ECLI:NL:PHR:2024:390

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2024
Publicatiedatum
7 april 2024
Zaaknummer
22/01703
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 lid 1 WWMArt. 81 lid 1 ROArt. 359 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring voorhanden hebben vuurwapen en munitie in auto

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie in een geparkeerde auto op 6 juni 2021. Het hof baseerde zijn oordeel op het feit dat het wapen binnen handbereik van de verdachte op de bijrijdersstoel lag, terwijl de verdachte daar slapend werd aangetroffen met een handschoen aan zijn rechterhand.

De verdediging voerde in hoger beroep een zogenoemd Meer en Vaart-verweer aan, stellende dat de verdachte het wapen mogelijk slechts had gevonden en kort had vastgehouden, waarna hij in slaap viel, en dat hij zich niet bewust was van het wapen. Dit scenario werd door het hof verworpen wegens gebrek aan aannemelijkheid en omdat het niet onverenigbaar was met de bewezenverklaring.

De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verdachte zich bewust was van het wapen en daarover beschikkingsmacht had, en dat het bewijs toereikend en voldoende gemotiveerd is. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de veroordeling blijft staan.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor het voorhanden hebben van het vuurwapen en munitie blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01703
Zitting9 april 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 4 mei 2022 door het gerechtshof Den Haag voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie [1] (art. 26 lid 1 WWM Pro) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren. Het hof heeft daarnaast het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.
1.2
Het cassatieberoep is op 6 mei 2022 ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat te Amsterdam, hebben bij schriftuur van 20 maart 2023 één middel van cassatie voorgesteld. Bij aanvullende schriftuur van 9 april 2023 is dat middel ingetrokken en is een nieuw cassatiemiddel voorgesteld. In dat (nieuwe) cassatiemiddel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van het vuurwapen en de bijbehorende munitie.
1.3
De uitkomst van deze conclusie is dat het middel faalt.

2.Het middel

2.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof “de juistheid van het door de verdediging naar voren gebrachte Meer en Vaart-verweer en/of alternatieve scenario ten onrechte in het midden heeft gelaten en/of heeft verworpen op hiertoe ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden, en/of (…) het gerechtshof van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt is afgeweken zonder hiertoe in het bijzonder de redenen op te geven, en/of (…) de bewezenverklaring (als gevolg hiervan) niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.”
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 6 juni 2021 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (gas/alarm)pistool fabrikant Voltran, van het merk Ekol, type Tuna, kaliber 6,35 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.”
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aanhouding (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in (…):
als relaas van de opsporingsambtenaren:
Om 04.25 uur bevonden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , ons op het parkeerterrein van het Riva Hotel en het naastgelegen casino, gelegen aan de Brasserskade te ‘s-Gravenhage.
Ter hoogte van het casino stond een auto geparkeerd van het merk Fiat, type Doblo met kenteken [kenteken] .
Ik besloot om samen met collega [verbalisant 2] het voertuig nader te controleren. Ik zag door het raam van het portier dat er een persoon op de bijrijdersstoel lag.
Ik, [verbalisant 1] , opende het bijrijdersportier van het voertuig en ik zag dat de persoon op de bijrijdersstoel lag, schuin in de richting van de bijrijdersstoel (het hof begrijpt: de bestuurdersstoel). Ik zag dat rechts van deze persoon, op de bijrijdersstoel waar de verdachte lag, een zwart op een vuurwapen gelijkend voorwerp lag. Ik zag dat zijn rechterhand in de directe nabijheid van het vuurwapen lag.
Ik zag dat dit voorwerp direct naast de verdachte lag op een afstand van amper tien centimeter afstand en dat de verdachte dit voorwerp dus binnen handbereik had.
Op 6 juni 2021 omstreeks 04:31 uur hielden wij als verdachte aan:
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2002.
Ik zag bij het afboeien van de verdachte dat deze een handschoen droeg aan de rechterhand.
2. Een proces-verbaal (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in (…):
als relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 3] :
Ik heb een onderzoek ingesteld inzake overtreding van de Wet wapens en munitie.
Aantreffen wapen
Het wapen werd aangetroffen in een Fiat model Doblo voorzien van het kenteken [kenteken] .
Omschrijving wapen
Soort wapen : Omgebouwd gas- alarmpistool
Fabrikant : Voltran
Merk : Ekol
Model : Tuna
Kaliber : 6.35 mm
Bijzonderheden
Het originele wapen betreft een gas/alarmpistool, waarvan de loop geheel gevuld is, dan wel voorzien is van een sper.
Uit het originele wapen is de loop verwijderd en vervangen door een nieuwe/andere loop. Het originele kaliber van het wapen bedroeg 8 mm knal. Door het vervangen van de loop is het kaliber gewijzigd in 6,35 mm. Het is mogelijk om met het wapen scherpe patronen van het kaliber 6,35 mm te verschieten.
Bij het veiligstellen van het wapen heb ik het patroonmagazijn uit het wapen verwijderd. Ik zag dat er zich een patroon in het patroonmagazijn bevond. Ik heb de slede van het wapen naar achteren bewogen. Ik zag dat er zich een patroon in de kamer bevond.
Het vuurwapen was doorgeladen. Tevens zag ik dat de hamer gespannen stond en dat de veiligheidspal op vuren stond.
Definitie vuurwapen
Het wapen is bestemd om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het wapen berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing.
Categorie wapen
Dit wapen is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3°, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie.
In bovengenoemd vuurwapen werd munitie aangetroffen.
Omschrijving munitie
Soort : Pistoolmunitie
Merk : Geco
Kaliber : 6.35 mm
Aantal : 2 stuks (één in patroonmagazijn en één in de kamer van het
vuurwapen)
Bijzonderheden : De aangetroffen munitie kan met het in dit proces-verbaal
genoemde vuurwapen worden verschoten.
Categorie munitie
De aangetroffen patronen is munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie Pro III van de Wet wapens en munitie.
3. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg (…), inhoudende:
Op 6 juni 2021 bevond ik mij in Den Haag in een auto waarin naast mij op de bijrijdersstoel een geladen pistool is aangetroffen.
4. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep (…), inhoudende:
Toen ik uit het casino kwam en ik in de auto ging zitten, heb ik nog een ballonnetje met lachgas gebruikt.
Ik ben als enige die avond uit het casino teruggegaan naar de auto en het vuurwapen lag toen niet op de bijrijdersstoel.
Ik kan mij nog herinneren dat ik in het bijzijn van de politieagenten ontwaakte.
2.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2022 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota die in het digitale strafdossier is gevoegd. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“1. 6 juni 2021: [verdachte] gaat naar het casino met 2 vrienden. Hij was behoorlijk dronken en onder invloed en werd (eerder dan zijn vrienden) uit het casino gezet. Hij heeft de sleutel gekregen van de auto van [betrokkene 1] en is in de auto op de 2 vrienden blijven wachten. Daar is hij in een diepe slaap gevallen: cliënt werd door verbalisanten slapend aangetroffen en wakker geschud. Hij weet verder eigenlijk vrij weinig meer. Hij wist niets van de spullen in de auto (mes, kleding en wapen) en hij weet ook niet of hij het wapen heeft vastgehouden (zie verklaring ter zitting eerste aanleg).
(…)
5. Cliënt heeft
"waarschijnlijk een beetje rond lopen zoeken in de auto”(verhoor ibs RC). Hij was zich dus eerder niet bewust van de aanwezigheid van [het] wapen in de auto. Eén scenario is dat hij het wapen kennelijk gevonden heeft al wachtend in de auto, vervolgens misschien kort even [heeft] vastgehouden en dat hij daarna in een diepe slaap is gevallen, vanwege overmatige drank en lachgas. Vaststaat dat hij pas na herhaaldelijk kloppen op het raam wakker werd gemaakt/geschud door de agenten.
(…)
18. De verklaring van cliënt dat het wapen niet van hem was en dat hij het wapen moet hebben gevonden in de auto van [betrokkene 1] , kan gelet op de overige resultaten uit het dossier niet als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven. Anders gezegd: de betrokkenheid van anderen ( [betrokkene 1] of die 2e vriend) bij de vindplaats van het wapen is reëel en aannemelijk, althans kan niet worden uitgesloten. De gegeven vrijspraak ten aanzien van het mes op de hoedenplank, duidt erop dat andere personen (het) wapen(s) in de auto hebben achtergelaten. In dit verband is nog relevant dat ondanks het feit dat [verdachte] 32 keer is staande gehouden (mede vanwege last onder dwangsom), bij hem nooit wapens/munitie of anderszins is aangetroffen. [verdachte] heeft op geen enkele wijze speciale interesse in wapens getoond.
19. Wat betreft de verklaringen van cliënt wordt in het Reclasseringsrapport Fivoor ten onrechte opgemerkt dat [verdachte] wisselend c.q. tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Die passage uit het rapport berust op een onjuiste interpretatie van het dossier. Hij heeft diverse malen verklaard wat er wellicht gebeurd
kan zijn, maar hij blijft bij zijn verklaring dat hij zich er vrijwel niets van
kan herinneren. Ook hij probeert (net als de OvJ in EA) achteraf het voorval te duiden, maar hij weet het simpelweg niet meer.
20. In eerste aanleg is door de verdediging opgemerkt dat [verdachte] het wapen – voor de hand ligt: het wapen van [betrokkene 1] –
misschiengevonden heeft in de auto en hij heeft
misschiendat wapen kortstondig in de hand gehad. Zoals gezegd, hij kan zich dat echter niet herinneren. Nogmaals dit betreft uitsluitend een mogelijk scenario door de verdediging geschetst, maar het gebruikte 3e bewijsmiddel houdt uitsluitend in dat [verdachte] zich in de auto bevond en dat naast hem op de stoel een pistool is aangetroffen. Niets minder, maar ook niets meer dan dat. Het scenario dat [verdachte] het wapen van [betrokkene 1] heeft gevonden, wordt er niet door uitgesloten.
(…)
23. De officier van justitie bracht in eerste aanleg twee mogelijke scenario’s naar voren (
scenario 1: verdachte wist van het wapen en heeft het vastgehouden,
scenario 2: verdachte wist niet van het wapen dat naast hem lag) en de verdediging heeft daar het vorenbedoelde
3e scenario, met twee deelscenario's(verdachte wist niet van het wapen en heeft het in de auto gevonden en al dan niet kort vastgehouden) aan toegevoegd. Dit bestaan van diverse reële alternatieve scenario's, die niet althans onvoldoende door het beschikbare bewijsmateriaal c.q. de gebruikte bewijsmiddelen worden uitgesloten, maakt dat geen sprake is van sluitend wettig en overtuigend bewijs. We weten simpelweg niet precies wat er in de auto is gebeurd voordat cliënt werd aangetroffen/aangehouden. Bovendien is de gestelde alternatieve toedracht niet onaannemelijk en kan het evenmin als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven. Het wordt dus heel moeilijk – of beter: onmogelijk – om te kiezen welk scenario juist(er) is en dus ligt gelet op het in dubio pro reo-beginsel een vrijspraak in de rede.”
2.5
Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging:

Nadere bewijsoverweging
De raadsman van de verdachte heeft zich, overeenkomstig zijn pleitnota, ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad. De raadsman heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte noch (…) enige bewustheid had van de aanwezigheid van het wapen, noch beschikkingsmacht had over het wapen.
Het hof overweegt als volgt.
Blijkens het proces-verbaal van aanhouding (…) is de verdachte op 6 juni 2021 aangetroffen in een auto die geparkeerd stond op het parkeerterrein van het Riva Hotel en het naastgelegen casino. De verdachte werd door de dienstdoende verbalisanten slapend aangetroffen op de bijrijdersstoel, terwijl hij schuin in de richting van de bestuurdersstoel lag. Aan alleen zijn rechterhand droeg de verdachte een handschoen. Op de bijrijdersstoel lag in de directe nabijheid van de rechterhand van de verdachte een, zo blijkt uit het proces-verbaal van het onderzoek naar het wapen (…), omgebouwd, met scherpe munitie doorgeladen en schietklaar gas-/alarmpistool. Uit voornoemde omstandigheden en uit de door de verdachte afgelegde verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, kort samengevat inhoudende dat hij als enige die avond terug is gegaan naar de auto, dat het pistool toen niet op de bijrijdersstoel lag, dat hij in de auto nog lachgas heeft gebruikt en dat zijn volgende herinnering is dat hij in het bijzijn van de verbalisanten ontwaakte, leidt het hof af dat het de verdachte moet zijn geweest die het pistool naast zich, binnen zijn handbereik, op de bijrijdersstoel van de auto heeft geplaatst. Een alternatief scenario is niet aangevoerd en ook niet aannemelijk geworden nu zich daarvoor geen aanknopingspunten bevinden in het dossier. De verdachte is zich derhalve bewust geweest van de aanwezigheid van het wapen en uit de omstandigheden kan ook worden opgemaakt dat de verdachte de beschikkingsmacht over het wapen had, zodat de verdachte het wapen voorhanden heeft gehad.
Het hof verwerpt het verweer.”

3.De bespreking van het middel

Het juridisch kader

3.1
Art. 26 lid 1 WWM Pro luidt:
“Het is verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben.”
3.2
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504,
NJ2020/251, m.nt. H.J.B. Sackers voor het “voorhanden hebben” van een vuurwapen en/of munitie het volgende beoordelingskader geformuleerd:
“2.4 Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad (vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992).
Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van art. 26, eerste lid, WWM. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.”
3.3
De vaststelling dat de verdachte feitelijk over het vuurwapen en/of de munitie kon beschikken, brengt niet automatisch mee dat de verdachte zich ook van de aanwezigheid van dat vuurwapen en/of die munitie bewust is geweest. Het antwoord op de vraag of de verdachte het vuurwapen en/of de munitie bewust aanwezig heeft gehad, hangt sterk af van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan betekenis worden toegekend aan de plaats waar het vuurwapen en/of de munitie is aangetroffen, de wijze waarop die voorwerpen zijn opgeborgen en of andere personen feitelijk toegang hadden tot de plek waar die voorwerpen zijn aangetroffen. Bij een ontkennende verdachte kan ook betekenis worden toegekend aan de verklaring die hij heeft afgelegd over de aangetroffen voorwerpen. [2]
3.4
De feitenrechter kan aan een hoogst onwaarschijnlijke, louter speculatieve verklaring van de verdachte dat iemand anders eigenaar is van het vuurwapen en/of de munitie – evenals bij een blote ontkenning – betrekkelijk eenvoudig voorbij gaan, mits hij op basis van de door hem vastgestelde specifieke feiten en omstandigheden (in verband met de vindplaats) kan oordelen dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen en/of de munitie. In dat geval kan hij zo’n louter speculatieve verklaring als ongeloofwaardig terzijde schuiven. [3] Naarmate de verklaring meer is onderbouwd, zal de rechter in zijn bewijsoverweging uitgebreider moeten motiveren op grond van welke concrete feiten en omstandigheden hij de verklaring van de verdachte niet aannemelijk geworden acht. [4]
3.5
Van een Meer en Vaart-verweer is sprake wanneer
een beroep wordt gedaanop niet hoogst onwaarschijnlijke feiten en/of omstandigheden die met de inhoud van de door de rechter gebezigde bewijsmiddelen niet in strijd zijn, maar die – indien juist – onverenigbaar zijn met de bewezenverklaring. [5] Indien de rechter ondanks een dergelijk verweer tot een bewezenverklaring komt, dient hij het verweer uitdrukkelijk en gemotiveerd te weerleggen (art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv). [6] Volgens de Hoge Raad kan dat geschieden
“door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.” [7]
3.6
Van een Meer en Vaart-verweer is geen sprake als door of namens de verdachte
enkel wordt geopperddat er andere scenario’s denkbaar zijn die niet worden uitgesloten door het beschikbare bewijsmateriaal. Tot op zekere hoogte is in vrijwel elke zaak wel een in theorie niet uit te sluiten alternatief scenario te bedenken. Een betoog waarin uitsluitend op die theoretische – in de zin van: bedachte – mogelijkheid wordt gewezen, kan aan de toereikendheid van het bewijs niet afdoen, omdat het daarvoor de kracht mist. Wil er sprake zijn van een Meer en Vaart-verweer waaraan de feitenrechter niet zonder nadere motivering mag voorbijgaan, dan moet de verdediging zich op het standpunt stellen dat de werkelijke gang van zaken anders
isgeweest – en niet alleen anders
kan zijn geweest– dan men op het eerste gezicht zou denken. [8]
De eerste deelklacht
3.7
De toelichting op het middel bevat twee deelklachten. Allereerst wordt onder het kopje “Meer en Vaart-verweer / uitdrukkelijk onderbouwd standpunt” geklaagd over het oordeel van het hof dat een alternatief scenario niet is aangevoerd. Volgens de stellers van het middel is – met verwijzing naar de hiervoor in randnr. 2.4 weergegeven pleitnota van de raadsman – een Meer en Vaart-verweer gevoerd dat erop neerkomt dat de verdachte mogelijk het vuurwapen in de auto heeft gevonden, het vervolgens misschien kort heeft vastgehouden en daarna in slaap is gevallen. Het hof heeft dat verweer volgens de stellers van het middel ten onrechte onbesproken gelaten, waardoor de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed en/of er een met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid is opengebleven.
3.8
Ik meen – anders dan de stellers van het middel – dat het in feitelijke aanleg gehouden betoog niet kan worden gekwalificeerd als een Meer en Vaart-verweer. De verdediging heeft ten overstaan van het hof in feite niet méér gedaan dan gewezen op de louter theoretische mogelijkheid dat de verdachte het vuurwapen
misschienin de auto heeft gevonden en dat vuurwapen
misschienkort heeft vastgehouden en daarna in slaap is gevallen. Niet is aangevoerd dat dit de werkelijke gang van zaken is geweest, evenmin is betoogd dat dit een aannemelijke gang van zaken is geweest. Het hof kon dan ook aan dit betoog voorbij gaan zonder dat het was gehouden tot een nadere motivering. Daarbij komt dat dit ‘alternatieve’ scenario niet, althans niet zonder meer, onverenigbaar is met de bewezenverklaring dat de verdachte het vuurwapen en de bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad, [9] zodat ook om die reden geen sprake is van een Meer en Vaart-verweer.
3.9
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
3.1
In de cassatieschriftuur wordt onder het kopje “Bewustheid en beschikkingsmacht” geklaagd dat uit de bewijsvoering van het hof niet genoegzaam kan worden afgeleid dat de verdachte wetenschap van en beschikkingsmacht over het vuurwapen en de munitie heeft gehad.
3.11
Het hof heeft blijkens zijn bewijsvoering vastgesteld dat de verdachte op 6 juni 2021 is aangetroffen in een auto die geparkeerd stond op het parkeerterrein van het Riva Hotel en het naastgelegen casino. De verdachte werd door de verbalisanten slapend aangetroffen op de bijrijdersstoel, terwijl hij schuin in de richting van de bestuurdersstoel lag. Op de bijrijdersstoel lag in de directe nabijheid van de rechterhand van de verdachte het omgebouwde en doorgeladen vuurwapen. De verdachte droeg alleen aan die rechterhand een handschoen. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij die avond als enige vanuit het casino is teruggegaan naar de auto, dat het pistool toen niet op de bijrijdersstoel lag, dat hij in de auto nog lachgas heeft gebruikt en dat zijn volgende herinnering is dat hij in het bijzijn van de verbalisanten ontwaakte.
3.12
Uit het voorgaande heeft het hof niet onbegrijpelijk afgeleid dat het de verdachte moet zijn geweest die het vuurwapen naast zich, binnen zijn handbereik, op de bijrijdersstoel heeft geplaatst. Daarbij heeft het hof – zoals door mij al geconcludeerd bij de bespreking van de eerste deelklacht – niet onbegrijpelijk betrokken dat een alternatief scenario niet is aangedragen, en heeft het hof eveneens niet onbegrijpelijk overwogen dat een dergelijk scenario ook niet aannemelijk is geworden nu het dossier daarvoor geen aanknopingspunten bevat.
3.13
Gelet op het voorgaande getuigt het oordeel van het hof dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen en hij daarover de beschikking had, zodat hij dat vuurwapen voorhanden heeft gehad als bedoeld in art. 26 lid 1 WWM Pro, niet van een onjuiste rechtsopvatting. De bewezenverklaring is dan ook toereikend gemotiveerd.
3.14
De tweede deelklacht faalt.

4.Slotsom

4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. Ik merk enkel op dat de behandeltermijn in cassatie op 6 mei a.s. twee jaren bedraagt.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De kwalificatie luidt: “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” en “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”.
2.Zie mijn conclusie voorafgaand aan HR 17 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:39, randnr. 3.3, en de conclusies van A-G Keulen voorafgaand aan HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:474,
3.Zie bijvoorbeeld HR 17 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1403,
4.Zie voor een overzicht van het motiveren van bewezenverklaringen van het voorhanden hebben van wapens de conclusie van A-G Hofstee voorafgaand aan HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:757, randnrs. 12-19.
5.HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4714,
6.G.J.M. Corstens,
7.HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359,
8.B.F. Keulen en G. Knigge,
9.Vgl. HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504,