Conclusie
proces-verbaal van bevindingen,genummerd PL0600-202037831-54 opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Oost-Nederland, als bijlage op
pagina’s 105-106,voor zover inhoudende – zakelijk weergeven – als
relaas van verbalisant:
proces-verbaal van bevindingen,genummerd PL0600-2020375831-74, opgemaakt door [verbalisant 2] , hoofdagent van politie Oost-Nederland, als bijlage op
pagina’s 76-77,voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als
relaas van verbalisant:
eigen waarneming van de rechtbank, zoals weergegeven op
pagina 3in het
proces-verbaal betreffende de terechtzitting van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 13 april 2021,zakelijk weergeven inhoudende:
proces-verbaal van verhoor verdachte,genummerd PL0600-2020375831-78, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden hoofdagent van politie Oost-Nederland, als bijlage op
pagina’s 339-344,voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als
verklaring van [slachtoffer]:
(het hof begrijpt uit bewijsmiddel 1: de onbekend gebleven man) maar deze trok mij van mijn scooter af. Toen ik eenmaal op de grond lag voelde ik dat ik tegen mijn hoofd werd getrapt en dat ik in mijn been werd gestoken. Ik werd getrapt, geslagen, alles. Iedereen deed mij wat. Ik werd in mijn linkerzij, bil en linkeroksel gestoken. Zelfs de vrouw begon mij wat te slaan.
proces-verbaal van bevindingen,genummerd PL0600-2020375831-109, opgemaakt door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Oost-Nederland, als bijlage op
pagina 80-1, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als
relaas van verbalisant:
geneeskundige verklaring,als bijlage op
pagina 373,voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Subsidiair
IV. Het cassatiemiddel en de bespreking daarvan
NJ2016/316, m.nt. Rozemond tot uitgangspunt te worden genomen:
Inleiding
NJ2019/218 werd het oordeel van het hof dat het beroep op noodweer faalt door de Hoge Raad vernietigd. Het hof had vastgesteld dat niet alleen vanuit de Opel Signum, waarin de verdachte en de medeverdachte zich bevonden, op de Fiat 500 met inzittenden was geschoten, maar dat, omgekeerd, eveneens op de Opel Signum was geschoten, terwijl niet was komen vast te staan dat de verdachte en/of de medeverdachte als eerste had(den) geschoten. Daarom achtte de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk het mogelijke oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte niet als verdedigend, maar in de kern als aanvallend moesten worden gezien en dat het beroep op noodweer daarop afstuitte (rov. 2.4.2). Ook de mogelijke opvatting van het hof dat sprake was geweest van ‘culpa in causa’, oordeelde de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk, aangezien uit de motivering van het hof niet naar voren kwam dat voorafgaand aan het vuurwapengeweld tussen de inzittenden van de Opel Signum en de Fiat 500 de verdachte en de medeverdachte zich zodanig hadden gedragen, dat sprake was van bijzondere omstandigheden die aan het slagen van het beroep op noodweer in de weg stonden (rov. 2.4.3). De Hoge Raad overwoog voorts (rov. 2.4.4) dat de omstandigheid dat de verdachte had ontkend te hebben geschoten of het schieten te hebben willen medeplegen, de verwerping van het verweer niet (zelfstandig) kon dragen, omdat zo’n omstandigheid op zichzelf het slagen van een beroep op noodweer niet uitsluit. Wel kan, aldus de Hoge Raad, de omstandigheid dat de verdachte ontkent van belang zijn voor het door rechter te verrichten onderzoek of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van een beroep op noodweer(exces) is voldaan, aangezien in dat verband immers betekenis kan toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten.
NJ2021/226, m.nt. Jörg had het hof aan de verwerping van het beroep op noodweer ten grondslag gelegd dat de gedragingen van de verdachte een aanvallend karakter hadden. Zijn oordeel dat het door de verdachte tegen twee anderen (ik noem ze hier A en B) uitgeoefend geweld aanvallend was zodat dit aan de aanvaarding van een beroep op noodweer in de weg stond, was volgens de Hoge Raad echter niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij werd door de Hoge Raad in aanmerking genomen dat het hof had vastgesteld dat de verdachte voordat hij achter A aanrende, zelf was gestoken door een persoon uit het groepje waartoe A en B behoorden, dat op het moment dat de verdachte achter A aanrende sprake was van een aanval van A op de medeverdachte, en dat daarna B op de verdachte en de medeverdachte was komen afrennen. Aangezien het hof ook geen nauwkeurige vaststellingen had gedaan over bijvoorbeeld het tijdsverloop tussen de vastgestelde incidenten of het moment waarop, en de context waarin, de verdachte het geweld jegens A en B had uitgeoefend, was ontoereikend gemotiveerd de verwerping van het beroep op noodweer op grond van het aanvallende karakter van het gedrag van de verdachte.
NJ2022/20, m.nt. Machielse. In deze zaak was door de verdediging naar voren gebracht dat geen sprake was van een (tegen)aanval van de verdachte omdat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte was voortgekomen uit het direct daaraan voorafgegane door twee anderen tegen hem uitgeoefende geweld. Voorts zou de opmerking dat hij “verhaal wilde halen” uit haar verband zijn gerukt. Het oordeel van het hof dat geen sprake was van noodweer(exces) wegens aanvallend handelen van de verdachte (de tegenaanval), was volgens de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij wees de Hoge Raad erop dat het hof geen aandacht had besteed aan wat in dit verband door de verdediging in hoger beroep naar voren was gebracht.
Slotsom