ECLI:NL:PHR:2024:165

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 februari 2024
Publicatiedatum
12 februari 2024
Zaaknummer
23/02608
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10(2) Wet op de dividendbelastingArt. 11a Wet op de dividendbelastingArt. 9(3) Wet op de dividendbelastingArt. 63 VwEUArt. 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing teruggaaf dividendbelasting niet-ingezeten beleggingsfonds wegens gebrek aan bewijs inhouding

Een naar Duits recht opgericht en gevestigd beleggingsfonds vroeg teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2012 tot en met 2014. De Inspecteur weigerde deze teruggaaf omdat het fonds, ondanks herhaalde verzoeken, geen dividendnota’s of ander bewijs van inhouding van Nederlandse dividendbelasting kon overleggen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond wegens onvergelijkbaarheid met een ingezeten fiscale beleggingsinstelling (fbi).

In hoger beroep stelde het fonds dat het op grond van het vrije kapitaalverkeer recht had op teruggaaf, omdat het vergelijkbaar zou zijn met een ingezeten fbi. Het hof kwam niet toe aan de beoordeling van deze vergelijkbaarheid, omdat het fonds geen bewijs leverde van inhouding van dividendbelasting, wat een voorwaarde is voor teruggaaf. Het hof wees het hoger beroep af.

In cassatie voerde het fonds aan dat het controlebeleid van de Inspecteur de vrijheid van kapitaalverkeer en algemene beginselen van behoorlijk bestuur schond. De Advocaat-Generaal concludeerde dat het hof terecht de bewijslast bij het fonds legde en dat er geen grond was voor ambtshalve toetsing van het controlebeleid aan EU-recht of algemene beginselen. De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van inhouding van dividendbelasting door het niet-ingezeten beleggingsfonds.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02608
Datum2 februari 2024
BelastingkamerA
Onderwerp/tijdvakDividendbelasting – 2012 t/m 2014
Nr. Gerechtshof 22/00347 t/m 22/00349
Nr. Rechtbank 17/4440 t/m 17/4442
CONCLUSIE
P.J. Wattel
Met bijlage
In de zaak van
[X]
tegen
Staatssecretaris van Financiën

1.De feiten en het geding in feitelijke instanties

De feiten

1.1
De belanghebbende is een naar Duits recht opgericht en in Duitsland gevestigd beleggingsfonds. Hij heeft geen vaste inrichting in Nederland en is in Nederland niet inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting.
1.2
De belanghebbende heeft voor de jaren 2012 t/m 2014 teruggaaf van dividendbelasting verozhct. Die verzoeken zijn door de Inspecteur afgewezen. De belanghebbende heeft vergeefs bezwaar gemaakt.
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant [1]
1.3
De belanghebbende stelde voor de Rechtbank dat het vrije kapitaalverkeer hem recht op teruggaaf van dividendbelasting geeft tot een bedrag gelijk aan de afdrachtvermindering waarop een ingezeten fiscale beleggingsinstelling (fbi) nationaalrechtelijk recht zou hebben, omdat hij behoudens zijn vestigingsplaats vergelijkbaar is met een ingezeten fbi.
1.4
De Rechtbank overwoog dat u in HR
BNB2021/89 [2] heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat niet-ingezeten beleggingsinstellingen, gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een afdrachtvermindering op die inhouding. De Rechtbank oordeelde daarom dat de Inspecteur de teruggaafverzoeken terecht heeft afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch [3]
1.5
De belanghebbende stelde ook in hoger beroep met een beroep op Unierecht dat hij recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting tot het bedrag aan afdrachtvermindering waarop een ingezeten fbi recht zou hebben, omdat hij behoudens zijn vestigingsplaats vergelijkbaar is met een ingezeten fbi. De Inspecteur stelde dat de belanghebbende geen dividendnota’s heeft overgelegd zodat (de omvang van) het bedrag waarvoor recht op teruggaaf zou bestaan onvoldoende aannemelijk is gemaakt en reeds daarom geen recht op teruggaaf bestaat. De Inspecteur achtte de belanghebbende overigens ook objectief onvergelijkbaar met een dooruitdelings- en inhoudingsplichtige fbi.
1.6
Het Hof heeft overwogen dat de term “te zijnen laste ingehouden dividendbelasting” in art. 10 Divb Pro betekent dat de teruggevraagde dividendbelasting moet zijn geheven van de verzoeker als opbrengstgerechtigde in de zin van art. 1(1) Divb. Als de Inspecteur betwist – zoals in casu – dat de belanghebbende aan de voorwaarden voor teruggaaf voldoet, rust op de belanghebbende de last om feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, die meebrengen dat hij wel aan die voorwaarden voldoet. [4] Onduidelijkheid daarover en bewijsnood komen daarbij voor zijn rekening, aldus het Hof. [5]
1.7
Het Hof stelde vast dat de belanghebbende, hoewel diverse malen daarop en op mogelijke consequenties gewezen, geen dividendnota’s heeft overgelegd of anderszins inhoudelijk is ingegaan op het standpunt van de inspecteur. Evenmin is gesteld of gebleken dat op grond van art. 9(3) Divb uitreiking van dividendnota’s achterwege kon blijven. De verzochte teruggaaf stuit er dan op af dat de belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat en zo ja, hoeveel Nederlandse dividendbelasting te zijnen laste is ingehouden in de betrokken jaren, zodat niet is komen vast te staan dat en tot welk bedrag de teruggevraagde dividendbelasting ten laste van de belanghebbende is ingehouden.
1.8
Het Hof kwam aldus niet toe aan de vraag of de belanghebbende al dan niet objectief vergelijkbaar is met een ingezeten fbi en heeft het hogere beroep ongegrond verklaard.

2.Het geding in cassatie

De belanghebbende heeft tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Voor de inhoud van het cassatiemiddel en het verweer verwijs ik naar onderdeel 4 van de bijlage.

3.Beoordeling

Op de gronden vermeld in onderdeel 5 van de bijlage bij deze conclusie meen ik dat het middel niet tot cassatie leidt.

4.Conclusie

Ik geef u in overweging het cassatieberoep van de belanghebbende ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 januari 2022, nrs. 17/4440 t/m 17/4442 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
2.HR 9 april 2021, nr. 19/00104, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2021:506,
3.Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24 mei 2023, nr. 22/00347 t/m 22/00349 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
4.Het Hof verwees naar HR 18 oktober 2019, nr. 18/03614, ECLI:NL:HR:2019:1610, r.o. 2.4.2.
5.Het Hof verwees naar de conclusie van 28 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:70, onderdeel 7.2.