Conclusie
1.Feiten
Deel portefeuille SBZ”.
RETOUR LENING [betrokkene 2] & [betrokkene 1]”.
dossier [001]”.
RENTE T/M 30/06/11”.
FACT. [002]”.
slechtsSolidiam geldnemer is (zie ook rov. 5.6. van het vonnis).
slechtsSolid Assets als geldnemer aangemerkt.
A-G] gelegen om zijn verweer nader te onderbouwen door ten minste iets aan te voeren op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat [erflater] in 2010 toch had behoren te begrijpen dat [betrokkene 2] in hoedanigheid van bestuurder van Solid Assets optrad. Dit heeft [betrokkene 1] c.s. niet gedaan en de rechtbank houdt het er dus voor dat [erflater] de leningen heeft verstrekt aan Solidiam. Dat de rente werd betaald vanuit Solid Assets maakt dat niet anders aangezien dit niet doorslaggevend is voor de vraag wie tot nakoming van de verbintenis is gehouden. Een verbintenis kan immers ook door een ander dan de schuldenaar worden nagekomen (artikel 6:30 BW Pro). Nu de financieringslasten voor de aan Solidiam verstrekte lening kennelijk door Solid Assets werden voldaan, is het niet onlogisch dat [erflater] zijn rentenota’s ook aan Solid Assets heeft gestuurd en dat doet aan het bovenstaande dus ook niet af.””
A-G] een deel van de portefeuille zou afnemen en het feit dat de door hem verstrekte financiering daarvoor bestemd was, blijkt hieruit nog niet dat [erflater] en [betrokkene 2] uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden Solid Asset[s,
A-G] de (enig) leningnemer was. De partij aan of ten behoeve van wie de uitgeleende gelden feitelijk ter beschikking worden gesteld (Solid Assets) hoeft immers niet zelf de (enig) leningnemer te zijn. Juist in de gegeven omstandigheden (zie hiervoor onder 5.4 en 5.5), waarbij Solidiam en de vennootschap van [erflater] (hoofdelijk) waren verbonden ter zake van de afname van de vastgoedportefeuille, lag voor de hand dat Solid Assets niet de (enige) leningnemer was. Hierbij verdient bovendien aantekening dat in het voorliggende geval Solidiam niet of althans niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken dat in elk geval ten tijde van de betaling van 1 maart 2010 voor [erflater] niet bekend was of kon zijn dat Barneveld – waaraan [erflater] betalingen volgens Solidiam zijn toegerekend – zou worden afgenomen door Solid Assets.
Ad g.[erflater] heeft in deze procedure in hoger beroep gesteld dat en waarom hij (ook) Solidiam als leningnemer aanmerkte, dat wil zeggen: naast de erven [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en Solid Assets. Dit volgt uit nr. 10 van de memorie van antwoord. In de procedure tegen de erven [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en Solid Assets hoefde [erflater] geen aandacht te besteden aan de positie van Solidiam als leningnemer omdat die vraag in die procedure niet voorlag. Ook al heeft [erflater] in nr. 7 en 11 van de memorie van antwoord zijn stellingen uit de procedure in hoger beroep tegen de erven [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en Solid Assets herhaald en ingelast in de onderhavige procedure, dit leidt niet ertoe dat zijn stellingen in de onderhavige procedure opeens anders dan als hiervoor bedoeld zouden moeten worden begrepen.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
juridischevraag is waarop het antwoord niet direct duidelijk hoeft te zijn. Daarom is goed te volgen dat [erflater] in zijn processtukken in de verschillende (hogerberoep)procedures meerdere partijen als (mogelijke) geldnemer(s) heeft aangemerkt. Toen bleek dat de rechtbank in eerste aanleg slechts Solidiam als geldnemer aanmerkte, zag [erflater] kennelijk in dat er juridisch gezien grote(re) kansen waren op een einduitkomst waarin Solidiam als geldnemer zou worden aangemerkt. Dat verklaart waarom [erflater] in hoger beroep niet langer
subsidiairaanvoerde dat Solidiam geldnemer is (randnummer 2.1 hiervoor). Verder stel ik nog voorop dat het hof Den Haag in de onderhavige procedure tegen Solidiam zijn oordeel moest baseren op de stellingen die partijen in de procedure
tegen Solidiamin hoger beroep (en zo nodig in eerste aanleg) hebben ingenomen. [18]
namensSolidiam – als bestuurder – verzoeken om financiering deed. Zie daarnaast nog de overweging “
[betrokkene 2] was bestuurder van Solidiam; zo kende [erflater] hem.” (rov. 5.4), waaraan het hof in rov. 5.5 ook heeft gerefereerd (“
tegen deze achtergrond”).
tegen Solidiam.
slechts[betrokkene 2] en [betrokkene 1] geldnemers zijn, merk ik op dat [erflater] in de (hogerberoep)procedure tegen Solidiam zich op het standpunt heeft gesteld dat Solidiam (ook) een geldnemer is. Zie rov. 3.1, 5.2 onder (g) en 5.9 van het bestreden arrest, en randnummers 2.1-2.2 hiervoor. Ik verwijs verder naar randnummers 3.47-3.50 hierna. Daar bespreek ik in meer detail welke partijen [erflater] in de (hogerberoep)procedure tegen (de erven) [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en Solid Assets heeft aangemerkt als geldnemer, en waarom dit de beoordeling in het bestreden arrest niet onbegrijpelijk maakt.
consequent gedurende een aantal jaren” gebeurde. [26]
consequent gedurende een aantal jaren” expliciet had vermeld in rov. 5.2, onder (d).
uitsluitendSolid Assets aanschreef. [27]
[erflater] spreekt zichzelf tegen met diverse van zijn uit de procedure tegen de erven [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en Solid Assets afkomstige stellingen over wie zijn contractuele wederpartij is ter zake van de lening.” Als ik het subonderdeel goed begrijp, wordt bedoeld dat het hof niet heeft vermeld dat Solidiam in haar memorie van antwoord na verwijzing naar de stellingen van [erflater] in
alzijn processtukken heeft verwezen, en niet slechts naar die in de procedure tegen de (erven van) [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en Solid Assets. [28] Op deze beperking zou het hof in rov. 5.9 zijn ‘voortgegaan’. Het gaat er Solidiam vooral om dat de consequente verklaringen en gedragingen van [erflater] in de eerste zeven jaar na het aangaan van de lening over de vraag wie geldnemer is geheel anders waren dan de stellingen die hij innam naarmate de procedure vorderde.
tegen Solidiamdat (ook) Solidiam een geldnemer is beoordeeld. Dat [erflater] in de procestukken uit de verschillende procedures (ook) andere partijen als geldnemer heeft aangemerkt, maakt de beoordeling van het hof in rov. 5.3-5.10 niet onjuist of onbegrijpelijk. Ik voeg hier nog het volgende toe. Het is in ieder geval voldoende dat het hof het standpunt van [erflater] over wie hij als geldnemer heeft aangemerkt (in de verschillende procedures) bij zijn beoordeling heeft betrokken. Dat het hof dit heeft gedaan, blijkt uit rov. 2.15-2.16, 3.1, 5.2, onder (g), en 5.4-5.9 van het bestreden arrest. [29] Subonderdeel 3.3 geeft ook niet aan dat en waarom deze beoordeling onjuist of onbegrijpelijk zou zijn. Ik merk nog op dat subonderdeel 3.3 feitelijke grondslag mist waar het ervan uitgaat dat de beoordeling in rov. 5.9 van het bestreden arrest is beperkt tot een beoordeling van processtukken in de procedure tegen (de erven) [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en Solid Assets. Eveneens mist het subonderdeel feitelijke grondslag voor zover het ervan uitgaat dat [erflater]
in de procedure tegen Solidiam(in eerste aanleg of in hoger beroep) heeft aangevoerd dat Solidiam géén geldnemer is.
Juist in de gegeven omstandigheden (zie hiervoor onder 5.4 en 5.5), waarbij Solidiam en de vennootschap van [erflater] (hoofdelijk) waren verbonden ter zake van de afname van de vastgoedportefeuille, lag voor de hand dat Solid Assets niet de (enige) leningnemer was.” De reden daarvoor zou zijn dat de koopovereenkomst tussen [de B.V.] en Solidiam enerzijds en verkoper SBZ anderzijds, en de daaruit voortvloeiende hoofdelijkheid van kopers [de B.V.] en Solidiam, jegens verkoper SBZ, op geen enkele manier impliceert dat Solidiam hoofdelijk is verbonden met Solid Assets in de leenovereenkomst waarbij [erflater] partij is. Voorts voert subonderdeel 4.1 aan dat de door het hof gemaakte koppeling van hoofdelijkheid onjuist is, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk, gezien de omstandigheden dat: [33]
De renteberekening waarnaar de eerste rentedeclaratie van [erflater] verwees (en die als bijlage daarbij was gevoegd) vermeldde nota bene “lening Solidiam”.” Subonderdeel 4.3 voert ten eerste aan dat deze overweging zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, omdat het hof nergens in het bestreden arrest zou hebben vastgesteld dat de eerste rentedeclaratie verwees naar “
lening Solidiam”. [39] Ten tweede voert subonderdeel 4.3 aan dat de overweging zonder nadere motivering, die ontbreekt, ook onbegrijpelijk is in verband met de door het hof zelf in rov. 2. wel geformuleerde vaststellingen en zijn schets van de feitelijke achtergrond van de zaak (met verwijzing naar rov. 2.8, 2.11 en 2.12-2.14 van het bestreden arrest). Gezien al deze vaststellingen van het hof, zou de uitsluitende verwijzing naar de enige rentedeclaratie gericht aan Solid Assets waarop in een bijlage "
lening Solidiam" te lezen is, [40] als dragende grond waarom Solidiam (naast Solid Assets) geldnemer is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk zijn. Deze overweging van het hof zou de conclusie van het hof dat Solidiam geldnemer is daarom niet kunnen dragen.
lening Solidiam”, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft dit immers in de gewraakte overweging vastgesteld. Waar het subonderdeel aanvoert dat het hof aan het oordeel dat Solidiam geldnemer is
slechtsten grondslag heeft gelegd de omstandigheid dat de renteberekening waarnaar de eerste rentedeclaratie van [erflater] verwees “
lening Solidiam” vermeldde, mist het subonderdeel gezien rov. 5.3-5.10 van het bestreden arrest eveneens feitelijke grondslag.
De renteberekening waarnaar de eerste rentedeclaratie van [erflater] verwees (en die als bijlage daarbij was gevoegd) vermeldde nota bene “lening Solidiam”.” Van een onbegrijpelijk oordeel is daarom geen sprake: niet valt in te zien waarom het hof óók in rov. 2. had moeten vaststellen dat de renteberekening waarnaar de eerste rentedeclaratie verwees “
lening Solidiam” vermeldde.
slechts[betrokkene 2] en/of [betrokkene 1] als geldnemer aanmerkte. Voor wat betreft de vraag of [erflater] dit in de (hogerberoep)procedure tegen Solidiam heeft gesteld, geldt dat het antwoord op deze vraag ‘nee’ is. Ik verwijs naar randnummer 3.3 hiervoor en de stellingen van [erflater] in zijn memorie van antwoord, waarnaar het hof in rov. 5.9 heeft verwezen. [52] Zoals het hof in rov. 5.9 heeft geoordeeld – dit bestrijdt subonderdeel 5.2 niet – heeft [erflater] in de procedure tegen Solidiam in hoger beroep gesteld dat en waarom hij (ook) Solidiam als geldnemer aanmerkte, dat wil zeggen, naast (de erven) [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en Solid Assets. Zoals het hof in rov. 5.9 eveneens onbestreden heeft geoordeeld, leidt het feit dat [erflater] in zijn memorie van antwoord zijn stellingen uit de procedure in hoger beroep tegen (de erven) [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en Solid Assets heeft herhaald en ingelast in de (hogerberoep)procedure tegen Solidiam niet ertoe dat zijn stellingen in de (hogerberoep)procedure tegen Solidiam opeens anders zouden moeten worden begrepen. Zie ook nog de voorlaatste zin van rov. 5.8 waarin het hof heeft overwogen dat het feit dat [erflater] Solid Assets steeds óók als debiteur onder zijn lening heeft aangemerkt nog niet betekent dat Solidiam dat niet (ook) was. Ik merk verder op dat subonderdeel 5.2 de nadruk legt op stellingen van [erflater] die hij in zijn memorie van grieven in de procedure tegen (de erven van) [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en Solid Assets heeft ingenomen. Dit zijn echter geen stellingen die [erflater] in de
(hogerberoep)procedure tegen Solidiamheeft ingenomen, en deze stellingen lagen dus ook niet
als zodanigin deze procedure ter beoordeling voor. [53]
slechtseen lening aan Solid Assets en/of Solidiam. Verder lees ik in randnummer 8. van de memorie van antwoord na verwijzing niet dat [erflater] heeft betoogd dat hij nooit geld uitleende aan rechtspersonen. Hoe dan ook reken ik het [erflater] niet zwaar aan dat hij voor meerdere ankers is gaan liggen in de verschillende (hogerberoep)procedures: wie een geldnemer is, is een juridische vraag waarop het antwoord, ook voor [erflater] en zijn advocaten, niet direct duidelijk hoeft te zijn. Ten slotte geldt dat [erflater] geen gelijk heeft gekregen met
zowelzijn stellingen dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] geldnemers zijn
alszijn stellingen dat Solidiam en Solid Assets geldnemers zijn (ze zijn niet
alleals geldnemer aangemerkt), en dat mét het bestreden arrest niet van tegenstrijdige uitspraken is gebleken. Zie wederom randnummer 3.3 en in het bijzonder voetnoot 16 hiervoor.
De stelling van [erflater] dat hij Solidiam als leningnemer heeft aangemerkt en mocht aanmerken is hiermee bewezen” in rov. 5.5 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting van art. 149 Rv Pro, nu het hof (i) uit de hoofdelijke aansprakelijkheid onder de koopovereenkomst een gebondenheid aan een leningovereenkomst zou hebben aangenomen, (ii) met zijn eigen interpretaties het telefoongesprek van [erflater] en [betrokkene 2] zou hebben ingevuld, zonder daarbij te betrekken de uitlatingen van een van de deelnemers van het gesprek (de procesinleiding bedoelt hier kennelijk: [erflater] ) en (iii) niet zou zijn ingegaan op de volgens het subonderdeel essentiële stellingen van en betwistingen door Solidiam.
in het algemeengeldt dat
een partijaandacht
moetbesteden aan de (rechts)positie van een door haar in een
andere(hogerberoep)procedure aangesproken partij, in een procedure die niet is gericht op de beoordeling van de rechtspositie van díe aangesproken partij. [57] Solidiam geeft in haar procesinleiding ook niet aan op welke rechtsregel deze door Solidiam bepleite rechtsplicht is gebaseerd. De (feitelijke) omstandigheden die subonderdeel 6.2 nog ter motivering van het subonderdeel aanvoert, maken het voorgaande niet anders.