Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
"waarschijnlijk een beetje rond lopen zoeken in de auto”(verhoor ibs RC). Hij was zich dus eerder niet bewust van de aanwezigheid van [het] wapen in de auto. Eén scenario is dat hij het wapen kennelijk gevonden heeft al wachtend in de auto, vervolgens misschien kort even [heeft] vastgehouden en dat hij daarna in een diepe slaap is gevallen, vanwege overmatige drank en lachgas. Vaststaat dat hij pas na herhaaldelijk kloppen op het raam wakker werd gemaakt/geschud door de agenten.
kan zijn, maar hij blijft bij zijn verklaring dat hij zich er vrijwel niets van
kan herinneren. Ook hij probeert (net als de OvJ in EA) achteraf het voorval te duiden, maar hij weet het simpelweg niet meer.
misschiengevonden heeft in de auto en hij heeft
misschiendat wapen kortstondig in de hand gehad. Zoals gezegd, hij kan zich dat echter niet herinneren. Nogmaals dit betreft uitsluitend een mogelijk scenario door de verdediging geschetst, maar het gebruikte 3e bewijsmiddel houdt uitsluitend in dat [verdachte] zich in de auto bevond en dat naast hem op de stoel een pistool is aangetroffen. Niets minder, maar ook niets meer dan dat. Het scenario dat [verdachte] het wapen van [betrokkene 1] heeft gevonden, wordt er niet door uitgesloten.
scenario 1: verdachte wist van het wapen en heeft het vastgehouden,
scenario 2: verdachte wist niet van het wapen dat naast hem lag) en de verdediging heeft daar het vorenbedoelde
3e scenario, met twee deelscenario's(verdachte wist niet van het wapen en heeft het in de auto gevonden en al dan niet kort vastgehouden) aan toegevoegd. Dit bestaan van diverse reële alternatieve scenario's, die niet althans onvoldoende door het beschikbare bewijsmateriaal c.q. de gebruikte bewijsmiddelen worden uitgesloten, maakt dat geen sprake is van sluitend wettig en overtuigend bewijs. We weten simpelweg niet precies wat er in de auto is gebeurd voordat cliënt werd aangetroffen/aangehouden. Bovendien is de gestelde alternatieve toedracht niet onaannemelijk en kan het evenmin als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven. Het wordt dus heel moeilijk – of beter: onmogelijk – om te kiezen welk scenario juist(er) is en dus ligt gelet op het in dubio pro reo-beginsel een vrijspraak in de rede.”
Nadere bewijsoverweging
3.De bespreking van het middel
Het juridisch kader
NJ2020/251, m.nt. H.J.B. Sackers voor het “voorhanden hebben” van een vuurwapen en/of munitie het volgende beoordelingskader geformuleerd:
een beroep wordt gedaanop niet hoogst onwaarschijnlijke feiten en/of omstandigheden die met de inhoud van de door de rechter gebezigde bewijsmiddelen niet in strijd zijn, maar die – indien juist – onverenigbaar zijn met de bewezenverklaring. [5] Indien de rechter ondanks een dergelijk verweer tot een bewezenverklaring komt, dient hij het verweer uitdrukkelijk en gemotiveerd te weerleggen (art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv). [6] Volgens de Hoge Raad kan dat geschieden
enkel wordt geopperddat er andere scenario’s denkbaar zijn die niet worden uitgesloten door het beschikbare bewijsmateriaal. Tot op zekere hoogte is in vrijwel elke zaak wel een in theorie niet uit te sluiten alternatief scenario te bedenken. Een betoog waarin uitsluitend op die theoretische – in de zin van: bedachte – mogelijkheid wordt gewezen, kan aan de toereikendheid van het bewijs niet afdoen, omdat het daarvoor de kracht mist. Wil er sprake zijn van een Meer en Vaart-verweer waaraan de feitenrechter niet zonder nadere motivering mag voorbijgaan, dan moet de verdediging zich op het standpunt stellen dat de werkelijke gang van zaken anders
isgeweest – en niet alleen anders
kan zijn geweest– dan men op het eerste gezicht zou denken. [8]
misschienin de auto heeft gevonden en dat vuurwapen
misschienkort heeft vastgehouden en daarna in slaap is gevallen. Niet is aangevoerd dat dit de werkelijke gang van zaken is geweest, evenmin is betoogd dat dit een aannemelijke gang van zaken is geweest. Het hof kon dan ook aan dit betoog voorbij gaan zonder dat het was gehouden tot een nadere motivering. Daarbij komt dat dit ‘alternatieve’ scenario niet, althans niet zonder meer, onverenigbaar is met de bewezenverklaring dat de verdachte het vuurwapen en de bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad, [9] zodat ook om die reden geen sprake is van een Meer en Vaart-verweer.