Conclusie
Kadastrale grootte 212.107 m2; Grens en grootte Voorlopig, partijen oneens (grensvaststelling opgeschort)”.
Kadastrale grootte 136 m2; Grens en grootte Voorlopig, partijen oneens (grensvaststelling opgeschort)”. In de hierna te noemen koopovereenkomst en erfpachtakte is dit perceel nog aangeduid als [sectie] nummer [002] (gedeeltelijk).
2.Procesverloop
een perceel grond, uitmakende een gedeelte ter grootte van ongeveer zeshonderdzestien vierkante meter (616m2), of zoveel groter of kleiner als na kadastrale inmeting zal blijken, van het perceel kadastraal bekend [gemeente] , [sectie] nummer [002] , gelegen in het plangebied " [plangebied] '’ te [plaats] , gelegen nabij de [a-straat] / [b-straat] te [plaats] , een en ander zoals dit gedeelte schetsmatig als kavel B en met schuine streeparcering is aangegeven op de aan deze akte gehechte [tekening] (...).”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen a-dklachten over de rov. 5.11 e.v. Het middel stelt de objectieve uitlegmaatstaf voor de leveringsakte (rov. 5.9) en de weergave van de inhoud van de leveringsakte van 29 februari 2020 (rov. 5.10) niet ter discussie.
Wanneer partijen bij een koopovereenkomst bedoelen dat een perceel gedeeltelijk aan de koper in eigendom zal worden overgedragen, maar de notariële akte van levering vervolgens niet op die bedoeling aansluit doordat daarin het volledige perceel wordt geleverd, vindt − bij gebrek aan een geldige titel − geen overdracht van het volledige perceel plaats. Voor het meerdere ontbreekt dan immers een titel. Dit is het zogenaamde causale stelsel van overdracht. [10] Wanneer partijen bij een koopovereenkomst bedoelen dat een perceel volledig aan de koper in eigendom zal worden overgedragen, maar de notariële akte van levering vervolgens niet op die bedoeling aansluit doordat daarin het perceel gedeeltelijk wordt geleverd, vindt − bij gebrek aan levering − geen overdracht van het volledige perceel plaats. Voor het meerdere ontbreekt dan immers een levering.
onderdelen b, c en dbetreffen, kort gezegd, overwegingen van het hof die gaan over de titel (koopovereenkomst) tussen WOM en WGZ (rov. 5.13-5.15), dus over de vraag of WOM zich heeft verplicht om (ook) de kleine strook grond aan WGZ te gaan leveren.
Onderdeel abetreft overwegingen van het hof die gaan over de vraag of uit de notariële akte van levering blijkt dat WOM (ook) de kleine strook grond aan WGZ heeft geleverd.
Indien de
onderdelen b, c en dniet slagen, staat vast dat een titel voor de levering van (ook) de kleine strook grond door WOM aan WGZ ontbreekt. In dat geval is de onvermijdelijke conclusie dat WGZ daarvan in verband met het causale stelsel geen eigenaar is geworden. Het gevolg daarvan is dat WGZ deze strook niet aan [eisers] in erfpacht heeft kunnen uitgeven (rov. 5.16), nu zij daartoe niet beschikkingsbevoegd was (art. 3:84 lid 1 in Pro verbinding met artikel 3:98 BW Pro).
Indien de
onderdelen b, c en dniet slagen, kan dus in het midden blijven of uit de leveringsakte tussen WOM en WGZ al dan niet blijkt of WOM de kleine strook grond aan WGZ heeft geleverd. Ik bespreek
onderdeel adaarom als laatste.
onderdeel bgetuigt rov. 5.13 van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof daarin miskent dat het bij de beantwoording van de eigendomsvraag aankomt op, kort gezegd, de in rov. 5.9 bedoelde objectieve maatstaf en niet op de aan de hand van de Haviltex-maatstaf vast te stellen partijbedoeling. Omdat overeenkomstig deze in de notariële akte van levering tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling wordt geleverd, wordt niet meer geleverd dan volgens deze partijbedoeling is overeengekomen en is er dus geen meerdere waarvoor een titel ontbreekt. Het onderdeel vermeldt dat [eisers] de andersluidende opvatting van onder andere A-G Rank-Berenschot en Valk onjuist achten. [16]
Het onderdeel vereenzelvigt ten onrechte de verbintenisrechtelijke partijbedoeling volgens de titel (wat moet worden geleverd?) en de goederenrechtelijke partijbedoeling die blijkt uit de akte van levering (wat wordt geleverd?). Dat de titel wordt vermeld in de akte van levering, betekent niet, dat zij niet moet worden onderscheiden van de daarin opgenomen goederenrechtelijke levering.
Dit probleem speelt echter niet in deze zaak. Er is in dit geval geen aanleiding om te veronderstellen dat in de tussen WOM en WGZ gesloten notariële akte van levering een titel besloten ligt die afwijkt van de tussen hen gesloten koopovereenkomst. Het hof verwijst immers uitsluitend naar de koopovereenkomst en de leveringsakte (rov. 5.14). Voor zover de klacht uitgaat van een andere lezing van het bestreden arrest, berust zij op een onjuiste lezing van het arrest. Zie hiervoor ook de bespreking van
onderdeel c.
onderdeel cis rov. 5.14 onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat het hof niet de aan de levering op 29 februari 2012 van de onroerende zaak door WOM aan WGZ ten grondslag liggende overeenkomst als bedoeld in rov. 5.13 heeft uitgelegd. Volgens het onderdeel is door het hof niets overwogen over de aan de levering op 29 februari 2012 ten grondslag liggende overeenkomst tussen WOM en WGZ. Het hof zou slechts hebben overwogen dat WOM en WGZ het er onderling over eens zijn dat de erfgrens tussen de percelen E 3537 en E [001] niet verder is gelegen dan 2,55 meter naast de woning van [eisers] en dat het kleine strookje verder dan 2,55 meter verwijderd van de woning ligt. Het onderdeel veronderstelt dat de overwegingen van het hof bovenaan p. 7 van zijn arrest kennelijk zien op de koopovereenkomst en leveringsakte tussen WGZ en [eisers] en niet op de koopovereenkomst tussen WOM en WGZ.
Dat het hof de overeenkomst tussen WOM en WGZ op het oog heeft, blijkt ook uit de conclusie die het hof in verband met het causale stelsel trekt: “
is het kleine strookje grond dat onderdeel uitmaakt van perceel E 3537 (van WOM) in 2012 niet in eigendom overgedragen aan WGZ” (rov. 5.14, eerste volzin).
Iets verderop verwijst het hof ook met zoveel woorden naar de koopovereenkomst (rov. 5.14, derde volzin, bovenaan p. 7 van het arrest). Dat is de koopovereenkomst tussen WOM en WGZ, want het hof spreekt in die volzin ook over de partijbedoeling van WOM en WGZ. Het hof reageert hiermee kennelijk op de stellingen van [eisers] in de memorie van grieven nr. 9. [18]
de koopovereenkomst en de vestigingsakte en de daarbij behorende tekening(en)”. Deze passage ziet wel op de rechtsverhouding tussen WGZ en [eisers] Het hof wijst daarop, in reactie op de stelling van [eisers] dat uit de koopovereenkomst en leveringsakte tussen WOM en WGZ niet valt af te leiden dat de erfgrens op 2.55 meter van de gevel lag. Dat is te weinig om af te doen aan de partijbedoeling van WOM en WGZ, aldus het hof, want uit de koopovereenkomst en vestigingsakte tussen WGZ en [eisers] blijkt namelijk niet dat de kleine strook grond wél aan [eisers] toekomt.
NJ2014/119, rov. 3.6.3, ter adstructie van hun stelling dat de piketpaaltjes van belang zijn voor de uitleg van de leveringsakte. [19] Dit arrest betreft een geval waarin sprake is van tegenstrijdigheid tussen de tekst van de notariële splitsingsakte en de bijbehorende tekening. Om de inhoud van de appartementsrechten te bepalen, dienen splitsingsakte en tekening objectief te worden uitgelegd. Indien splitsingsstukken die voor verschillende uitleg vatbaar zijn, verwijzen naar feitelijke kenmerken van het splitsingsobject, is het niet in strijd met een uitleg naar objectieve maatstaven om deze stukken mede aan de hand van waarneming van die feitelijke kenmerken uit te leggen, aldus de Hoge Raad in dit arrest (rov. 3.6.3). Een dergelijk geval doet zich naar het oordeel van het hof niet voor (rov. 5.15).
Het hof heeft overwogen dat WOM en WGZ het erover eens zijn dat de grens tussen hun percelen (E 3537 en E [001] ) niet verder is gelegen dan 2,55 meter naast de woning van [eisers] (rov. 5.14). Voorts heeft het hof in rov. 5.22 − in cassatie onbestreden − geoordeeld dat [eisers] hun betoog dat zij op basis van de piketpaaltjes mochten aannemen dat de kleine strook grond binnen de erfgrens lag, onvoldoende hebben onderbouwd. Het hof overweegt daarover: “
Uit geen van de overgelegde tekeningen volgt dat de erfgrens verder is gelegen dan 2,55 meter van de woning van [eisers] (vgl. hiervoor), terwijl niet in geschil is dat de door [eisers] bedoelde piketpaaltjes op 3,65 meter van de woning stonden.”
onderdelen b, c en dniet slagen, blijft de conclusie in rov. 5.16 overeind. In het midden kan blijven of uit de leveringsakte tussen WOM en WGZ al dan niet blijkt of WOM de kleine strook grond aan WGZ heeft geleverd (zie hiervoor in 3.7). Bij de klacht van
onderdeel aontbreekt daarom belang. Ik bespreek deze klacht ten overvloede.
ten eerstedat het hof in rov. 5.11 en 5.12 slechts aandacht heeft besteed aan de bij de notariële akte van levering tussen WOM en WGZ gevoegde tekening en geen verdere aandacht heeft besteed aan de daarin opgenomen omschrijving van de onroerende zaak, aan de verdere tekst van de akte en aan wat [eisers] dienaangaande hebben gesteld.
Het onderdeel klaagt
ten tweededat mocht het hof in rov. 5.11 en 5.12 hebben geoordeeld dat [eisers] geen eigenaar zijn geworden van de kleine strook grond, dit oordeel onjuist dan wel oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Daartoe verwijst het onderdeel naar wat in de vorige alinea is aangevoerd. Voorts hebben [eisers] niet gesteld dat WOM aan WGZ een perceel met een uitstulping heeft overgedragen, maar dat zij een perceel met een rechte lijn heeft overgedragen en dat de kleine strook grond (de uitstulping) daarvan onderdeel uitmaakte. Dit geldt temeer, aldus het onderdeel, omdat de door het hof bedoelde uitstulping die op de bij de akte van 29 februari 2012 op p. 16 gevoegde tekening aan de andere kant van het door WOM aan WGZ overgedragen perceel te zien is, niet overeenstemt met de door WGZ nadien overgedragen bouwkavel 5.
Het hof heeft in rov. 5.11-5.12 niet geoordeeld dat uit de leveringsakte zou blijken dat de erfgrens 2,55 meter van de gevel ligt. Het hof behoefde daarom in rov. 5.11-5.12 niet te reageren op de stelling van [eisers] dat uit de leveringsakte niet blijkt dat de erfgrens 2,55 meter van de gevel zou liggen. [20] Evenmin heeft het hof in rov. 5.11-5.12 geoordeeld dat uit de leveringsakte zou blijken dat [eisers] geen eigenaar zijn geworden van de kleine strook grond. Het hof behoefde daarom in rov. 5.11-5.12 niet te reageren op de stelling van [eisers] dat WOM aan WGZ een perceel met een uitstulping heeft overgedragen en dat de kleine strook grond daarvan onderdeel uitmaakte. Het hof heeft de stelling dat de erfgrens verder van de gevel afligt en dat de kleine strook grond daarbinnen ligt, overigens verworpen in rov. 5.14 en 5.22 (zie hiervoor in 3.13.3).