Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
maghouden. Dit neemt volgens het Hof niet weg dat het belanghebbende vrij staat alsnog een beroep te doen op een voor hem gunstiger koerslijst, ook indien de daaruit voortvloeiende handelsinkoopwaarde enkel is terug te voeren op het (alsnog) toepassen van in die koerslijst voorziene bijstellingen. Nu belanghebbende zich beroept op de door de Inspecteur ingebrachte koerslijst en niet in geschil is dat de bijstellingen tezamen 15% bedragen en leiden tot een handelsinkoopwaarde van € 19.937, hoeft belanghebbende geen nieuwe uitdraai van de koerslijst over te leggen. Toepassing van de bijstellingen leidt volgens het Hof tot een vermindering van de naheffingsaanslag tot € 3.059. Tot een gegrondverklaring van het hoger beroep kan dit evenwel niet leiden, nu art. 110 VWEU Pro toepassing mist.
3.Het geding in cassatie
Beroepschrift in cassatie
4.Beoordeling van de klacht
in de andere lidstaten dan de betrokken lidstaat verkochte voertuigen betreffendie, ingeval zij door een inwoner van deze laatste lidstaat worden gekocht, in die lidstaat kunnen worden ingevoerd en aldaar in het verkeer worden gebracht (…)”
worden gekocht in andere lidstaten, zijn immers concurrerende producten (…)”
dos Santos(cursiveringen CE): [11]
worden gekocht in andere lidstaten, zijn immers concurrerende producten (…)”
Grundig Italiana [12] dit niet anders maakt. Op het eerste gezicht zou uit dit arrest kunnen worden afgeleid dat de waarborgen van art. 110 VWEU Pro gelden voor alle producten die zich in het vrije verkeer van een lidstaat bevinden, dus ook voor uit derde landen ingevoerde producten:
oorsprong [13] van het product. Dat betekent dat dit artikel zowel van toepassing is op producten van oorsprong uit de lidstaten als een product dat van buiten de Unie in het vrije verkeer is gebracht. Voor beide soorten producten geldt echter nog wel, buiten redelijke twijfel, dat deze moeten worden gekocht op de markt van een lidstaat, alvorens zij worden aangemerkt als een product van de lidstaten in de zin van art. 110 VWEU Pro.
zijnaangifte de afschrijving bepaald aan de hand van de taxatiemethode. Aangezien de auto niet als zodanig voorkomt op enige koerslijst, voldeed belanghebbende aan de voorwaarden voor toepassing van de taxatiemethode [27] ; de omstandigheid dat het door belanghebbende gebruikte taxatierapport is verworpen, doet hieraan niet af. [28] Uit de stukken van het geding maak ik niet op dat partijen de bedoeling hadden op enig moment af te wijken van de taxatiemethode. Een en ander brengt mee dat de taxatiemethode is toegepast voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde.