ECLI:NL:PHR:2024:448

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2024
Publicatiedatum
22 april 2024
Zaaknummer
23/02225
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 27 SrArt. 41 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor doodslag ondanks noodweerverweren

De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld tot 7 jaar en 11 maanden gevangenisstraf wegens doodslag en illegaal wapenbezit. Het incident vond plaats op 22 januari 2020 te Haarlem, waar het slachtoffer probeerde drugs van de verdachte te beroven. Tijdens het conflict schoot de verdachte het slachtoffer in de buik, wat fataal bleek.

De verdachte voerde in hoger beroep meerdere verweren aan, waaronder het ontbreken van opzet, noodweer, noodweerexces en putatief noodweer. Het hof oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had, omdat het schot op korte afstand een aanmerkelijke kans op de dood opleverde en de verdachte deze bewust heeft aanvaard. Het beroep op noodweer werd verworpen wegens disproportionaliteit van het geweld; noodweerexces werd niet aangenomen omdat geen hevige gemoedsbeweging van doorslaggevend belang was; putatief noodweer werd verworpen omdat de verdachte zich het dreigende gevaar niet verontschuldigbaar had ingebeeld.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst de cassatiegronden af. De motivering van het hof is toereikend en sluit aan bij de jurisprudentie over voorwaardelijk opzet en noodweer. De strafoplegging wordt niet onredelijk geacht. Daarmee blijft de veroordeling en de straf van 7 jaar en 11 maanden gevangenisstraf in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot 7 jaar en 11 maanden gevangenisstraf voor doodslag en illegaal wapenbezit.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02225
Zitting23 april 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 25 mei 2023 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. ‘doodslag’ en 2. ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III’ veroordeeld tot 7 jaren en 11 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft voorts de teruggave aan de verdachte gelast van € 240,-, de vorderingen van vier benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Het hof heeft een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen afgewezen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. T.P.A.M. Wouters en R.I. Takens, beiden advocaat te Amsterdam, hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel klaagt over het ’s hofs oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het doden van [slachtoffer]. Het tweede, derde en vierde middel klagen over de verwerping van de verweren strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging omdat de verdachte gehandeld zou hebben in noodweer, noodweerexces dan wel putatief noodweer. Het vijfde middel klaagt over de strafoplegging. Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsvoering en (delen van) ’s hofs overwegingen ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte en de oplegging van de straf, alsmede delen van de pleitnota weer. Voorts citeer ik de overwegingen in het overzichtsarrest van 22 maart 2016 betreffende noodweer, noodweerexces en putatief noodweer.
Bewezenverklaring, bewijsvoering, overwegingen hof en pleitnota
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:
‘hij op 22 januari 2020 te Haarlem [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door in de buikstreek van die [slachtoffer] te schieten;’
5. De bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2023
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ongeveer twee weken voor het incident
(het hof begrijpt: ongeveer twee weken voor 22 januari 2020)heb ik een vuurwapen gekocht. Ik wist niet hoeveel kogels er in het wapen zaten, maar ik ging er wel vanuit dat er kogels in het wapen zaten. Hij
(het hof begrijpt: [slachtoffer])pakte mij vast en toen pakte ik het wapen. Ik zag dat hij naar mij keek en nog een stap naar voren deed. Er was niet veel ruimte tussen ons toen hij naar me toe kwam lopen. Ik had mijn arm met het wapen al gestrekt. Het wapen ging af. Ik weet dat ik de trekker heb overgehaald. Ik heb bewust de trekker overgehaald.
2. Een proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisant:
Op 22 januari 2020 omstreeks 21:00 uur kregen wij de melding om naar de Jopenkerk gelegen aan de Gedempte Voldersgracht 2 te Haarlem te gaan. Aldaar zou een schietpartij zijn geweest. Toen ik de Gedempte Voldersgracht op liep zag ik iets voorbij de zijingang van de Jopenkerk iemand op de grond liggen. Ik heb aan een man gevraagd wat hij had gezien en wat hij wist. Deze man gaf later op te zijn genaamd: [getuige 1]. Ik heb aan [getuige 1] gevraagd of hij het slachtoffer kende. [getuige 1] verklaarde aan mij dat het een vriend van hem was. [getuige 1] verklaarde dat hij wist dat het slachtoffer [slachtoffer] heette en dat hij uit [plaats] kwam.
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 3 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisant:
Op 22 januari 2020 omstreeks 21:31 uur was ik in het VU ziekenhuis naar aanleiding van de schietpartij aan de Gedempte Voldersgracht te Haarlem. Het slachtoffer van deze schietpartij is met spoed door de ambulance vervoerd naar het VU ziekenhuis. Ik vroeg in het ziekenhuis aan een van de aanwezige verpleegkundigen of zij kon controleren of het slachtoffer een identiteitskaart bij zich droeg. De verpleegkundige gaf vervolgens de identiteitskaart aan mij af. Ik las op de identiteitskaart de volgende gegevens: [slachtoffer] geboren [geboortedatum] 1990.
4. Een schouwverslag van 23 januari 2020 van drs. R. Scholten, (…).
Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Cliënt: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Geboren op: [geboortedatum]-1990 te [geboorteplaats]
Datum/tijd schouw: 23-01-2020 09:20
Conclusie: Een niet-natuurlijk overlijden na vermoedelijk geweldsincident met vuurwapen waarbij letaal letsel in de buikholte operatief niet verholpen kon worden.
5. Een deskundigenverslag van 16 april 2020, te weten een rapport met opschrift ‘Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood’, opgemaakt door de NFI-deskundige arts en patholoog dr. H.H. de Boer, (…).
De bevindingen bij sectie op het lichaam van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats], zijn niet in tegenspraak met en passen volledig bij de verkregen informatie dat hij is overleden ten gevolge van een schotletsel door de buik.
6. Een proces-verbaal van bevindingen van 17 juni 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:
Tijdens zijn verhoor heeft de [verdachte] aangegeven dat hij kon aanwijzen waar hij het bij het delict gebruikte vuurwapen had verstopt. Op maandag 10 februari 2020 bezochten wij, verbalisanten, de door de verdachte aangewezen locatie. Diezelfde dag hoorden wij door middel van een geluidssignaal dat ik met een metaaldetector op een metalen voorwerp stuitte. Ik groef de aarde weg en zag dat er een witte plastic tas uit de aarde vrij kwam. Hierop zagen wij dat er in de betreffende witte plastic tas een vuurwapen zat.
7. Een proces-verbaal onderzoek wapen van 25 september 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisant:
Op 22 januari 2020 heeft een schietincident plaatsgevonden te Haarlem. Een vuurwapen met munitie zijn naar aanleiding van dit incident in beslag genomen. Het is een vuurwapen in de vorm van een pistool. Het is een single-action, Semi-automatisch pistool. Het wapen heeft het kaliber van 9x19 Millimeter (9 millimeter Nato/ 9 millimeter Luger). Op het wapen is onder andere de volgende tekst te lezen “NP 28 9x19 mm, Exported by norinco”. Tevens is op het wapen het logo van “Norinco” aanwezig.
Bij het wapen is een bij dit wapen passend/behorend verwisselbaar patroonmagazijn aanwezig. Dit patroonmagazijn kan maximaal vijftien patronen in het kaliber 9x19 bevatten. Bij het wapen tref ik zeven 9mm kogelpatronen aan.’
6. Het hof heeft inzake de bewezenverklaring het volgende overwogen:

‘Feiten en omstandigheden waarvan het hof uitgaat

Het slachtoffer, dat verslaafd was, heeft op 22 januari 2020 met de verdachte, die in drugs dealde, afgesproken om drugs van hem te kopen. De verdachte had al een aantal keer drugs verkocht aan het slachtoffer. Het slachtoffer en zijn vriend [getuige 1] kwamen rond 21:00 uur aan op de afgesproken plek, nabij de Jopenkerk op de Gedempte Voldersgracht in Haarlem. Op grond van het dossier, waaronder de op de terechtzitting getoonde camerabeelden en de verklaring van de [getuige 2], acht het hof het – met de advocaat-generaal en de raadsman – aannemelijk dat het slachtoffer samen met [getuige 1] naar de verdachte is toegelopen en dat het slachtoffer tijdens die ontmoeting heeft geprobeerd om de verdachte van zijn drugs te beroven, omdat hij dit keer geen geld had om te betalen. Het slachtoffer heeft daartoe de verdachte herhaaldelijk bij zijn arm/pols gepakt en hem (schreeuwend) gemaand drugs te geven (“jij gaat me drugs geven nu”, aldus de verdachte in zijn verhoor van 7 februari 2020). [getuige 1] stond op dat moment achter de verdachte. Ofschoon de rol van [getuige 1] niet geheel duidelijk is geworden zal het hof – in het voordeel van de verdachte – ervan uitgaan dat [getuige 1] de verdachte tijdens het incident in zijn rug heeft geduwd, zoals de verdediging heeft gesteld.
Op enig moment tijdens dit zeer kortdurende conflict heeft de verdachte een – kennelijk doorgeladen – vuurwapen uit zijn tas gepakt. Vrijwel direct heeft de verdachte vervolgens éénmaal geschoten op het slachtoffer. Het hof gaat ervan uit dat, op het moment dat de verdachte zijn wapen pakte en totdat hij schoot, het slachtoffer de verdachte bij zijn pols vasthad en een stap naar voren deed, in de richting van de verdachte. Het slachtoffer is in zijn buik geraakt en enkele uren daarna overleden aan deze schotverwonding.
De advocaat-generaal heeft op grond van de verklaring van [getuige 1] gesteld dat de verdachte op het moment dat hij zijn wapen pakte, heeft gezegd “
ik heb een verrassing voor je”. Tegenover deze verklaring van [getuige 1] staat echter de verklaring van de verdachte, die ontkent dit te hebben gezegd. Ook de overige dossierstukken bieden op dit punt geen ondersteuning voor de verklaring van [getuige 1]. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat [getuige 1] niet als ‘objectieve’ getuige kan worden beschouwd, houdt het hof het ervoor dat de verdachte
nietheeft gezegd “
ik heb een verrassing voor je".
De raadsman heeft in zijn pleidooi gesteld dat het slachtoffer tijdens het incident “
een beweging maakte naar zijn jaszak" waardoor de verdachte in paniek raakte “
en dacht dat het slachtoffer bijvoorbeeld een mes zou grijpen". Het hof stelt echter vast dat bij het slachtoffer geen mes of enig ander wapen is aangetroffen. Gelet hierop en bij gebreke van aanwijzingen die in een andere richting wijzen, gaat het hof ervan uit dat het slachtoffer geen mes of ander wapen heeft willen en kunnen pakken.

Bewijsoverweging feit 1

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van de hem tenlastegelegde doodslag. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte niet het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het doodschieten van het slachtoffer, nu hij de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zou komen te overlijden – dat deze aanmerkelijke kans er was heeft de verdediging niet betwist – , niet bewust heeft aanvaard. De verdachte heeft immers ontkend het slachtoffer in zijn buik te hebben willen raken.
Het hof overweegt dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat de verdachte handelde met vol opzet.
Uit het dossier volgt dat de verdachte op korte afstand van het slachtoffer, te weten ongeveer een armlengte, met een vuurwapen een kogel in de richting van het slachtoffer heeft afgevuurd. Het slachtoffer is daarbij in zijn buikstreek door de kogel geraakt, als gevolg waarvan hij is overleden.
Een schot met een vuurwapen in de richting van een bewegend persoon vanaf zo’n korte afstand, levert een aanmerkelijke kans op dat die persoon daardoor komt te overlijden. Het afvuren van zo’n schot is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht op de dood van het slachtoffer, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden bewust heeft aanvaard. Dat wordt niet anders indien zou worden aangenomen dat de verdachte heeft willen schieten in de richting van een been. Van contra-indicaties is niet gebleken. Het hof acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het doden van het slachtoffer.
Het verweer van de raadsman wordt aldus verworpen en het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.’
7. Het hof heeft inzake de strafbaarheid van de verdachte het volgende overwogen:

‘Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde doodslag een beroep op (putatief) noodweer(exces) toekomt en dat hij daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft hiertoe – kort samengevat – aangevoerd dat de verdachte zich moest en mocht verdedigen tegen het slachtoffer dat hem drugs afhandig probeerde te maken. Daarbij ontstond er bovendien een onmiddellijk dreigend gevaar voor de aanranding van het lijf van de verdachte doordat het slachtoffer een beweging maakte naar zijn jaszak waardoor de verdachte dacht dat het slachtoffer mogelijk een mes zou grijpen. De verdachte heeft zich tegen de aanranding verdedigd in overeenstemming met de daaraan te stellen eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Voor zover het hof de verdediging daarin niet volgt, handelde de verdachte vanuit een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanranding van het slachtoffer.
Het hof stelt voorop dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechter moet onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die voorwaarden houden volgens artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding.
Samenvattend gaat het hof bij de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) van het volgende uit:
 het slachtoffer heeft de verdachte geprobeerd te beroven van zijn drugs(bolletjes) en heeft hem daartoe herhaaldelijk vastgepakt en (schreeuwend) gemaand om drugs te geven;
 [getuige 1] stond gedurende het incident achter de verdachte en heeft hem in de rug geduwd;
 de verdachte heeft een doorgeladen vuurwapen gepakt en van zeer dichtbij het slachtoffer, dat hem bij zijn pols vasthad en op dat moment een stap naar voren deed, in zijn buik geschoten;
 bij het slachtoffer is geen mes of enig ander wapen aangetroffen en het is niet aannemelijk geworden dat het slachtoffer een beweging heeft gemaakt met de bedoeling om een wapen te pakken.
Noodweersituatie
Op grond van deze feiten en omstandigheden komt het hof – net als de verdediging en de advocaat-generaal – tot de conclusie dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer. Die aanranding bestond uit het herhaaldelijk vastpakken van de verdachte bij zijn arm/pols en het (schreeuwend) aanmanen van de verdachte om drugs te geven, terwijl [getuige 1] de verdachte tijdens het incident in de rug heeft geduwd. Het is niet aannemelijk geworden dat er (tevens) sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar dat eruit bestond dat het slachtoffer een mes of ander wapen zou pakken. De enkele vrees/veronderstelling die de verdachte op dit punt stelt te hebben gehad is daartoe onvoldoende. Of de verdachte in dit licht nog een beroep toekomt op zogenoemd ‘putatieve noodweer’ komt hierna aan de orde.
Geen noodweer
De verdachte mocht zich in beginsel tegen deze aanval verdedigen. Hij heeft ervoor gekozen dat te doen door van zeer dichtbij op het slachtoffer te schieten. Die wijze van verdedigen stond volstrekt niet in een redelijke verhouding tot de ernst van de hiervoor geschetste aanranding. Naar de kern bezien kwam die er immers op neer dat het latere slachtoffer de verdachte op verbaal-agressieve wijze duidelijk maakte dat hij (een paar bolletjes) drugs wilde, waarbij hij met de verdachte heeft geworsteld in die zin dat hij hem bij zijn arm/pols greep en dat [getuige 1] hem in de rug heeft geduwd. Er is dan ook niet voldaan aan de zogenoemde proportionaliteitseis. Reeds gelet hierop wordt het beroep op noodweer verworpen.
Vervolgens komt het hof toe aan de beoordeling van het beroep op noodweerexces.
Geen noodweerexces
Voor noodweerexces geldt dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien de verdachte – voor zover hier relevant – de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn lijf of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was. Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het ‘onmiddellijk gevolg’ moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van
doorslaggevendbelang is geweest voor de verweten gedraging. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde ‘onmiddellijk gevolg’, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.
Wat betreft de gestelde hevige gemoedsbeweging is het volgende van belang. Uit het handelen en de uitlatingen van het slachtoffer is niet gebleken dat hij de intentie had om de verdachte (ernstig) letsel toe te brengen. Zoals vastgesteld had het slachtoffer ook geen wapen bij zich. Het ging het slachtoffer alleen om bolletjes drugs vanwege zijn verslaving. De verdachte kende het slachtoffer ook niet als een agressieve klant. Sterker nog; hij had juist meermalen zonder problemen drugs aan hem verkocht. Deze keer had het slachtoffer kennelijk geen geld om drugs voor zijn verslaving te kopen en heeft hij (‘slechts’) met het nodige duw- en trekwerk en verbale aanmaningen geprobeerd om de verdachte een paar bolletjes drugs afhandig te maken. Dat de verdachte door het handelen van het slachtoffer behoorlijk is geschrokken wil het hof aannemen. Het hof acht het echter niet aannemelijk dat het slachtoffer door zijn handelen bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt die van doorslaggevend belang is geweest voor het schieten door de verdachte. Het dossier bevat, anders dan de verklaring van de verdachte dat hij in paniek was mede vanwege eerdere ervaringen met agressie door mensen uit de ‘drugswereld’, geen aanknopingspunten dat bij de verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging
direct voorafgaand of op het momentdat hij schoot. De reactie van de verdachte richting het slachtoffer was onder de gegeven omstandigheden bovendien zeer buitensporig. De grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn als gezegd zeer fors overschreden. Gelet op het voorgaande acht het hof het niet aannemelijk dat sprake is geweest van een dermate hevige gemoedsbeweging dat deze van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging (het schieten door de verdachte). Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.
Geen putatieve noodweer
Tot slot heeft de verdediging een beroep gedaan op putatieve noodweer. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het slachtoffer tijdens de aanranding naar zijn jaszak heeft gegrepen en dat de verdachte “
dacht dat het slachtoffer naar bijvoorbeeld een mes zou grijpen”.
Uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 22 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:456) volgt dat als er een beroep is gedaan op zogenoemde putatieve noodweer de rechter zal “
moeten onderzoeken of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld".
De verdachte heeft in zijn tweede verhoor op 7 februari 2020 (het eerste verhoor waarin hij inhoudelijk heeft verklaard) gezegd: “
Hij had me met rechts vast bij mijn linkerarm. Ik zie die linkerhand... die linkerhand van hem doet iets. Ik weet niet wat hij doet. Ik weet niet of hij iets ging pakken... dat weet ik niet. Maar ik heb het vaker meegemaakt.” Later heeft de verdachte verklaard dat hij dacht dat het slachtoffer “
een mes zou trekken (...)[en]
tussen mijn ribben zou steken”, en heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep nog gesteld dat het slachtoffer zijn hand daadwerkelijk in zijn jaszak heeft gestopt.
Gelet op zijn eerste verklaring, was de verdachte er niet zozeer van overtuigd dat het slachtoffer een mes zou pakken, maar heeft hij gelet op diens beweging gemeend dat er een kans was dat dat zou gebeuren. Bij de beantwoording van de vragen of hij zich dit gestelde gevaar verschoonbaar heeft ingebeeld en zo ja, of hij gelet hierop redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigen door zijn pistool te pakken en te schieten, betrekt het hof het volgende.
Zoals hiervoor al is overwogen, is uit het handelen en de uitlatingen van het slachtoffer niet gebleken dat hij de intentie had om de verdachte (ernstig) letsel toe te brengen. Het ging het slachtoffer alleen om bolletjes drugs vanwege zijn verslaving. De verdachte kende het slachtoffer ook niet als een agressieve klant. Sterker nog; hij had juist meermalen zonder problemen drugs aan hem verkocht. Deze keer had het slachtoffer kennelijk geen geld om drugs voor zijn verslaving te kopen en heeft hij met duw- en trekwerk en verbale aanmaningen geprobeerd om de verdachte een paar bolletjes drugs afhandig te maken. Het hof is van oordeel dat de verdachte onder die omstandigheden zich het gestelde dreigende gevaar – dat hij mogelijk zou worden aangevallen met een mes – niet
verontschuldigbaarheeft ingebeeld terwijl de verdachte bovendien niet heeft mogen menen dat hij zich tegen dat gestelde gevaar moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan.
Het hof verwerpt ook dit verweer.
Het hof verwerpt aldus de verweren strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens (putatief) noodweer(exces) en acht de verdachte strafbaar, omdat ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.’
8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 april en 25 mei 2023 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden onder meer in (met weglating van verwijzingen):

Was slachtoffer onder invloed van verdovende middelen?
13. Eigenlijk vertellen alle getuigen die slachtoffer goed hebben gekend hetzelfde: Slachtoffer was een hele lieve jongen, die altijd met je meedenkt en klaar voor je staat. Dit kon echter veranderen als hij drugs had gebruikt, dan was hij zichzelf niet. Zijn broer verklaarde dat hij alleen aan zichzelf dacht wanneer hij drugs had gebruikt en zijn moeder verwoordde het als volgt:
“[slachtoffer] was een hele lieve jongen eigenlijk, zonder drugs.”
14. Op de camerabeelden die aan het dossier zijn toegevoegd is te zien dat slachtoffer onrustig is, druk heen en weer loopt, de nachtopvang in, de nachtopvang uit, druk bezig is met zijn telefoon, dan richting Hortusplein gaat, wacht op [getuige 1] etc. Toxicologisch onderzoek wees uit dat slachtoffer op meerdere verdovende middelen positief testte:
“Aangenomen dat er na het voorval geen inname/toediening van cocaïne heeft plaatsgevonden, dan was ten tijde van het voorval het bewustzijn/gedrag van [slachtoffer] waarschijnlijk beïnvloed door het aangetoonde cocaïne, waarbij onder andere een “high” gevoel, emotionele ontremming, toename van het zelfvertrouwen (zelfoverschatting) en het verdwijnen van barrières in de communicatie kunnen zijn opgetreden. De mate van effecten die hierbij zijn opgetreden is afhankelijk van de gewenning aan cocaïne.
Tevens zijn in het bloed therapeutische diazepam- en ketamineconcentraties gemeten. Mogelijk zijn deze stoffen in het ziekenhuis toegediend in het kader van medisch handelen. Indien er echter na het voorval geen inname/toediening van deze stoffen heeft plaatsgevonden, dan was ten tijde van het voorval het bewustzijn/gedrag waarschijnlijk ook beïnvloed door deze stoffen.”
Cliënt verklaarde het volgende over het gedrag van slachtoffer:
“Ik zag aan zijn ogen dat hij gebruikt had. Ik heb vroeger ook gebruikt. Hij kijkt. Hij kijkt naar dat ding. Ik dacht hij gaat me los laten, hij schrikt. Ik zie aan zijn ogen dat hij mij niet met rust gaat laten. Hij door mij heen gaat. Alsof hij mij wil afmaken. Hij komt en bang hij ging af. En ik dacht., ik dacht in eerste instantie dat ik hem in zijn been had geraakt. En toen ben ik weggerend.”
Ook de moeder van slachtoffer verklaarde over zijn gedrag die avond (AA: zij zou kort voor het incident nog telefonisch contact gehad hebben met slachtoffer):
“[slachtoffer] was bij mij en ook zijn broertje [betrokkene 1] slecht te verstaan aan de telefoon. Hij was erg onrustig, [betrokkene 1] en ik hadden beiden het idee dat [slachtoffer] drugs of iets anders had gebruikt."
De verdediging komt op basis van het toxicologisch onderzoek, de verklaringen van cliënt en de verklaringen van de moeder en broer van slachtoffer tot de conclusie dat slachtoffer die avond inderdaad onder invloed van verdovende middelen was en dat dit zijn gedrag heeft beïnvloed.
(…)
Heeft cliënt slachtoffer opzettelijk van het leven beroofd?
35. De vraag of cliënt slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd kan, met name voor de nabestaanden, eenvoudig te beantwoorden lijken. Cliënt heeft immers een schot gelost en als gevolg van dat schot is slachtoffer overleden. Het gegeven dat slachtoffer door het handelen van cliënt is komen te overlijden staat vast. Dat betekent echter niet dat cliënt slachtoffer ook dood wilde schieten. Dat betekent ook niet dat, hij in juridische zin, opzet heeft gehad op het intreden van de dood bij slachtoffer.
36. Cliënt heeft bij herhaling verklaard dat hij het wapen niet trok met de intentie om slachtoffer te doden, maar in de hoop dat slachtoffer weg zou gaan, zou ophouden. Slachtoffer is daarbij op een plek geraakt die uiteindelijk fataal blijkt te zijn geweest, maar niet direct kan wijzen op de opzet aan de zijde van cliënt om slachtoffer van het leven te beroven. Hierbij acht ik het van belang dat slachtoffer links in de buikstreek is geraakt en dat er slechts één kogel is afgevuurd. Cliënt heeft dus niet in de richting van het hoofd of hartstreek geschoten.
Voorwaardelijk opzet
37. Op basis van dit dossier dient derhalve de vraag gesteld (en beantwoord) te worden of er sprake is van voorwaardelijk opzet op het doden van slachtoffer door hem in de buikstreek te treffen met één kogel. Juridisch vertaald: heeft cliënt bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat slachtoffer door zijn handelen is komen te overlijden?
38. Daarbij gaat de verdediging ervan uit dat het schieten met een kogel op zo’n korte afstand een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood oplevert. De vraag die dus overblijft is of cliënt deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Naar mening van de verdediging dient deze vraag ontkennend beantwoord te worden. Ik zal dit aan de hand van de inhoud van het dossier en aan de hand van verschillende uitspraken in andere zaken nader toelichten.
39. Cliënt wordt klemgezet door [getuige 1] en slachtoffer, vastgepakt door slachtoffer en in zijn rug geduwd door [getuige 1]. Toen hij het wapen trok kwam slachtoffer op hem af en ging het wapen af. Het was niet de bedoeling van cliënt om slachtoffer in zijn buikstreek te raken, cliënt richtte zijn wapen naar beneden. Slachtoffer zakte ineen en cliënt vluchtte weg. Ik wens in dit verband nogmaals te wijzen op het zeer korte tijdsbestek van enkele tientallen seconden waarin dit alles zich heeft voltrokken. Dit is van groot belang voor de beoordeling van de vraag of cliënt bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, sterker nog of er wel gelegenheid is geweest om die te kunnen aanvaarden.
40. In algemene zin kan gesteld worden dat strafzaken zich niet gemakkelijk laten vergelijken. Zeker wanneer er sprake is van zo een heftig feit als vandaag, is het lastig om zaken te vinden die één op één vergelijkbaar zijn. Echter kan de jurisprudentie – ondanks verschillen in de casussen – wel degelijk helpen bij de beantwoording van de vraag of er bewijs voorhanden is dat cliënt bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het intreden van de dood van slachtoffer.
[
BFK: volgen verwijzingen naar lagere rechtspraak]
44. Cliënt ontkent slachtoffer in zijn buik te hebben willen raken. Zijn verklaring is niet alleen in een zeer vroeg stadium afgelegd maar ook – zoals uitgebreid bepleit – in overeenstemming met de overige inhoud van het dossier. Daarbij blijkt niet dat er sprake was van enig langlopend conflict tussen cliënt en slachtoffer en had cliënt geen enkel belang bij het doden van slachtoffer. Slachtoffer was immers één van zijn klanten. Ook de plek waar slachtoffer geraakt is, is ondersteunend voor het door cliënt geschetste scenario. De verdediging verzoekt u dan ook primair om cliënt vrij te spreken van het met (voorwaardelijk) opzet doodschieten van slachtoffer.
Tussenconclusie over feitelijke toedracht
45. In het geval een beroep op een strafuitsluitingsgrond wordt gedaan is de rechter gehouden de feitelijke grondslag van dat verweer te onderzoeken, terwijl hij de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen. Uw hof ziet zich bij de vaststelling van de feiten geconfronteerd met verklaringen van cliënt aan de ene kant en van [getuige 1] aan de andere kant die op essentiële onderdelen tegenover elkaar staan. (…)
46. Uw hof heeft in een andere zaak niet kunnen vaststellen wat de precieze gang van zaken is geweest bij het schietincident: (…)
47. De rechtbank Amsterdam stelde vast dat het onderzoek van de politie niet heeft geleid tot een eenduidige conclusie over de feitelijke toedracht van het incident. Van belang is tevens dat het verrichte (technische) onderzoek onvoldoende aanknopingspunten heeft geboden om de lezing van de verdachte te kunnen weerleggen. De overige door de officier van justitie aangevoerde omstandigheden (AA: OvJ voerde aan dat er te veel onduidelijkheden zijn over het mes dat slachtoffer in handen zou hebben gehad) doen ook onvoldoende af aan de aannemelijkheid van de verklaring van verdachte. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de lezing van verdachte over de feitelijke toedracht niet valt uit te sluiten. Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat, nu de lezing van verdachte niet onaannemelijk kan worden geacht, van die lezing van verdachte dient te worden uitgegaan.
(…)
49. De jurisprudentie is helder. Wanneer de lezing van cliënt niet valt uit te sluiten, dient uw hof van die lezing uit te gaan. En de lezing van cliënt is duidelijk: het latere slachtoffer en [getuige 1] hebben samen geprobeerd cliënt te ‘rippen’ waarbij cliënt zich heeft verdedigd en uiteindelijk eenmaal heeft geschoten. Ik verzoek u van die feitelijke grondslag uit te gaan bij de beoordeling van de hierna te volgen verweren.
Strafbaarheid: Komt cliënt een geslaagd beroep op noodweer toe?
50. Indien uw hof van mening is dat cliënt wel voorwaardelijk opzet op de dood van slachtoffer heeft gehad, verzoek ik u cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging omdat hem een geslaagd beroep op noodweer toekomt.
51. Het enkele gegeven dat cliënt gewapend was en er mogelijk rekening mee hield geript te kunnen worden kan volgens vaste jurisprudentie niet in de weg staan aan een geslaagd beroep op noodweer:
“Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces,maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt.De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende.”
Dat het zich bewapenen in het drugsmilieu niet in de weg staat aan een beroep op noodweer blijkt uit zeer veel uitspraken. Dat het wapen doorgeladen was staat evenmin in de weg aan een beroep op noodweer.
52. Volledigheidshalve wens ik te benoemen dat verdovende middelen, in casu de bolletjes cocaïne die cliënt wilde verkopen, ook een “goed” zijn in de zin van artikel 41 lid 1 Sr Pro. Mocht hier al op enig moment onduidelijkheid over hebben bestaan, dan heeft de Hoge Raad in 2015 die onduidelijkheid weggenomen:
"Het oordeel van het Hof dat het beroep op noodweerexces moet worden verworpen steunt kennelijk, zoals volgt uit de onder 2.3 weergegeven overweging van het Hof, welke overweging voortbouwt op zijn onder 2.2 weergegeven overweging, op de opvatting dat (een partij) cocaïne geen "goed" is in de zin van art. 41, eerste lid, Sr. Deze opvatting is onjuist, zodat het Hof het beroep op noodweerexces op ontoereikende gronden heeft verworpen.”
53. Tot slot merk ik nog op dat de enkele omstandigheid dat cliënt een drugsdealer is en zich begeeft in een gevaarlijk milieu niet kan leiden tot de conclusie dat er bij elke drugsdeal op voorhand sprake is van een zodanige ‘eigen schuld’ dat dit aan aanvaarding van het beroep op noodweer in de weg zou staan.
Ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding
54. Voor noodweer is vereist dat er sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een “ogenblikkelijke” aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar van een aanranding.
55. Dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding is naar mening van de verdediging genoegzaam aangetoond. Zelfs [getuige 1] spreekt op meerdere momenten over het rippen van cliënt, dat het er hard aan toe ging etc. De verdediging is derhalve van mening dat uw hof als feitelijke grondslag dient vast te stellen dat [getuige 1] en slachtoffer op 22 januari probeerden drugs van cliënt te stelen. Dit gebeurde direct toen cliënt in contact kwam met beide heren, dit was ogenblikkelijk en wederrechtelijk, hierbij ging het er, zelfs volgens [getuige 1], zeer grof aan toe.
56. Cliënt verklaarde dat tijdens deze ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, slachtoffer een beweging maakte naar zijn jaszak. Cliënt raakte in paniek en dacht dat slachtoffer naar bijvoorbeeld een mes zou grijpen, omdat dealers vaker slachtoffer zijn geworden van steekincidenten en ook cliënt hiermee slechte ervaringen heeft. Met andere woorden, er was ook sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar van aanranding van het lijf van cliënt. Daarbij ben ik van mening dat in redelijkheid beschouwd deze situatie en door cliënt omschreven gang van zaken als zodanig bedreigend moet zijn geweest voor cliënt dat ook deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van art. 41 Sr Pro. Ook hier is de korte tijdspanne weer van groot belang. U en ik kunnen achteraf rustig op basis van de inhoud van het dossier de situatie beoordelen. Die tijd en gelegenheid kreeg cliënt op dat moment uiteraard niet. Hij bevond zich in een zeer penibele situatie en was in paniek. Ook hier past echt terughoudendheid van uw hof bij het achteraf beoordelen van de situatie en dat in het nadeel van cliënt uit te leggen.
57. Dan resteert de vraag of het handelen van cliënt voldoet aan de zogeheten subsidiariteits- en proportionaliteitseis. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was. Ik zal beginnen met de subsidiariteitseis.
Subsidiariteitseis
58. De Hoge Raad heeft in het overzichtsarrest uit 2016 nog eens duidelijk de lijnen uitgezet. Ik zal deze overweging in zijn geheel citeren:
"Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond.
Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Bij de verwerping van een beroep op noodweer kan dus niet worden volstaan met het enkele argument dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken.
Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding. Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.”
59. Cliënt kon zich niet aan de aanranding onttrekken, hij werd tot twee maal toe vastgepakt door slachtoffer en in zijn rug geduwd c.q. klem gezet door [getuige 1]. Hij stond daarbij op een smalle stoep met aan de straatzijde auto’s en aan de andere zijde een blinde muur. Op basis van de inhoud van dit dossier kan niet gesteld worden dat cliënt überhaupt de mogelijkheid had om zich aan de aanranding te kunnen onttrekken (hij heeft dit wel geprobeerd), laat staan dat gezegd kan worden dat hij zich aan de aanranding had moeten onttrekken. Zelfs toen cliënt een wapen trok deinsde slachtoffer niet terug. De situatie was voorts dermate dreigend dat het onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief was. Kortom, het handelen van cliënt voldoet aan de zogeheten subsidiariteitseis.
Proportionaliteitseis
60. De proportionaliteitseis strekt ertoe om een gedraging niet straffeloos te doen zijn indien deze gedraging – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De – tot terughoudendheid nopende – maatstaf van de Hoge Raad luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.
61. Op het eerste oog lijkt het schieten van cliënt met een vuurwapen wellicht niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding. Cliënt verkeerde echter in paniek, in een situatie waarbij hij klem werd gezet door twee mannen die onder invloed waren van verdovende middelen, waarbij de dreiging ernstig en reëel was.
62. Cliënt heeft weliswaar een wapen getrokken, maar heeft deze niet opzettelijk op vitale delen van het lichaam van slachtoffer gericht. Er is slechts één, helaas fatale, kogel afgevuurd. Cliënt verklaarde hierover dat hij schrok van het afgaan van zijn wapen. Als hij meerdere patronen gericht op bijvoorbeeld het hoofd of bovenlijf van slachtoffer had afgevuurd dan zou u mij vandaag niet horen zeggen dat het handelen van cliënt voldoet aan de eisen van proportionaliteit. Maar ik kan niet genoeg benadrukken dat – ook uit de camerabeelden – is gebleken dat het incident zeer kort heeft geduurd en dat cliënt daarbij in een split second heeft moeten reageren op de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
63. In het milieu waar deze zaak zich afspeelde is vaak sprake van geweld, en ook heftig geweld. Ik wijs nog maar eens op de aan het dossier toegevoegde TCI-informatie die ook nog eens specifiek op slachtoffer betrekking had. Cliënt heeft daarbij slechts één kogel afgevuurd.
64. De verdediging is van mening dat het verdedigingsmiddel in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. Daarbij verzoekt de verdediging niet slechts achteraf vast te stellen dat slachtoffer zelf geen wapen had en dat daarmee aangetoond zou zijn dat het schieten met een vuurwapen disproportioneel was. Juist moet worden gekeken naar de feitelijke toedracht, het feit dat cliënt door twee mannen onder invloed van verdovende middelen wordt klemgezet en vastgepakt waarbij het er grof aan toe gaat, het feit dat slachtoffer daarbij ook nog eens naar zijn jaszak greep en het feit dat dit alles in enkele tientallen seconden is voltrokken. Dan kan niet worden gesteld, in het gevaarlijke milieu waarin cliënt en ook slachtoffer zich begaven, dat het handelen van cliënt niet zou voldoen aan de eisen van proportionaliteit. (…) Het verzoek is dan ook om cliënt, vanwege een geslaagd beroep op noodweer, te ontslaan van alle rechtsvervolging.
Noodweerexces
65. Mocht u van mening zijn dat cliënt de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden dan verzoek ik u cliënt vanwege een geslaagd beroep op noodweerexces te ontslaan van alle rechtsvervolging.
66. Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
a. cliënt de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
67. De ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding was allesbehalve beëindigd, cliënt werd vastgepakt toen hij het wapen trok en slachtoffer kwam op hem af, alsof hij hem wilde opeten volgens cliënt. Deze omstandigheden maken dat er sprake was van een hevige gemoedsbeweging, een paniek die zelfs ook door [getuige 1] wordt beschreven:
"Hij raakte in shock. Ik keek hem recht in zijn ogen aan. Hij raakte in shock. De secondes duurden zo lang. Het leken wel uren te duren dat ik in zijn ogen keek. Hij rende weg. En de steeg naast de Jopenkerk is dicht. Wat doet hij, hij rent uit paniek die steeg in."
68. Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Maar ook andere factoren kunnen en mogen hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, aldus de Hoge Raad. Hierbij benoemt de verdediging uitdrukkelijk de eerdere negatieve ervaringen van cliënt tijdens het dealen van drugs. Dat hiervan geen mutaties zijn of dat cliënt hier geen professionele hulp voor heeft gezocht betekent uiteraard niet dat deze incidenten niet hebben plaatsgevonden.
69. Het OM was in eerste aanleg van mening dat ‘slachtoffer nauwelijks iets deed’ en dat het moeilijk te rijmen valt dat een in haar ogen relatief beperkte wederrechtelijke aanranding zulke paniekgevoelens bij cliënt hebben kunnen oproepen. Ook hier past weer terughoudendheid. Wij zijn er niet bij geweest, wij hebben niet gezien wat cliënt heeft gezien en hebben niet meegemaakt wat cliënt heeft meegemaakt.
70. Mocht u ervan uitgaan dat cliënt de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden door eenmaal het vuurwapen te doen afgaan, terwijl deze – ook blijkens de forensische gegevens – naar beneden moet zijn gericht (in ieder geval omlaag), dan het is verzoek cliënt vanwege een geslaagd beroep op noodweerexces te ontslaan van alle rechtsvervolging.
Putatieve noodweer
71. Tot slot nog de vraag of cliënt verontschuldigbaar zou hebben gedwaald omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.
72. Eerlijkheidshalve gebied mij te zeggen dat het onderscheid tussen putatieve noodweer en de dreigende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding (tijdens de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door te grijpen naar de jaszak) vooral didactisch van belang is. Immers is het rechtsgevolg hetzelfde, ontslag van alle rechtsvervolging. Volledigheidshalve voer ik namens cliënt aan dat – indien uw hof van mening zou zijn dat er geen sprake was van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding – cliënt gelet op alle uitgebreid omschreven omstandigheden van deze zaak verontschuldigbaar heeft gedwaald en om die reden ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.
Strafmaat
73. Cliënt is door de rechtbank veroordeeld tot elf jaar en zes maanden gevangenisstraf. Indien uw hof tot strafoplegging komt dan is het verzoek een veel lagere straf op te leggen.
74. Het vonnis is gewezen op 22 december 2020, ruim voor de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen. Dat betekent dat het de bedoeling was van de rechtbank Noord-Holland om cliënt netto 92 maanden (circa 7,5 jaar) gevangenisstraf te laten uitzitten. Na 1 juli 2021 komt dar neer op een straf van 9,5 jaar. Door rechtbanken en gerechtshoven wordt verschillend omgegaan met deze verschraling van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Dat deze zaak na 1 juli 2021 inhoudelijk wordt behandeld is niet aan cliënt te wijten, integendeel. Wanneer u een zelfde straf zou opleggen als de rechtbank zal de maximale feitelijke duur langer zijn dan vóór 1 juli 2021. De verdediging is in ieder geval van mening dat u hier in het voordeel van cliënt rekening mee dient te houden. De opgelegde straf, conform eis, is bijzonder hoog in de visie van de verdediging. Ter vergelijking: het hof Arnhem-Leeuwarden legde eenzelfde straf op voor een doodslag (door het hoofd schieten van slachtoffer in een woning), gevolgd door een diefstal van een groot geldbedrag, bezit van meerdere vuurwapens zonder openheid van zaken te geven. Die verdachte werd niet geript, moest niet in een split second onder druk van slachtoffer een beslissing nemen en richtte zijn wapen niet naar beneden. Straffen boven de tien jaar voor doodslag zijn naar mening van de verdediging echt alleen in uitzonderlijke gevallen op z’n plaats. De rechtbank Amsterdam legde vorig jaar 9 jaar op voor het doodschieten van slachtoffer door z’n mond en het vervolgens wegmaken van het lijk (hetgeen toch meer op een afrekening lijkt).’
Juridisch kader (putatief) noodweer en noodweerexces
9. Het overzichtsarrest inzake (putatief) noodweer en noodweerexces van 22 maart 2016 houdt onder meer het volgende in (met weglating van verwijzingen): [1]
‘3.1.2. Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten, al behoeft de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg te staan.
Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen.
Indien de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.
(…)
Geboden door de noodzakelijke verdediging
3.5.1. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is "geboden door de noodzakelijke verdediging" worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.
Zeker bij deze eisen kan de persoon van degene die zich op noodweer beroept, van belang zijn. Van de ene persoon mag bijvoorbeeld op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander.
(…)
Verdediging moet geboden zijn
3.5.3. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband – tot terughoudendheid nopende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist.
Noodweerexces
3.6.1. Noodweerexces kan in beeld komen bij een "overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging", dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest.
3.6.2. Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
3.6.3. Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.
Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde "onmiddellijk gevolg", kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.
3.6.4. Niet op voorhand kan worden uitgesloten dat een beroep op noodweerexces mogelijk is in gevallen waarin de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet direct van het slachtoffer zelf uitging. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen in situaties waarin het slachtoffer wel een aandeel had in de aanranding of de dreiging daarvan, of waarin sprake was van andere gedragingen van het slachtoffer waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die ertoe hebben geleid dat de verdachte - handelende in een hevige gemoedsbeweging - zich op het slachtoffer richtte.
(…)
Verontschuldigbare dwaling ten aanzien vannoodweer
3.7.2. Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op zogenoemde putatieve noodweer, zal de rechter moeten onderzoeken of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.’
Bespreking van het eerste middel
10. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen heeft geoordeeld dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het doden van het slachtoffer, althans een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de vraag of de verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer bewust heeft aanvaard, althans die beslissing onbegrijpelijk en/of ontoereikend heeft gemotiveerd. Ook zou het hof het verweer dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op het doden van het slachtoffer ontoereikend gemotiveerd hebben verworpen. In de toelichting wordt in het bijzonder geklaagd dat het hof nader had moeten motiveren waarom de verdachte ‘óók in de situatie dat hij op (één van) de benen van [slachtoffer] heeft willen schieten (…) voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad’.
11. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder de ‘naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. [2]
12. Het hof heeft onder meer het volgende vastgesteld. [slachtoffer], een drugsverslaafde die met de verdachte had afgesproken om drugs van hem te kopen, heeft de verdachte herhaaldelijk bij zijn arm/pols gepakt en hem schreeuwend gemaand drugs te geven. Een metgezel van [slachtoffer], [getuige 1], heeft de verdachte tijdens het incident in zijn rug geduwd. Op enig moment tijdens dit zeer kortdurende conflict heeft de verdachte een – kennelijk doorgeladen – vuurwapen uit zijn tas gepakt en vrijwel direct eenmaal geschoten op [slachtoffer]. Als gevolg daarvan is [slachtoffer] in zijn buik geraakt en enkele uren later overleden. Daarbij is het hof ervan uitgegaan dat [slachtoffer] de verdachte, totdat deze schoot, bij zijn pols vasthad en een stap naar voren deed in de richting van de verdachte. Op grond van deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het doden van [slachtoffer]. Het heeft daartoe overwogen dat een schot met een vuurwapen in de richting van een bewegend persoon vanaf zo’n korte afstand een aanmerkelijke kans oplevert dat die persoon daardoor komt te overlijden en dat het afvuren van zo’n schot naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zodanig is gericht op de dood van het slachtoffer, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden bewust heeft aanvaard. Het hof heeft overwogen dat dit niet anders wordt indien zou worden aangenomen dat de verdachte heeft willen schieten in de richting van een been.
13. Voor zover wordt aangevoerd dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van de vraag of de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden door zijn handelen. Voor zover hierover wordt geklaagd, faalt het middel, nu uit de overwegingen van het hof volgt dat het toepassing heeft gegeven aan het hiervoor weergegeven jurisprudentiële kader.
14. In verband met de klacht dat het hof nader had dienen te motiveren waarom de verdachte ook in de situatie dat hij op één van de benen van het slachtoffer heeft willen schieten voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad, wijzen de stellers van het middel op een arrest van Uw Raad van 30 mei 2017. [3]
15. In de betreffende zaak was een poging tot doodslag op twee slachtoffers bewezenverklaard. Die poging bestond erin dat met een vuurwapen in de richting van elk van beide slachtoffers was geschoten. Uit de vaststellingen van het hof volgde dat het eerste slachtoffer in zijn bovenlichaam was geraakt toen hij op ongeveer twee meter afstand van de verdachte stond. Toen beide slachtoffers vervolgens uit de woning van de verdachte waren gerend, was de verdachte hen achterna gelopen. De slachtoffers waren weggelopen in een richting waar zij niet weg konden; toen zij weer terug zijn richting op kwamen had verdachte het tweede slachtoffer in zijn been geschoten. Een onder de bewijsmiddelen opgenomen verklaring van de verdachte hield inzake dit schot in: ‘Ik heb toen eenmaal geschoten, ik schoot laag’. Het hof oordeelde desondanks dat verdachte ‘wel degelijk willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat vitale lichaamsdelen van (het slachtoffer) zouden worden geraakt en dat (het slachtoffer) hierdoor zou komen te overlijden’ en dat ‘het opzet van de verdachte voorwaardelijk op dat gevolg (was) gericht en niet slechts op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel’. Uw Raad overwoog dat ’s hofs oordeel niet zonder meer begrijpelijk was en nam daarbij in aanmerking dat de verdachte had verklaard dat hij eenmaal laag had geschoten en dat het hof had vastgesteld dat de verdachte ‘gericht laag’ had geschoten.
16. De feiten en omstandigheden die door het hof in de betreffende zaak waren vastgesteld verschillen op een aantal punten van de feiten en omstandigheden die het hof in de onderhavige zaak heeft vastgesteld. Het schot op het tweede slachtoffer is van enige afstand gelost, terwijl beide slachtoffers terug kwamen lopen in de richting van de verdachte. De verdachte werd door de slachtoffers niet gehinderd bij het schieten, en had enige tijd om te richten. Het tweede slachtoffer is ook daadwerkelijk in zijn been geraakt. In de onderhavige zaak heeft de verdachte geschoten toen er ongeveer een armlengte afstand tussen hem en het slachtoffer zat, terwijl het slachtoffer de verdachte totdat hij schoot bij zijn pols vasthad en een stap naar voren deed in de richting van de verdachte. En het slachtoffer is in zijn buik geraakt. Het hof heeft bij de vaststelling van het opzet ook in het bijzonder betekenis toegekend aan de omstandigheid dat het ging om een schot met een vuurwapen in de richting van een bewegend persoon vanaf zo’n korte afstand.
17. In het licht van een en ander meen ik dat de vergelijking met de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van 30 mei 2017 niet opgaat.
18. De door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden kunnen ook worden gelegd naast de feiten en omstandigheden die het hof had vastgesteld in een zaak waarin Uw Raad op 11 juli 2023 arrest wees. [4] In die zaak was een poging tot doodslag bewezenverklaard; de verdachte had met een vuurwapen een kogel op de aangever afgevuurd. Het hof had vastgesteld dat de verdachte aan de passagierskant van de auto stond en zijn wapen door het open raam had gericht terwijl de aangever aan de bestuurderskant van de auto zat, dat de aangever was geraakt in zijn rechterheup en dat de kogel in het ziekenhuis uit de bil van aangever was verwijderd. Het hof had overwogen dat met het door de verdachte op korte afstand met een vuurwapen schieten op de aangever, die zich in een kleine ruimte – een auto – bevond, sprake was van een aanmerkelijke kans dat vitale lichaamsdelen van aangever zouden worden geraakt, waardoor hij zou komen te overlijden. Daarbij achtte het hof van belang dat de verdachte geen geoefende schutter was, dat de aangever achter het stuur van een auto zat, dat de verdachte niet wist hoe de aangever zou reageren en dat de aangever was geraakt in de heup, derhalve op een plaats dichtbij vitale delen van het lichaam. Onder deze omstandigheden was het hof van oordeel dat aan de verklaring van de verdachte dat hij opzettelijk naar beneden had geschoten en de aangever niet dodelijk had willen raken, ‘niet de door de verdachte gewenste betekenis kan worden toegekend.’ Uw Raad overwoog dat ’s hofs oordeel dat de verdachte met het voor een poging tot doodslag vereiste opzet had gehandeld, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigde en dat dat oordeel – ook in het licht van het gevoerde verweer – toereikend was gemotiveerd
19. Relevant is ook een vergelijking met de feiten en omstandigheden die het hof had vastgesteld in een zaak waarin Uw Raad op 16 oktober 2018 arrest wees. [5] De verdachte was in die zaak veroordeeld voor twee pogingen tot doodslag, bestaande in het schieten met een vuurwapen in de richting van beide slachtoffers. Het hof had vastgesteld dat de verdachte een vuurwapen had gepakt toen hij zag dat de slachtoffers kwamen aanlopen en dat hij wist dat het vuurwapen geladen was. Daarnaast had het hof vastgesteld dat de verdachte met het vuurwapen – waarvan hij niet precies wist hoe het werkte – in de hand naar de deur was gelopen, in de richting van één van beide slachtoffers had gericht en had geschoten en dat de verdachte het vuurwapen daarna had gericht op het andere slachtoffer en hem in zijn onderbeen had geraakt. Volgens het hof was onder deze omstandigheden, in een dynamische situatie waarbij de potentiële slachtoffers in beweging waren, sprake van een aanmerkelijke kans dat de slachtoffers dodelijk zouden worden getroffen door de door de verdachte afgevuurde kogels en konden de gedragingen van de verdachte, in het bijzonder het meermalen van betrekkelijke korte afstand met een vuurwapen gericht schieten op een persoon, naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood van die persoon gericht dat het niet anders kon zijn geweest dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust had aanvaard. Uw Raad overwoog dat ‘s hofs oordeel geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk was.
20. Net als in de zaak die op 11 juli 2023 aan de orde was, heeft de verdachte op korte afstand op het slachtoffer geschoten. Net als in de zaak die op 16 oktober 2018 aan de orde was, ligt in de vaststellingen van het hof besloten dat sprake was van een dynamische situatie waarbij het slachtoffer in beweging was. Daar komt bij dat het hof, zoals gezegd, in de onderhavige zaak heeft vastgesteld dat de afstand tussen de verdachte en het slachtoffer slechts een armlengte was, dat het slachtoffer de verdachte totdat hij schoot bij zijn pols vasthad en dat het slachtoffer een stap naar voren deed in de richting van de verdachte. Gelet op een en ander meen ik dat ’s hofs oordeel dat het handelen van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zodanig was gericht op de dood van het slachtoffer, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden bewust heeft aanvaard, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend is gemotiveerd. In ’s hofs overwegingen ligt voorts besloten dat en waarom het verweer dat de verdachte geen opzet op de dood van het slachtoffer had, indien en voor zover dat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunten dient te worden aangemerkt, toereikend gemotiveerd is verworpen.
21. Het middel faalt.
Bespreking van het tweede middel
22. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen heeft geoordeeld dat het bewezenverklaarde feit strafbaar is, in het bijzonder dat de verdachte ‘bij zijn verdediging tegen de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] niet heeft voldaan aan de proportionaliteitseis’, waardoor aan hem geen geslaagd beroep op noodweer toekomt. Daarmee zou het hof een onjuiste maatstaf hebben aangelegd voor wat betreft de proportionaliteitseis, de beslissing onbegrijpelijk en/of ontoereikend hebben gemotiveerd en/of het noodweerverweer hebben verworpen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
23. Bij de beoordeling van het beroep op noodweer is het hof ervan uitgegaan dat het slachtoffer de verdachte heeft geprobeerd te beroven van zijn drugs(bolletjes) en hem daartoe herhaaldelijk heeft vastgepakt en schreeuwend heeft gemaand om drugs te geven, dat [getuige 1] gedurende dit incident achter de verdachte stond en hem in de rug heeft geduwd, dat de verdachte een doorgeladen vuurwapen heeft gepakt en van zeer dichtbij het slachtoffer, dat hem bij zijn pols vasthad en op dat moment een stap naar voren deed, in zijn buik heeft geschoten en dat bij het slachtoffer geen mes of enig ander wapen is aangetroffen en het niet aannemelijk is geworden dat het slachtoffer een beweging heeft gemaakt met de bedoeling om een wapen te pakken.
24. Op grond van deze feiten en omstandigheden heeft het hof vastgesteld dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer en dat de verdachte zich in beginsel tegen deze aanval mocht verdedigen. Het hof heeft echter geoordeeld dat de gekozen wijze van verdediging, bestaande in het van zeer dichtbij op het slachtoffer schieten, ‘volstrekt niet in een redelijke verhouding (stond) tot de ernst van de hiervoor geschetste aanranding’. Die aanranding kwam er, aldus het hof, in de kern op neer dat het latere slachtoffer de verdachte ‘op verbaal-agressieve wijze duidelijk maakte dat hij (een paar bolletjes) drugs wilde, waarbij hij met de verdachte heeft geworsteld in die zin dat hij hem bij zijn arm/pols greep en dat [getuige 1] hem in de rug heeft geduwd’. Het hof oordeelde dat niet was voldaan aan de proportionaliteitseis en verwierp het beroep op noodweer.
25. De stellers van het middel voeren aan dat het hof een te strenge maatstaf heeft aangelegd door te oordelen dat het handelen van de verdachte volstrekt niet in een redelijke verhouding tot de ernst van de hiervoor geschetste aanranding stond.
26. Naar het mij voorkomt heeft het hof de geldende maatstaf daarmee niet miskend. In het oordeel dat het handelen volstrekt niet in een redelijke verhouding tot de ernst van de geschetste aanranding stond, ligt – meen ik – besloten dat het hof heeft geoordeeld dat de gedraging (het van zeer dichtbij schieten met een vuurwapen in de richting van het lichaam van het slachtoffer) in een onredelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding.
27. De eerste deelklacht faalt.
28. De stellers van het middel voeren voorts aan dat ’s hofs oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zou zijn doordat het hof in het midden heeft gelaten of het slachtoffer ten tijde van de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte onder invloed van verdovende middelen is geweest. Een vaststelling op dit punt zou van belang zijn voor de beoordeling van de hevigheid en intensiteit van de aanranding.
29. Uit de bewijsmiddelen en ’s hofs overwegingen inzake de bewezenverklaring en de strafbaarheid van de verdachte kan niet worden opgemaakt of het hof ervan is uitgegaan dat [slachtoffer] en [getuige 1] onder invloed waren op het moment van het incident. Kennelijk heeft het hof dat niet van belang geacht voor de beoordeling van het verweer. Het hof heeft zich wel uitgelaten over de hevigheid en intensiviteit van de aanranding. Het heeft vastgesteld dat sprake was van een situatie waarin het latere slachtoffer de verdachte op verbaal-agressieve wijze duidelijk maakte dat hij (een paar bolletjes) drugs wilde, en dat hij met de verdachte geworsteld heeft in die zin dat hij hem bij zijn arm/pols greep en dat [getuige 1] de verdachte in de rug heeft geduwd.
30. Dat het hof zich niet heeft uitgelaten over het al dan niet onder invloed zijn van [slachtoffer] en [getuige 1], doet naar het mij voorkomt niet af aan de toereikendheid van de vaststellingen van het hof. Ik neem daarbij in aanmerking dat bij de beoordeling van de reactie van de verdachte niet de oorzaken van de gedragingen van het slachtoffer en [getuige 1] maar die gedragingen zelf bepalend zijn. Ik merk voorts op dat het gevoerde verweer het hof geen aanleiding gaf in te gaan op de mogelijkheid dat het slachtoffer en [getuige 1] onder invloed van verdovende middelen waren. In de randnummers 13 en 14 van de pleitnota is slechts aangegeven dat en waarom de verdediging aanneemt dat het slachtoffer die avond onder invloed van verdovende middelen was en dat dit zijn gedrag heeft beïnvloed. In de randnummers 61 en 64 wordt aan die aanname gerefereerd. Uit een en ander kan niet worden afgeleid dat een expliciete vaststelling volgens de verdediging van belang was voor de beoordeling van de hevigheid en intensiteit van de aanranding.
31. De tweede deelklacht faalt.
32. De stellers van het middel klagen voorts dat het hof de omstandigheid dat sprake was van een zeer kortdurend conflict niet, althans niet kenbaar, heeft betrokken bij de beantwoording van de vraag of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. Deze omstandigheid zou van belang zijn bij de beoordeling van de ‘psychologische werkelijkheid’ van de verdachte.
33. Het hof heeft onder het kopje ‘Strafbaarheid van de verdachte’ niet expliciet stilgestaan bij de duur van het incident. Onder het kopje ‘Feiten en omstandigheden waarvan het hof uitgaat’ heeft het hof echter wel overwogen dat sprake was van een zeer kortdurend conflict en dat de verdachte nadat hij het kennelijk doorgeladen vuurwapen uit zijn tas had gepakt vrijwel direct éénmaal heeft geschoten op het slachtoffer. Dat het hof de korte duur van het incident niet heeft herhaald in de onder het kopje ‘Strafbaarheid van de verdachte’ opgenomen samenvattende weergave van de feiten en omstandigheden waarvan het is uitgegaan, doet er niet aan af dat uit die overwegingen in hun geheel bezien volgt dat het hof die korte duur wel degelijk bij de beoordeling van het verweer heeft betrokken. Voor zover wordt geklaagd dat het hof dit niet (kenbaar) zou hebben gedaan, berust het middel derhalve op een onjuiste lezing van het arrest.
34. De derde deelklacht faalt.
35. De stellers van het middel klagen voorts dat het hof niet (kenbaar) zou hebben stilgestaan bij de wijze waarop de verdachte gebruik heeft gemaakt, dan wel heeft willen maken, van het gekozen verdedigingsmiddel. Daarbij zou van belang zijn dat het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat de verdachte in de richting van één van de benen van het slachtoffer heeft willen schieten en dat de verdachte heeft geschoten op het moment waarop het slachtoffer een stap naar voren deed.
36. Anders dan de stellers van het middel meen ik dat het hof wel degelijk rekening heeft gehouden met de gekozen wijze van verdediging. Het hof heeft overwogen dat de verdachte ervoor heeft gekozen zich te verdedigen door ‘van zeer dichtbij op het slachtoffer te schieten’. Daarbij heeft het hof, gelet op de overwegingen inzake het bewijs, de mogelijkheid opengelaten dat de verdachte op één van de benen van het slachtoffer heeft willen schieten, en is het ervan uitgegaan dat het slachtoffer ‘op dat moment een stap naar voren deed’. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de gekozen wijze van verdediging ‘volstrekt niet in een redelijke verhouding tot de ernst van de hiervoor geschetste aanranding’ staat. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat daaraan niet afdoet dat het slachtoffer op dat moment een stap naar voren deed, en dat het niet anders komt te liggen ‘indien zou worden aangenomen dat de verdachte heeft willen schieten in de richting van een been’.
37. Dat oordeel is – meen ik – niet onbegrijpelijk. Ik neem daarbij in aanmerking dat uit de uitlatingen van het latere slachtoffer volgt dat hij uit was op drugs, en dat hij de verdachte geen letsel heeft toegebracht. Het hof overweegt dat het slachtoffer ‘met de verdachte heeft geworsteld in die zin dat hij hem bij zijn arm/pols greep en dat [getuige 1] hem in de rug heeft geduwd’. Daar tegenover staat dat schieten op het lichaam met een vuurwapen een zeer ernstige geweldshandeling is. [6]
38. De vierde deelklacht faalt.
39. De stellers van het middel klagen voorts dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is gemotiveerd doordat het hof niet (kenbaar) heeft stilgestaan bij de vaststelling dat de verdachte met het slachtoffer had afgesproken om drugs aan hem te verkopen, dat hij al een aantal keren (probleemloos) drugs aan het slachtoffer had verkocht en dat hij hem niet kende als een agressieve klant. Uit die omstandigheden zou dwingend voortvloeien dat de verdachte ‘in een onverwachte en explosieve situatie’ terecht is gekomen waarin hij ‘plotselinge keuzes heeft moeten maken’.
40. Voor noodweer is vereist dat sprake is van een ‘ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding’. Daarin ligt besloten dat bij noodweer dikwijls sprake is van een voor de verdachte onverwachte situatie waarin hij plotselinge keuzes moet maken. Uit de overwegingen van het hof volgt dat het hof het onverwachte van de situatie toereikend bij zijn beoordeling heeft betrokken. Onder het kopje ‘Feiten en omstandigheden waarvan het hof uitgaat’ heeft het hof vastgesteld dat het slachtoffer met de verdachte, die in drugs dealde, heeft afgesproken om drugs van hem te kopen, en overwogen dat de verdachte al een aantal keren drugs had verkocht aan het slachtoffer. Het hof overweegt voorts dat het slachtoffer met [getuige 1] naar de verdachte is toegelopen en tijdens die ontmoeting heeft geprobeerd de verdachte van drugs te beroven. Het hof stelt voorts vast dat sprake was van een zeer kortdurend conflict.
41. Aan de toereikendheid van de overwegingen van het hof doet niet af dat het hof in dit kader geen overwegingen heeft gewijd aan de inschatting van de persoon van het slachtoffer door de verdachte. Ik neem daarbij in aanmerking dat de pleitnotities daaromtrent slechts opmerken dat het slachtoffer één van de klanten van de verdachte was (randnummer 44). Tegelijk wordt wel vermeld dat ‘dealers vaker slachtoffer zijn geworden van steekincidenten’ en ook verdachte ‘hiermee slechte ervaringen heeft’ (randnummer 56) en dat in het ‘gevaarlijke milieu’ waarin de verdachte en ook slachtoffer zich begaven niet zou kunnen worden gesteld dat het handelen van de verdachte ‘niet zou voldoen aan de eisen van proportionaliteit’ (randnummer 64).
42. De vijfde deelklacht faalt.
43. Tenslotte klagen de stellers van het middel dat het hof niet (kenbaar) zou hebben stilgestaan bij het feit dat het slachtoffer en [getuige 1] zich schijnbaar niet lieten afschrikken door het feit dat door de verdachte een vuurwapen ter hand werd genomen. Het hof zou niet inzichtelijk hebben gemaakt welk handelen in dat verband dan van de verdachte mocht worden verwacht na het ter hand nemen van het vuurwapen.
44. Anders dan de stellers van het middel meen ik dat het hof wel (kenbaar) heeft stilgestaan bij het feit dat [slachtoffer] en [getuige 1] zich schijnbaar niet lieten afschrikken door het feit dat door de verdachte een vuurwapen ter hand werd genomen. In de overwegingen van het hof onder het kopje ‘Feiten en omstandigheden waarvan het hof uitgaat’, in het bijzonder de vaststelling dat de verdachte op enig moment tijdens dit zeer kortdurende conflict een kennelijk doorgeladen vuurwapen uit zijn tas heeft gepakt en vrijwel direct éénmaal heeft geschoten, ligt besloten dat [slachtoffer] en [getuige 1] niet of nauwelijks tijd hebben gehad om zich te laten afschrikken door het ter hand nemen van het vuurwapen door de verdachte.
45. Voor zover wordt aangevoerd dat het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt welk ander handelen van de verdachte mocht worden verwacht na het ter hand nemen van het vuurwapen, meen ik dat dit geen eis is die het recht aan de motivering van een verwerping van een beroep op noodweer stelt. [7]
46. De zesde deelklacht faalt.
47. Alles overziend meen ik dat ’s hofs oordeel dat het handelen van de verdachte volstrekt niet in een redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding en dat derhalve niet is voldaan aan de proportionaliteitseis, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk is en, ook in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, toereikend is gemotiveerd.
48. Het middel faalt.
Bespreking van het derde middel
49. Het derde middel bevat de klacht dat het hof op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen heeft geoordeeld dat de verdachte strafbaar is, meer in het bijzonder dat niet aannemelijk is geworden dat bij de verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging direct voorafgaand aan of op het moment dat hij schoot en dat het hof het niet aannemelijk acht dat sprake is geweest van een dermate hevige gemoedsbeweging dat deze van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging, waardoor aan de verdachte ‘geen geslaagd beroep op noodweerexces toekomt’. Het hof zou daarmee een onjuiste maatstaf hebben aangelegd, de beslissing onbegrijpelijk en/of ontoereikend hebben gemotiveerd en het verweer inhoudend dat verdachte ‘een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt’ ontoereikend gemotiveerd hebben verworpen.
50. Het hof heeft vooropgesteld dat voor noodweerexces geldt dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn lijf of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was. En dat uit het wettelijk vereiste dat de gedraging het ‘onmiddellijk gevolg’ moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde ‘onmiddellijk gevolg’, kan volgens het hof betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.
51. Vervolgens heeft het hof (onder meer) overwogen dat het wil aannemen dat de verdachte door het handelen van het slachtoffer behoorlijk is geschrokken, maar dat het niet aannemelijk acht dat het slachtoffer ‘door zijn handelen bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt die van doorslaggevend belang is geweest voor het schieten door de verdachte’. Anders dan de verklaring van de verdachte dat hij in paniek was, mede vanwege eerdere ervaringen met agressie door mensen uit de ‘drugswereld’, bevat het dossier volgens het hof geen aanknopingspunten dat bij de verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging direct voorafgaand aan of op het moment dat hij schoot. Bovendien was de reactie van de verdachte richting het slachtoffer onder de gegeven omstandigheden volgens het hof zeer buitensporig. Daarbij betrekt het hof, zo begrijp ik, dat uit het handelen en de uitlatingen van het slachtoffer niet is gebleken dat hij de intentie had om de verdachte (ernstig) letsel toe te brengen, dat het slachtoffer geen wapen bij zich had en dat de verdachte het slachtoffer niet kende als een agressieve klant maar meermalen zonder problemen drugs aan hem had verkocht. Het hof is van oordeel dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zeer fors zijn overschreden. Gelet op een en ander acht het hof het niet aannemelijk dat sprake is geweest van een dermate hevige gemoedsbeweging dat deze van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging.
52. De stellers van het middel voeren in de eerste plaats aan dat het hof een onjuiste en te strenge maatstaf heeft aangelegd door enerzijds te overwegen dat het dossier verder geen aanknopingspunten bevat dat bij de verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging direct voorafgaand aan of op het moment dat hij schoot en anderzijds te concluderen dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een dermate hevige gemoedsbeweging dat deze van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Aldus zou het hof niet duidelijk maken of het een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in art. 41, tweede lid, Sr niet aannemelijk heeft geacht dan wel of het de door het gestelde incident veroorzaakte gemoedsbeweging niet van doorslaggevend belang heeft geacht voor de verweten gedraging.
53. Het hof heeft onder meer overwogen dat het wil aannemen ‘dat de verdachte door het handelen van het slachtoffer behoorlijk is geschrokken’ maar dat het dossier ‘anders dan de verklaring van de verdachte dat hij in paniek was mede vanwege eerdere ervaringen met agressie door mensen uit de ‘drugswereld’, geen aanknopingspunten (bevat) dat bij de verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging’ direct voorafgaand aan of op het moment dat hij schoot. Daaruit maak ik op dat het hof niet aannemelijk heeft geacht dat bij de verdachte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in art. 41, tweede lid, Sr. Uit die vaststelling volgt dat bij de verdachte ook geen sprake was van een hevige gemoedsbeweging die van doorslaggevend belang is geweest voor het schieten.
54. Aldus gelezen liggen de overwegingen van het hof in elkaars verlengde en is van onduidelijkheid geen sprake.
55. Daarmee faalt deze eerste deelklacht.
56. De stellers van het middel voeren vervolgens aan dat ’s hofs oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zou zijn. Het hof zou bij de verwerping van het beroep op noodweerexces ten onrechte hebben betrokken dat niet is gebleken dat het slachtoffer de intentie had om verdachte (ernstig) letsel toe te brengen en dat het slachtoffer, naar achteraf is gebleken, geen wapen bij zich droeg. Het hof zou met die overweging hebben miskend dat een beroep op noodweerexces een normatieve beoordeling vergt, waarbij moet worden beoordeeld wat van de verdachte redelijkerwijs kon worden gevergd en waarbij moet worden uitgegaan van een ‘enigszins geobjectiveerde waarneming ten tijde van de gebeurtenissen’.
57. Het hof heeft overwogen dat uit het handelen en de uitlatingen van het latere slachtoffer niet is gebleken dat hij de intentie had om de verdachte (ernstig) letsel toe te brengen en dat hij geen wapen bij zich had. Het hof heeft die vaststellingen, zo volgt uit de opbouw van ‘s hofs overwegingen, mede ten grondslag gelegd aan het oordeel dat het niet aannemelijk acht dat het slachtoffer door zijn handelen bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt (die van doorslaggevend belang is geweest voor het schieten door de verdachte).
58. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof het ontbreken van een intentie bij het slachtoffer om letsel toe te brengen als zodanig ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel dat niet aannemelijk is dat de aanranding bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt, berust het op een onjuiste lezing van ’s hofs overwegingen. Dat het hof de vaststellingen inzake ‘het handelen en de uitlatingen’ van het latere slachtoffer mede aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd is niet onbegrijpelijk. [8]
59. In de vaststelling dat het slachtoffer geen wapen bij zich had, ligt besloten dat de verdachte bij het slachtoffer geen wapen kan hebben gezien. En dat derhalve geen sprake is van een situatie waarin de waarneming van een wapen tot een hevige gemoedsbeweging heeft kunnen leiden. Het hof heeft onder het kopje ‘Noodweersituatie’ expliciet overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was ‘van een onmiddellijk dreigend gevaar dat eruit bestond dat het slachtoffer een mes of ander wapen zou pakken’.
60. De tweede deelklacht faalt.
61. De stellers van het middel voeren voorts aan dat het hof de omstandigheid dat sprake was van een zeer kortdurend conflict niet (kenbaar) heeft betrokken bij de beantwoording van de vraag of aannemelijk is geworden dat de bij verdachte veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Die vaststelling zou van groot belang zijn bij de beoordeling van de aard en intensiteit van de ogenblikkelijke aanranding, en daarmee voor de beantwoording van de vraag of aannemelijk is geworden dat bij de verdachte sprake is geweest van een dermate hevige gemoedsbeweging dat deze van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging.
62. Anders dan de stellers van het middel meen ik dat het hof de omstandigheid dat sprake was van een zeer kortdurend conflict wel (kenbaar) heeft betrokken bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces. Het hof heeft onder het kopje ‘Feiten en omstandigheden waarvan het hof uitgaat’ overwogen dat sprake was van een zeer kortdurend conflict en dat de verdachte nadat hij het kennelijk doorgeladen vuurwapen uit zijn tas had gepakt vrijwel direct éénmaal heeft geschoten op het slachtoffer. Dat het hof de korte duur van het incident niet heeft herhaald in de onder het kopje ‘Strafbaarheid van de verdachte’ opgenomen samenvattende weergave van de feiten en omstandigheden waarvan het is uitgegaan, doet er niet aan af dat uit die overwegingen in hun geheel bezien volgt dat het hof die korte duur wel degelijk bij de beoordeling van de verschillende verweren heeft betrokken.
63. De derde deelklacht faalt.
64. In de toelichting wordt daarna geklaagd dat het hof niet (kenbaar) heeft stilgestaan bij de wijze waarop de verdachte van het gekozen verdedigingsmiddel gebruik heeft gemaakt dan wel heeft willen maken. De stellers van het middel wijzen er daarbij op dat het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat de verdachte in de richting van één van de benen van het slachtoffer heeft willen schieten en dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte heeft geschoten op het moment dat het slachtoffer een stap naar voren deed. Die omstandigheden zouden van groot belang zijn bij de beoordeling van de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden.
65. Naar het mij voorkomt heeft het hof bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces wel degelijk rekening heeft gehouden met de gekozen wijze van verdediging. Het hof heeft in de samenvattende weergave van de feiten onder het kopje ‘Strafbaarheid van de verdachte’ overwogen dat de verdachte ‘van zeer dichtbij het slachtoffer (…) in zijn buik heeft geschoten’. Gelet op de overwegingen inzake het bewijs heeft het hof de mogelijkheid opengelaten dat de verdachte op één van de benen van het slachtoffer heeft willen schieten, en is het ervan uitgegaan dat het slachtoffer ‘op dat moment een stap naar voren deed’.
66. Het hof heeft inzake het beroep op noodweerexces overwogen dat het niet aannemelijk acht dat het slachtoffer door zijn handelen bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt (die van doorslaggevend belang is geweest voor het schieten door de verdachte). Die overweging, die de verwerping van het beroep op noodweerexces zelfstandig draagt, staat los van de wijze waarop de verdachte van het gekozen verdedigingsmiddel gebruik heeft gemaakt. Het hof heeft daarnaast overwogen dat de reactie van de verdachte richting het slachtoffer zeer buitensporig was, en dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zeer fors zijn overschreden. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof geoordeeld dat daaraan niet afdoet dat het slachtoffer een stap in de richting van de verdachte heeft gedaan, en dat het oordeel niet anders uitvalt ‘indien zou worden aangenomen dat de verdachte heeft willen schieten in de richting van een been’.
67. De vierde deelklacht faalt.
68. De stellers van het middel voeren vervolgens aan dat het hof de omstandigheid dat de verdachte al een aantal keren (probleemloos) drugs had verkocht aan het slachtoffer en hem niet kende als een agressieve klant, ten onrechte ten nadele van de verdachte lijkt te hebben uitgelegd. Uit deze omstandigheden zou juist dwingend voortvloeien dat de verdachte in een onverwachte en explosieve situatie terecht was gekomen doordat hij dit keer – en aldus in afwijking van de vorige keren – op fysieke en verbaal agressieve wijze werd beroofd door het latere slachtoffer.
69. Uit de overwegingen van het hof kan worden afgeleid dat het hof mee heeft gewogen dat de verdachte het slachtoffer niet kende als een agressieve klant en meermalen zonder problemen drugs aan hem had verkocht. Het hof heeft mede in dat licht kennelijk vastgesteld dat het dossier geen aanknopingspunten biedt dat bij de verdachte direct voorafgaand aan of op het moment dat hij schoot sprake was van een hevige gemoedsbeweging, en dat de reactie van de verdachte onder de gegeven omstandigheden zeer buitensporig was. Dat is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de situatie zich tijdens het zeer kortdurende conflict voor de verdachte onverwacht heeft ontwikkeld, ik roep daarbij in herinnering dat dit een kenmerk is van veel noodweersituaties.
70. De vijfde deelklacht faalt.
71. De stellers van het middel klagen ook dat het hof in het midden heeft gelaten of het slachtoffer ten tijde van de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte onder invloed van verdovende middelen is geweest. Een vaststelling op dit punt zou van belang zijn voor de beoordeling van de aard en intensiteit van de aanranding.
72. Uit de bewijsmiddelen en ’s hofs overwegingen kan niet worden opgemaakt of het hof ervan is uitgegaan dat het slachtoffer en [getuige 1] onder invloed waren op het moment van het incident. Kennelijk heeft het hof dat niet van belang geacht voor de beoordeling van het verweer. Het hof heeft zich wel uitgelaten over de hevigheid en intensiviteit van de aanranding. Het heeft vastgesteld dat sprake was van een situatie waarin het latere slachtoffer ‘met het nodige duw- en trekwerk en verbale aanmaningen (heeft) geprobeerd om de verdachte een paar bolletjes drugs afhandig te maken’.
73. Dat het hof zich niet heeft uitgelaten over het al dan niet onder invloed zijn van het slachtoffer en [getuige 1] doet naar het mij voorkomt niet af aan de toereikendheid van de vaststellingen van het hof. Ik neem daarbij in aanmerking dat bij de beoordeling van de reactie van de verdachte niet de oorzaken van de gedragingen van het slachtoffer en [getuige 1] maar die gedragingen zelf bepalend zijn. Ik merk voorts op dat het gevoerde verweer het hof geen aanleiding gaf in te gaan op de mogelijkheid dat het slachtoffer en [getuige 1] onder invloed van verdovende middelen waren. In de randnummers 13 en 14 van de pleitnota is slechts aangegeven dat en waarom de verdediging aanneemt dat het slachtoffer die avond onder invloed van verdovende middelen was en dat dit zijn gedrag heeft beïnvloed. In de randnummers 61 en 64 wordt aan die aanname gerefereerd. Uit een en ander kan niet worden afgeleid dat een expliciete vaststelling volgens de verdediging van belang was voor de beoordeling van het beroep op noodweerexces.
74. De zesde deelklacht faalt.
75. De stellers van het middel voeren tenslotte aan dat het hof nader had moeten motiveren waarom de omstandigheid dat de verdachte behoorlijk is geschrokken door het handelen van het latere slachtoffer ‘onvoldoende dragend is voor de conclusie dat sprake is geweest van een dermate hevige gemoedsbeweging dat deze van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging.’
76. In de vaststelling dat de verdachte ‘behoorlijk is geschrokken’ ligt niet besloten dat het handelen en de uitlatingen van het latere slachtoffer bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging hebben teweeggebracht. In hetgeen het hof overigens heeft vastgesteld en overwogen ligt in toereikende mate besloten waarom het hof niet aannemelijk acht dat door dat handelen een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte is veroorzaakt. Het hof heeft dat gelet op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ook toereikend gemotiveerd.
77. De zevende deelklacht faalt.
78. Daarmee faalt het middel.
Bespreking van het vierde middel
79. Het vierde middel bevat de klacht dat het hof op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen heeft geoordeeld dat de verdachte strafbaar is, meer specifiek dat de verdachte ‘zich het gestelde dreigende gevaar – dat hij mogelijk zou worden aangevallen met een mes – niet verontschuldigbaar heeft ingebeeld’ terwijl hij ‘bovendien niet heeft mogen menen dat hij zich tegen dat gestelde gevaar moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan’, waardoor aan de verdachte geen geslaagd beroep op putatief noodweer toekomt. Het hof zou daarmee een onjuiste maatstaf hebben aangelegd, de beslissing onbegrijpelijk en/of ontoereikend hebben gemotiveerd en het verweer dat verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt op ontoereikende gronden hebben verworpen.
80. Het hof heeft overwogen dat de verdachte, gelet op zijn eerste verklaring, er niet zozeer van overtuigd was dat het slachtoffer een mes zou pakken, maar gelet op de beweging van het slachtoffer heeft gemeend dat er een kans was dat dat zou gebeuren. Het hof heeft vervolgens overwogen dat uit het handelen en de uitlatingen van het slachtoffer niet is gebleken dat hij de intentie had om de verdachte (ernstig) letsel toe te brengen, dat de verdachte het slachtoffer ook niet kende als een agressieve klant en dat hij juist meermalen zonder problemen drugs aan hem had verkocht. Deze keer had het slachtoffer, aldus het hof, ‘kennelijk geen geld om drugs voor zijn verslaving te kopen en heeft hij met duw- en trekwerk en verbale aanmaningen geprobeerd om de verdachte een paar bolletjes drugs afhandig te maken’. Het hof is van oordeel dat de verdachte onder die omstandigheden zich het gestelde dreigende gevaar – dat hij mogelijk zou worden aangevallen met een mes – niet verontschuldigbaar heeft ingebeeld en bovendien niet heeft mogen menen dat hij zich tegen dat gestelde gevaar moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan.
81. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof een onjuiste en te strenge maatstaf heeft aangelegd omdat het geen overwegingen heeft gewijd aan het verweer dat de verdachte de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld en hem om die reden een geslaagd beroep op verontschuldigbare dwaling ten aanzien van noodweer toekomt.
82. Het hof is in zijn overwegingen ingegaan op de eerdere ervaringen die de verdachte met het slachtoffer had gehad en de feiten waarin de wederrechtelijke aanranding bestond (‘duw- en trekwerk en verbale aanmaningen’). Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de verdachte onder die omstandigheden zich het gestelde dreigende gevaar niet verontschuldigbaar heeft ingebeeld. In dat oordeel en de gronden waarop het berust ligt, meen ik, besloten dat het hof van oordeel is dat de verdachte de aard van de dreiging niet verontschuldigbaar verkeerd heeft beoordeeld. [9] Dat brengt mee dat deze deelklacht op een verkeerde lezing van het bestreden arrest berust.
83. De eerste deelklacht faalt.
84. De stellers van het middel voeren vervolgens aan dat ’s hofs oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is nu het hof bij de verwerping van het beroep op putatief noodweer ten onrechte heeft betrokken dat niet is gebleken dat het slachtoffer de intentie had om de verdachte (ernstig) letsel toe te brengen. Het hof zou daarmee hebben miskend dat bij de beoordeling van het beroep op putatief noodweer de beoordeling van de objectieve waarnemer ten tijde van het handelen beslissend is.
85. Het hof heeft overwogen dat uit ‘het handelen en de uitlatingen van het slachtoffer niet is gebleken dat hij de intentie had om de verdachte (ernstig) letsel toe te brengen’. Uit die bewoordingen volgt dat het hof bij de beoordeling van het beroep op putatief noodweer niet de (verborgen) intentie van het slachtoffer heeft betrokken, maar het (waarneembare) handelen en de (waarneembare) uitlatingen van het slachtoffer waaruit die intentie blijkt. Nu deze klacht van een andere lezing van deze overweging uitgaat, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.
86. De tweede deelklacht faalt.
87. De stellers van het middel voeren voorts aan dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is doordat het hof de omstandigheid dat sprake was van een zeer kortdurend conflict niet (kenbaar) heeft betrokken bij de beantwoording van de vraag of aan de verdachte een geslaagd beroep op putatief noodweer toekomt. Die vaststelling zou van groot belang zijn bij de beoordeling van de aard en intensiteit van de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
88. Anders dan de stellers van het middel meen ik dat het hof de omstandigheid dat sprake was van een zeer kortdurend conflict wel (kenbaar) heeft betrokken bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces. Het hof heeft onder het kopje ‘Feiten en omstandigheden waarvan het hof uitgaat’ overwogen dat sprake was van een zeer kortdurend conflict en dat de verdachte nadat hij het kennelijk doorgeladen vuurwapen uit zijn tas had gepakt vrijwel direct éénmaal heeft geschoten op het slachtoffer. Dat het hof de korte duur van het incident niet heeft herhaald in de onder het kopje ‘Strafbaarheid van de verdachte’ opgenomen samenvattende weergave van de feiten en omstandigheden waarvan het is uitgegaan, doet er niet aan af dat uit ‘s hofs overwegingen in hun geheel bezien volgt dat het hof die korte duur wel degelijk bij de beoordeling van de verschillende verweren heeft betrokken.
89. De derde deelklacht faalt.
90. De stellers van het middel voeren ook aan dat het hof de omstandigheid dat de verdachte al een aantal keer (probleemloos) drugs had verkocht aan het slachtoffer en het slachtoffer niet kende als een agressieve klant, ten onrechte ten nadele van de verdachte lijkt te hebben uitgelegd, terwijl uit deze omstandigheden juist dwingend zou voortvloeien dat de verdachte in een onverwachte en explosieve situatie terecht is gekomen doordat hij dit keer – in afwijking van de vorige keren – op fysieke en verbaal agressieve wijze werd beroofd door het slachtoffer, die daarbij ook nog werd bijgestaan door [getuige 1].
91. Uit de overwegingen van het hof volgt dat het hof mee heeft gewogen dat de verdachte het slachtoffer niet kende als een agressieve klant en meermalen zonder problemen drugs aan hem had verkocht. Het hof heeft dat kennelijk aangemerkt als een omstandigheid die meebrengt dat de verdachte zich het gestelde dreigende gevaar niet verontschuldigbaar heeft ingebeeld. Dat is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de situatie zich tijdens het zeer kortdurende conflict voor de verdachte onverwacht heeft ontwikkeld; ik roep daarbij in herinnering dat dit een kenmerk is van veel noodweersituaties.
92. De vierde deelklacht faalt.
93. De stellers van het middel klagen ook dat het hof in het midden heeft gelaten of het slachtoffer onder invloed van verdovende middelen was. Aangevoerd wordt dat een vaststelling op dit punt van belang is voor de beoordeling van de aard en intensiteit van de ogenblikkelijke aanranding.
94. Uit de bewijsmiddelen en ’s hofs overwegingen kan niet worden opgemaakt of het hof ervan is uitgegaan dat het slachtoffer en [getuige 1] onder invloed waren op het moment van de aanranding. Kennelijk heeft het hof dat niet van belang geacht voor de beoordeling van het verweer. Het hof heeft zich wel uitgelaten over de hevigheid en intensiviteit van de aanranding. Het heeft vastgesteld dat sprake was van een situatie waarin het latere slachtoffer ‘met duw- en trekwerk en verbale aanmaningen (heeft) geprobeerd om de verdachte een paar bolletjes drugs afhandig te maken’.
95. Dat het hof zich niet heeft uitgelaten over het al dan niet onder invloed zijn van het slachtoffer en [getuige 1], doet naar het mij voorkomt niet af aan de toereikendheid van de vaststellingen van het hof. Ik neem daarbij in aanmerking dat bij de beoordeling van de reactie van de verdachte niet de oorzaken van de gedragingen van het slachtoffer en [getuige 1] maar die gedragingen zelf bepalend zijn. Ik merk voorts op dat het gevoerde verweer het hof geen aanleiding gaf in te gaan op de mogelijkheid dat het slachtoffer en [getuige 1] onder invloed van verdovende middelen waren. In de randnummers 13 en 14 van de pleitnota is slechts aangegeven dat en waarom de verdediging aanneemt dat het slachtoffer die avond onder invloed van verdovende middelen was en dat dit zijn gedrag heeft beïnvloed. In de randnummers 61 en 64 wordt aan die aanname gerefereerd. Uit een en ander kan niet worden afgeleid dat een expliciete vaststelling op dit punt volgens de verdediging van belang was voor de beoordeling van het beroep op putatief noodweer.
96. De vijfde deelklacht faalt.
97. Het middel faalt.
Bespreking van het vijfde middel
98. Het vijfde middel bevat de klacht dat het hof op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen heeft volstaan met vermindering van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf van 8 jaren tot 7 jaren en 11 maanden wegens schending van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, althans die beslissing onbegrijpelijk en/of ontoereikend heeft gemotiveerd gelet op de omvang van de schending van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in hoger beroep. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat hetgeen in de pleitnotities onder de randnummers 73 en 74 ten aanzien van de strafmaat naar voren is gebracht, bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan als een verzoek tot vermindering van de op te leggen straf in verband met een schending van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn.
99. In randnummer 73 is de in eerste aanleg door de rechtbank opgelegde straf weergegeven en is het hof verzocht een lagere straf op te leggen. In randnummer 74 is vervolgens ingegaan op de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021 en de gevolgen die dat zou moeten hebben voor de aan de verdachte in hoger beroep op te leggen straf. Daarnaast is een vergelijking gemaakt met de straffen die recent in twee andere zaken waren opgelegd. Noch in randnummer 73, noch in randnummer 74 is melding gemaakt van het overschreden zijn van de redelijke termijn of aangevoerd welke gevolgen dat zou moeten hebben.
100. Uw Raad heeft in het overzichtsarrest inzake schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn overwogen dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voor de bestreden uitspraak wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd. [10]
101. Dat brengt mee dat het middel faalt.
Afronding
102. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
103. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456,
2.HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718,
3.HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973,
4.HR 11 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1043.
5.HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1943,
6.Vgl. HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982,
7.Zie de conclusie van A-G Frielink (randnummer 3.9) voor HR 10 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1411 (art. 81 RO Pro).
8.Vgl. in dit verband HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:485,
9.Ik wijs er daarbij op dat het hof rov. 3.7.2. uit HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456,
10.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,