ECLI:NL:PHR:2024:39

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
11 januari 2024
Zaaknummer
22/01663
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 137c SrArt. 10 EVRMArt. 9 lid 2 EVRMArt. 81 lid 1 ROArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor groepsbelediging moslims wegens beledigende uitlatingen

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het zich in het openbaar opzettelijk beledigend uitlaten over moslims vanwege hun godsdienst. Het hof baseerde zich op uitlatingen gedaan op 15 februari 2020 in Veenendaal, waarin verdachte moslims als gevaarlijk bestempelde en zei dat zij geen goede mensen zijn. De verdediging voerde aan dat deze uitlatingen binnen de vrijheid van meningsuiting en godsdienst vielen en geen groepsbelediging vormden.

Het hof oordeelde dat de uitlatingen wel degelijk beledigend waren en geen onderdeel vormden van een publiek debat, maar een onnodig kwetsende aanval op moslims als groep. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat strafrechtelijke beperkingen op de vrijheid van meningsuiting zijn toegestaan indien zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 10 EVRM Pro. De uitlatingen betroffen geen kritiek op de godsdienst zelf, maar een belediging van de gelovigen.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin onderscheid wordt gemaakt tussen kritiek op een godsdienst en belediging van gelovigen. De middelen van cassatie falen en het beroep wordt verworpen. De vrijheid van godsdienst vindt haar grens waar onnodig kwetsend wordt uitgelaten over een groep, hetgeen hier het geval is.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor groepsbelediging van moslims.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01663
Zitting27 februari 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 21 april 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun godsdienst” veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 250,00 subsidiair vijf dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. Visscher, advocaat te Amersfoort, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. De middelen kunnen samen worden besproken.

2.De middelen

2.1
De middelen klagen over de bewezenverklaring. Het hof zou ontoereikend gemotiveerd zijn afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de uitlatingen van de verdachte geen belediging in de zin van art. 137c Sr opleveren mede omdat de verdachte een geslaagd beroep kan doen op de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst. Daarbij zou het hof ook de samenhang tussen deze twee grondrechten niet hebben besproken.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 15 februari 2020 te Veenendaal, zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep, te weten Moslims, wegens hun godsdienst en, door op het [hof] in Veenendaal te roepen: 'What you need to do is understand how dangerous moslims are. Moslims are not good people'”.
2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring overwogen:
“Verweer strekkende tot vrijspraak
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. De verdachte heeft vanuit zijn geloofsovertuiging een boodschap uitgedragen die weliswaar kwetsend kan zijn voor anderen, maar niet gekwalificeerd kan worden als (groeps)belediging. Hij heeft geenszins opzet gehad op (groeps)belediging en heeft enkel vanuit zijn eigen geloofsovertuiging willen wijzen op de imperfecties van een ander geloof en daarover het debat willen aangaan, aldus de raadsman.
Door de raadsman zijn daarnaast – samengevat – de volgende punten naar voren gebracht:
- de in de tenlastelegging opgenomen Nederlandse citaten kunnen niet bewezen worden, nu de verdachte in de Engelse taal heeft gepredikt;
- de keuze van het openbaar ministerie om de aangifte als basis te nemen voor het opstellen van de tenlastelegging is onbegrijpelijk, nu de aangifte wat betreft de inhoud van de uitlatingen op diverse punten niet overeenkomt met de uitlatingen die te horen zijn op de camerabeelden waarop de preek is vastgelegd;
- een deel van de citaten komt niet terug in de tenlastelegging als je een vertaalslag zou maken;
- de vier resterende citaten – zoals ook genoemd in het vonnis van de politierechter – zijn niet te kwalificeren als beledigend. Het citaat betreffende de profeet van de islam ziet op een vermeende historische situatie, waarnaar historisch onderzoek is verricht. Het is terecht en begrijpelijk dat de verdachte dit punt aan de orde stelt in zijn preek.
- van meerdere citaten kan niet gezegd worden dat deze bedoeld zijn om moslims als groep nodeloos te treffen vanwege de context waarin deze uitlatingen zijn gedaan en de nuancering die de verdachte kort voor deze citaten maakte door te zeggen ‘There are muslims (...)’.
Oordeel van het hof
Beoordelingskader van de Hoge Raad
Het, onder meer in artikel 10 EVRM Pro gegarandeerde, recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van groepsbelediging in de zin van artikel 137c Wetboek van Strafrecht niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van artikel 10, tweede lid, EVRM toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt.
Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens groepsbelediging in de zin van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht dient volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating, alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uitlating is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is.
Bewijsoverwegingen
Het hof neemt de volgende overwegingen van de politierechter over en maakt die tot de zijne:
“De vraag in casu is welke uitlatingen vaststaan, en of deze uitlatingen een groepsbelediging opleveren in de zin van artikel 137c Wetboek van Strafrecht.
Er zijn vier uitlatingen waarvoor geldt dat op basis van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat ze gedaan zijn door verdachte.
Twee van deze uitlatingen, te weten: ‘Mohammed heeft geslachtsgemeenschap gehad met een meisje van 9 jaar oud’ en ‘you want to kill christen’ [de politierechter begrijpt: Christians (christenen)], kwalificeert de politierechter niet als een groepsbelediging. De opmerking dat Mohammed geslachtsgemeenschap zou hebben gehad met een meisje van 9 jaar, is een uitlating omtrent het geloof en gaat niet over moslims an sich. Het levert daarom ook geen groepsbelediging op. De tweede uitlating ‘you want to kill Christians’ is ook geen groepsbelediging. Het is onduidelijk of deze uitlating is gericht tegen moslims, omdat het woord ‘you’ in dit geval onbepaald blijft. De uitspraak is te algemeen en kan daarom geen groepsbelediging opleveren.
De twee uitlatingen die tevens vast zijn komen te staan, zijn ‘what you need to do is to understand how dangerous Muslims are’ en ‘Muslims are not good people’. Niet ter discussie staat dat deze uitlatingen – die op camerabeeld te horen zijn – zijn gedaan door de man met de rugzak, zijnde verdachte. Voor de vraag of deze uitlatingen een strafbare groepsbelediging opleveren, is van belang in welke context ze zijn gedaan. Verdachte heeft deze uitlatingen gedaan op het [hof] , in het centrum van Veenendaal. Daarbij heeft hij in het Engels, moslims betiteld als ‘gevaarlijk’ en ‘geen goede mensen’. In dat verband heeft verdachte ook gewaarschuwd dat moslims anderen zouden willen vernietigen (‘they want tot destroy you’) indien men zich zou uitspreken tegen de profeet Mohammed en tegen zijn – door verdachte gestelde – pedofilie. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte dit gedachtegoed heeft verkondigd vanuit zijn christelijke geloofsovertuiging. De vrijheid van godsdienst en de kennelijk door verdachte gevoelde drang om een voor hem belangrijk onderwerp publiekelijk onder de aandacht te brengen, vindt echter haar begrenzing daar waar verdachte zich onnodig kwetsend over een groep, in dit geval moslims, uitlaat. De politierechter is van oordeel dat verdachte die grens in dit geval overschreden heeft met zijn uitlatingen ‘what you need tot do is to understand how dangerous muslims are’ en ‘Muslims are not good people’. Deze uitlatingen worden door de politierechter dan ook gekwalificeerd als groepsbelediging in de zin van artikel 137c Sr.”
In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende. Hoewel de verdachte voorafgaand aan voornoemde uitlatingen zegt ‘there are muslims (...)’ en daarmee enige nuancering lijkt aan te brengen, valt deze nuancering direct daarna weg als verdachte over moslims in algemene zin zegt “Moslims are not here to want peace, but they want war. So what you need to do is to understand how dangerous moslims are. Moslims are not good people, they don’t wish you well.” De tenlastegelegde Engelstalige opmerkingen zijn binnen de context van de laatstgenoemde uitlatingen gericht tegen moslims als groep. Deze opmerkingen hebben een beledigende aard en dienen naar het oordeel van het hof geen ander doel dan moslims als groep te treffen. Het verweer van de raadsman treft op dit punt derhalve geen doel. Van uitlatingen in het kader van een publiek debat is naar het oordeel van hof ook geen sprake. In casu heeft de verdachte bij het winkelcentrum in Veenendaal in het openbaar gepredikt, en in het publieke domein aan geloofsbeleving gedaan, zonder dat sprake is geweest van uitwisseling van argumenten of een publiek debat. Voor een dergelijk publiek debat gaf verdachte ook geen enkele ruimte. Hij was blijkens de camerabeelden slechts aan het schreeuwen tegen langslopende mensen.”
2.4
In de schriftuur wordt niet concreet verwezen naar een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. [1] Een zoekslag in de processtukken laat zien dat de verdediging tijdens de terechtzitting in hoger beroep in ieder geval het volgende heeft aangevoerd over de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst:
“Ten vierde geldt dat van de vier resterende uitlatingen – zoals genoemd in het vonnis van de politierechter – het de vraag is of deze gekwalificeerd kunnen worden als belediging. De conclusie van de politierechter dat de uitlatingen over de profeet niet gekwalificeerd kunnen worden als belediging is correct. Historisch gezien bestaat er ook discussie over dit onderwerp. Ik wijs in dat verband op boeken en historische geschriften inhoudende dat Mohammed getrouwd zou zijn geweest met een meisje van negen jaar. Gelet op die context is het legitiem dat cliënt dat ter sprake brengt. De beslissing van de politierechter dat een van de drie resterende citaten onvoldoende specifiek is om tot komen tot groepsbelediging is ook juist. Immers niet duidelijk is waar het woord ‘you’ op slaat. Ten aanzien van de twee resterende Engelse citaten komt de politierechter tot de conclusie dat sprake is van groepsbelediging, nu deze uitspraken te generiek zouden zijn en ertoe zouden dienen moslims nodeloos te treffen. Als je kijkt naar de camerabeelden, dan valt op dat er slechts een heel klein stukje wordt uitgelicht. Zie pagina 46 van het dossier. Dat is niet juist, nu het gaat om een preek op een marktplein en enkel het geheel zou moeten worden bekeken en beoordeeld. Blijkens het proces-verbaal uitkijken camerabeelden heeft cliënt kort voor deze uitlatingen ook gezegd ‘there are Muslims (...)’, hetgeen een nuancering betreft. Het gaat dus niet om moslims als groep, cliënt maakt duidelijk onderscheid. Moslims worden niet over één kam geschoren. Van een generieke belediging is derhalve geen sprake. Het gaat om iemand die vanuit het geloof een eigen waarheid heeft en het debat daarover aangaat. Dat is geen context van beledigen om het beledigen. Het gaat om een context waarin de eigen godsdienst en overtuigingen de drijfveer zijn, waarbij het doel is imperfecties in andere godsdiensten te duiden. De politierechter ontdoet de twee uitlatingen ten onrechte van de context. Kijk je naar de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt dan zie je dat deze uitlatingen in het kader van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst niet als belediging te kwalificeren zijn. Het gaat om een diepgewortelde overtuiging. Juist de vrijheid van godsdienst maakt de je een ruime vrijheid hebt om dingen te zeggen. Cliënt heeft de grenzen van die vrijheid niet overschreden. Ook als je deze twee uitlatingen op zichzelf zou beschouwen, los van de context, dan kan je je afvragen of sprake is van belediging. Ik meen dat dat niet het geval is. Het gaat in dit geval niet om beledigen, maar om het bestrijden van uitwassen en het wijzen op imperfecties van andere godsdiensten. Daarbij is het nooit de bedoeling geweest van cliënt om wie dan ook te beledigen. Wellicht had hij zich zorgvuldiger moeten uitdrukken. Ik verwijs op dit punt naar de civiele zaak betreffende Hirsi Ali. Van opzet is geen sprake, derhalve dient cliënt te worden vrijgesproken.”
2.5
De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 137c lid 1 Sr, dat luidt:
“Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
2.6
De Hoge Raad heeft over de toepassing van deze bepaling overwogen:
“2.4.1 (…) Een uitlating kan als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is, zal bij een uitlating die in het algemeen op zichzelf niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan. (Vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796.)
2.4.2
In het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van art. 137c Sr moet worden aangenomen dat het beledigen van een groep mensen wegens hun godsdienst alleen onder art. 137c Sr valt als men de mensen, behorend tot die groep, collectief treft in hetgeen voor die groep kenmerkend is, namelijk in hun godsdienst, en men hen beledigt juist omdat zij van dat geloof zijn. Vereist is dat de uitlating onmiskenbaar betrekking heeft op een bepaalde groep mensen die door hun godsdienst wordt gekenmerkt en zich daardoor onderscheidt van anderen. (Vgl. HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0655.)
2.4.3
Het, onder meer in art. 10 EVRM Pro gegarandeerde, recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van groepsbelediging in de zin van art. 137c Sr niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van art. 10, tweede lid, EVRM toegelaten - te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke - beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens groepsbelediging in de zin van voormelde wettelijke bepaling, dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is. (Vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583.)” [2]
2.7
In 2009 heeft de Hoge Raad in een zaak over groepsbelediging een verdachte vrijgesproken die werd vervolgd vanwege de uitlating “Stop het gezwel dat Islam heet”. De Hoge Raad oordeelde kort gezegd dat art. 137c lid 1 Sr strafbaar stelt een groep mensen te beledigen wegens hun godsdienst, maar niet het zich beledigend uitlaten over die godsdienst zelf, ook niet als dat op zo’n wijze gebeurt dat de aanhangers van die godsdienst daardoor in hun godsdienstige gevoelens worden gekrenkt. [3] De Hoge Raad sprak de verdachte vrij, omdat de uitlating op de godsdienst zelf zag en niet op de gelovigen. [4]
2.8
In 2018 behandelde de Hoge Raad een zaak waarin de verdachte juist was vrijgesproken en waarin het openbaar ministerie cassatieberoep had ingesteld. De verdachte, door het hof niet aangemerkt als politicus, had moslims onder meer weggezet als “kontenbonkers” en geassocieerd met het “neuken [van] kleine jongetjes”. De Hoge Raad casseerde, omdat het oordeel van het hof dat deze uitlatingen niet onnodig grievend waren niet zonder meer begrijpelijk was. [5] Hier betreft het geen geloofskritiek, maar het beledigen van gelovigen vanwege hun godsdienst. Dat geldt ook voor een zaak uit 2019 waarin de verdachte de uitlating “Moslims are terrorists” had gedaan. De Hoge Raad liet de veroordeling in stand, omdat het oordeel van het hof dat deze uitlating op zichzelf beschouwd beledigend is en de strekking heeft moslims in een kwaad daglicht te stellen en als groep te treffen toereikend was gemotiveerd, net als het oordeel dat het geen uitlating in het maatschappelijk debat is. [6]
2.9
Een meer gemengde variant biedt een andere zaak uit 2019. De Hoge Raad liet zich daarin uit over de veroordeling van een verdachte die op een openbare Pegida-demonstratie tijdens een toespraak had gezegd: “Een andere reden om Moslims te verachten en te haten om hun krankzinnige ideologie, want het is nooit de religie van vrede”. Het oordeel van het hof dat deze uitlating groepsbelediging wegens godsdienst oplevert was volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk, mede vanwege de door de verdachte gebruikte bewoordingen ‘verachten’ en ‘haten’. [7] Kennelijk was de Hoge Raad van oordeel dat deze bewoordingen ervoor zorgen dat niet zozeer sprake is van geloofskritiek – waarop het laatste deel van de uiting lijkt te zien – maar (ook) van het krenken van gelovigen zelf. [8]
2.1
Gelet op de hiervoor behandelde rechtspraak lijken de middelen mij ongegrond. De verdachte is veroordeeld voor groepsbelediging van moslims door de uitlating “What you need to do is understand how dangerous moslims are. Moslims are not good people”. Het oordeel van het hof dat deze opmerkingen beledigend zijn en geen ander doel dienen dan moslims als groep te treffen lijkt mij niet onbegrijpelijk, omdat het hier niet gaat over geloofskritiek maar alleen een rechtstreekse aanval op gelovigen zelf is. Of de verdachte gelovigen beledigt vanuit zijn eigen godsdienst, is daarbij niet van belang. Ook het gemotiveerde oordeel van het hof dat de uitlatingen niet in het kader van een publiek debat zijn gedaan is niet onbegrijpelijk.
2.11
Ik teken daarbij nog aan dat de middelen feitelijke grondslag missen voor zover wordt geklaagd dat het hof niet is ingegaan op de context van de vrijheid van godsdienst. Het hof heeft immers de overweging van de politierechter bevestigd waarin staat dat de vrijheid van godsdienst en de kennelijk door de verdachte gevoelde drang om een voor hem belangrijk onderwerp publiekelijk onder de aandacht te brengen haar begrenzing vindt daar waar de verdachte zich onnodig kwetsend over een groep uitlaat, en dat daarvan in dit geval sprake is. Art. 9 lid 2 EVRM Pro vermeldt in dat kader ook de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen als beperkingsgrond van de vrijheid van godsdienst. [9]

3.Slotsom

3.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De schriftuur heeft daarom iets weg van een zoekplaatje, omdat zij niet zonder andere stukken kan worden begrepen. Daarom is de vraag of het wel een cassatiemiddel bevat, zoals bedoeld in art. 437 Sv Pro. Zie in dat kader A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,
2.HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1816.
3.HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0655, r.o. 2.5.1.
4.HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0655, r.o. 2.6.
5.HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:539, r.o. 4.5.
6.HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1816, r.o. 2.5 en 2.6.
7.HR 5 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1702, r.o. 3.4.2. Om een andere reden werd het veroordelend arrest van het hof echter alsnog vernietigd.
8.Het onderscheid tussen godsdienst en gelovigen wordt in sommige gevallen wel gekunsteld, zoals bepleit in A.J. Nieuwenhuis en A.L.J. Janssens,
9.Daarbij kan ook worden opgemerkt dat dergelijke klachten door het EHRM ook op de voet van art. 17 EVRM Pro (misbruik van recht) kunnen worden afgedaan. Zie daarover A.J. Nieuwenhuis en A.L.J. Janssens,