Conclusie
B/Dexiais in effectenleasezaken geprocedeerd over de toepassing van de voorwaarden waaronder de aanbieder van effectenleaseproducten 100% van de schade van de afnemer moet vergoeden. Deze voorwaarden houden, kort gezegd, in (i) dat een tussenpersoon (cliëntenremisier) zonder te beschikken over de daarvoor vereiste vergunning de afnemer heeft geadviseerd de overeenkomst met de aanbieder van een effectenleaseproduct aan te gaan en (ii) de aanbieder dit wist of behoorde te weten. [1] Het eerste vereiste is door de Hoge Raad uitgewerkt in een prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [2] en een aantal arresten van 9 juni 2023. [3] In deze zaak gaat het in cassatie om de vraag of het hof kon oordelen dat de Afnemer onvoldoende heeft gesteld voor het oordeel dat hij is geadviseerd door de tussenpersoon en in verband daarmee het bewijsaanbod van de Afnemer kon verwerpen. Verder is toepassing van de tweeconclusieregel aan de orde. Mijns inziens slagen de hiertegen gerichte cassatieklachten van de Afnemer.
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt, samengevat, dat het oordeel in rov. 3.15 onjuist is, omdat het hof de vraag of sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling door Van Koesveld niet heeft beantwoord aan de hand van de norm die de Hoge Raad heeft gegeven in de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 (
Dexia/Y). Als het hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, dan valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom de stellingen van de Afnemer niet de conclusie rechtvaardigen dat Van Koesveld hem een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, aldus de klacht.
Onderdeel 2klaagt onder meer dat het oordeel dat de Afnemer zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd om te worden toegelaten tot het bewijs daarvan, onbegrijpelijk is.
Onderdeel 3klaagt, kort gezegd, dat stellingen die de Afnemer tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft ingenomen, strekken tot uitwerking of precisering van stellingen die zijn ingenomen in de memorie van grieven, en dat het hof heeft miskend dat de tweeconclusieregel daaraan niet in de weg staat.
Tot slot bevat het cassatiemiddel op p. 13 van de procesinleiding een
voortbouwklacht.
onderdeel 1klaagt). Deze beoordeling van de stellingen heeft vervolgens ten grondslag gelegen aan de verwerping van het bewijsaanbod en de toepassing door het hof van de tweeconclusieregel (waarover
onderdelen 2 en 3klagen).
Het juridisch kader wordt gevormd door de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022. De beslissing dateert van ná het moment waarop de Afnemer zijn stellingen in de memorie van grieven heeft ingenomen. Het hof heeft die stellingen mijns inziens beoordeeld aan de hand van een deel van het in deze prejudiciële beslissing uiteengezette juridisch kader, maar daarbij een ander deel van dat kader buiten beschouwing gelaten. Daar wringt mijns inziens de schoen, mede omdat het hof niet uitlegt waarom de stellingen van de Afnemer daartoe nopen.
dat wil zeggen een aanbeveling die voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer, de navolgende omstandigheden van belang kunnen zijn:
Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van diens persoonlijke omstandigheden, is van belang of de tussenpersoon al dan niet(i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer, (ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product, (iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product heeft geadviseerd. Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.” [onderstreping toegevoegd; plv.
als geschiktvoor deze afnemer dan wel (b) een aanbeveling berust op een afweging van
de persoonlijke omstandighedenvan de afnemer.
als geschiktvoor de betrokken afnemer kan, zo blijkt uit de rechtspraak van de Hoge Raad, sprake zijn ook
zonderde aanwezigheid van de door het hof in rov. 3.12 genoemde omstandigheden dat de tussenpersoon (i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer, (ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en (iii) een ander financieel product, zoals een hypothecaire lening, heeft geadviseerd.
de persoonlijke omstandighedenvan de afnemer. Dit volgt mijns inziens ook reeds uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, al kan zou daarover kunnen worden getwijfeld op basis van (alleen) het door het hof in rov. 3.12 geciteerde eerste deel van rov. 2.10.16 van die prejudiciële beslissing (vgl. de door mij onderstreepte passages in de hiervoor weergegeven citaten).
de persoonlijke omstandighedenvan de afnemer in de zin van de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022.
Ik lees in het arrest niet dat het hof afzonderlijk heeft getoetst of sprake was van een aanbeveling die is voorgesteld
als geschiktvoor de betrokken afnemer ook los van de onder (i)-(iii) bedoelde omstandigheden. Indien het hof heeft gemeend dat de hiervoor onder (i)-(iii) bedoelde omstandigheden ook een rol dienen te spelen bij de beoordeling of een aanbeveling is voorgesteld
als geschiktvoor de betrokken afnemer, zou zijn arrest berusten op een onjuiste rechtsopvatting.
de persoonlijke omstandighedenvan de afnemer in de zin van de rechtspraak van de Hoge Raad, en het hof daarom heeft getoetst aan de hiervoor onder (i)-(iii) bedoelde omstandigheden. In dat geval zou het hof gezien artikel 24 Rv Pro geen ruimte hebben gehad om te beoordelen of wellicht sprake was van een aanbeveling die is voorgesteld
als geschiktvoor de betrokken afnemer in de zin van de rechtspraak van de Hoge Raad.
de persoonlijke omstandighedenvan de afnemer in de zin van de rechtspraak van de Hoge Raad. Het hof overweegt evenmin (met zoveel woorden) dat uit de stellingen van de Afnemer volgt dat hij niet aan zijn vorderingen ten grondslag legt dat sprake is van een aanbeveling die is voorgesteld
als geschiktvoor de betrokken afnemer in de zin van de rechtspraak van de Hoge Raad.
als geschiktvoor de betrokken afnemer en een aanbeveling die berust op een afweging van
de persoonlijke omstandighedenvan de afnemer, hebben partijen in deze stukken (dus) niet (expliciet) gemaakt. Daartoe zijn partijen pas overgegaan bij de mondelinge behandeling bij het hof op 18 november 2022, dus na de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022. De eerder door de Afnemer gestelde en door Aegon betwiste feiten zijn, naar mijn mening, door partijen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof voor het eerst bezien door de bril van het relevante juridische kader van de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022. Ik loop de relevante stellingen na.
als geschiktvoor de betrokken afnemer.
Om deze reden is voorts verklaarbaar dat de stellingen van de Afnemer in de memorie van grieven niet kunnen worden opgevat als een uitdrukkelijk beperking van het debat tot de vraag of de tussenpersoon in dit geval een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van
de persoonlijke omstandighedenvan de afnemer - dus met uitsluiting van het in de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 genoemde alternatief. Dit kan niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat de Afnemer in de memorie van grieven ter zake van de advisering stellingen heeft ingenomen die zijn persoonlijke situatie betreffen.
als geschiktvoor de betrokken afnemer.
onderdeel 2in haar schriftelijke toelichting nr. 39) dat de Afnemer tot aan de mondelinge behandeling in hoger beroep in het geheel niet ‘met zoveel woorden’ heeft gesteld dat het SprintPlan zou zijn voorgesteld als voor hem geschikt. Dit moge zo zijn, maar dit staat niet in de weg aan de mogelijkheid dat feitelijke stellingen zijn ingenomen die wel in deze zin kunnen worden gelezen.
onderdeel3 in haar schriftelijke toelichting nr. 44) dat het procesdebat zich in zowel eerste als tweede aanleg steeds heeft toegespitst op de vraag of er sprake was van een ‘afweging van de persoonlijke omstandigheden’ van de Afnemer en dat de Afnemer pas bij de mondelinge behandeling in hoger beroep de nieuwe stelling heeft ingenomen dat het SprintPlan aan hem is voorgesteld als voor hem geschikt.
Dit betoog geeft (met de
benefit of hindsight) een bepaalde lading aan de stellingen van de Afnemer in de memorie van grieven in het licht van de latere prejudiciële beslissing van 10 juni 2022. Volgens Aegon waren de stellingen van de Afnemer toegesneden op een aanbeveling die berust op een afweging van
de persoonlijke omstandighedenvan de afnemer in de zin van de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022. Ik vind dit geen overtuigende tegenwerping. Men kan met de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 in gedachten achteraf ook een andere lading aan de stellingen van de Afnemer geven, namelijk dat daarin ligt besloten dat een aanbeveling is voorgesteld
als geschiktvoor de Afnemer.
nrs. 4-7 van de procesinleiding) klaagt, kort samengevat, dat het oordeel in rov. 3.15 onjuist is, omdat het hof de vraag of sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling door Van Koesveld niet heeft beantwoord aan de hand van de norm die de Hoge Raad heeft gegeven in de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 in de zaak
Dexia/Y. [11] Als het hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, dan valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom de stellingen van de Afnemer niet de conclusie rechtvaardigen dat Van Koesveld hem een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, aldus de klacht.
Daartoe wijst het onderdeel erop (in
nr. 4)dat de door het hof in rov. 3.15 beoordeelde omstandigheden – (i) of de tussenpersoon heeft geïnformeerd naar de financiële situatie van de afnemer, (ii) of hij ook andere effectenleaseproducten heeft genoemd en (ii) of de tussenpersoon een ander financieel product heeft geadviseerd − niet van belang zijn bij beantwoording van de vraag of de tussenpersoon het effectenleaseproduct heeft voorgesteld als geschikt voor de Afnemer.
Het onderdeel wijst voorts (in
nr. 5) op de stellingen van de Afnemer, waaronder die in de memorie van grieven nr. 19, en verbindt daaraan (in
nr. 6) de conclusie dat de tussenpersoon het effectenleaseproduct ten minste als geschikt voor de Afnemer heeft voorgesteld. In het licht van de stelling van de Afnemer in de memorie van grieven nr. 19 is volgens het onderdeel (in
nr. 7) voorts onbegrijpelijk de overweging in rov. 3.15 dat de Afnemer ten aanzien van het geven van gepersonaliseerd beleggingsadvies heeft volstaan met de blote stelling dat Van Koesveld heeft geïnformeerd naar de financiële situatie van de Afnemer.
als geschiktvoor de Afnemer. Indien het hof ervan is uitgegaan dat het ook in dat geval diende te toetsen aan de hiervoor onder (i)-(iii) bedoelde omstandigheden, berust zijn arrest op een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd gezien de stellingen van de Afnemer in de memorie van grieven (met name onder 19).
als geschiktvoor de Afnemer. Het hof oordeelt in rov. 3.15 dat de stellingen van de Afnemer onvoldoende zijn onderbouwd, maar het hof heeft dit beoordeeld in het licht van de hiervoor onder (i)-(iii) bedoelde omstandigheden, die relevant zijn bij de beoordeling of sprake is van een aanbeveling die berust op een afweging van
de persoonlijke omstandighedenvan de afnemer in de zin van de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022.
als geschiktvoor de betrokken afnemer ook los van de onder (i)-(iii) bedoelde omstandigheden.
Onderdeel 1slaagt.
onderdeel 1brengt mee dat ook de beslissing van het hof (in rov. 3.15, tweede alinea) om het bewijsaanbod van de Afnemer te passeren, niet in stand kan blijven. Deze beslissing bouwt immers voort op het door
onderdeel 1met succes bestreden oordeel, kort gezegd, dat de Afnemer onvoldoende stellingen heeft ingenomen.
Onderdeel 2behoeft daarom geen bespreking.
onderdeel 1. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de Afnemer gesteld, kort gezegd, dat de tussenpersoon het product heeft voorgesteld als geschikt voor de Afnemer. De beoordeling of dit een nieuwe stelling inhoudt (die te laat is aangevoerd) dan wel een uitwerking van een eerder ingenomen stelling, berust mede op de manier waarop het hof de eerder door de Afnemer ingenomen stellingen heeft gelezen. Indien het hof de stellingen van de Afnemer in de memorie van grieven had beoordeeld in het licht van de vraag of de tussenpersoon het effectenleaseproduct SprintPlan heeft voorgesteld
als geschiktvoor de Afnemer, dan had zijn oordeel over de tweeconclusieregel anders kunnen uitvallen. Ook
onderdeel 3behoeft daarom geen bespreking.
onderdeel 1niet slaagt, bespreek ik de
onderdelen 2 en 3hierna ten overvloede,
nrs. 8-13 van de procesinleiding) klaagt, kort samengevat, dat het oordeel in de tweede alinea van rov. 3.15 onjuist is of in ieder geval onbegrijpelijk. Het onderdeel betoogt in de eerste plaats dat het hof miskent dat een onbetwiste en dus vaststaande stelling geen nadere motivering of bewijs behoeft. Daartoe betoogt het onderdeel dat Aegon de stelling dat de tussenpersoon het effectenleaseproduct van Aegon aan de Afnemer heeft voorgesteld als geschikt voor de beoogde opbouw van kapitaal voor de aanschaf van een woning, niet heeft betwist (
nr. 9) − omdat volgens Aegon meer is vereist voor advisering (
nrs. 11-12) −, zodat het hof deze stelling van de Afnemer als vaststaand had moeten beschouwen (
nr. 10).
nr. 13), kort gezegd, dat het hof miskent dat een aanbeveling ook mondeling kan worden gedaan en verder dat van een partij die aanbiedt haar stellingen te bewijzen, niet gevergd kan worden dat ze, wil ze tot dit bewijs worden toegelaten, op voorhand haar stellingen aannemelijk maakt.
nr. 15)aangevoerd dat de (in
nr. 14genoemde) stellingen, die de Afnemer tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft ingenomen, strekken tot uitwerking of precisering van stellingen die zijn ingenomen in de memorie van grieven, en dat het hof heeft miskend dat de tweeconclusieregel daaraan niet in de weg staat. Verder wordt aangevoerd dat het hof in het licht van de hiervoor bedoelde stellingen eens te meer had moeten komen tot het oordeel dat Van Koesveld de Afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, of in ieder geval had het hof de Afnemer moeten toelaten tot het bewijs daarvan.
als geschiktheeft voorgesteld (zie de procesinleiding
nr. 14; de schriftelijke toelichting namens Aegon nr. 44; en hiervoor in 2.8.2 en 2.9.1).
als geschiktheeft voorgesteld, kan worden aangevoerd. Daarmee ontvalt ook de basis aan de klacht dat het hof op basis van de in
nr. 14bedoelde stellingen eens te meer had moeten komen tot het oordeel dat Van Koesveld de Afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, of in ieder geval had het hof de Afnemer moeten toelaten tot het bewijs daarvan.
onderdeel 1niet slaagt, ook de
onderdelen 2 en 3niet slagen. Zoals eerder gezegd, meen ik dat
onderdeel 1wel dient te slagen.
onderdeel 1zijn bestreden, niet in stand kunnen blijven. Om deze reden behoeven de
onderdelen 2 en 3geen bespreking.