Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
nalaten(dat volgens het onderdeel waarschijnlijk minder snel tot aansprakelijkheid leidt dan een
doen). Dat is onjuist, omdat voor het antwoord op de vraag of een gedraging die voor een ander een gevaar in het leven kan roepen onrechtmatig is, de aard van de gedraging een relevant gezichtspunt is, aldus het onderdeel.
voor zover schending ervan tot een defect aan de tractor kan leiden. Of schending van een reparatienorm kan leiden tot een defect aan de tractor is geen juridische kwestie, maar een kwestie van feitelijke aard. Het hof heeft dan ook in de eerste zin van rov. 2.15 overwogen dat de in dit geval geschonden (reparatie)norm bedoeld was om een defect aan de tractor te voorkomen, hetgeen niet tussen partijen ter discussie staat. Gelet op het in rov. 2.14 gehanteerde toetsingskader, heeft het hof de desbetreffende normschending klaarblijkelijk gekwalificeerd als een veiligheidsnorm. Een dergelijke veiligheidsnorm strekt volgens dat toetsingskader ook tot bescherming van de belangen van anderen dan de eigenaar van de tractor en/of de opdrachtgever van de reparatie van de tractor. De conclusie van het hof in de tweede zin van rov. 2.15 (dat de norm ook strekt ter bescherming van de belangen van derden die deelnemen aan het verkeer of eigenaar zijn van objecten op of aan de weg) is dan ook een uitwerking van het in rov. 2.14 opgenomen toetsingskader. Kortom, het hof heeft het antwoord op de vraag waartegen de geschonden norm bescherming biedt niet afgeleid uit de consensus daarover tussen partijen, maar uit het door het hof geschetste toetsingskader in rov. 2.14. Het onderdeel faalt dus.
beschermingsbereikvan de geschonden norm, omdat [eiseres] zich in feitelijke instanties op het standpunt heeft gesteld (zakelijk weergegeven) dat de normschending alleen de belangen van de opdrachtgever van de reparatiewerkzaamheden beschermt en niet die van derden, zoals NS en Prorail. Dat het hof deze stelling van [eiseres] niet heeft miskend volgt uit rov. 2.13, waarin het hof de desbetreffende stelling van [eiseres] over het beschermingsbereik heeft weergegeven, en uit rov. 2.14 en 2.15, waarin het hof die stelling heeft verworpen. Het onderdeel mist dus feitelijke grondslag en faalt.