Conclusie
[eiser]respectievelijk
Dosign.
1.Inleiding en samenvatting
Waadi). Op grond van die bepaling heeft een uitzendkracht met betrekking tot ‘het loon en overige vergoedingen’ recht op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als werknemers in dienst van de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt.
Uitzendrichtlijn). De te geven uitleg van het loonbegrip uit de Waadi moet daarom verenigbaar zijn met deze richtlijn. Volgens [eiser] is de door het hof gegeven uitleg dat niet. [eiser] baseert dat met name op het arrest van het Hof van Justitie van de EU (hierna:
HvJ) in de zaak
Luso Temp. [3] Ik stel voor [eiser] niet in zijn betoog te volgen en zal concluderen tot verwerping van het beroep.
Akzo) gesloten, waarin de voorwaarden zijn opgenomen op grond waarvan zij personeel aan Akzo ter beschikking zou stellen. Voor ieder personeelslid werden aanvullende afspraken gemaakt.
“Uw werkzaamheden bestaan uit: diverse Process Engineering werkzaamheden. Deze werkzaamheden behoren tot de functie van jr. Process Engineer, die u uitvoert voor Akzo Nobel Projects & Engineering BV”.
3.Procesverloop
de kantonrechter). [eiser] heeft daarbij gevorderd, voor zover thans van belang en samengevat, dat Dosign bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van € 21.573,34 ter zake van achterstallig loon, eenmalige uitkering, resultaat-afhankelijke beloning, vakantieaanspraken, feestdagen, verlof, prestatieverhoging en bonus, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie. [6]
het hof). Dosign heeft, kort weergegeven, geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en afwijzing van de vorderingen van [eiser] . [8]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
De invoering van (art. 8) Waadi (1998)
onderstrepingen hier en in de citaten hierna zijn steeds door mij toegevoegd, tenzij anders staat aangegeven):
loon en overige vergoedingen verschuldigd overeenkomstig het loon en de overige vergoedingen die worden toegekend aan werknemers, werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies
in dienst van de ondernemingbij welke de terbeschikkingstelling plaats vindt.”
loonbetaling in dezelfde schaalals welke van toepassing is op
gelijke of gelijkwaardige functies in de inlenende onderneming. Voorts is het degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt alleen toegestaan aan ter beschikking gestelde arbeidskrachten vergoedingen voor reisuren, reiskosten, pensioenkosten, koffiegeld en ander noodzakelijk te achten
kostenvergoedingen toe te kennen, voor zover werknemers in dienst van de inlenende onderneming in soortgelijke omstandigheden eveneens aanspraak daarop kunnen doen gelden.
Hiermee is het begrip «overige vergoedingen» nader aangeduid.”
De Europese Uitzendrichtlijn (2008)
essentiële arbeidsvoorwaardenvan uitzendkrachten zijn, voor de duur van hun opdracht bij een inlenende onderneming,
ten minste dezelfde als die welke voor hen zouden gelden als zij rechtstreeks door de genoemde onderneming voor dezelfde functie in dienst waren genomen.”
arbeidsvoorwaarden met betrekking tot:
arbeidstijd, overuren, pauzes, rusttijden, nachtarbeid, vakantie en feestdagen;
bezoldiging.”
geen afbreuk [doet] aan het nationale recht wat de definitie van bezoldiging, arbeidsovereenkomst, arbeidsverhouding of werknemer betreft”. [17] De EU-wetgever heeft klaarblijkelijk de bevoegdheid van de lidstaten om die begrippen, waaronder ‘bezoldiging’, in de zin van het nationale recht te definiëren niet willen aantasten. [18] Daar mag niet - zo blijkt uit latere jurisprudentie - uit worden afgeleid dat de EU-wetgever ervan heeft afgezien om de draagwijdte van het begrip ‘bezoldiging’ in de zin van deze richtlijn zelf vast te leggen. [19]
regelingen inzake de arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten” vast te stellen die afwijken van art. 5 lid Pro 1, eerste alinea, Uitzendrichtlijn, mits in een adequaat beschermingsniveau wordt voorzien.
De implementatie van de Uitzendrichtlijn in de Nederlandse wetgeving
heeft recht op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaardenals die welke gelden voor werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt:
met betrekking tot het loon en overige vergoedingen;
gelijke behandelingsnormneergelegd voor ter beschikking gestelde arbeidskrachten met betrekking tot
alle in artikel 5, lid 1, van de richtlijn genoemde essentiële arbeidsvoorwaarden(…) en de in artikel 5, lid 1, onder a en b genoemde regels en maatregelen, die op basis van cao’s of andere niet wettelijke bepalingen van algemene strekking van kracht zijn binnen de inlenende onderneming.
Het betreft hier een limitatieve opsomming. Voor andere arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn binnen de inlenende onderneming hoeft dus geen gelijke behandeling plaats te vinden.”
Loon is niets anders dan de tegenprestatie voor de bedongen arbeid en omvat mede het loon over bijvoorbeeld overuren, voor het werken op feestdagen en het loon over vakantiedagen. (…).”
Wet arbeidsmarkt in balans: nadere wijziging Waadi
Wab) [28] is, als onderdeel van die wet, een nieuw art. 8a Waadi ingevoerd voor arbeidskrachten die in het kader van
payrollingter beschikking zijn gesteld. Voor hen geldt een gelijkstelling in arbeidsvoorwaarden (en niet slechts in essentiële arbeidsvoorwaarden), met uitzondering van het bepaalde ten aanzien van adequate pensioenregelingen. Sindsdien geldt art. 8 Waadi Pro voor arbeidskrachten die
nietin het kader van payrolling ter beschikking zijn gesteld. Art. 8 lid 1 bevat Pro het oude gelijkebehandelingsvoorschrift, zij het dat nu aan het begin van die bepaling staat: “
De arbeidskracht, die niet in het kader van payrolling ter beschikking is gesteld, heeft recht op(…)”, waar stond: “
De ter beschikking gestelde arbeidskracht heeft recht op (…).” Ongewijzigd is de gelijkstelling met de werknemers van de inlenende onderneming onder andere ten aanzien van “
a. loon en overige vergoedingen”. [29]
Van deze limitatieve gelijkstelling op grond van de Waadi kan evenwel ook bij cao worden afgeweken, hetgeen ook in de praktijk gebeurt.De cao’s die gelden in de uitzendsector, te weten de
ABU-cao en NBBU-cao kennen een bepaling dat een uitzendkracht vanaf de eerste werkdag recht heeft op de inlenersbeloning, tenzij er sprake is van een contract voor onbepaalde tijd met het uitzendbureau.
Deze inlenersbeloning is echter niet gelijk aan de gehele beloning zoals deze bij de opdrachtgever geldt, noch gelijk aan de rechten die op grond van artikel 8, eerste lid, van de Waadi zouden gelden.Deze inlenersbeloning bestaat uit het periodeloon, verschillende toeslagen en bijvoorbeeld de arbeidstijdverkorting. Met de inlenersbeloning wordt daardoor niet hetzelfde loon betaald aan de uitzendkracht als voor hem zou gelden als hij rechtstreeks in dienst was bij de opdrachtgever.
Zo sluiten deze cao’s gelijke beloning ten aanzien van een dertiende maand, (vaste) eenmalige uitkeringen, bovenwettelijke uitkeringen en bijdragen voor scholing uit. Beide cao’s wijken dus in dat opzicht af van de limitatieve gelijkstelling van artikel 8, eerste lid, van de Waadi.(…)”
Internetconsultatie Wet verbetering zekerheid flexibele arbeidskrachten
Rechtspraak van het Hof van Justitie EU (HvJ)
Uitzendbureau Solutionsover het zogeheten uitzendbeding is A-G De Bock ingegaan op Europese rechtspraak over de Uitzendrichtlijn. [35] Zij stelt voorop dat het HvJ in verschillende uitspraken heeft overwogen dat aan de (begrippen in de) Uitzendrichtlijn een ruime uitleg toekomt, (mede) vanwege de beschermingsdoelstellingen die aan deze richtlijn ten grondslag liggen. Zij noemt in dat verband het arrest uit 2020 in de zaak
JH/KG [36] en het arrest uit 2022 in de zaak
Luso Temp [37] , dat naar
JH/KGverwijst. In beide zaken ging het HvJ in op het begrip essentiële arbeidsvoorwaarden in de zin van art. 5 lid Pro 1, eerste alinea, in verbinding met art. 3 lid Pro 1, onder f, van de Uitzendrichtlijn, alsmede op de draagwijdte van het beginsel van gelijke behandeling.
Luso Tempbetreft een Portugese regeling op grond waarvan de vergoeding voor niet-opgenomen jaarlijkse vakantiedagen met behoud van loon – en de overeenkomstige vakantietoeslag – waarop uitzendkrachten recht hebben bij de beëindiging van hun arbeidsverhouding met een inlenende onderneming, lager is (althans werd daar in de prejudiciële vraag van uitgegaan) dan de vergoeding waarop die uitzendkrachten in dezelfde situatie en om dezelfde reden recht zouden hebben indien zij rechtstreeks door die inlenende onderneming in dienst waren genomen om er gedurende dezelfde periode dezelfde functie uit te oefenen. Aan de orde was kort gezegd of de Uitzendrichtlijn zich tegen een dergelijk onderscheid verzet.
jaarlijkse vakantie met behoud van loon.” [38] Bij bespreking van de vraag of het begrip ‘essentiële arbeidsvoorwaarden’ zich mede uitstrekt tot een vergoeding die bij de beëindiging van een uitzendarbeidsbetrekking verschuldigd is voor niet-opgenomen vakantiedagen met behoud van loon overweegt het HvJ onder meer:
de bewoordingen van artikel 5, lid 1, eerste alinea,van richtlijn 2008/104 weliswaar geen enkele aanwijzing waaruit kan worden afgeleid of het in deze bepaling gebezigde begrip „essentiële arbeidsvoorwaarden” aldus moet worden uitgelegd dat het zich uitstrekt tot vergoeding in vorenbedoelde zin dan wel dat dit juist niet het geval is, maar verwijst dit begrip, overeenkomstig de in artikel 3, lid 1, onder f), van richtlijn 2008/104 vervatte definitie zowel naar vakantie als naar bezoldiging.
deze richtlijn strekt tot het waarborgen van de volledige naleving van artikel 31 van Pro het Handvest van de grondrechten, dat onder meer bepaalt dat iedere werknemer recht heeft op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon, behoort het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon evenwel tot de „essentiële arbeidsvoorwaarden” in de zin van artikel 5, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2008/104, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, onder f), van deze richtlijn.
In het licht van de met richtlijn 2008/104 nagestreefde doelstelling om de rechten van uitzendkrachten te beschermen pleit dit gebrek aan precisie voor een ruime uitlegging van het begrip „arbeidsvoorwaarden”[arrest van 14 oktober 2020, KG (Opeenvolgende opdrachten in het kader van uitzendarbeid), C‑681/18, EU:C:2020:823, punt 54].
Richtlijn 2008/104 heeft volgens artikel 2 ervan Pro dan ook tot doel de bescherming van uitzendkrachten te garanderen en de kwaliteit van het uitzendwerk te verbeterendoor de naleving van het beginsel van gelijke behandeling ten aanzien van uitzendkrachten te waarborgen en uitzendbureaus als werkgevers te erkennen, daarbij rekening houdend met de noodzaak om een geschikt kader te creëren voor de gebruikmaking van uitzendwerk teneinde op doeltreffende wijze bij te dragen tot de schepping van werkgelegenheid en de ontwikkeling van flexibele arbeidsvormen [arrest van 14 oktober 2020, KG (Opeenvolgende opdrachten in het kader van uitzendarbeid), C‑681/18, EU:C:2020:823, punt 40].
Derhalve wordt met die richtlijn beoogd de door de ondernemingen nagestreefde doelstelling van flexibiliteit te verzoenen met de doelstelling van zekerheid, die verband houdt met de bescherming van de werknemers[arrest van 14 oktober 2020, KG (Opeenvolgende opdrachten in het kader van uitzendarbeid), C‑681/18, EU:C:2020:823, punt 50].
Het in artikel 5, lid 1, van richtlijn 2008/104 neergelegde beginsel van gelijke behandeling dient die tweeledige doelstelling[arrest van 14 oktober 2020, KG (Opeenvolgende opdrachten in het kader van uitzendarbeid), C‑681/18, EU:C:2020:823, punten 51 en 52].
Derhalve zou een uitlegging van het begrip „essentiële arbeidsvoorwaarden” die inhoudt dat artikel 5, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2008/104 niet van toepassing is op de vergoeding die een werkgever aan een uitzendkracht dient te betalen wegens de beëindiging van diens arbeidsverhouding, in strijd zijn met de in de punten 40 tot en met 44 van dit arrest uiteengezette doelstellingen van die richtlijn.
eerst na te gaan welke essentiële arbeidsvoorwaarden voor de uitzendkracht zouden gelden indien hij rechtstreeks door de inlenende onderneming in dienst was genomen om er gedurende dezelfde periode dezelfde functie uit te oefenen als die welke hij er daadwerkelijk uitoefent, en meer bepaald op welke vergoeding hij in het concrete geval wegens de beëindiging van zijn uitzendarbeidsbetrekking recht zou hebben voor niet-opgenomen jaarlijkse vakantiedagen met behoud van loon en de overeenkomstige vakantietoeslag. Zoals de advocaat-generaal in punt 60 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, staat het vervolgens aan de verwijzende rechter om die essentiële arbeidsvoorwaarden te vergelijken met de arbeidsvoorwaarden die voor de betrokken uitzendkracht daadwerkelijk gelden voor de duur van zijn opdracht bij de inlenende onderneming, teneinde zich op basis van alle relevante omstandigheden van het hoofdgeding ervan te vergewissen of het beginsel van gelijke behandeling al dan niet is geëerbiedigd ten aanzien van die uitzendkracht.”
Luso Temponder meer op:
Minder duidelijk is vooralsnog hoe dat zit bij andere arbeidsvoorwaarden zoalsverlofregelingen (en vergoedingen die de werknemer daarbij ontvangt), scholingsvergoedingen,
bonussen, prestatie- of resultaatafhankelijke beloningen en eindejaars- of andere eenmalige uitkeringen.
De tekst van art. 8 lid 1 Waadi Pro zelf laat ruimte voor een ruimere uitleg dan de regering gaf in de hiervoor aangehaalde memorie van toelichting (…). Het Hof van Justitie legt het begrip essentiële arbeidsvoorwaarden ruim uit in dit arrest. Gelet op de wijze waarop art. 5 lid 1 Uitzendrichtlijn Pro is geïmplementeerd in art. 8 lid 1 Waadi Pro, heeft dit arrest echter geen gevolgen voor Nederland.” [40]
Randstad Empleovan begin dit jaar. [42] In deze Spaanse zaak ging het om een werknemer die bij de inlenende onderneming een arbeidsongeval had gehad als gevolg waarvan hij volledig en blijvend ongeschikt was geworden om zijn gebruikelijk beroep uit te oefenen. Op grond van de op de uitzendovereenkomst toepasselijke cao ontving deze werknemer een verzekeringsuitkering van € 10.500. Dat was minder dan een werknemer zou hebben ontvangen die rechtsreeks in dienst was de inlenende onderneming. De werknemer meende dat hem daarom een vergoeding van om en nabij € 60.000 had moeten worden betaald. Hij stelde een vordering tot schadevergoeding in tegen onder meer de werkgever ter grootte van het verschil tussen die bedragen. Volgens rechtspraak van het Spaanse Tribunal Supremo vallen op vrijwillige basis toegekende aanvullende socialezekerheidsuitkeringen niet onder het begrip ‘bezoldiging’ in de Spaanse wet waarmee de Uitzendrichtlijn is geïmplementeerd, omdat dergelijke uitkeringen niet rechtstreeks verband houden met de arbeid. Als gevolg daarvan viel de genoemde vergoeding niet onder het begrip ‘essentiële arbeidsvoorwaarden’ van art. 3 lid Pro 1, onder f, en dus ook niet onder het gelijkebehandelingsvoorschrift van art. 5 lid 1 van Pro die richtlijn. Een Spaanse appelrechter wilde van het HvJ weten of de rechtspraak van het hoogste Spaanse rechtscollege op dit punt wel verenigbaar was met de Uitzendrichtlijn.
het wezenlijke kenmerk van de bezoldiging hierin bestaat dat zij de economische tegenprestatie voor de betrokken dienst vormt, welke tegenprestatie gewoonlijk door de dienstverrichter en degene voor wie de dienst wordt verricht, in onderling overleg wordt vastgesteld (arrest van 11 november 2021, Manpower Lit, C‑948/19, EU:C:2021:906, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
een dergelijke vergoeding een voordeel in geld vormt dat indirect door de werkgever wordt toegekend aan de werknemer uit hoofde van diens dienstbetrekking aangezien deze vergoeding is geregeld in een op de arbeidsverhouding van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst. Voorts wordt die vergoeding aan die werknemer betaald
ter compensatie van het inkomensverliesals gevolg van diens ongeschiktheid om zijn gebruikelijke beroep uit te oefenen, zodat daarmee wordt beoogd hem een bron van inkomsten te verzekeren.
begrip „bezoldiging” in de zin van artikel 3, lid 1, onder f), ii), van richtlijn 2008/104
ruim genoeg om een vergoeding te omvatten waarop uitzendkrachten aanspraak kunnen maken wegens volledige blijvende ongeschiktheidom hun gebruikelijke beroep uit te oefenen als gevolg van een arbeidsongeval dat zich heeft voorgedaan bij de inlenende onderneming.
richtlijn 2008/104 tot doel heeft om de bescherming van uitzendkrachten op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk te waarborgen, moet bijgevolg met de Commissie worden vastgesteld dat indien bij een arbeidsongeval het financiële risico voor de inlenende ondernemingen wat deze werknemers betreft geringer zou zijn dan met betrekking tot de werknemers die zij rechtstreeks in dienst nemen, deze ondernemingen minder geneigd zullen zijn om te investeren in de veiligheid van uitzendkrachten, hetgeen zou leiden tot miskenning van dat doel.
Luso Tempziet het arrest
Randstad/Empleoop de uitleg van het begrip ‘bezoldiging’. Daarop heeft ook deze zaak betrekking. Deze zaak gaat echter niet over een (verzekerings)uitkering ter vervanging van het loon.
Lagere rechtspraak (selectie)
eerste uitspraakis een arrest van het hof Den Haag van begin 2019 in de zaak
Arrow Services. [43] De werknemer in die zaak werkte in de vleessector en viel, voor een deel van de periode dat hij werkte in dienst van Arrow, onder de NBBU-cao voor uitzendkrachten. De werknemer vorderde te weinig betaald loon en toeslagen, waarbij hij zich baseerde op de cao voor de Vleessector. Volgens hof Den Haag valt onder de inlenerbeloning in ieder geval “
het geldende periodeloon, periodieken, toeslagen en onbelaste kostenvergoedingen” (rov. 2.2.5), maar niet de eindejaarsuitkering. Van de eindejaarsuitkering op grond van de NBBU-cao kon immers - anders dan van loontoeslagen - “
niet worden geoordeeld dat deze geacht wordt deel uit te maken van het periodeloon.” Van de eindejaarsuitkering op grond van de cao voor de Vleessector geldt dat dit “
niet standaard periodiek als (extra) beloning voor gewerkte uren [wordt] toegekend”. Het betreft een extra vergoeding die wordt toegekend als een werknemer aan bepaalde voorwaarden voldoet (rov. 2.2.6).
tweede uitspraakis een arrest van hof Amsterdam uit 2020 in de zaak
Randstad Transporten werd hiervoor al even aangehaald. [44] De werknemer in die zaak vorderde van het uitzendbureau onder meer achterstallig loon. Hij baseerde zich op een vergelijking tussen de op zijn arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde cao BGV en de cao voor het personeel van de inlener (KLM). Onder de inlenersbeloning op grond van de cao BGV vielen, anders bij de KLM-cao, niet een eindejaarsuitkering en een winstuitkering (waar tegenover stond dat het vaste uurloon op grond van de KLM-cao lager was). Het hof Amsterdam overweegt dat uit de wetsgeschiedenis van de Waadi blijkt dat de wetgever heeft bedoeld om sociale partners de mogelijkheid te bieden om onbeperkt van de loonverhoudingsnorm af te wijken (rov. 3.6). Art. 5 lid 1 Uitzendrichtlijn Pro is correct geïmplementeerd in art. 8 lid 1 Waadi Pro (rov. 3.10). Uit de tekst van art. 5 lid 3 volgt Pro dat de afwijkingsmogelijkheid bij cao ziet op alle ‘essentiële arbeidsvoorwaarden’, waaronder de bezoldiging. Wat onder bezoldiging moet worden begrepen, wordt blijkens het bepaalde in artikel 3 lid 2 overgelaten Pro aan de lidstaten (rov. 3.13). Appellant heeft daarom onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat art. 5 Uitzendrichtlijn Pro niet juist is geïmplementeerd. Voor het stellen van prejudiciële vragen daarover ziet het hof Amsterdam geen aanleiding (rov. 3.16).
Luso Temp-arrest onder meer heeft uitgemaakt dat het begrip ‘essentiële arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten’ in de zin van art. 5 lid Pro 1, eerste alinea, gelezen in samenhang met art. 3 lid Pro 1, onder f, Uitzendrichtlijn ruim moet worden uitgelegd in het licht van de met de Uitzendrichtlijn nagestreefde doelstellingen. Het subonderdeel klaagt dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting over ‘loon en overige vergoedingen’ als bedoeld in art. 8 lid 1 Waadi Pro (2012). Deze terminologie is ontleend aan of strookt met het begrip ‘essentiële arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten’ als bedoeld in de Uitzendrichtlijn. Aldus heeft het hof onder (essentiële) arbeidsvoorwaarden ten onrechte niet ook de resultaatsafhankelijke beloning, prestatieverhoging en/of aan het bedrijfsresultaat gekoppelde bonus begrepen.
onder adat het hof art. 8 lid 1 Waadi Pro (2012) ten onrechte niet heeft uitgelegd in overeenstemming met art. 5 lid Pro 1, eerste alinea, gelezen in samenhang met art. 3 lid Pro 1, onder f, van de Uitzendrichtlijn. Het subonderdeel wijst erop dat de nationale rechter bij toepassing van de nationale wet gehouden is om – ongeacht of wetsbepalingen dateren van een eerdere of latere datum dan een om te zetten richtlijn – het nationale recht zoveel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van een richtlijn teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken. Deze richtlijnconforme uitlegging van art. 8 lid 1 Waadi Pro (2012) brengt volgens het subonderdeel mee dat er niet slechts sprake is van ‘limitatieve’ maar van een volwaardige gelijkstelling van de essentiële arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten.
onder bdat het hof ten onrechte bij de interpretatie van het begrip ‘loon’ in art. 8 lid Pro 1, onder a, Waadi (2012) zich heeft beperkt tot de uit de wetsgeschiedenis blijkende bedoeling van de wetgever en heeft miskend dat dit wetsartikel en dat begrip richtlijnconform dienen te worden uitgelegd. Voor die richtlijnconforme uitleg was niet relevant of doorslaggevend dat de wetgever in zijn toelichting bij de wet van 2012 en/of die van 2020 ervan uitging dat het bij de in art. 5 lid 1 van Pro de Uitzendrichtlijn genoemde essentiële voorwaarden een ‘limitatieve opsomming’ zou betreffen, onderscheidenlijk dat op grond van art. 8 Waadi Pro (2012) “
slechts een limitatieve gelijkstelling plaatsvindt”.
Luso Temp-arrest met inachtneming van alle relevante omstandigheden van deze zaak zich ervan te vergewissen of ten aanzien van [eiser] het in art. 5 lid Pro 1, eerste alinea, Uitzendrichtlijn neergelegde beginsel van gelijke behandeling is geëerbiedigd, door eerst na te gaan of de RAB, Akzo-bonus e.d. voor [eiser] zouden gelden als hij rechtstreeks door AkzoNobel in dienst was genomen, en vervolgens de essentiële arbeidsvoorwaarden te vergelijken met de arbeidsvoorwaarden die voor hem – daadwerkelijk – golden gedurende zijn opdracht bij AkzoNobel. Door die emolumenten buiten het loonbegrip van art. 8 Waadi Pro (2012) te laten, heeft het hof het beginsel van gelijke behandeling veronachtzaamd.
Luso Temp.
Luso Temp-arrest (zie 4.26 en 4.27). Volgens hen is de wetsgeschiedenis duidelijk. Tot ‘loon en overige vergoedingen’ behoren onder meer toeslagen voor overuren, onregelmatigheidstoeslagen en vakantiegeld, maar niet prestatieafhankelijke en dus voorwaardelijke beloningen als bonussen. Een nadere aanknopingspunt voor deze uitleg bieden mijns inziens ook de zojuist besproken arresten van het hof Den Haag en het hof Amsterdam. Daaruit blijkt dat het in de in die zaken relevante periode praktijk was om een eindejaarsuitkering en een winstuitkering niet mee te nemen in de inlenersbeloning uit de toepasselijke cao. Het valt niet goed in te zien waarom bij het ontbreken van een cao, zoals in de onderhavige zaak feitelijk uitgangspunt is, de verplichting tot gelijke behandeling van uitzendkrachten dan een ruimere reikwijdte zou moeten hebben. Dit klemt te meer omdat het op grond van art. 5 lid 3 Uitzendrichtlijn Pro sociale partners is toegestaan bij cao ten aanzien van alle ‘essentiële arbeidsvoorwaarden’ afwijkingen overeen te komen op de regel van de gelijkstelling van uitzendkrachten met werknemers die rechtstreeks in dienst zijn van het inlenende bedrijf. Daarbij geldt slechts de ‘ondergrens’ dat die afwijkingen plaatsvinden “
met inachtneming van de algemene bescherming van de uitzendkrachten”.
Luso Tempen
Randstad Empleo. In de eerste zaak ging het om loon wegens niet-opgenomen vakantiedagen. Art. 31 lid Pro 2, slotzin, van het Handvest bepaalt expliciet dat de werknemer recht heeft op vakantie met behoud van loon (zie reeds 4.22). In de tweede zaak ging het om de hoogte van een op een cao gebaseerde financiële compensatie voor (algehele) arbeidsongeschiktheid, ter vervanging van loon dat de betrokken uitzendkracht niet meer kon verdienen wegens arbeidsongeschiktheid. Uit het arrest blijkt dat uitgangspunt voor de afbakening van het begrip bezoldiging is dat het gaat om een vergoeding die “
rechtstreeks wordt betaald als tegenprestatie voor een arbeidsprestatie van een uitzendkracht” (zie punt 48, geciteerd in 4.31). Dat uitgangspunt staat er niet er aan in de weg om een vergoeding als in die zaak aan de orde te scharen onder het begrip ‘bezoldiging’ in de zin van art. 3, lid 1, onder f), ii) van de Uitzendrichtlijn (punt 49). Die vergoeding moest het loon van de als gevolg van een arbeidsongeval arbeidsongeschikt geworden uitzendkracht vervangen. De emolumenten waar deze zaak over gaat zijn van een andere orde want zij zouden naast en bovenop het loon komen, indien aan de daarvoor gestelde voorwaarden was voldaan.
de doelstelling van zekerheid, die verband houdt met de bescherming van de werknemers”, zoals blijkt uit punt 42 van het arrest
Luso Temp(geciteerd in 4.22) en waar het Hof ook op zinspeelt in punt 57 van het arrest
Randstad Empleo(geciteerd in 4.29). Het niet toekennen van de drie emolumenten in deze zaak acht ik vanuit het oogpunt van zekerheid en bescherming van de uitzendkracht duidelijk van een andere orde dan de vergoedingen waar het in die zaken over ging, temeer omdat de emolumenten waarvan [eiser] betaling vordert afhangen van resultaten dan wel prestaties en daarom een voorwaardelijk karakter hebben.
en niet tegenhet oordeel in rov. 4.15 van het eindvonnis met betrekking tot
de PDD prestatieverhoging. Het subonderdeel klaagt dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden en het grievenstelsel en zijn taak als appelrechter heeft miskend door grief 3 zo uit te leggen dat die zich mede richtte tegen rov. 4.15. Het subonderdeel wijst er verder op dat [eiser] de grief in hoger beroep begreep als beperkt tot genoemde bonussen en klaagt dat aldus de uitleg van het hof ook onbegrijpelijk is in het licht van de gedingstukken.
Grief 3 en meer specifiek r.o. 4.12 juncto 4.16 van het Eindvonnis, zijnde de overwegingen, dat Dosign de door [eiser] gevorderde bedragen RAB en Akzo bonus niet betwist zou hebben.
prestatieverhogingen bonus vallen, niet onder de door het Hof Amsterdam uit de MvT afgeleide definitie van loon en overige vergoedingen.”
geenvan de hier genoemde componenten concreet in, zodat daaruit ook niet valt af te leiden dat hij ervan uitging dat de grief beperkt was tot de genoemde bonussen, zoals het middel betoogt. Dat [eiser] opmerkt dat Dosign in haar grief “
herhaalt hetgeen eerder door haar is aangevoerd in de voorafgaande grieven en in eerste aanleg” lijkt overigens ook veeleer op het tegendeel te wijzen.