuele handelingen die door de verdachte jegens haar zijn gepleegd, temeer nu haar verklaringen, zoals hiervoor reeds is overwogen, voldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen.
Het hof overweegt ten overvloede dat zijn oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] niet wordt weerlegd door de bevindingen uit het (op verzoek van de verdediging) in hoger beroep opgemaakte rapport van dr. G. Wolters van 10 mei 2023. Integendeel, ook deze deskundige concludeert dat hij geen aanwijzingen heeft gevonden die de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] in twijfel trekken, reden waarom haar verklaringen volgens de deskundige in aanzienlijke mate valide en betrouwbaar geacht kunnen worden. Ofschoon het hof reeds zelfstandig tot dit betrouwbaarheidsoordeel is gekomen en reeds om die reden het voorwaardelijk verzoek om de deskundige te mogen horen geen bespreking behoeft, acht het hof het horen van die getuige evenmin noodzakelijk. Immers, de verdediging is reeds in de gelegenheid gesteld schriftelijk vragen aan de deskundige te stellen over de inhoud van zijn rapport, waarvan de verdediging gebruik heeft gemaakt en waarop de deskundige bij brief van 18 mei 2023 heeft gerespondeerd. Hetgeen de verdediging in dat verband heeft aangevoerd, heeft de deskundige geen reden gegeven om zijn rapport aan te passen. Dat de uitkomsten van dit door de verdediging geëntameerde betrouwbaarheidsonderzoek dan wel de daarop gevolgde antwoorden de verdachte niet welgevallig zijn, kan bezwaarlijk tot een ander oordeel leiden.
Hetgeen overigens door de raadsman van de verdachte ten verwere is aangevoerd, daaronder begrepen dat [slachtoffer 2] nooit iets van de seksuele handelingen heeft gemerkt, dat niet blijkt van emotie uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en dat de seksuele handelingen niet op gegevensdragers zijn aangetroffen, dwingt niet tot een andersluidend oordeel met betrekking tot het tenlastegelegde. Het eerste wekt immers geen verwondering, gezien de uitlatingen van aangeefster dat de seksuele handelingen geschiedde als haar moeder sliep (vide dossierpagina 167), dat de verdachte zachtjes te werk ging opdat [slachtoffer 2] niet zou ontwaken (vide dossierpagina’s 161-162), dat hij stopte als hij dacht dat zij ontwaakte (dossierpagina 161) en gelet op de omstandigheid dat [slachtoffer 2] naar eigen zeggen erg vast slaapt (vide dossierpagina 248). De tweede omstandigheid doet - wat daar ook van zij - niet af aan het feit dat de verklaringen van [slachtoffer 1] voldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen, nog daargelaten dat wel degelijk emoties bij [slachtoffer 1] zijn waargenomen. Het feit dat de seksuele handelingen niet op onderzochte gegevensdragers zijn aangetroffen doet evenmin af aan een bewezenverklaring en al helemaal niet aan het kinderpornografisch beeldmateriaal waarop ook de verdachte figureert dat wél is aangetroffen op de door aangeefster [slachtoffer 1] aangeleverde gegevensdragers.”
3.3
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de feitenrechter beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal in beginsel niet te motiveren. Indien de rechter echter afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van dat bewijsmateriaal, dan dient hij op grond van art. 359 lid 2 Sv Pro in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Deze motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van zo een standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [1]
3.4
Het hof heeft blijkens de onder 3.2 onder C weergegeven overwegingen uitgebreid gemotiveerd waarom het aan het door de verdediging gevoerde betrouwbaarheidsverweer voorbijgaat. Zo heeft het hof tot uitdrukking gebracht i) dat de aangeefster gedetailleerd en in de kern consistent heeft verklaard over het hetgeen met de verdachte is voorgevallen, ii) dat en waarom haar verklaringen steun vinden in de overige tot het bewijs gebezigde getuigenverklaringen van [slachtoffer 2], [getuige 7], [getuige 3] en [getuige 8], iii) dat en waarom haar verklaringen tevens steun vinden in het aangetroffen fotomateriaal en iv) dat de verklaringen van de aangeefster ook volgens deskundige dr. G. Wolters in aanzienlijke mate valide en betrouwbaar geacht kunnen worden. Het hof heeft tevens tot uitdrukking gebracht v) waarom de door de verdediging genoemde discrepanties in de verklaringen van de aangeefster naar zijn oordeel niet maken dat die verklaringen als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven en vi) waarom hetgeen overigens door de raadsman is aangevoerd het hof evenmin daartoe dwingt. Aan de uit art. 359 lid 2 Sv Pro voortvloeiende responsieplicht heeft het hof dan ook ruimschoots voldaan.
3.5
Het middel faalt.

Het tweede middel

4.1
Het middel, dat ziet op de feiten 2 en 5, heeft betrekking op een door het hof tot het bewijs gebezigd relaas van [verbalisant]. Het klaagt – althans zo begrijp ik – dat het hof onvoldoende gemotiveerd voorbij is gegaan aan het verweer van de verdediging dat niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is die op de in dat relaas omschreven foto van 20 november 2016 door aangeefster [slachtoffer 1] oraal wordt bevredigd.
4.2
Het in het middel genoemde relaas is door het hof opgenomen als bewijsmiddel 13 en houdt het volgende in:

“13.Het proces-verbaal d.d. 4 juni 2019 (proces-verbaalnummer 2018143477-28), dossierpagina’s 111-112, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant], inspecteur van politie, operationeel expert bij het Team Bestrijding Kinderporno & Kindersekstoerisme (TBKK) van de politie eenheid Limburg, digitaal rechercheur:

Dossierpagina 111
Blijkens haar verklaring heeft aangeefster aan de politie een gegevensdrager overhandigd, waarvan zij eerder verklaarde zich daarop foto's zouden bevinden waarop wordt afgebeeld dat zij orale seks heeft met [verdachte] . Op haar aanwijzen werd een map met foto's veiliggesteld. Ik heb vervolgens die foto's nader bekeken. Ik trof onder andere 36 foto's aan die erg op elkaar gelijken. 12 van deze foto's zijn uniek. De foto's zijn voorzien van exifinformatie. Ze zijn gemaakt met een smartphone merk iPhone 5. De datum bij al deze foto's is: 20.11.2016. De tijdstippen zijn gelegen tussen 23.42 en 23.57 uur. Enkele foto's zijn tevens voorzien van coördinaten. ([…]) Deze coördinaten komen overeen met de ligging van de woning van [verdachte] aan de [a-straat] in [plaats]. Gezien de tot nu toe bekend geworden feiten zijn de foto's kennelijk gemaakt in de aanbouw bij de woning van [verdachte] waarin zich een bubbelbad (jacuzzi) bevindt. Door mij wordt op 4 van deze foto's [verdachte] herkend. Hij zit naakt in een bad.
Dossierpagina 112
Aangeefster verklaarde dat op deze foto's onder andere te zien zou zijn dat zij de penis van [verdachte] in haar mond had. Op 8 foto's is te zien dat de stijve penis van een man zich bevindt in de mond van een kennelijk jonge vrouw. De jonge vrouw die die penis is haar mond heeft vertoont enige gelijkenis met de foto’s die ik heb gezien van aangeefster.”
4.3
Het in het middel bedoelde verweer is door het hof als volgt samengevat en verworpen:
“Voorts is de verdediging van mening dat [verbalisant] niet tot een herkenning kan zijn gekomen van de penis van de verdachte, omdat niet is gebleken dat er foto’s beschikbaar zijn dan wel beschikbaar zijn gesteld, waarop de verdachte met een erectie te zien zou zijn en op basis waarvan de herkenning zou hebben kunnen plaatsvinden. Op de foto’s die in het dossier voorhanden zijn, zijn de kenmerkende tatoeages die de verdachte op zijn lichaam heeft, niet te zien.
(…)
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
(…) In de tweede en laatste plaats gaat het hierbij om de foto van 20 november 2016 in de jacuzzi waarop te zien is dat aangeefster [slachtoffer 1] de verdachte oraal bevredigt, naar - eigen zeggen - dat zij hem pijpt, terwijl zij nog minderjarig was. (…) Daarbij komt nog dat uit bewijsmiddel 13 naar voren komt dat de coördinaten van deze foto overeenkomen met de locatie waarop de jacuzzi van de verdachte zich bevindt, namelijk in de achtertuin van de verdachte, en voorts dat op deze foto naast aangeefster [slachtoffer 1] , louter de verdachte op verschillende foto’s in de fotoreeks (die in dezelfde en korte tijdsspanne die late avond zijn gemaakt als de gewraakte foto) in de betreffende jacuzzi is herkend door verbalisanten, zodat het ook om die redenen voor het hof geen twijfel leidt dat het de verdachte is geweest die door aangeefster [slachtoffer 1] op de foto oraal wordt bevredigd conform hetgeen aangeefster [slachtoffer 1] van meet af aan zelf over deze foto heeft verklaard.
(…)
Het verweer van de verdediging dat niet tot een herkenning kan zijn gekomen van de verdachte, omdat op de betreffende foto’s volgens de verdediging niet de verdachte kenmerkende tatoeages op diens linkerzijde van het lichaam en rechterbovenbeen zijn te zien, leidt het hof allerminst tot de gevolgtrekking dat de foto’s waarop een penis in de mond van [slachtoffer 1] is te zien, niet de penis van de verdachte zou kunnen zijn. Reeds niet omdat het een van dichtbij genomen foto betreft en het reeds daarom verklaarbaar is dat de verdachte kenmerkende tatoeage(s) niet op de foto waarneembaar is/zijn. Het hof verwijst in dit verband naar de foto’s op dossierpagina 114. Deze foto’s zijn na aanpassing van de belichting opnieuw bekeken en daarop is volgens de verbalisanten - zoals uit de bewijsmiddelen blijkt -[slachtoffer 1] herkenbaar in beeld, terwijl zij een penis in haar mond heeft. Het hof neemt waar dat het lichaam waartoe de penis behoort daarbij niet/nauwelijks in beeld is en mitsdien niet nader is omschreven. Het hof is aan de hand van nadere bestudering van het betreffende beschikbare fotomateriaal in raadkamer overigens tot deze conclusie gekomen: er is nauwelijks een stuk van de zijkant van het lijf van de verdachte zichtbaar op -kort gezegd- de jacuzzi-foto’s en waar dat zichtbaar is, is de kwaliteit van het beeld zodanig dat daarop een tatoeage niet is te onderscheiden. Dat volgens de verdediging niet is gebleken dat er eerder foto’s beschikbaar zijn (geweest/gesteld) van de verdachte, waarop hij met een erectie is te zien, en op basis waarvan al dan niet een ‘penis-herkenning’ zou (hebben) kunnen plaatsvinden, doet aan alle waarnemingen, bevindingen en gevolgtrekkingen als hiervoor vermeld niet af. Het hof gaat aan dat verweer daarom voorbij.”
4.4
Het hof heeft ook hier uitgebreid gemotiveerd waarom het – anders dan de verdediging – van oordeel is dat het de verdachte is die op de door [verbalisant] omschreven foto van 20 november 2016 door aangeefster [slachtoffer 1] oraal wordt bevredigd. Het heeft daartoe overwogen dat i) uit bewijsmiddel 13 naar voren komt dat de coördinaten van deze foto overeenkomen met de locatie waarop de jacuzzi van de verdachte zich bevindt en dat ii) uit datzelfde bewijsmiddel blijkt dat deze foto deel uitmaakt van een fotoreeks die in een korte tijdspanne op dezelfde avond is gemaakt en waarop – naast de aangeefster – louter de verdachte staat afgebeeld. Het hof heeft in reactie op het verweer van de verdediging dienaangaande verder tot uitdrukking gebracht iii) waarom het verklaarbaar is dat de kenmerkende tatoeages van de verdachte op de foto niet te zien zijn en iv) waarom de door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat niet is gebleken dat er eerder foto’s beschikbaar zijn gesteld op basis waarvan een ‘penis-herkenning’ tot stand zou kunnen komen, het hof niet tot een ander oordeel brengt. Van een schending van art. 359 lid 2 Sv Pro is derhalve geen sprake.
4.5
Het middel faalt.

Het derde middel

5.1
Het middel richt zich tegen het onder 5 bewezenverklaarde en klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte de in de bewezenverklaring genoemde foto heeft ‘vervaardigd’, omdat deze foto door de aangeefster – en dus niet door de verdachte – is gemaakt.
5.2
Het hof heeft ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde bestanddeel ‘vervaardigen’ het volgende overwogen:
“Het hof stelt vast dat uit de bewijsmiddelen naar voren komt dat op 20 november 2016 een foto van de minderjarige [slachtoffer 1] is gemaakt, waarop zij een penis - zijnde die van de verdachte - in haar mond heeft. De foto is gemaakt door en met de telefoon van aangeefster [slachtoffer 1] , zij het op instigatie van de verdachte.
Ofschoon het vervaardigen van deze kinderpornografische afbeelding aldus feitelijk niet door de verdachte zelf is geschied, is de rol van de verdachte bij de totstandkoming daarvan dusdanig geweest (gelet op het zijn van initiatiefnemer, regisseur, participant en persoon die feitelijk overwicht had op het slachtoffer) dat naar het oordeel van het hof een bewezenverklaring voor het vervaardigen van die afbeelding dient te volgen.”
5.3
In deze overwegingen van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat voor vervaardigen als bedoeld in art. 240b (oud) Sr in een geval als het onderhavige niet is vereist dat de verdachte feitelijk de opnameapparatuur bedient, maar dat dit vervaardigen (ook) kan worden aangenomen indien de rol van de verdachte bij de totstandkoming van de betreffende afbeelding van voldoende gewicht is. Het middel stelt de vraag aan de orde of het hof daarmee uitgaat van een te ruime uitleg van het begrip vervaardigen. [2]
5.4
Art. 240b lid 1(oud) Sr [3] luidde ten tijde van het tenlastegelegde als volgt:
“Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die een afbeelding — of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding — van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreidt, aanbiedt, openlijk tentoonstelt, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert, verwerft, in bezit heeft of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaft.”
5.5
Het vervaardigen van een in deze bepaling genoemde afbeelding is door de wetgever niet van aanvang af als zelfstandige gedraging strafbaar gesteld. Art. 240b (oud) Sr werd ingevoerd bij de Wet van 3 juli 1985 (Stb
.1985, 385) en luidde aanvankelijk als volgt:
“Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft degene die een afbeelding - of een informatiedrager, bevattende een afbeelding - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, hetzij verspreidt of openlijk tentoonstelt, hetzij om verspreid of openlijk tentoongesteld te worden vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of in voorraad heeft.”
5.6
Het vervaardigen van een in die strafbepaling genoemde afbeelding was dus slechts strafbaar indien dat vervaardigen had plaatsgevonden met het oogmerk van verspreiding of tentoonstelling van die afbeelding; het tegengaan van de verspreiding en de tentoonstelling van kinderporno – en dus niet van de vervaardiging daarvan – stond bij art. 240b (oud) Sr voorop. [4] Daar komt bij dat art. 240b (oud) Sr geen deel uitmaakte van het oorspronkelijke wetsvoorstel: het werd ingevoegd bij de derde nota van wijzing en dus pas in een laat stadium van de parlementaire behandeling. [5] Dat verklaart wellicht waarom de wetsgeschiedenis goeddeels zwijgt over de invulling van het begrip vervaardigen. [6]
5.7
In het kader van die invulling heeft de toenmalige minister van Justitie tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer wel opgemerkt dat “met de vervaardiger bijvoorbeeld ook de drukker [is] bedoeld, die zelf geen misdrijf [heeft] gepleegd”. [7] Het komt mij voor dat de minister daarmee het oog heeft gehad op degene die zich weliswaar niet (direct) schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik van (een) kind(eren), maar wel op een andere wijze gebruikmaakt oftewel profiteert van dat misbruik. Een drukker maakt een dergelijke gebruik als hij niet zelf de opname van het misbruik maakt, maar de afbeelding daarvan wel vermenigvuldigt.
5.8
Die gedachte vindt bevestiging in de reden die de memorie van toelichting noemt om in 1995 [8] de zinsnede “hetzij om verspreid of openlijk tentoongesteld te worden” in het onder 5.5 weergegeven art. 240b (oud) Sr te laten vervallen, zodat daarmee ook het vervaardigen (evenals de overige in die bepaling genoemde gedragingen) op zichzelf strafbaar werd(en):
“In artikel 240b Sr. zijn als gezegd mede strafbaar gesteld enige op verspreiding of openlijke tentoonstelling van kinderpornografie gerichte handelingen. (…) er [is] alle aanleiding deze gedragingen strafbaar te stellen ongeacht de vraag of de pleger ervan de verspreiding of de openlijke tentoonstelling op het oog heeft. Deze gedragingen zelf komen ook voor bestraffing in aanmerking, nu zij, ook los van dit oogmerk, voortbouwen op en profiteren van ten aanzien van kinderen gepleegde zedendelicten.” [9]
5.9
De toenmalige minister van Justitie vat die reden in de Nota naar aanleiding van het verslag als volgt samen: “hij die activiteiten met betrekking tot kinderporno verricht [bouwt], ook los van het op verspreiding of openlijke tentoonstelling gerichte oogmerk, voort op en profiteert van ten aanzien van kinderen gepleegd (seksueel) misbruik.” [10]
5.1
Zij voegt daaraan nog het volgende toe:
“De strekking van dat artikel [ik begrijp: art. 240b (oud) Sr, MvW] is de bescherming van kinderen tegen seksueel misbruik. De vervaardiging van kinderpornografie op zich is reeds afkeurenswaardig. Het schadelijk effect en de impuls tot vervaardiging worden alleen vergroot, indien kinderpornografie verder wordt verspreid of openlijk tentoongesteld. Maar ook het vervaardigen van kinderpornografie voor eigen gebruik, en het in voorraad hebben daarvan, impliceren een profiteren van het schadelijk misbruik van kinderen.” [11]
5.11
Art. 240b (oud) Sr kwam in zijn nieuwe vorm dus beter tegemoet aan het doel van die bepaling, kennelijk zijnde: het beschermen van kinderen tegen seksueel misbruik door tegen te gaan dat op ten aanzien van kinderen gepleegde zedendelicten wordt voortgebouwd en daarvan wordt geprofiteerd. De vervaardiging van een afbeelding als bedoeld in art. 240b (oud) Sr vormt de eerste schakel van en voor dergelijk voortbouwen en profiteren. Die vervaardiging dient dan ook achterwege te blijven, aldus de minister:
“Het gaat in (…) art. 240b Sr. (…) om afbeeldingen waarvan de vervaardiging met het oog op de bescherming van de jeugdigen achterwege dient te blijven.” [12]
5.12
In het licht van het doel van art. 240b (oud) Sr en gelet op de wijze waarop het begrip ‘vervaardigen’ in de hiervoor weergegeven parlementaire geschiedenis wordt gebezigd, wordt daarmee naar ik meen veeleer gedoeld op de algehele totstandkoming van een afbeelding als bedoeld in art. 240b (oud) Sr en (dus) niet slechts op de technische handeling(en) die daartoe is of zijn verricht.
5.13
Het onder 5.2 weergegeven oordeel van het hof komt erop neer dat de rol van de verdachte bij de totstandkoming van de in de bewezenverklaring genoemde afbeelding zodanig is geweest dat hij – ondanks dat de betreffende opnameapparatuur niet door hemzelf, maar door de aangeefster werd bediend – als ‘vervaardiger’ in de zin van art. 240b Sr kan worden aangemerkt. Gelet op het voorgaande, waaruit kan worden opgemaakt dat art. 240b (oud) Sr is ingevoerd (en gewijzigd) om strafrechtelijk op te kunnen treden tegen (onder meer) diegene die met de totstandkoming van een afbeelding als bedoeld in die bepaling voortbouwt op en profiteert van ten aanzien van kinderen gepleegd seksueel misbruik, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ik merk daarbij op dat het hof onder meer heeft vastgesteld dat de in de bewezenverklaring genoemde afbeelding volgens de aangeefster is gemaakt omdat de verdachte “dat (…) leuk [vond]” (bewijsmiddel 4) en dat dit zijn plan was (bewijsmiddel 5).
5.14
Het middel faalt.

Het vierde middel

6.1
Het middel heeft betrekking op feit 4 en houdt in – althans zo begrijp ik – dat het hof onvoldoende gemotiveerd voorbij is gegaan aan het verweer van de verdediging dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn en derhalve niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.
6.2
Het hof heeft het in het middel genoemde verweer als volgt samengevat en verworpen:
“Met betrekking tot de tenlastegelegde mishandeling van [slachtoffer 2] is aangevoerd dat haar verklaring evenmin betrouwbaar is, aangezien uit het dossier volgt dat haar verklaring niet geheel op waarheid zou berusten en zij de verdachte een hak zou willen zetten (vide dossierpagina 376). De verklaring van [slachtoffer 1] is niet ondersteunend, waarbij de raadsman opmerkt dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] niet bij de vermeende mishandeling aanwezig zou zijn geweest. Tevens is door de politieagenten geen letsel bij [slachtoffer 2] geconstateerd. Om voormelde redenen zou evenmin tot een bewezenverklaring van het onder feit 4 subsidiair tenlastegelegde kunnen worden gekomen, aldus de raadsman.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
[…]

D.

Met betrekking tot de onder feit 4 subsidiair tenlastegelegde mishandeling stelt het hof vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat zowel aangeefster [slachtoffer 2] als getuige [slachtoffer 1] hebben verklaard dat de verdachte meerdere malen met zijn handen de keel van [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen. Getuige [slachtoffer 1] omschrijft het incident op 28 juli 2014 als een wurggreep, waarbij de verdachte met zijn handen de keel van haar moeder vast had. [slachtoffer 2] verklaarde over meerdere momenten waarop de verdachte met zijn handen in haar nek heeft gedrukt, in de periode vlak voordat zij de woning van de verdachte had verlaten. Daarnaast verklaren zij beiden over de andere in de bewezenverklaring genoemde mishandelingen.
Hetgeen de raadsman dienaangaande heeft aangevoerd, hetgeen in de kern neerkomt op mogelijke wraakgevoelens van [slachtoffer 2] jegens de verdachte, doet - wat daar ook van zij - niet af aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. Deze wordt immers bevestigd door de verklaringen van [slachtoffer 1] hieromtrent en in het feit dat dienaangaande tweemaal een melding is gedaan bij de politie die ook een keer ter plaatse is gekomen. Derhalve kan ook het onder feit 4 subsidiair tenlastegelegde naar het oordeel van het hof worden bewezen. De omstandigheid dat door politieagenten geen letsel bij [slachtoffer 2] is geconstateerd maakt het voorgaande niet anders.”
6.3
Aan het verweer dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 2] niet betrouwbaar zijn heeft de verdediging ten grondslag gelegd dat i) deze verklaringen geen steun vinden in de verklaringen van [slachtoffer 1] , ii) bij [slachtoffer 2] geen letsel is geconstateerd en iii) [slachtoffer 2] wraakgevoelens jegens de verdachte koestert. In reactie op dat verweer heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de onder ii) en iii) genoemde omstandigheden niet afdoen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2], omdat deze verklaringen (wel degelijk) steun vinden in de verklaringen van [slachtoffer 1] – door wie is verklaard dat de verdachte meerdere malen met zijn handen de keel van [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en door wie ook over de andere in de bewezenverklaring genoemde mishandelingen is verklaard (bewijsmiddel 4) – en die verklaringen van [slachtoffer 2] ook steun vinden in de twee meldingen die door [slachtoffer 2] respectievelijk [slachtoffer 1] bij de politie zijn gedaan over (onder andere) het bij de keel grijpen en slaan van [slachtoffer 2] door de verdachte (bewijsmiddel 18). Hiermee heeft het hof aan zijn uit art. 359 lid 2 Sv Pro voortvloeiende responsieplicht voldaan.
6.4
Het middel faalt.

Het vijfde middel

7.1
Het middel houdt in dat het hof ten onrechte het verzoek van de verdediging om [getuige 9] en [getuige 10] als getuige te horen, heeft afgewezen.
7.2
Zowel [getuige 9] als [getuige 10] zijn, zo begrijp ik uit de stukken, werkzaam bij Bureau Jeugdzorg en hebben een ‘Verzoek raadsonderzoek’ (d.d. 8 augustus 2014) en een brief (d.d. 22 augustus 2014) geschreven waarvan onderdelen door de rechtbank voor het bewijs zijn gebruikt. Anders dan de rechtbank heeft het hof beide geschriften niet in zijn bewijsvoering betrokken.
Relevante overwegingen en onderzoekswensen
7.3
Voor zover hier relevant heeft de raadsman bij appelmemorie (tijdig) de volgende onderzoekswensen kenbaar gemaakt:
“2. Horen [getuige 9]
Toelichting:
Door de rechtbank zijn documenten van Bureau Jeugdzorg gebruikt als bewijsmiddel. De verklaring van cliënt ter zitting werd als ongeloofwaardig aangemerkt. De verdediging wenst de getuige te horen om te vragen of cliënt bepaalde uitspraken heeft gedaan en hoe deze geïnterpreteerd dienen te worden. Daarnaast wenst de verdediging de getuige te horen over hetgeen cliënt op zitting heeft verklaard.
3. Horen [getuige 10]
Toelichting:
Door de rechtbank zijn documenten van Bureau Jeugdzorg gebruikt als bewijsmiddel. De verklaring van cliënt ter zitting werd als ongeloofwaardig aangemerkt. De verdediging wenst de getuige te horen om te vragen of cliënt bepaalde uitspraken heeft gedaan en hoe deze geïnterpreteerd dienen te worden. Daarnaast wenst de verdediging de getuige te horen over hetgeen cliënt op zitting heeft verklaard.”
7.4
Blijkens het proces-verbaal van de regiezitting van het hof op 28 september 2022 heeft de advocaat van de verdachte deze onderzoekswensen als volgt toegelicht:
“Ten aanzien van onderzoekswensen 2 en 3: Horen [getuige 9] en [getuige 10]. De verdediging wenst de getuigen te horen om te vragen of cliënt bepaalde uitspraken heeft gedaan en hoe deze geïnterpreteerd dienen te worden. Cliënt heeft uitdrukkelijk ontkend de uitspraken zoals deze zijn geformuleerd in de documenten van Bureau Jeugdzorg te hebben gedaan. Daarnaast wenst de verdediging de getuigen te horen over hetgeen cliënt op zitting heeft verklaard. Door de rechtbank zijn de documenten van Bureau Jeugdzorg gebruikt als bewijsmiddel ondanks dat er in de documenten staat: “Zou hebben gezegd”. Op het moment dat de getuigen dit hebben gehoord van [slachtoffer 1] of haar moeder, dan is dit ook weer van belang bij de betrouwbaarheidskwestie. De verdediging heeft voorts opgemerkt dat er verschillende personen hebben geschreven over deze uitspraken van cliënt, maar dat zij dit plaatsen in verschillende situaties. Er lijkt aldus te zijn geknipt en geplakt in de documenten. Ik acht het horen van de getuigen relevant voort artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering. Het horen kan niet alleen het belastende bewijs tegen cliënt ontkrachten, maar ook de verklaring van cliënt bekrachtigen.”
7.5
De verdediging heeft hierbij het oog op de volgende overweging van de rechtbank:
“Daarnaast ligt de opmerking die verdachte tegen [slachtoffer 2] heeft gemaakt "pas maar, op dat ik je dochter niet pak als jij in [plaats] zit", in lijn met de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij seksueel misbruikt werd door verdachte. Deze opmerking is in brieven en rapporten van Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming terug te vinden en hierbij is vermeld dal verdachte (en [slachtoffer 1]) destijds hebben aangegeven dat de opmerking niet geplaatst had mogen worden en dat dit niet zo zou zijn bedoeld door verdachte. Ter terechtzitting heeft verdachte echter stellig ontkent dat hij de opmerking heeft geplaatst. De opmerking zou door kopiëren en plakken telkens in deze bewoordingen in de rapportages zijn opgenomen. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig. Te meer nu meerdere hulpverleningsinstanties de opmerking aan verdachte hebben voorgehouden en nooit is genoteerd dat verdachte ontkend zou hebben de opmerking te hebben geplaatst maar (in andere bewoordingen) is genoteerd dat verdachte de opmerking heeft gebagatelliseerd.”
7.6
Het hof heeft deze getuigenverzoeken op de regiezitting van 28 september 2022 afgewezen onder toepassing van het noodzaakcriterium:
“Het hof wijst het horen van [getuige 9] en [getuige 10] af (onderzoekswensen 2 en 3), nu het hof daartoe geen noodzaak ziet.”
7.7
Blijkens het proces verbaal van de terechtzitting van het hof op 8 november 2023 (de inhoudelijke behandeling) heeft de raadsman het verzoek om de [getuige 10] te horen daar in voorwaardelijke vorm opnieuw gedaan:
“Indien het hof de rapporten van Bureau Jeugdzorg, waarin is vermeld dat cliënt bepaalde uitlatingen zou hebben gedaan, als bewijsmiddel gebruikt, dan wenst de verdediging rapporteur [getuige 10] alsnog als getuige te horen over of cliënt die uitlatingen daadwerkelijk heeft gedaan en hoe deze dienen te worden geïnterpreteerd.”
7.8
Het hof heeft in zijn bewijsvoering als gezegd geen gebruik gemaakt van de bedoelde rapporten van Bureau Jeugdzorg waardoor de in het voorwaardelijke verzoek genoemde voorwaarde niet is ingetreden. Het hof heeft in het arrest onder verwijzing naar het niet gebruiken van dat rapport geconstateerd dat het voorwaardelijke verzoek geen bespreking meer behoefde.
7.9
In de toelichting op het middel lees ik twee klachten. De eerste houdt in dat het hof bij het afwijzen van een getuigenverzoek de verkeerde maatstaf heeft aangelegd. De tweede houdt in dat de (post-)Keskin-rechtspraak meebrengt dat het belang om voornoemde getuigen te horen door het hof verondersteld had moeten worden.
Bespreking van de tweede deelklacht
7.1
Bij de beoordeling van de tweede deelklacht stel ik om te beginnen vast dat de aanvankelijke verzoeken (bij appelmemorie en toegelicht op de regiezitting) zien op het horen van getuigen over twee schriftelijke stukken die door de rechtbank voor het bewijs zijn gebruikt. Deze stukken hebben dus een à charge-karakter. Daarbij merk ik op dat het horen van de getuigen over de door de verdachte ter zitting afgelegde verklaringen, gelet op de overweging van de rechtbank waarnaar het verzoek verwijst, kennelijk betrekking heeft op de ontkenning van de verdachte ter zitting dat hij de in de stukken beschreven uitspraken heeft gedaan.
7.11
Allereerst merk ik op dat in het middel geen daadwerkelijke Keskin-klacht naar voren wordt gebracht, in die zin dat niet geklaagd wordt over schending van art. 6 EVRM Pro. Daarnaast stel ik vast dat [getuige 9] en [getuige 10] geen belastende verklaring tegenover een opsporingsambtenaar hebben afgelegd, waardoor ook in zoverre de vergelijking met de Keskin-jurisprudentie mank loopt. [13] Ten slotte zij opgemerkt dat de verzoeken niet in een later stadium van de procedure zijn herhaald (integendeel: het verzoek is tijdens de inhoudelijke behandeling afgezwakt tot een voorwaardelijk verzoek en slechts ten aanzien van [getuige 10], terwijl de gestelde voorwaarde niet is ingetreden), terwijl een uitgangspunt van de Keskin-jurisprudentie is dat het nodige initiatief van de verdediging wordt verlangd om het ondervragingsrecht in te roepen en te kunnen effectueren. [14]
7.12
Gelet op het voorgaande faalt dit onderdeel van het middel.
Bespreking van de eerste deelklacht
7.13
Een op de voet van art. 410 lid 3 Sv Pro door een verdachte bij schriftuur gedane opgave van te horen getuigen wordt ingevolge die bepaling aangemerkt als een opgave in de zin van art. 263, tweede lid, Sv. De beoordeling van het getuigenverzoek dient te geschieden aan de hand van de maatstaf van het verdedigingsbelang. [15] Het hof heeft het getuigenverzoek op de regiezitting van 29 november 2023 echter afgewezen op basis van het noodzakelijkheidscriterium. Aldus heeft het hof een onjuiste maatstaf gehanteerd. Het middel klaagt daarover terecht.
7.14
Tot cassatie leidt dit echter niet. De Hoge Raad heeft bepaald dat “de enkele omstandigheid dat het hof bij de afwijzing van een verzoek niet de juiste maatstaf heeft genoemd, niet zonder meer voldoende – rechtens te respecteren – belang [oplevert] bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak” en dat “[d]aarom (…) in gevallen waarin dat belang niet evident is, van de verdediging in redelijkheid [mag] worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft met betrekking tot het belang bij haar klacht”. Voorts mag in gevallen waarin de zaak op meerdere terechtzittingen is behandeld, van de verdediging worden gevergd dat zij toelicht waarom op een later gehouden terechtzitting niet is geklaagd over een op een eerdere zitting begaan verzuim met betrekking tot een verzoek tot oproeping van getuigen. [16]
7.15
Het hof heeft de documenten die door [getuige 9] en [getuige 10] zijn opgemaakt als gezegd niet tot het bewijs gebezigd. Gelet daarop, alsmede op het feit dat mij niet is gebleken waarom de verdediging het feit dat het hof toepassing heeft gegeven aan een onjuist criterium niet bij de inhoudelijke behandeling aan de orde heeft gesteld (maar in plaats daarvan een afgezwakt verzoek heeft gedaan), is voor mij niet duidelijk wat voor de verdachte het belang bij cassatie zou zijn. In de cassatieschriftuur wordt ten aanzien van dat belang ook niet meer gesteld dan dat het afwijzen van het getuigenverzoek “invloed kan hebben gehad op het eindoordeel van het gerechtshof”, maar wordt opnieuw niet onderbouwd waarover de getuigen hadden kunnen verklaren en waarom dit voor de einduitspraak van belang zou zijn geweest.
7.16
Ook de eerste deelklacht kan niet tot cassatie leiden en daarmee faalt het gehele middel.

Afronding

8.1
De middelen falen. Het eerste, tweede, vierde en vijfde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
8.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.
2.In de feitenrechtspraak lijkt die vraag ontkennend te worden beantwoord. Zie bijvoorbeeld: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 3 augustus 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3477, Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 december 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:5546, Rechtbank Den Haag 19 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1611.
3.Dit artikel is met de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024 komen te vervallen (
4.Zie ook
6.Ook bij latere wijzigingen van art. 240b Sr is het begrip vervaardigen niet nader ingevuld, zo constateert ook AG Spronken in haar conclusie van 27 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1322, randnr. 8.4 (voorafgaand aan HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:93).
8.Zie de Wet van 13 november 1995 (
13.Vgl. HR 22 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:177.
14.ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.9.5.
15.HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, rov. 2.42-2.44.
16.Vgl. ECLI:NL:HR:2014:1496, rov. 2.75.