Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde en het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
23 november 2021.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een door de veroordeelde aan een benadeelde opgelegde schadevergoedingsmaatregel verminderd moet worden met een bedrag dat door zijn voormalig echtgenoot is betaald. De betrokkene was veroordeeld voor verduistering en het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €210.536. De voormalig echtgenoot had een bedrag van €12.265 aan de benadeelde betaald vanwege hoofdelijke aansprakelijkheid uit de ontbinding van hun huwelijksgemeenschap.
De betrokkene stelde dat dit bedrag in mindering gebracht moest worden op het wederrechtelijk verkregen voordeel, op grond van artikel 36e lid 9 Sr. Het hof verwierp dit verweer omdat de betrokkene niet had aangetoond dat hij zelf aan zijn voormalig echtgenoot had betaald, waardoor het voordeel feitelijk niet aan hem was ontnomen.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en herhaalde dat betaling door een medeschuldenaar niet automatisch leidt tot mindering van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde. Alleen indien de veroordeelde zelf zijn aandeel heeft voldaan aan die medeschuldenaar, kan mindering plaatsvinden. De eerdere betaling door de betrokkene aan zijn voormalig echtgenoot in het kader van de echtscheiding veranderde hieraan niets.
Het beroep in cassatie werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat betaling door de voormalig echtgenoot niet leidt tot mindering van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde.