ECLI:NL:PHR:2024:147

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2024
Publicatiedatum
9 februari 2024
Zaaknummer
21/05240
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 5 OpiumwetArt. 11 lid 3 OpiumwetArt. 27 lid 1 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring en vermindert straf voor hennepdelicten en deelname criminele organisatie

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en meerdere hennepdelicten, waaronder verkoop, vervoer en export van hennep. Het cassatieberoep richtte zich op de motivering van de bewezenverklaringen en de strafoplegging.

De Hoge Raad bevestigt de bewijsoverwegingen van het hof, waaronder het gebruik van telefoonnummers, observaties en tapgesprekken die de betrokkenheid van de verdachte bij de hennepleveringen aantonen. Ook het lidmaatschap van de criminele organisatie wordt als bewezen beschouwd.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij betrokken was bij het vervoer van hennep. De bewezenverklaringen zijn voldoende gemotiveerd en de middelen falen.

Wel wordt opgemerkt dat de redelijke termijn is overschreden, waardoor de straf moet worden verminderd. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van het arrest wat betreft de strafduur, vermindering van de straf en verwerping van het beroep voor het overige.

Uitkomst: De straf wordt verminderd wegens termijnoverschrijding, overige middelen worden verworpen en de bewezenverklaringen worden bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/05240
Zitting13 februari 2024
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Bij arrest van 16 december 2021 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het op 22 november 2016 tegen de verdachte gewezen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant onder aanvulling van gronden bevestigd, behalve ten aanzien van de beslissingen ten aanzien van het onder 1 en 5 tenlastegelegde en de strafoplegging. Het hof heeft de verdachte voor (1) deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van bedrijfsmatige internationale hennepteelt en hennephandel, (2) en (3) medeplegen van opzettelijk verkopen / afleveren, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en (4) en (5) medeplegen van opzettelijk vervoeren van hennep veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr Pro.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 21/05256 en 21/05253. In deze zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 20 december 2021 ingesteld namens de verdachte. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
1.4
De middelen komen met bewijsklachten op tegen de motivering van drie van de bewezenverklaarde feiten. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Overkoepelende bewijsoverweging

2.1
Het hof heeft de PROMIS-overweging van de rechtbank in rov. 4.3 betreffende de telefoonnummers die in gebruik waren bij de verdachten, bevestigd. Die overweging, die betrekking heeft op alle tenlastegelegde feiten, luidt [1] :

Telefoonnummers in gebruik bij de verdachten
De rechtbank dient allereerst vast te stellen welke telefoonnummers in gebruik zijn geweest bij de verdachten. Gedurende het onderzoek is een aantal telefoonnummers getapt, zijn observaties uitgevoerd en is er een aantal telefoons inbeslaggenomen onder de verdachten.
[medeverdachte 1]
Op 16 april 2014 werd een IMSI-catcher ingezet op [medeverdachte 1] . Uit de resultaten van de metingen, is na onderzoek gebleken dat [medeverdachte 1] vermoedelijk gebruik maakte van onder meer de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] .
De gebruiker van telefoonnummer
[telefoonnummer 1]maakte zich in meerdere gesprekken bekend als ‘ [medeverdachte 1] ’ en werd in, meerdere gesprekken ook door anderen [medeverdachte 1] genoemd. Op zondag [geboortedatum] 2014 kreeg de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] verschillende sms’jes voor zijn veertigste verjaardag. [medeverdachte 1] is op [geboortedatum] 1974 geboren.
Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] .
Na het beluisteren door een verbalisant van de gesprekken van de gebruiker van telefoonaansluiting
[telefoonnummer 2]is de betreffende verbalisant gebleken dat de persoon dezelfde persoon betrof als de gebruiker van telefoonaansluiting [telefoonnummer 1] . Dit bleek onder andere uit zijn stemgeluid dat in alle hoorbare communicatie overeenkwam.
Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] .
[verdachte]
In de periode van 10 september 2014 tot en met 4 november 2014 zijn er verschillende telefoongesprekken en sms-contacten tussen respectievelijk de telefoonnummers
06- [telefoonnummer 3]en
06- [telefoonnummer 4]en het telefoonnummer 06- [telefoonnummer 5] . Dit laatste nummer staat op naam van [betrokkene 1] . Op 27 juli 2014 vindt er een telefoongesprek plaats via het telefoonnummer 06- [telefoonnummer 3] , waarbij de gebruiker van dit telefoonnummer ‘ [verdachte] ’ wordt genoemd. [verdachte] heeft als bijnaam [verdachte] . Op 13 oktober 2014 wordt er via het telefoonnummer 06- [telefoonnummer 4] een pizza besteld voor [a-straat 1] . [a-straat 1] te [plaats] is het woonadres van [verdachte] . De stem van de gebruiker van beide telefoonnummers is bovendien dezelfde als de stern van de gebruiker van het telefoonnummer
06- [telefoonnummer 6], terwijl het laatstgenoemde telefoonnummer op naam staat van [verdachte] . Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van de telefoonnummers 06- [telefoonnummer 6] , 06- [telefoonnummer 3] en 06- [telefoonnummer 4] .
Op 11 en 12 februari 2015 heeft [betrokkene 2] (06- [telefoonnummer 7] ) meermalen contact met de gebruiker van het telefoonnummer
06- [telefoonnummer 8]. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij op 12 februari 2015 een hoeveelheid hennep heeft afgeleverd in Zutphen in opdracht van [verdachte] en dat [verdachte] voor die rit een bus heeft gehuurd. Toen [betrokkene 2] terug kwam uit Zutphen is hij naar het autoverhuurbedrijf gereden om de bus terug te brengen en is [verdachte] daar ook naartoe gekomen om de bus te betalen. Uit tapgesprekken volgt dat [betrokkene 2] om 16.32 uur naar het nummer 06- [telefoonnummer 8] smst: ’20 min ben ik terug’. Nummer 06- [telefoonnummer 8] antwoordt hierop: ‘ok’. Om 16.51 uur smst [betrokkene 2] naar 06- [telefoonnummer 8] : ‘ik ben terug’, waarop 06- [telefoonnummer 8] antwoordt: ‘ik kom eraan’. [betrokkene 2] parkeerde om 16.49 uur de bus bij autobedrijf [bedrijf] aan [b-straat] te Bergen op Zoom en om 17.07 uur ziet het observatieteam dat [verdachte] in zijn Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] in de richting van [b-straat] rijdt.
Gelet op de verklaring van [betrokkene 2] dat hij in opdracht van [verdachte] de hennep heeft vervoerd, dat hij met [verdachte] telefonisch contact had en het feit dat die verklaring wordt ondersteund door tapgesprekken en observaties, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van telefoonnummer 06- [telefoonnummer 8] .
Op 15 december 2014 belt de gebruiker van telefoonnummer
[telefoonnummer 9]naar de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 10] , zijnde [betrokkene 3] .
[betrokkene 3] zegt: ‘hallo’ waarna de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 9] zegt: ‘hoi’. [betrokkene 3] zegt: ‘ [verdachte] ’ en de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 9] antwoordt: ‘Ja’. [betrokkene 3] vraagt waar dit nummer weer vandaan komt, waarop de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 9] antwoordt dat hij dit nummer al had. [verdachte] heeft als bijnaam [verdachte] . De stem van de gebruiker van nummer 06- [telefoonnummer 6] en de stem van gebruiker van het nummer [telefoonnummer 9] betrof één en dezelfde persoon.
Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 9] .
Op 2 januari 2015 belt de gebruiker van het telefoonnummer
[telefoonnummer 11]naar gebruiker [telefoonnummer 12] . De stem van gebruiker van het telefoonnummer 06- [telefoonnummer 6] en de stem van de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 11] betrof één en dezelfde persoon. Hierboven heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer 06- [telefoonnummer 6] . Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 11] .
Waar sprake is van sms-verkeer of telefoongesprekken afkomstig van de telefoonnummers 06- [telefoonnummer 6] , 06- [telefoonnummer 3] , 06- [telefoonnummer 4] , 06- [telefoonnummer 8] , [telefoonnummer 9] en [telefoonnummer 11] , zal in het hiernavolgende worden vermeld dat het gaat om sms-verkeer dan wel telefoongesprekken van [verdachte] .
[betrokkene 2]
heeft op 9 april 2015 verklaard dat hij gebruik maakt van een telefoon van het merk Samsung met het telefoonnummer 06- [telefoonnummer 7] en dat hij dit nummer van provider T-mobile al jaren gebruikt. [betrokkene 2] is de enige die gebruik maakt van dat telefoonnummer.
Gelet op het vorenstaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [betrokkene 2] gebruik maakte van het telefoonnummer
06- [telefoonnummer 7].
Waar sprake is van sms-verkeer of telefoongesprekken afkomstig van dit telefoonnummer, zal in het hiernavolgende worden vermeld dat het gaat om sms-verkeer dan wel telefoongesprekken van [betrokkene 2] .
[medeverdachte 2]
Op 31 maart 2015 verklaarde [medeverdachte 2] dat hij een mobiele telefoon heeft van het merk Nokia met het telefoonnummer 06- [telefoonnummer 13] . Voorts heeft [medeverdachte 2] in dat verhoor verklaard dat het telefoonnummer 06- [telefoonnummer 14] zijn oude nummer is dat hij zes tot acht weken voor dat verhoor heeft weggedaan. Op 16 januari 2015 verklaarde [medeverdachte 2] dat het nummer 06- [telefoonnummer 14] zijn telefoonnummer is .
Gelet op het vorenstaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [medeverdachte 2] gebruik maakte van de telefoonnummers
06- [telefoonnummer 13]en
06- [telefoonnummer 14].
Op 15 januari 2015 is [medeverdachte 2] aangehouden door de politie met hennep in zijn auto. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij op 15 januari 2015 [verdachte] en een onbekende man heeft gezien en dat er door hen twee of drie tassen in zijn kofferbak werden gezet. ‘
Geconfronteerd met telefoongegevens en observaties van die dag heeft [medeverdachte 2] bevestigd dat hij gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 15] . Voornoemd nummer betreft een prepaid Lebara nummer. [medeverdachte 2] heeft op 31 maart 2015 verklaard dat hij van [verdachte] een telefoon heeft gekregen met een Lebara kaart en nummer. Door het vergelijken van de stem van de gebruikers van de telefoonnummers [telefoonnummer 15] en 06- [telefoonnummer 14] werd vastgesteld dat de gebruiker van die nummers een en dezelfde persoon was. ‘
Gelet op het vorenstaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [medeverdachte 2] gebruik maakte van het telefoonnummer
[telefoonnummer 15].
Waar sprake is van sms-verkeer of telefoongesprekken afkomstig van de telefoonnummers [telefoonnummer 15] , 06- [telefoonnummer 13] en 06- [telefoonnummer 14] , zal in het hiernavolgende worden vermeld dat het gaat om sms-verkeer dan wel telefoongesprekken van [medeverdachte 2] .
[betrokkene 4]
Op 15 januari 2015 is [betrokkene 4] gecontroleerd en bij die controle werden verdovende middelen, hennep, in zijn auto aangetroffen. [betrokkene 4] werd aangehouden en de telefoons die hij bij zich had werden inbeslaggenomen. Deze telefoons werden uitgelezen en één van die telefoons had het imeinummer [imeinummer] en bevatte een simkaart met imsinummer [imsinummer] . Uit de verkeersgegevens van de tap op het nummer [telefoonnummer 16] is gebleken dat het nummer
[telefoonnummer 16]wordt gebruikt in de telefoon met genoemd imeinummer en het meegezonden imsinummer is eveneens identiek aan het nummer van de inbeslaggenomen telefoon van [betrokkene 4] .
Op 1 maart 2015 heeft [betrokkene 4] verklaard dat hij het nummer [telefoonnummer 16] bijna nooit gebruikt, maar wel wanneer hij erop wordt gebeld.
Gelet op het vorenstaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [betrokkene 4] gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 16] .
Op 1 maart 2015 heeft [betrokkene 4] verklaard dat hij het telefoonnummer
06- [telefoonnummer 17]gebruikt. Een telefoon met dit telefoonnummer werd bij zijn aanhouding op 15 januari 2015 in zijn auto aangetroffen. Wanneer [verdachte] contact opnam met [betrokkene 4] belde hij ook op telefoonnummer 06- [telefoonnummer 18] .
Gelet op het vorenstaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [betrokkene 4] gebruik maakte van het telefoonnummer 06- [telefoonnummer 17] .
Waar sprake is van sms-verkeer of telefoongesprekken afkomstig van de telefoonnummers [telefoonnummer 16] en 06- [telefoonnummer 17] , zal in het hiernavolgende worden vermeld dat het gaat om sms-verkeer dan wel telefoongesprekken van [betrokkene 4] .”

3.Het eerste middel

3.1
In het middel wordt geklaagd dat de bewezenverklaring van het “op 23 september 2014 medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet” niet kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat hij:
“op 23 september 2014 te [plaats] en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd en buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet, een hoeveelheid (ongeveer 22 kilo) hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II”
3.3
Deze bewezenverklaring berust op de in het door het hof bevestigde vonnis opgenomen PROMIS-overweging, welke inhoudt [2] :

Feit 2 – de levering van 22 kilogram hennep op 23 september 2014
Op 23 september 2014 te 23.13 uur werd op de E17 richting Kortrijk (België), ter hoogte van Nazareth een Renault Kangoo met Belgisch kenteken [kenteken 2] staande gehouden. In de laadruimte van het voertuig werd een hoeveelheid van 22638 gram hennep aangetroffen. De hennep was verpakt in twee grote reistassen.
De bestuurder van voornoemd voertuig werd aangehouden en bleek te zijn: [betrokkene 5] , geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] .
In de periode van 19 september tot en met 23 september 2014 [3] zijn er verschillende telefoongesprekken en sms-contacten geweest tussen [medeverdachte 1] en een onbekend gebleven persoon (hierna te noemen: NN-man […] ) waarin NN-man […] onder meer vraagt ‘of er nog iets is’, waarop [medeverdachte 1] antwoordt ‘dat hij het net heeft gezien maar dat er teveel water in zit en waarin [medeverdachte 1] zegt dat er 20 is waarop NN-man […] antwoordt; ‘ik koop het, het is goed, ik breng het geld mee’.
Op 21 september 2014 om 22.42 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door NN-man […] . [medeverdachte 1] zegt dat er 20 voor morgen is en er is 2 boeda. [medeverdachte 1] ziet het nu en het is top. NN-man gaat overleggen en belt [medeverdachte 1] over 1 uur. NN-man zegt dat de afspraak voor morgen zeker is.
Op 22 september 2014 om 00.19 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door NN-man […] .
NN-man vraagt of morgenmiddag goed is. NN-man vraagt is het 20? [medeverdachte 1] zegt: ja ik doe 10 en overmorgen 10, of niet? NN-man wil alles in een keer, 20 plus 2 boeda. [medeverdachte 1] zegt dat het goed is. NN-man vraagt naar de prijs. [medeverdachte 1] zegt zoals de anderen betalen. NN-man hoort het nog van [medeverdachte 1] en is bereid om het gelijk af te rekenen. [medeverdachte 1] vraagt NN-man om hem vanavond te bellen. NN-man wil top kwaliteit en origineel boeda.
Om 20.16 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door NN-man […] . NN-man zegt: Kijk s. Ik wacht eventjes op de vriend van mij, hij gaat mijn geld halen, ik wil je vandaag zien, ik wil een deel van het geld aan jou geven, als aanbetaling voor morgen. [medeverdachte 1] zegt: eeh..., hoe laat kom je? NN-man antwoordt ik kom naar de hoeren, ik geef je een deel van het geld, als garantie, oke? [medeverdachte 1] zegt dat de Turk zal komen, geef het aan hem. NN-man zegt: ik geef je de aanbetaling, oke.
Om 23.45 uur belt [medeverdachte 1] naar NN-man […] . NN-man zegt: Ik heb de aanbetaling gegeven. Morgen, is het mogelijk morgen om 12 u? Even later in het gesprek zegt [medeverdachte 1] ’s avonds rond acht uur, als het eerder kan, bel ik je op. NN-man zegt dat ’s avonds ook goed is.
Op 23 september 2014 om 17.44 uur stuurt [medeverdachte 1] een sms-bericht naar NN-man […] : ‘21h svp’.
Om 18.57 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door NN-man […] . [medeverdachte 1] zegt dat hij een sms heeft gestuurd. NN-man vraagt of het mogelijk eerder kan. [medeverdachte 1] antwoordt: Ja eerder, hij komt van ver, ik moet op hem wachten, hij is onderweg, snap je! NN-man zegt dat hij het begrijpt, 21 u op de plek. [medeverdachte 1] : Ja negen uur op de plek.
Om 20.40 uur stuurt [medeverdachte 1] een sms-bericht naar NN-man […] : ‘Turk is onderweg broeder’.
Om 20.43 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door NN-man […] . [medeverdachte 1] zegt: hij is over 15 minuten bij jou. NN-man antwoordt: 15, oke. [medeverdachte 1] geeft aan dat het op de plek is, dezelfde, zoals altijd.
Om 20.54 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door NN-man […] . NN-man zegt dat hij op de plek is. [medeverdachte 1] antwoordt: oke is goed 15 eeh 5 minuten, 5 minuten.
Op 23 september 2014 om 15.30 uur werd door het observatieteam waargenomen dat bij de loods [c-straat 1] te Oudenbosch onder andere de navolgende voertuigen geparkeerd stonden:
- de personenauto, merk Audi, type A4, kleur grijs, kenteken [kenteken 3] , hierna te noemen de Audi [kenteken 3] ;
- de personenauto, merk Volkswagen, type Golf, kleur lichtgrijs, kenteken [kenteken 1] , hierna te noemen de Golf [kenteken 1] .
Om 15.44 uur zag het observatieteam dat [medeverdachte 1] uit het pand [c-straat 1] te Oudenbosch kwam en als bestuurder in de Audi [kenteken 3] stapte. Hij vertrok met dit voertuig, maar stopte direct weer langs de rijbaan. Vervolgens ging hij dit pand weer binnen.
Om 17.09 uur zag het observatieteam dat [medeverdachte 1] bij het pand [d-straat 1] te Oude Molen uit de Audi [kenteken 3] stapte. Naast dit voertuig stond een witte bestelauto geparkeerd. NN1 stond bij dit voertuig.
Om 20.24 uur zag het observatieteam dat de Audi [kenteken 3] geparkeerd werd aan de [e-straat] te [plaats] . [medeverdachte 1] liep richting de woning [e-straat 1] te [plaats] .
Om 21.41 uur reed de Golf [kenteken 1] tegelijk met een donkerkleurige personenauto van het merk Volkswagen, type Jetta en voorzien van het Franse kenteken [kenteken 4] (hierna te noemen: Jetta [kenteken 4] ) en een witte bestelauto van het merk Renault, type Kangoo, voorzien van het Belgische kenteken [kenteken 2] (hierna te noemen Kangoo [kenteken 2] ) de [e-straat] te [plaats] in. De Golf werd aan de overzijde van de weg tegenover de woning [e-straat 1] geparkeerd en de twee andere voertuigen werden direct voor deze woning geparkeerd.
Vervolgens zag het observatieteam dat [verdachte] met een koffer richting de woning [e-straat 1] liep. In totaal liepen er minimaal drie personen, waaronder [verdachte] richting deze woning.
Om 22.07 uur vertrokken de Jetta [kenteken 4] , de Kangoo [kenteken 2] en de Golf [kenteken 1] bij de woning [e-straat 1] te [plaats] .
Om 22.09 uur zag het observatieteam dat [medeverdachte 1] als bestuurder met de Audi [kenteken 3] vertrok bij de woning [e-straat 1] te [plaats] .
Om 22.11 uur zag het observatieteam dat de Golf [kenteken 1] , die kennelijk de overige twee voertuigen tot aan de snelweg begeleidde, op de Huijbergseweg te Bergen op Zoom bij de op- en afritten van de rijksweg A58 keerde en terugreed. De Jetta [kenteken 4] en de Kangoo [kenteken 2] , die met deze Golf waren meegereden, reden vervolgens de A58 richting Antwerpen op.
Om 22.18 uur reed de Jetta [kenteken 4] op de A4 te Ossendrecht op enkele honderden meters voor de Kangoo [kenteken 2] uit en dat kort daarop passeerde deze Kangoo de grensovergang in de richting België.
Om 23.12 uur zag het observatieteam dat de Kangoo [kenteken 2] op de A14 te Nazareth in de rijrichting Kortrijk werd gecontroleerd door de Belgische politie.
Uit de telefoongesprekken en sms-contacten tussen [medeverdachte 1] en NN-man […] volgt dat een afspraak wordt gemaakt voor de levering van ‘20 plus 2 boeda’. NN-man […] maakt op 22 september 2014 een afspraak met [medeverdachte 1] om een aanbetaling te doen en [medeverdachte 1] zegt dat hij de Turk zal sturen. In een gesprek van 23.45 uur diezelfde avond, zegt NN-man […] dat hij de aanbetaling heeft gegeven. Op 23 september 2014 belt [verdachte] met ene [betrokkene 6] . [betrokkene 6] vraagt ‘ja met wie spreek ik?’ waarop [verdachte] antwoordt: ‘ja met een vriend van [betrokkene 7] met onze hulk, die turk weet je wel’ (...) ‘die kende gij toch die turk die turk 182’.
Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee vast dat [verdachte] degene is geweest die op 22 september 2014 de aanbetaling in ontvangst heeft genomen. [medeverdachte 1] heeft immers gezegd dat hij de Turk zal sturen en [verdachte] noemt zichzelf in een telefoongesprek van die dag ook de Turk. Daar komt nog bij dat [verdachte] op de dag van de levering tegelijk met de later in België staande gehouden Renault Kangoo bij de woning aan de [e-straat 1] arriveert, vervolgens de woning – waar ook [medeverdachte 1] zich op dat moment bevindt – binnengaat met een koffer en enige tijd later met zijn auto voornoemde Renault Kangoo begeleidt naar de snelweg. In die Kangoo wordt later in België een hoeveelheid van ruim 22 kilo hennep aangetroffen. Deze hoeveelheid komt overeen met de hoeveelheid ‘20 plus 2’ boeda die blijkens de gesprekken tussen [medeverdachte 1] en NN-man […] op 23 september 2014 zou worden geleverd.
De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op 23 september 2014 opzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 22 kilo hennep hebben verkocht, afgeleverd, vervoerd en buiten het grondgebied van Nederland hebben gebracht.”
3.4
In het middel wordt geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte op 23 september 2014 enige betrokkenheid heeft gehad bij de bewezenverklaarde overtreding van de Opiumwet. Het middel valt uiteen in twee deelklachten.
3.5
In de eerste plaats wordt geklaagd dat de vaststelling (bedoeld zal zijn “het oordeel”, AG) van het hof dat de verdachte degene is geweest die de aanbetaling voor de hennep op 22 september 2014 in ontvangst heeft genomen van NN-man […] slechts is gebaseerd op een telefoongesprek van 22 september 2014 tussen [medeverdachte 1] en NN-man […] , waarin [medeverdachte 1] en NN-man […] een afspraak maken voor een aanbetaling en waarin [medeverdachte 1] tegen NN-man […] zegt dat hij 'de Turk' zal sturen en een telefoongesprek van 23 september 2014 waarin de verdachte zichzelf tegen ene [betrokkene 6] 'die turk' noemt. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan volgens de steller van het middel op geen enkele wijze worden afgeleid dat deze [betrokkene 6] enige betrokkenheid heeft bij het bewezenverklaarde feitencomplex. De omschrijving 'de Turk' en 'die Turk' zijn evenwel dusdanig algemeen en op een zodanig grote kring personen toepasbaar dat de vaststelling van het hof inhoudende dat dit de verdachte is, niet zonder meer begrijpelijk is.
3.6
De steller van het middel merkt terecht op dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat [betrokkene 6] enige betrokkenheid heeft gehad bij het bewezenverklaarde feitencomplex. Dat kan echter niet afdoen aan de motivering van de bewezenverklaring. Immers, ook indien [betrokkene 6] niet betrokken zou zijn geweest bij het bewezenverklaarde feit, heeft het hof uit het telefoongesprek tussen de verdachte en [betrokkene 6] kunnen afleiden dat de verdachte zichzelf “die Turk” noemde en dat hij ook door anderen zo werd genoemd.
3.7
Met de steller van het middel meen ik dat de omschrijving “de Turk” respectievelijk “die Turk” op een grote kring personen toepasbaar is. Anders dan de steller van het middel meen ik dat daaruit niet voortvloeit dat het oordeel van het hof dat waar in de telefoongesprekken tussen NN-man […] en [medeverdachte 1] over “de Turk” wordt gesproken, de verdachte wordt bedoeld, niet zonder meer begrijpelijk is. Het hof heeft bij dat oordeel namelijk niet onbegrijpelijk niet alleen in aanmerking genomen (i) dat [medeverdachte 1] in telefoongesprekken heeft gezegd dat hij “de Turk” zal sturen en dat de verdachte zichzelf in een telefoongesprek van die dag ook “de Turk” noemt, maar ook (ii) dat de verdachte op de dag van de levering tegelijk met de later in België staande gehouden Renault Kangoo bij de woning aan de [e-straat 1] te [plaats] arriveert, vervolgens de woning – waar ook [medeverdachte 1] zich op dat moment bevindt – binnengaat met een koffer en enige tijd later met zijn auto voornoemde Renault Kangoo begeleidt naar de snelweg, terwijl in die Kangoo later in België een hoeveelheid van ruim 22 kilo hennep wordt aangetroffen en (iii) dat deze hoeveelheid overeen komt met de hoeveelheid ‘20 plus 2’ boeda die blijkens de gesprekken tussen [medeverdachte 1] en NN-man […] op 23 september 2014 zou worden geleverd. Het middel faalt in zoverre.
3.8
In de tweede plaats wordt geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen slechts kan volgen dat de verdachte op 23 september 2014 in aanwezigheid van de medeverdachte [betrokkene 5] is geobserveerd, terwijl niet is gezien dat er door de verdachte iets is overgedragen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan bovendien geenszins volgen dat de verdachte überhaupt enige wetenschap had van de aanwezigheid van de later in beslag genomen hennep in de Renault Kangoo, reden waarom de bewezenverklaring van dit feit, waarvoor minstgenomen wetenschap van de aanwezigheid van de hennep noodzakelijk is, niet kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen, aldus de steller van het middel.
3.9
Bij de beoordeling van deze klacht dient het volgende te worden voorop gesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de aanwezigheid van hennep in de Renault Kangoo – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Er is geen grond de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. [4]
3.1
Het hof heeft door de bewijsoverweging van de rechtbank met betrekking tot de telefoonnummers die in gebruik waren bij de verdachten te bevestigen, vastgesteld dat de verdachte de eigenaar is van een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] . Het hof heeft uit de bewijsmiddelen afgeleid dat de verdachte namens [medeverdachte 1] een aanbetaling voor de levering van ’20 plus 2 boeda’ in ontvangst heeft genomen en dat hij de volgende dag tegelijk met de later in België staande gehouden Renault Kangoo bij de woning aan de [e-straat 1] arriveerde, vervolgens de woning – waar ook [medeverdachte 1] zich op dat moment bevond – is binnengegaan met een koffer en enige tijd later met zijn Volkswagen Golf de Renault Kangoo met daarin ruim 22 kilo hennep heeft begeleid naar de snelweg. Uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte de Renault Kangoo heeft begeleid tot aan de op- en afritten van de rijksweg A58, dat hij daarna is teruggereden en dat de Jetta en de Kangoo vervolgens de A58 richting Antwerpen zijn opgereden.
3.11
Het hof heeft inderdaad niet expliciet overwogen dat de verdachte wist dat de aanbetaling en het transport betrekking hadden op hennep. Ik meen echter dat het hof uit de voorgaande feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd heeft kunnen afleiden dat sprake was van een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid (oftewel: een aanmerkelijke kans) dat er verdovende middelen – in het bijzonder hennep – in het spel waren en dat de verdachte daar op basis van algemene ervaringsregels van moet hebben geweten. [5] Immers, men ontvangt niet zomaar geldbedragen voor een ander en men begeleidt niet zomaar een andere auto tot aan de rijksweg (richting het buitenland) om daarna weer terug te keren terwijl de andere auto doorrijdt. Het hof heeft tevens kunnen oordelen dat de verdachte, door onder de vastgestelde omstandigheden te handelen zoals hij heeft gedaan, zowel de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid van hennep in de Renault Kangoo als de aanmerkelijke kans dat hij meewerkte aan het verkopen, afleveren, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid illegale [6] en verdovende middelen, te weten hennep, bewust heeft aanvaard, en dat hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke overtreding van de Opiumwet. Daarbij is van belang dat door of namens de verdachte niet is aangevoerd dat hij de Renault Kangoo heeft onderzocht om zich van de aard van hetgeen vervoerd werd te vergewissen. [7] Het onder 2 bewezenverklaarde feit is in zoverre toereikend gemotiveerd. Dat de bewijsvoering van het hof niet inhoudt “dat er door de verdachte iets is overgedragen” maakt dat niet anders. Het middel faalt ook in zoverre.
3.12
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
In het middel wordt geklaagd dat de bewezenverklaring van “het op 13 februari 2015 medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet” niet kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
4.2
Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 5 bewezenverklaard dat:
“hij op 13 februari 2015 te [plaats] en te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid (van ongeveer 13 kilo) hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
4.3
Deze bewezenverklaring berust op de volgende PROMIS-overweging [8] :
“Op 13 februari 2015 vond een observatie plaats van de verdachte.
Door het observatieteam werd onder meer waargenomen dat om 13.20 uur een Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken 1] geparkeerd stond aan de [f-straat] te [plaats] .
Om 13.22 uur zag men dat de verdachte uit de Golf stapte samen met een andere man, welke door een van de verbalisanten werd herkend als medeverdachte [betrokkene 8] . Men zag de verdachte en [betrokkene 8] een portiek binnengaan welke toegang geeft tot de woningen aan de [f-straat 1, 2, 3 en 4] te [plaats] . Om 14.00 uur stopte er een witte personenauto voor de voornoemde woningen aan de [f-straat] te [plaats] . Men zag dat de verdachte naar buiten kwam en contact maakte met de bestuurder van de personenauto, die een aluminiumkleurige koffer overdroeg aan de verdachte. Vervolgens werd waargenomen dat de bestuurder en de verdachte weer dezelfde portiek binnen gingen. De witte personenauto betrof een Seat Ibiza ST voorzien van het kenteken [kenteken 5] .
Om 15.00 uur werd er voor de betreffende portiek een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 6] geparkeerd. Uit de auto stapte een persoon die de portiek binnenging, om 15.11 uur twee grote plastic zakken uit een witte bestelauto tilde en het portiek binnendroeg. Om 15.33 uur kwamen de bestuurder van de Seat Ibiza en de bestuurder van de Volkswagen met kenteken [kenteken 6] naar buiten en werd waargenomen dat zij twee grijs gemêleerde bigshoppers achterin de Seat Ibiza legden. De bestuurder van de Seat Ibiza stapte in de auto. Vervolgens kwamen de verdachte en [betrokkene 8] ook bij de portiek naar buiten en stapten zij in de Golf met kenteken [kenteken 1] . Het observatieteam nam waar dat beide auto’s samen vertrokken. Onderweg naar [plaats] hebben zij continue bij elkaar gereden, waarbij de Golf met kenteken [kenteken 1] voorop reed.
Om 16.10 uur zagen de verbalisanten, die het verzoek hadden gekregen om uit te kijken naar de Seat Ibiza met kenteken [kenteken 5] , deze auto over de rijksweg A4 rijden komende uit de richting Vlissingen en rijdende in de richting van Roosendaal. Ter hoogte van de afslag Bergen op Zoom Zuid/Huijbergen ging het voertuig van de rijksweg af. De Seat Ibiza parkeerde uiteindelijk op de Prinses Beatrixlaan te Bergen op Zoom . De verbalisanten parkeerden naast het voertuig en troffen in de kofferbak van het voertuig drie zogenaamde big bags aan welke bij nader onderzoek gevuld bleken te zijn met de verbalisanten ambtshalve bekende hennep. De hennep werd inbeslaggenomen, gewogen en bemonsterd. Het bleek om 13 kilogram hennep te gaan. De bestuurder van de Seat betrof [betrokkene 9] .
In de onder medeverdachte [medeverdachte 1] inbeslaggenomen encrypted BlackBerry telefoon werd onder meer een contact met de naam [betrokkene 10] en bijbehorend emailadres [e-mailadres] aangetroffen. Op basis van de inhoud van de gesprekken die met dat e-mailadres zijn gevoerd stelt het hof vast dat de gebruiker daarvan medeverdachte [betrokkene 10] betreft. In die gesprekken noemt hij onder andere de naam van zijn dochter, de naam van zijn vrouw en het feit dat hij in [plaats] blijft tot de verbouwing klaar is terwijl medeverdachte [betrokkene 10] ook daadwerkelijk van [plaats] naar [plaats] is verhuisd.
Tussen medeverdachten [medeverdachte 1] en [betrokkene 10] vond op 19 februari 2015 een mailwisseling plaats waarin werd gesproken over een chauffeur in [plaats] die [betrokkene 9] wordt genoemd. Door de politie is vastgesteld dat de persoon die in de encrypted BlackBerry van medeverdachte [medeverdachte 1] staat vermeld met de naam [betrokkene 9] feitelijk [betrokkene 9] betreft, die op 13 februari 2015 als chauffeur van het henneptransport vanuit [plaats] is aangehouden.
Daarnaast werd in de mailwisseling gesproken over een schade die is geleden door medeverdachten [medeverdachte 1] en [betrokkene 10] doordat de handel nooit in een woning is aangekomen maar [betrokkene 9] daarvoor, bij het parkeren, is aangehouden en dat dit de schuld is van [verdachte] /die kale. Uit onderzoek door de politie is gebleken dat de verdachte ook de naam [verdachte] gebruikt. Zoals hierboven is opgenomen, vond de aanhouding van [betrokkene 9] ook daadwerkelijk plaats naar aanleiding van een observatie van de verdachte.
Gelet hierop stelt het hof vast dat bovenstaande berichten die via de encrypted BlackBerry’s zijn uitgewisseld betrekking hebben op het henneptransport van 13 februari 2015 en dat medeverdachte [medeverdachte 1] als gevolg van het onderscheppen van dit transport schade heeft geleden.
Naar het oordeel van het hof kan op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte en [betrokkene 9] zich op 13 februari 2015 schuldig hebben gemaakt aan het vervoeren van 13 kilogram hennep en dat medeverdachte [medeverdachte 1] hierbij betrokken is geweest.”
4.4
De bewijsoverweging van het hof komt kort gezegd neer op het volgende. De verdachte gaat op 13 februari 2015 vanaf 13.22u samen met een andere man een portiek van een aantal woningen binnen in [plaats] . Om 14.00u arriveert een derde persoon (genaamd [betrokkene 9] ) in een Seat, draagt een koffer over aan de verdachte en gaat met de verdachte het portiek binnen. Om 15.00u komt een vierde persoon die twee grote plastic zakken het portiek binnendraagt. Om 15.33u lopen [betrokkene 9] en de vierde persoon met twee bigshoppers naar buiten en leggen deze tassen achterin de Seat. De verdachte en de tweede persoon komen ook naar buiten en stappen in de auto van de verdachte. Beide auto’s vertrekken, waarbij de auto van de verdachte voorop rijdt. De auto’s rijden continue bij elkaar, tot de Seat bij de afslag Bergen op Zoom Zuid / Huijbergen van de rijksweg afgaat en op de Prinses Beatrixlaan te Bergen op Zoom parkeert. Aldaar treft de politie in de kofferbak van de Seat drie big bags aan met daarin in totaal 13 kilogram hennep. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [betrokkene 10] hebben op 19 februari 2015 een e-mailwisseling waarin wordt gesproken over een schade die zij hebben geleden doordat de handel nooit in een woning is aangekomen maar [betrokkene 9] daarvoor, bij het parkeren is aangehouden en dat dit de schuld is van “ [verdachte] / die kale”. Uit onderzoek door de politie is gebleken dat de verdachte ook de naam “ [verdachte] ” gebruikt.
4.5
Anders dan de steller van het middel meent, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat de medeverdachten met “ [verdachte] / die kale” doelen op de verdachte die als bijnaam “ [verdachte] ” gebruikt. Het hof heeft immers vastgesteld (i) dat uit onderzoek van de politie blijkt dat de verdachte ook de naam “ [verdachte] ” gebruikt, (ii) dat de medeverdachten “ [verdachte] / die kale” de schuld geven van de aanhouding van [betrokkene 9] en (iii) dat de aanhouding van [betrokkene 9] plaatsvond naar aanleiding van een politie-observatie van de verdachte.
4.6
De toelichting op het middel houdt onder meer het volgende in: “Zelfs al zou aan de hand van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen de koppeling gemaakt kunnen worden tussen [verdachte] /die kale en de verdachte dan nog kan uit deze constatering niet volgen dat de verdachte enige strafrechtelijke betrokkenheid heeft bij het onderhavige feit. Er wordt in dat geval immers slechts door derden gesteld dat de schuld van de aanhouding van [betrokkene 9] de verdachte is, terwijl [betrokkene 9] uiteindelijk als gevolg van een observatie op de verdachte is aangehouden. Deze laatste constatering maakt nog niet dat op basis hiervan kan volgen dat de verdachte wetenschap had van het feit dat [betrokkene 9] hennep in zijn auto vervoerde.”
4.7
De steller van het middel gaat ervan uit dat het hof verdachtes wetenschap van de omstandigheid dat [betrokkene 9] hennep in zijn auto vervoerde, heeft afgeleid uit de omstandigheid dat [betrokkene 9] als gevolg van een observatie op de verdachte is aangehouden. Deze stelling mist echter feitelijke grondslag. Blijkens de bewijsoverweging van het hof heeft het deze wetenschap (niet onbegrijpelijk) afgeleid uit de omstandigheid dat de verdachte gedurende twee uren in een portiek(woning) is geweest met daarin wisselende personen, dat aldaar een koffer is overgedragen aan de verdachte, dat een ander vanuit die portiek(woning) twee grote tassen achterin een auto heeft gelegd en dat vervolgens de verdachte met zijn auto de auto waarin even later de hennep is aangetroffen op de snelweg heeft begeleid.
4.8
Gelet op het voorgaande faalt de klacht dat het onder 5 bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen en dat de bewezenverklaring daarom niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
4.9
Het middel faalt.

5.Het derde middel

5.1
In het middel wordt geklaagd dat het onder 1 bewezenverklaarde lidmaatschap van een criminele organisatie niet kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
5.2
Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 september 2014 tot en met 26 februari 2015 (op meerdere plekken) in Nederland en België, heelt deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem zelf, verdachte, en
- [medeverdachte 1] en
- [betrokkene 4] en
- [medeverdachte 2]
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrij(f)ven, als bedoeld in artikel 11, derde, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet, te weten het meermalen in de uitoefening van een beroep of bedrijf grote hoeveelheden, verkopen, afleveren, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van een middel als genoemd op lijst II (hennep)”
5.3
Deze bewezenverklaring berust op de in het bestreden arrest opgenomen PROMIS-overweging, naar de inhoud waarvan ik, gelet op de uitgebreidheid van die overweging, hier kortheidshalve verwijs. Wel citeer ik de volgende passage uit deze bewijsoverweging:

Was er sprake van een criminele organisatie en maakte verdachte er deel van uit?
I. De aan verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde hennepleveringen
Het hof zal het vonnis van de rechtbank bevestigen voor zover dat ziet op de aan de verdachte tenlastegelegde hennepleveringen die door de rechtbank bewezen zijn verklaard. Dit betreffen de volgende leveringen:
- het samen met [medeverdachte 1] verkopen, vervoeren, afleveren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 22 kilogram hennep op 23 september 2014;
- het samen met [betrokkene 4] vervoeren, afleveren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 14,6 kilogram hennep op 21 november 2014;
- het samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 15 januari 2015 vervoeren van 6,5 kilogram hennep
- het samen met onder andere [medeverdachte 1] op 13 februari 2015 vervoeren van 13 kilogram hennep.”
5.4
In de toelichting op het middel wordt verwezen naar de voorgaande passage uit het arrest. De toelichting houdt vervolgens in: “Hiervoor is evenwel betoogd dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet de bewezenverklaring kan volgen van de hiervoor genoemde feiten 3 (15 januari 2015) en 4 (13 februari 2015). Indien in cassatie deze standpunten worden gevolgd, dan blijven slechts de door het hof aangeduide feiten 2 (23 september 2014) en 3 (21 november 2014) over. Vast moet dan worden gesteld dat dit feiten zijn die zijn begaan in een telkens wisselende dadersamenstelling” en aan het einde van de schriftuur “Zoals in het onderhavige middel betoogd, kan uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen - na het slagen van de voorbesproken cassatiemiddelen I en II - slechts worden vastgesteld dat requirant in een wisselende dadersamenstelling zonder enig verband heeft geopereerd. Gezien het voorgaande kan uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en aanvullende bewijsmotiveringen de bewezenverklaring van feit 1 (lidmaatschap van een criminele organisatie) niet volgen, reden waarom de bewezenverklaring onvoldoende naar de eis der wet met redenen is omkleed.”
5.5
De cassatieschriftuur is op dit punt niet helder. Het eerste cassatiemiddel ziet immers op het op 23 september 2014 gepleegde feit, terwijl de steller van het middel veronderstelt dat dit middel ziet op het 15 januari 2015 gepleegde feit.
5.6
Wat daar ook van zij; in het cassatiemiddel wordt blijkens de toelichting kort gezegd geklaagd dat na het slagen van de eerste twee cassatiemiddelen, slechts kan worden vastgesteld dat de verdachte “in een wisselende dadersamenstelling zonder enig verband” heeft geopereerd, waardoor het onder 1 bewezenverklaarde feit niet uit de bewijsvoering kan volgen. Een nadere of andere motivering wordt aan het middel niet gegeven. Het cassatiemiddel kan dus slechts slagen indien de voorwaarde dat het eerste en tweede cassatiemiddel terecht zijn voorgesteld, is vervuld.
5.7
Nu ik meen dat de eerste twee cassatiemiddelen falen, is de voorwaarde niet vervuld. Het derde middel kan daarom niet slagen en behoeft dan ook niet verder besproken te worden.
5.8
Het middel faalt.

6.Slotsom

6.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging.
6.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. De redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, hetgeen tot vermindering naar de gebruikelijke maatstaf van de door het hof opgelegde gevangenisstraf moet leiden.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Met weglating van de gebruikte voetnoten.
2.Met weglating van de gebruikte voetnoten.
3.In het vonnis staat “2016”. Het hof heeft in zijn arrest overwogen dat dit dient te worden gelezen als “2014”.
4.Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049,
5.Zie de conclusie van AG Bleichrodt van 15 december 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2561, onder 9, waar hij schrijft dat een bewijsconstructie waarbij mede aan de hand van feiten van algemene bekendheid voorwaardelijk opzet wordt aangenomen, in Opiumwetzaken niet ongebruikelijk is, en dat daarbij betekenis kan toekomen aan het uitblijven van onderzoek in gevallen waarin de omstandigheden van het geval om nader onderzoek vragen.
6.Vgl. HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0155 (HR: art. 81.1 RO) en de daarbij behorende conclusie van AG Machielse onder 3.6. De verdachte was veroordeeld voor mensensmokkel. Machielse schreef: “Verdachte is ermee akkoord gegaan een busje naar Engeland te brengen hoewel hij wist dat zich in het busje iets bevond dat Engeland niet in mocht en zonder enig nader onderzoek te doen naar de inhoud van de laadruimte. Aldus heeft de verdachte zich blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het transport betrekking had op illegale invoer van wat dan ook en deze kans welbewust aanvaard”.
7.Vgl. bijvoorbeeld HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:107 (HR: art. 81.1 RO). Het ging in deze zaak om bonbons waarin cocaïne was verpakt en die door de verdachte voor een ander vanuit Suriname naar Nederland waren meegenomen. Vgl. ook HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7911,
8.Met weglating van de gebruikte voetnoten.