Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
.Hieruit wordt door de strafrechter afgeleid dat, tenzij de wetgever een regeling van overgangsrecht heeft gegeven, strafvorderlijk handelen wordt beheerst door het recht dat geldt ten tijde van dat handelen. [9] Deze onmiddellijke toepasbaarheid van nieuw strafprocesrecht bij gebreke aan overgangsrecht is vaste rechtspraak van de Hoge Raad, zoals het hof terecht in rov. 6.3 heeft overwogen. [10] De in deze zaak relevante wetgeving – waarbij het huidige art. 94a lid 4 Sv tot stand is gekomen – bevat geen relevante bepalingen van overgangsrecht. [11] Op de executie van de ontnemingsmaatregel was in 2004 en 2019 (ongewijzigd) art. 574 Sv Pro oud van toepassing (nu – sinds 1 januari 2020 – art. 6:4:4 Sv Pro, dat hetzelfde luidt als art. 574 Sv Pro oud). Op de executie van de ontnemingsmaatregel – die als gezegd naar Nederlands recht plaatsvindt – was dus het recht zoals dat gold in 2019 van toepassing, zoals het hof met juistheid heeft geoordeeld.
beslagonder derden. Zijn niet in de fase van de
uitwinningvan de inbeslaggenomen voorwerpen van derden grote problemen te verwachten? De situatie is hier niet anders dan in civilibus: door de onherroepelijke einduitspraak waarbij de ontnemingsmaatregel wordt opgelegd, gaat het conservatoir (derden)beslag over in executoriaal beslag en kan het OM met de einduitspraak als titel in de hand de inbeslaggenomen voorwerpen uitwinnen (artikel 577b jo. 574 Sv jo. artikel 430 jo Pro. 704 Rv). De «executabiliteit» is niet afhankelijk van een afzonderlijk rechterlijk oordeel, terwijl daaraan ook geen andere voorwaarden zijn verbonden dan gelden voor het beslag. Weliswaar kan op de voet van artikel 438 Rv Pro een executiegeschil worden aangebracht bij de civiele rechter, maar deze zal aan de wettelijke gronden toetsen die zijn neergelegd in artikel 94a, derde lid, Sv. Zoals gezegd kan een dergelijke rechterlijke toetsing ook reeds in de beslagfase worden gevraagd van de raadkamer (op de voet van artikel 552a Sv). Gelet op het voorgaande zijn geen bijzondere regels vereist voor de uitwinning van de op grond van artikel 94a, derde lid, Sv inbeslaggenomen voorwerpen.” [24]
uitsluitendtegen de executie van de ontnemingsmaatregel op hun panden (zie hiervoor in 2.2). Het is daarom uitsluitend de vraag of die executie rechtmatig is, niet of het daaraan voorafgaande conservatoire beslag aan de te stellen vereisten voldeed. De executie van de ontnemingsmaatregel wordt niet ongeldig of onrechtmatig omdat de het daaraan voorafgaande conservatoire beslag niet aan de te stellen vereisten voldeed in de periode vóór het overging in een executoriaal beslag. Op het moment dat het conservatoire beslag in 2019 overging in het executoriale beslag, was – naar het hof in cassatie onbestreden heeft geoordeeld in rov. 6.4-6.12 – voldaan aan de vereisten van het toenmalige, ook voor het executoriale beslag geldende, art. 94a lid 4 Sv. De executie van de ontnemingsmaatregel vond dus plaats overeenkomstig de wettelijke regels.