De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor poging tot afpersing en poging tot afdreiging. Het hof verklaarde het openbaar ministerie ontvankelijk ondanks dat de klacht voor het tweede feit niet binnen de klachttermijn van drie maanden was ingediend.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld over de aanvang van de klachttermijn voor het tweede feit. De klachttermijn voor de poging tot afdreiging begon namelijk te lopen op het moment dat de tot klacht gerechtigde kennis nam van het feit, wat eerder was dan het hof aannam.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het gaat over de ontvankelijkheid en strafoplegging ten aanzien van het tweede feit en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling. Voor het overige wordt het beroep verworpen.