ECLI:NL:PHR:2023:1177

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
18 december 2023
Zaaknummer
23/02495
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 450.1.a SvArt. 449 SvArt. 552a SvArt. 5.1.11 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ongeldige dubbele volmacht

In deze zaak betrof het een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die het opheffen van beslag op goederen, genomen naar aanleiding van Amerikaanse rechtshulpverzoeken, ongegrond verklaarde.

De kern van het geschil was of het cassatieberoep rechtsgeldig was ingesteld via een zogenaamde dubbele volmacht, waarbij de advocaat een griffiemedewerker machtigt om namens de cliënt cassatie in te stellen. De Hoge Raad stelt strenge eisen aan deze volmacht: deze moet een verklaring bevatten dat de advocaat bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van cassatie en moet ondertekend zijn door de advocaat.

In deze zaak ontbraken beide vereisten: de volmachtbrief was niet ondertekend en bevatte geen dergelijke verklaring. Hoewel jurisprudentie herstelmogelijkheden biedt wanneer één van deze voorwaarden ontbreekt, is het ontbreken van beide een brug te ver. Daarom concludeert de AG tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.

De conclusie benadrukt dat de nieuwe wetgeving de dubbele volmacht zal afschaffen, omdat advocaten dan zelf elektronisch rechtsmiddelen kunnen instellen. De zaak toont het belang van strikte naleving van procesvereisten bij cassatie.

Uitkomst: Klager wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens ongeldige dubbele volmacht.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02495 Br
Zitting19 december 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager] ,
geboren op [geboortedatum] 1991,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Oost-Brabant, heeft bij beschikking van 30 mei 2023 het op grond van art. 552a Sv en art. 5.1.11 Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem op de voet van art. 94 Sv Pro in beslag genomen goederen, ongegrond verklaard.
1.2
Het gaat in deze zaak om de inbeslagneming van diverse goederen naar aanleiding van een viertal rechtshulpverzoeken van de Amerikaanse autoriteiten op basis van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken. [1]
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam en M.W. Stoet, advocaat te Den Haag, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld. [2]
1.4
Er bestaat samenhang met de zaken 23/02496, 23/02497, 23/02521, 23/02531 en 23/02532. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.5
De vraag is in onderhavige zaak of het cassatieberoep op juiste wijze is ingesteld. Ik kom tot de conclusie dat dit niet het geval is en zal om hierna te noemen redenen concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.

2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
Uit de stukken van het geding kan over de procesgang bij de Hoge Raad het volgende worden opgemaakt.
2.2
De cassatieakte vermeldt dat namens de klager op 14 juni 2023 cassatie is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2023 door een griffiemedewerker werkzaam bij voormelde rechtbank. [3] De akte houdt tevens in dat deze griffiemedewerker daartoe gemachtigd is “blijkens de aan deze akte gehechte brief welke dient te worden beschouwd als een bijzondere volmacht”.
2.3
Aan de cassatieakte is een e-mailbericht gehecht van A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam, dat is verzonden op 13 juni 2022 om 18:10 uur aan de strafgriffie van voornoemde rechtbank. Het e-mailbericht houdt het volgende in:
“Geachte mijnheer, mevrouw,
Hierbij verzoek ik u en machtig ik u namens mijn cliënten [geboortedatum] en [medeverdachte] om tegen bijgaande beslissingen van 30 mei jl. van de rechtbank Oost-Brabant met raadkamernummers 23/000523 en 23/000525 cassatieberoep in te stellen. Graag ontvang ik van de betreffende aktes kopie na het opmaken ervan.
Met dank voor de te nemen moeite,
Hoogachtend,
Adèle van der Plas”
2.4
Het e-mailbericht bevat als bijlagen de in cassatie bestreden beschikkingen van 30 mei 2023 in de zaak van de klager en die van de (met deze zaak samenhangende) zaak van [medeverdachte] (23/02496). Het e-mailbericht is niet (digitaal) ondertekend door A.G. van der Plas.
2.5
Op 26 juni 2023 heeft A.G. van der Plas zich bij de Hoge Raad gesteld als advocaat van de klager.
2.6
De cassatieschriftuur – gedateerd op 2 oktober 2023 en door de Hoge Raad op diezelfde datum ontvangen – is door A.G. van der Plas ingediend en ondertekend en vermeldt onder meer dat zij “verklaart door requirant van cassatie bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot ondertekening en indiening van deze schriftuur”.
2.7
Dan kom ik nu toe aan de ontvankelijkheidskwestie.
2.8
In deze zaak is cassatie ingesteld via de constructie van de ‘dubbele volmacht’: de verdachte, of in casu de klager, machtigt zijn advocaat om namens hem cassatie in te stellen en de advocaat verleent op haar beurt middels een brief, of e-mail (vroeger fax) een schriftelijke bijzondere volmacht aan de griffiemedewerker om namens de verdachte cassatie in te stellen. [4]
2.9
De constructie van de dubbele volmacht is niet expliciet geregeld in de art. 449 en Pro 450 Sv, maar door de Hoge Raad in zijn arrest van 22 december 2009 toegelaten als de schriftelijke bijzondere volmacht voldoet aan de in art. 450 lid 1 onder Pro a Sv neergelegde eis te weten dat deze inhoudt de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte of klager bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van cassatieberoep. [5]
2.1
Daarnaast is ook een handtekening van de advocaat onder de schriftelijke bijzondere volmacht een onmisbaar vereiste om van een geldige volmacht te kunnen spreken. Dat kan worden afgeleid uit een arrest van 21 juni 2022 waarin de Hoge Raad het ook toelaatbaar heeft geacht dat de volmacht in het e-mailbericht zelf is opgenomen mits het e-mailbericht voldoet aan de (materiële) eisen uit het hiervoor genoemd arrest uit 2009 en is voorzien van een handtekening van de advocaat. [6]
2.2
Hoewel de Hoge Raad in eerste instantie strikt vast hield aan het vereiste dat de advocaat in zijn schriftelijke volmacht aan de griffiemedewerker dient te verklaren dat hij door de verdachte of klager bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van cassatieberoep, is er gaandeweg meer ruimte gekomen voor herstelmogelijkheden. Wanneer de advocaat bij het indienen van de cassatieschriftuur verklaart dat de verdachte hem hiertoe bepaaldelijk heeft gevolmachtigd, wordt hier met terugwerkende kracht uit afgeleid “dat aan de onvolkomen volmacht bij het instellen van het cassatieberoep de wens van de verdachte ten grondslag heeft gelegen om (op rechtsgeldige wijze) beroep in cassatie te doen instellen, zodat die onvolkomen volmacht niet hoeft te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring in het cassatieberoep”. [7] Voorwaarde is dan wel dat de (onvolkomen) volmacht is ondertekend of het e-mailbericht is voorzien van een elektronische handtekening. [8]
2.3
Ook onvolkomenheden in de handtekening of zelfs het ontbreken van een handtekening op de schriftelijke volmacht kan voor gedekt worden gehouden en hoeft niet te leiden tot de niet-ontvankelijk verklaring van het aangewende rechtsmiddel wanneer in een later stadium blijkt (bijvoorbeeld door het indienen van een rechtsgeldige cassatieschriftuur) dat de verdachte het betreffende rechtsmiddel heeft willen instellen. [9] In die gevallen was echter wel voldaan aan het vereiste dat de advocaat had verklaard bepaaldelijk door de verdachte te zijn gevolmachtigd tot het instellen van het cassatieberoep.
2.4
In onderhavige zaak is sprake van twee tekortkomingen. Het e-mailbericht van de advocaat, gericht aan de rechtbank waarin zij kort gezegd namens haar cliënten cassatie instelt (onder verwijzing naar de in de bijlagen opgenomen beslissingen) en de geadresseerde machtigt om dit namens haar te doen, bevat geen verklaring dat zij door de klagers bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van cassatieberoep én is evenmin door haar ondertekend.
2.5
Ik meen dat de hersteloperaties uit de hiervoor aangehaalde jurisprudentie in dit geval geen soelaas kunnen bieden nu in die zaken in ieder geval was voldaan aan één van de twee voorwaarden, te weten het vermelden van de bepaaldelijke volmacht tot het instellen van cassatieberoep of een handtekening. Het herstellen van deze twee gebreken middels een geldig ingediende cassatieschriftuur is wat mij betreft een brug te ver en zou van het vereiste van de volmacht voor het instellen van cassatieberoep een wassen neus maken.
2.6
Dat betekent dat de klager niet kan worden ontvangen in het cassatieberoep. Mocht de Hoge Raad van oordeel zijn dat ik hierin te streng ben, dan ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
2.7
Terzijde merk ik op dat in het nieuwe Wetboek van Strafvordering de constructie van de dubbele volmacht wordt losgelaten omdat de advocaat dan zelf langs elektronische weg een gewoon rechtsmiddel kan instellen. [10]

3.Conclusie

3.1
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de klager niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Trb. 1981, 188, laatst gewijzigd in 2004 (Trb. 2004, 300), in werking getreden op 1 februari 2010 (Trb. 2010, 8). Voor deze rechtshulpverzoeken hebben de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika om vertrouwelijkheid/geheimhouding gevraagd. Deze rechtshulpverzoeken zijn daarom niet aan de verdediging verstrekt.
2.De schriftuur is op 2 oktober 2023 ingediend door A.G. van der Plas. Bij brief van 6 oktober 2023 heeft A.G. van der Plas de griffie van de Hoge Raad laten weten dat zij de schriftuur door omstandigheden als enige heeft ingediend en ondertekend, maar dat dit niet betekent dat M.W. Stoet in deze zaak niet meer als raadsman optreedt.
3.Ik ga ervan uit dat dit tijdig is gebeurd op grond van het volgende. De griffie van de Hoge Raad heeft de betekeningsstukken die betrekking hebben op de mededeling uitspraak opgevraagd bij de rechtbank. Uit de toegezonden akte blijkt dat de beschikking op 26 juni 2023 is betekend aan een huisgenoot.
4.A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 48-49.
5.In HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102, m.nt. Borgers, rov. 3.6 zijn onder (i) tot en met (iii) de eisen geformuleerd waar een dubbele volmacht bij het instellen van hoger beroep aan moet voldoen. Uit rov. 3.7 laatste alinea volgt dat in cassatie enkel de in rov. 3.6. onder (i) vermelde eis van toepassing is: de volmacht moet inhouden de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van cassatieberoep. In dezelfde zin als het gaat om een beschikking HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2971, NJ 2010/103, m.nt. Borgers onder NJ 2010/102. Dat dit kan via een e-mailbericht ging de HR in eerste instantie te ver (HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1241 (81 RO) en HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3253, NJ 2015/473, rov. 2 onder verwijzing naar de conclusie). Later heeft de Hoge Raad beslist dat een brief die als bijlage bij een e-mail wordt gevoegd wel een geldige volmacht is wanneer die e-mail is verzonden naar een daartoe aangewezen e-mailadres en de brief voldoet aan de eisen zoals de Hoge Raad die in voornoemd arrest van 22 december 2009 heeft geformuleerd (HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2654, NJ 2017/119 m.nt. B.F. Keulen, rov. 2.3 en herhaald in HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:368, NJ 2021/200 m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.3).
6.HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:909, rov. 2.4
7.HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1212, rov. 2.4 (waarin tevens wordt verwezen naar HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924); Zie ook A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 49.
8.HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, NJ 2013/416; HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1212; Zie ook A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 48-49.
9.Zie conclusie AG Harteveld 11 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:3 over onvolkomenheden in de ondertekening van de volmacht en over een niet ondertekende volmacht randnrs. 2.1 t/m 2.14 voorafgaand aan HR 22 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:286. De HR heeft zonder enige overwegingen over een eventuele niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep de zaak inhoudelijk beoordeeld; Vgl. in de fase van hoger beroep over een niet ondertekende volmacht HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:86 en HR 11 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1037.
10.Memorie van toelichting voorstel van wet tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, p. 952-953.