Conclusie
1.Inleiding en overzicht
2.De feiten, het geding voor de Rechtbank en het geding in cassatie
Vooraf
3.De rangorderegeling
a. schulden ter zake waarvan de renten op basis van een specifieke bepaling in hoofdstuk 3 of hoofdstuk 4 van aftrek zijn uitgesloten en schulden die zijn aangegaan in verband met een eigen woning, doch niet behoren tot de eigenwoningschuld, bedoeld in art. 3.119a, in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen;”
4.Hoofdstuk 10bis Wet IB 2001
Context
b. (…)
c. het overgangsrecht op basis waarvan een lening wordt aangemerkt als een <
5.Beschouwing
Vooraf: belang?
zelfsals belanghebbende gelijk zou hebben dat toepassing van de rangorderegeling zou meebrengen dat Lening 2 in aanmerking wordt genomen in box 3, dan nog zou de rangorderegeling voorrang moeten verlenen aan het overgangsrecht waarin de wetgever heeft voorzien in hoofdstuk 10bis Wet IB 2001. De strekking van dat overgangsrecht is immers – voor zover hier relevant – onmiskenbaar dat materieel gezien de bepalingen ter zake van de eigen woning zoals die golden op 31 december 2012 blijven gelden voor een bestaande eigenwoningschuld (bijv. 4.8) en dat de onder het overgangsrecht vallende voordelen en kosten behoren tot de belastbare inkomsten uit eigen woning in box 1 (4.12). Als de rangorderegeling eraan in de weg staat dat het overgangsrecht aan zijn doel beantwoordt, moet zij wijken (vgl. HR BNB 2009/113, aangehaald in 3.5-3.6).
nietmee dat Lening 2 in aanmerking wordt genomen in box 3. Ik licht dit toe als volgt.