Conclusie
Mabelo)
1.[verweerder 1] (hierna: [verweerder 1] )
Envy)
SFI)
[Holding])
SFI c.s., in vrouwelijk enkelvoud)
[betrokkene 1]), een lening verstrekt aan SFI, die op haar beurt een lening heeft verstrekt aan MV Sterksel B.V. (hierna:
MVS). Daarmee werd door MVS geïnvesteerd in een mestverwerkingsinstallatie. [verweerder 1] is middellijk bestuurder van SFI, alsook bestuurder van Envy en [Holding] . Die laatste twee hebben zich ten opzichte van Mabelo garant gesteld voor de lening aan SFI. MVS is in 2018 gefailleerd. SFI, Envy en [Holding] zijn vervolgens tekortgeschoten ten opzichte van Mabelo. Mabelo heeft mede [verweerder 1] aangesproken als (middellijk) bestuurder van SFI, Envy en [Holding] . De vorderingen zijn in eerste aanleg voor een belangrijk deel (maar op een beperkt deel van de vorderingsgrondslag) toegewezen, in hoger beroep alsnog volledig afgewezen. Tegen dit laatste komt Mabelo in cassatie op, m.i. zonder succes.
1.Feiten
[betrokkene 2]) is bestuurder van Mabelo.
geldlening). Op 14 december 2015 heeft [verweerder 1] namens Envy en [Holding] garantieverklaringen ondertekend, inhoudende dat Envy en [Holding] garant staan voor de terugbetaling van de geldlening.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) een procedure tegen SFI c.s. aanhangig gemaakt. Mabelo vorderde onder andere een hoofdelijke veroordeling tot betaling van € 350.000, rente daarover en een ‘aflosbonus’ ter grootte van 10% van de hoofdsom. Voor wat betreft [verweerder 1] legde Mabelo daaraan
primairten grondslag dat hij net als SFI hoofdschuldenaar is van de geldlening,
subsidiairdat in de tekst van de geldleningsovereenkomst een impliciete garantie of stilzwijgende wilsverklaring van [verweerder 1] is te lezen dat hij persoonlijk instaat voor de betalingsverplichtingen,
meer subsidiairdat [verweerder 1] zich daarin borg heeft gesteld en
nog meer subsidiairdat [verweerder 1] een eigen resultaatsverbintenis heeft geschonden. [3]
hof).
MvG).
MvA).
van SFI. [5]
rov. 3.25.
rov. 3.25.
rov. 3.26.
rov. 3.26.
van [Holding]. [8]
rov. 3.30.
rov. 3.31.
rov. 3.31.
rov. 3.31.
van Envy. [10]
rov. 3.33.
rov. 3.33.
rov. 3.33.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
rov. 3.26, 3.31 en 3.33ten onrechte (mede) in aanmerking nam, was, in de woorden van het subonderdeel, “voor de vaststelling van de onrechtmatigheid van de gedragingen van [verweerder 1] als persoonlijk ernstig verwijt” niet relevant, bepalend c.q. beslissend de wetenschap bij adviseur [betrokkene 1] omtrent de financiële problemen bij SFI/MVS en financiële achtergrond/positie van [Holding] en Envy. Dit is
klacht a.
rov. 3.26dan ook ten onrechte in zijn beoordeling en oordeelsvorming betrokken dat alle contact tussen SFI/MVS en Mabelo verliep via [betrokkene 1] , die van de ontwikkelingen op de hoogte was en wist van de precaire financiële situatie van MVS waarmee [betrokkene 1] zelf contact hield ook voor communicatie ten behoeve van Mabelo. Wat ook doorwerkt in ’s hofs conclusie in de drie laatste zinnen aldaar. Aldus miskende het hof dat voor het antwoord op de vraag of voor [verweerder 1] als middellijk bestuurder van SFI tegenover Mabelo als schuldeiser een mededelings-/waarschuwingsplicht was ontstaan, relevant is niet dat alle contact tussen [verweerder 1] /SFI, MVS en Mabelo/ [betrokkene 2] via [betrokkene 1] als hun adviseur verliep, maar de wetenschap bij [verweerder 1] (Envy) toen hij wist of naar objectieve maatstaven moest begrijpen dat door “de niet-terugbetaling van de geldleningsovereenkomst met MVS” SFI zelf de overeenkomst van geldlening met Mabelo niet zou nakomen en geen verhaal zou kunnen bieden, en hij als middellijk bestuurder van SFI (Envy) zich de belangen van Mabelo had moeten aantrekken door haar daarvan rechtstreeks, tijdig, op de hoogte te stellen c.q. te waarschuwen. [14] Ten onrechte en onbegrijpelijk komt het hof in rov. 3.26 dan ook tot de conclusie dat het feit dat er technische en financiële problemen waren nog niet hoefde te betekenen dat MVS geen perspectief meer had, waarover [verweerder 1] Mabelo had moeten informeren. [15] Dit is
klacht b.
rov. 3.26, 3.31 en/of 3.33de kennis van [betrokkene 1] als adviseur van SFI c.s. en Mabelo betrok in het kader van zijn beoordeling van SFI c.s.’ verweer dat via de contacten en communicatie met [betrokkene 1] Mabelo beschikte over de relevante kennis van de financiële situatie bij SFI/MVS en de financiële achtergrond en positie van [Holding] en Envy, wat de conclusie rechtvaardigde dat [verweerder 1] haar niet meer (rechtstreeks) daarover hoefde te informeren, geen sprake was van het ten onrechte wekken van de schijn van kredietwaardigheid en [verweerder 1] geen persoonlijk ernstig verwijt valt te maken. Aldus miskende het hof dat de betrokkenheid/tussenkomst van [betrokkene 1] als adviseur onverlet liet dat het risico dat Mabelo niet geïnformeerd/gewaarschuwd werd, volgens verkeersopvattingen bij [verweerder 1] als bestuurder rustte en de eigen verantwoordelijkheid van het bestuur niet ophief. [16] De enkele wetenschap van [betrokkene 1] als adviseur wettigt derhalve niet ’s hofs oordelen dat [verweerder 1] niet een persoonlijk ernstig verwijt treft door niet zelf Mabelo te informeren. Dit is
klacht c.
klacht d.
klacht a.
als zodanig(“de wetenschap bij adviseur [betrokkene 1] omtrent”, etc.) “relevant, bepalend c.q. beslissend” acht bij de beoordeling van de voorliggende gedragingen van [verweerder 1] op basis van de in rov. 3.25 en 3.30 bedoelde beoordelingsmaatstaven. Nee, daar staat iets wezenlijk anders. Ik licht dit toe.
[verweerder 1]volgens het hof in de relevante periode (veronderstelde en ook)
mocht veronderstellenomtrent wat
Mabelo via [betrokkene 1](door informatieverschaffing/advisering van [betrokkene 1] aan Mabelo) bekend was over, kort gezegd, de situatie ter zake waarin de betrokken vennootschap(pen) [17] verkeerde(n). Dit betreft, naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel, een blijkens het procesdossier door [verweerder 1] ter verweer aangevoerde omstandigheid. [18] Daarbij betrekt het hof onder - veel - meer dat [verweerder 1] en Mabelo/ [betrokkene 2] elkaar niet kenden en (dus) geen rechtstreeks contact onderhielden, maar via [betrokkene 1] . Dit is dus iets wezenlijk anders dan dat volgens het hof de wetenschap van adviseur [betrokkene 1]
als zodanigter zake relevant, laat staan bepalend c.q. beslissend, zou zijn.
persoonlijk ernstig verwijtkan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Óf de bestuurder zo’n verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Uit het persoonlijke karakter van zo’n verwijt volgt dat voor het aannemen van aansprakelijkheid, behoudens bij toepassing van art. 2:11 BW Pro, [19] voor iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld [20] en dat dit handelen aan hem kan worden toegerekend. [21]
secundaire aansprakelijkheid. Er is sprake van een zogenaamde dubbele aansprakelijkheid. De vennootschap is primair aansprakelijk jegens de crediteur. De bestuurder komt slechts als secundair aansprakelijke in aanmerking. (…) Juist omdat het een secundaire aansprakelijkheid betreft, is het wenselijk enige terughoudendheid in acht te nemen bij het aannemen van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder. In die behoefte voorziet het ernstig verwijt-vereiste. Daarbij komt nog dat voor onrechtmatige daadsaansprakelijkheid van de bestuurder geldt dat deze niet zo streng mag uitvallen dat deze tot risicoavers gedrag van de bestuurder leidt. Ook op dit punt biedt het concept van het ernstig verwijt-vereiste uitkomst. De vraag is welke inhoudelijke invulling aan het ernstig verwijt-vereiste gegeven dient te worden in de context van een onrechtmatige daadsvordering die een schuldeiser van de vennootschap aanhangig heeft gemaakt. Het vereiste is m.i. een open begrip waarvan de inhoud niet bij voorbaat vaststaat” [zonder verwijzingen in het origineel, A-G]. [23]
behoudensdoor de bestuurder aan te voeren, rechtvaardigende of verontschuldigende, omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling al met al geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. [25] Ook die omstandigheden kunnen dan dus meedoen.
In het onderdeel ligt voorts de klacht besloten dat het niet op de weg lag van ING om te stellen dat D. op de hoogte was van de terugwerkende kracht van de faillissementsuitspraak. Deze klacht slaagt. Het was aan D. om in het kader van haar verweer aan te voeren dat zij niet op de hoogte was van het feit dat een faillissement terugwerkt tot 00:00 uur van de dag waarop het is uitgesproken”.
no-brainer. En in rov. 3.26 doet het hof dit ter beoordeling van Mabelo’s betoog, samengevat in rov. 3.24, dat [verweerder 1] als middellijk bestuurder van SFI een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt wegens het frustreren van verhaal van Mabelo en dat hij daarom jegens Mabelo persoonlijk aansprakelijk is. [36] Waarbij Mabelo heeft aangevoerd dat [verweerder 1] al geruime tijd wist dat het mestverwerkingsproject geen lang leven was beschoren, maar dat hij pas in mei 2018 - een maand na de faillietverklaring van MVS - Mabelo heeft geïnformeerd over de problemen bij de uitvoering van het project, toen het kwaad al was geschied. [37] Dit sluit aan op het onder 3.7.11 hiervoor bedoelde gevalstype. [38] Ook hier geldt dat voornoemde omstandigheid daarbij naar de aard relevant is. En ook dit lijkt mij een
no-brainer.
klacht b.
klacht c.
klacht d.
[verweerder 1]in de relevante periode
mocht veronderstellendat
Mabelo via [betrokkene 1](door informatieverschaffing/advisering van [betrokkene 1] aan Mabelo) bekend was met de situatie waarin de betrokken vennootschap(pen) verkeerde(n). Zie mede onder 3.7.5 hiervoor. Dit is iets wezenlijk anders. De klacht gaat dus voorbij aan de eigenlijke inhoud van het arrest.
rov. 3.31van het arrest.
klacht a.
klacht b.
klacht a.
klacht b.
rov. 3.33van het arrest.
klacht a.
klacht b.
klacht a.
klacht b.
rov. 3.35van het arrest, gelezen in samenhang met
rov. 3.18, ten onrechte en/of onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat aan bewijslevering door Mabelo als in hoger beroep aangeboden (MvA, nrs. 65-66) niet werd toegekomen en dat bewijsaanbiedingen werden gepasseerd, omdat de te bewijzen aangeboden feiten en omstandigheden, indien bewezen, niet tot een andere conclusie kunnen leiden.
rov. 3.18, om de daar vermelde redenen, ten onrechte (meer algemeen) geoordeeld dat het hof aan deze stelling van Mabelo (verder) voorbij kon gaan en het aan bewijslevering niet toekwam. Onder art. 166 lid 1 Rv Pro passeerde het hof ten onrechte het getuigenbewijsaanbod van Mabelo over de met deze garanties beoogde zekerheid, nu deze zaak gaat over de aansprakelijkheid van [verweerder 1] als bestuurder van SFI c.s. voor benadeling van Mabelo als schuldeiser van SFI c.q. Envy en [Holding] als garantstellers, door het onbetaald en onverhaald blijven van haar vordering uit hoofde van de geldlening.
ook persoonlijk garant stond voor de terugbetaling van de geldlening(zie rov. 3.18, voor-voorlaatste en voorlaatste zin). Met die stelling bedoelt het hof hetzelfde als het in rov. 3.16, eerste zin vooropgestelde standpunt van Mabelo dat [verweerder 1] , naast de vennootschappen waarin hij een meerderheidsbelang heeft, ook persoonlijk instond voor de (terug)betaling. Blijkens rov. 3.16-3.18 gaat het hof voorbij aan dit standpunt (die stelling). Daarbij betrekt het hof in rov. 3.16-3.18, als ter zake door Mabelo aangevoerde argumenten: (i) de tekst van de garantiebepaling; (ii) dat [verweerder 1] als partij is genoemd in de aanhef van de overeenkomst van geldlening; en (iii) een aantal omstandigheden als uiteengezet in rov. 3.18, eerste en tweede zin. [61]
als bestuurder van SFI c.s. althans [Holding] en Envy, maakt van deze uitleg door het hof van wat Mabelo had aangevoerd iets wezenlijk anders. Te weten dat Mabelo bewijs zou hebben aangeboden ter adstructie van haar standpunt (stelling) dat [verweerder 1]
persoonlijk voor zekerheidstelling instond door zijn vennootschappen garant te laten staan voor nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst van geldlening met Mabelo. En verderop klaagt het subonderdeel dat het hof ten onrechte het getuigenbewijsaanbod van Mabelo over
de met deze garanties beoogde zekerheidpasseerde. Dit een en ander is niet te rijmen met wat het hof daadwerkelijk oordeelt in rov. 3.18 (als onderdeel van rov. 3.16-3.20). Deze gecursiveerde woorden (of woorden van gelijke strekking) komen ook niet terug bij de argumenten van Mabelo die het hof betrekt in rov. 3.16-3.18, zoals uiteengezet onder 3.23.4 hiervoor.
ook persoonlijk garant stond voor de terugbetaling van de geldlening. Dit verbaast ook niet. Reeds een oppervlakkige naslag van de MvA, nrs. 65-66 leert dat dit oordeel van het hof geenszins onbegrijpelijk is, want aansluit op die vindplaats. Uit dit nr. 66 blijkt immers dat Mabelo haar bewijsaanbod, voor zover hier van belang, heeft betrokken op haar standpunt (stelling) dat “het de bedoeling is geweest dat [verweerder 1] persoonlijk zou instaan voor de nakoming van de verplichtingen uit de Geldleningsovereenkomst, [62] waaronder de contractuele rente en de aflosbonus”. [63]
rov. 3.35van het arrest om de in subonderdeel 2.1 vermelde redenen het voldoende concrete/gespecificeerde bewijsaanbod van Mabelo (MvA, nrs. 65-66) ten onrechte gepasseerd met de enkele (standaard)motivering dat “de te bewijzen aangeboden feiten en omstandigheden, indien bewezen, niet tot een andere conclusie kunnen leiden”. Deze redengeving is daarvoor niet toereikend, nu dit bewijsaanbod ziet op de, door SFI c.s. betwiste, door Mabelo gestelde feiten die voor de beslissing van de zaak relevant zijn en tot een andere conclusie kunnen leiden dan die waartoe het hof in zijn arrest kwam.