22. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen heeft geoordeeld dat het bewezenverklaarde feit strafbaar is, in het bijzonder dat de verdachte ‘bij zijn verdediging tegen de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] niet heeft voldaan aan de proportionaliteitseis’, waardoor aan hem geen geslaagd beroep op noodweer toekomt. Daarmee zou het hof een onjuiste maatstaf hebben aangelegd voor wat betreft de proportionaliteitseis, de beslissing onbegrijpelijk en/of ontoereikend hebben gemotiveerd en/of het noodweerverweer hebben verworpen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
23. Bij de beoordeling van het beroep op noodweer is het hof ervan uitgegaan dat het slachtoffer de verdachte heeft geprobeerd te beroven van zijn drugs(bolletjes) en hem daartoe herhaaldelijk heeft vastgepakt en schreeuwend heeft gemaand om drugs te geven, dat [getuige 1] gedurende dit incident achter de verdachte stond en hem in de rug heeft geduwd, dat de verdachte een doorgeladen vuurwapen heeft gepakt en van zeer dichtbij het slachtoffer, dat hem bij zijn pols vasthad en op dat moment een stap naar voren deed, in zijn buik heeft geschoten en dat bij het slachtoffer geen mes of enig ander wapen is aangetroffen en het niet aannemelijk is geworden dat het slachtoffer een beweging heeft gemaakt met de bedoeling om een wapen te pakken.
24. Op grond van deze feiten en omstandigheden heeft het hof vastgesteld dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer en dat de verdachte zich in beginsel tegen deze aanval mocht verdedigen. Het hof heeft echter geoordeeld dat de gekozen wijze van verdediging, bestaande in het van zeer dichtbij op het slachtoffer schieten, ‘volstrekt niet in een redelijke verhouding (stond) tot de ernst van de hiervoor geschetste aanranding’. Die aanranding kwam er, aldus het hof, in de kern op neer dat het latere slachtoffer de verdachte ‘op verbaal-agressieve wijze duidelijk maakte dat hij (een paar bolletjes) drugs wilde, waarbij hij met de verdachte heeft geworsteld in die zin dat hij hem bij zijn arm/pols greep en dat [getuige 1] hem in de rug heeft geduwd’. Het hof oordeelde dat niet was voldaan aan de proportionaliteitseis en verwierp het beroep op noodweer.
25. De stellers van het middel voeren aan dat het hof een te strenge maatstaf heeft aangelegd door te oordelen dat het handelen van de verdachte volstrekt niet in een redelijke verhouding tot de ernst van de hiervoor geschetste aanranding stond.
26. Naar het mij voorkomt heeft het hof de geldende maatstaf daarmee niet miskend. In het oordeel dat het handelen volstrekt niet in een redelijke verhouding tot de ernst van de geschetste aanranding stond, ligt – meen ik – besloten dat het hof heeft geoordeeld dat de gedraging (het van zeer dichtbij schieten met een vuurwapen in de richting van het lichaam van het slachtoffer) in een onredelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding.
27. De eerste deelklacht faalt.
28. De stellers van het middel voeren voorts aan dat ’s hofs oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zou zijn doordat het hof in het midden heeft gelaten of het slachtoffer ten tijde van de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte onder invloed van verdovende middelen is geweest. Een vaststelling op dit punt zou van belang zijn voor de beoordeling van de hevigheid en intensiteit van de aanranding.
29. Uit de bewijsmiddelen en ’s hofs overwegingen inzake de bewezenverklaring en de strafbaarheid van de verdachte kan niet worden opgemaakt of het hof ervan is uitgegaan dat [slachtoffer] en [getuige 1] onder invloed waren op het moment van het incident. Kennelijk heeft het hof dat niet van belang geacht voor de beoordeling van het verweer. Het hof heeft zich wel uitgelaten over de hevigheid en intensiviteit van de aanranding. Het heeft vastgesteld dat sprake was van een situatie waarin het latere slachtoffer de verdachte op verbaal-agressieve wijze duidelijk maakte dat hij (een paar bolletjes) drugs wilde, en dat hij met de verdachte geworsteld heeft in die zin dat hij hem bij zijn arm/pols greep en dat [getuige 1] de verdachte in de rug heeft geduwd.
30. Dat het hof zich niet heeft uitgelaten over het al dan niet onder invloed zijn van [slachtoffer] en [getuige 1], doet naar het mij voorkomt niet af aan de toereikendheid van de vaststellingen van het hof. Ik neem daarbij in aanmerking dat bij de beoordeling van de reactie van de verdachte niet de oorzaken van de gedragingen van het slachtoffer en [getuige 1] maar die gedragingen zelf bepalend zijn. Ik merk voorts op dat het gevoerde verweer het hof geen aanleiding gaf in te gaan op de mogelijkheid dat het slachtoffer en [getuige 1] onder invloed van verdovende middelen waren. In de randnummers 13 en 14 van de pleitnota is slechts aangegeven dat en waarom de verdediging aanneemt dat het slachtoffer die avond onder invloed van verdovende middelen was en dat dit zijn gedrag heeft beïnvloed. In de randnummers 61 en 64 wordt aan die aanname gerefereerd. Uit een en ander kan niet worden afgeleid dat een expliciete vaststelling volgens de verdediging van belang was voor de beoordeling van de hevigheid en intensiteit van de aanranding.
31. De tweede deelklacht faalt.
32. De stellers van het middel klagen voorts dat het hof de omstandigheid dat sprake was van een zeer kortdurend conflict niet, althans niet kenbaar, heeft betrokken bij de beantwoording van de vraag of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. Deze omstandigheid zou van belang zijn bij de beoordeling van de ‘psychologische werkelijkheid’ van de verdachte.
33. Het hof heeft onder het kopje ‘Strafbaarheid van de verdachte’ niet expliciet stilgestaan bij de duur van het incident. Onder het kopje ‘Feiten en omstandigheden waarvan het hof uitgaat’ heeft het hof echter wel overwogen dat sprake was van een zeer kortdurend conflict en dat de verdachte nadat hij het kennelijk doorgeladen vuurwapen uit zijn tas had gepakt vrijwel direct éénmaal heeft geschoten op het slachtoffer. Dat het hof de korte duur van het incident niet heeft herhaald in de onder het kopje ‘Strafbaarheid van de verdachte’ opgenomen samenvattende weergave van de feiten en omstandigheden waarvan het is uitgegaan, doet er niet aan af dat uit die overwegingen in hun geheel bezien volgt dat het hof die korte duur wel degelijk bij de beoordeling van het verweer heeft betrokken. Voor zover wordt geklaagd dat het hof dit niet (kenbaar) zou hebben gedaan, berust het middel derhalve op een onjuiste lezing van het arrest.
34. De derde deelklacht faalt.
35. De stellers van het middel klagen voorts dat het hof niet (kenbaar) zou hebben stilgestaan bij de wijze waarop de verdachte gebruik heeft gemaakt, dan wel heeft willen maken, van het gekozen verdedigingsmiddel. Daarbij zou van belang zijn dat het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat de verdachte in de richting van één van de benen van het slachtoffer heeft willen schieten en dat de verdachte heeft geschoten op het moment waarop het slachtoffer een stap naar voren deed.
36. Anders dan de stellers van het middel meen ik dat het hof wel degelijk rekening heeft gehouden met de gekozen wijze van verdediging. Het hof heeft overwogen dat de verdachte ervoor heeft gekozen zich te verdedigen door ‘van zeer dichtbij op het slachtoffer te schieten’. Daarbij heeft het hof, gelet op de overwegingen inzake het bewijs, de mogelijkheid opengelaten dat de verdachte op één van de benen van het slachtoffer heeft willen schieten, en is het ervan uitgegaan dat het slachtoffer ‘op dat moment een stap naar voren deed’. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de gekozen wijze van verdediging ‘volstrekt niet in een redelijke verhouding tot de ernst van de hiervoor geschetste aanranding’ staat. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat daaraan niet afdoet dat het slachtoffer op dat moment een stap naar voren deed, en dat het niet anders komt te liggen ‘indien zou worden aangenomen dat de verdachte heeft willen schieten in de richting van een been’.
37. Dat oordeel is – meen ik – niet onbegrijpelijk. Ik neem daarbij in aanmerking dat uit de uitlatingen van het latere slachtoffer volgt dat hij uit was op drugs, en dat hij de verdachte geen letsel heeft toegebracht. Het hof overweegt dat het slachtoffer ‘met de verdachte heeft geworsteld in die zin dat hij hem bij zijn arm/pols greep en dat [getuige 1] hem in de rug heeft geduwd’. Daar tegenover staat dat schieten op het lichaam met een vuurwapen een zeer ernstige geweldshandeling is.