Conclusie
1.Overzicht
Inleiding
2.Wettelijke systeem van de bpm
Afschrijvingsmethoden
Gomes Valente [15] is de vraag opgekomen of het Nederlandse stelsel in zoverre strookt met het Unierecht. In dit arrest oordeelde het Hof van Justitie in een zaak over de Portugese registratiebelasting dat (thans) art. 110 VWEU Pro zich in beginsel niet verzet tegen een forfaitaire vermindering, mits wordt gewaarborgd dat de belasting die is verschuldigd, het bedrag van de belasting die nog rust op de waarde van vergelijkbare voertuigen die reeds op het nationale grondgebied zijn geregistreerd, niet overschrijdt. [16]
3.De afschrijving
Het afschrijvingspercentage
verkoop aan particulieren. De Hoge Raad oordeelde echter in 2009 [34] dat alleen een koerslijst voor de
inkoop door handelarenkan worden gebruikt, hetgeen over het algemeen tot een hogere afschrijving – en dus een lagere heffing – leidt dan door de regelgever was voorzien.
de inkoopwaarde in nieuwe staat, in plaats van de (hogere)
historische nieuwprijs. De inkoopwaarde in nieuwe staat betreft de inkoopwaarde die geldt voor de handelaar die een vergelijkbaar voertuig in nieuwe staat heeft verkocht. Met ingang van 1 januari 2010 werd art. 10(2) Wet BPM op dit punt aangepast. [35] De wetswijziging had tot gevolg dat de afschrijving doorgaans iets lager zou uitvallen en het verschuldigde bpm-bedrag iets hoger. Deze berekeningswijze kon echter volgens de Hoge Raad de toets aan art. 110 VWEU Pro niet doorstaan. Hij oordeelt in een arrest van 2 maart 2012 [36] namelijk:
historische nieuwprijs.Het enige taalkundige verschil met de wettekst van voor 1 januari 2010 is dat de in de bepaling genoemde catalogusprijs de catalogusprijs is als bedoeld in art. 9(4) (thans lid 5) Wet BPM. Het komt mij voor dat de wetgever hiermee geen inhoudelijke wijziging maar enkel een verduidelijking heeft beoogd. [38] De memorie van toelichting licht deze verwijzing niet toe, doch vermeldt slechts het volgende (voetnoot in origineel): [39]
Artikel IX, onderdeel C (artikel 10 van Pro de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)
historische nieuwprijs, wordt nog niet direct duidelijk hoe de afschrijving wordt bepaald. Ik breng in herinnering dat art. 10(2) Wet BPM twee methoden aanreikt om de werkelijke afschrijving te bepalen, namelijk de koerslijstmethode en de taxatiemethode. De koerslijstmethode vindt haar grondslag in art. 10(7) Wet BPM. Bij toepassing van de koerslijstmethode wordt het afschrijvingspercentage berekend door de som van de catalogusprijs en de bruto-bpm (historische nieuwprijs) af te zetten tegen de handelsinkoopwaarde van de referentieauto die volgt uit een koerslijst.
Tevens komen bepaalde bijzondere voertuigen (zogenaamde exoten) niet voor in de gangbare koerslijsten, zodat een waardebepaling op basis van genoemde koerslijsten niet mogelijk is. In deze beide gevallen is het gebruik van taxatierapporten de enige mogelijkheid om ten behoeve van de heffing van BPM bij de registratie na de invoer van deze voertuigen de werkelijke waarde vast te stellen. Worden de voertuigen naar een te hoge waarde – wat leidt tot een hogere heffing – belast met een bedrag aan BPM, dan het bedrag aan BPM dat nog rust op vergelijkbare voertuigen die reeds in Nederland zijn geregistreerd, is dit in strijd met het Europese recht.”
te registreren autoof van
de referentieautomoet worden bepaald. In mijn conclusie van 22 december 2023 in de zaak met nr. 22/03099 kwam ik tot de slotsom dat het bpm-bedrag moet worden gebruikt dat voor
de referentieautoverschuldigd is geworden op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen en waarvan ook de handelsinkoopwaarde wordt gebruikt, en zodoende moet volgen uit de koerslijst van die referentieauto. [43] Voor de gronden voor deze slotsom verwijs ik naar onderdelen 4.63 tot en met 4.74 van die conclusie. De Hoge Raad oordeelt in een arrest van dezelfde dag in een andere zaak echter anders. [44] Bij het bepalen van het afschrijvingspercentage in de zin van art. 10(2) Wet BPM dient het bedrag aan bpm te worden gebruikt dat zou zijn verschuldigd indien het
te registreren voertuigin nieuwe staat zou zijn geregistreerd. Dit geldt bij toepassing van zowel de koerslijstmethode als de taxatiemethode. De Hoge Raad overweegt (voetnoten in origineel):
Wat betreft de koerslijstmethode geldt dat wanneer het te registreren motorrijtuig niet voorkomt in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, een (bij benadering) reële waardedaling van dat motorrijtuig kan worden bepaald door uit te gaan van de handelsinkoopwaarde van een referentievoertuig, dat wil zeggen een in zo’n koerslijst voorkomend gelijksoortig, in Nederland geregistreerd motorrijtuig waarvan de eigenschappen en de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het te registreren motorrijtuig. [45] Bij toepassing van de taxatiemethode geldt dat de taxateur als referentie voor het bepalen van een (bij benadering) reële waardedaling van het te registreren motorrijtuig ook gebruik kan maken van de handelsinkoopwaarde die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor een referentievoertuig. [46] In dat geval is de in die koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde slechts een uitgangspunt. De door taxatie berekende waarde zal in dat geval van die koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van het te waarderen motorrijtuig ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. [47]
referentievoertuig, zulks in afwijking van de hiervoor behandelde arresten van de Hoge Raad [50] . Ik citeer het nieuwe art. 10(7) Wet BPM:
2.7 Codificatie uitspraak Hoge Raad over gebruik van handelskoerslijsten
te registreren automoet worden gebruikt, wanneer het afschrijvingspercentage wordt berekend volgens de wettelijke systematiek van art. 10(2), in samenhang met art. 10(7) respectievelijke art. 10(8) Wet BPM. Het arrest van 20 mei 2022 ziet daarentegen op de situatie dat het afschrijvingspercentage met een beroep op art. 110 VWEU Pro wordt berekend in afwijking van de wet, aldus de Hoge Raad.
4.Gebruik van koerslijsten
Ad a. In de branche gebruikelijke koerslijsten
verkoopwaardevan de auto zou de marge van de handelaar in de heffing worden betrokken, waardoor de heffing hoger zou zijn dan de bpm die nog rust op gelijksoortige voertuigen. [61] Voor de bpm-vermindering aan de hand van een koerslijst dient dus te rade worden gegaan een koerslijst voor de
inkoop door wederverkopersin Nederland. De regelgever heeft dit met ingang van 1 januari 2010 aangepast in de Uitv.reg. BPM. [62]
Indien aannemelijk is dat de door een samensteller van een koerslijst opgegeven handelswaarde voor een gebruikt motorvoertuig van een bepaald merk, model, type aandrijving, leeftijd en uitrusting niet is gebaseerd op een of meer door wederverkopers in Nederland betaalde inkoopprijzen voor een gelijksoortig motorvoertuig, bijvoorbeeld omdat het een zeer jonge en incourante personenauto betreft, is die opgegeven handelswaarde niet de ‘koers’ die bruikbaar is om de afschrijving in de zin van artikel 10, lid 2, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 8, lid 4, letter a, van de Uitvoeringsregeling vast te stellen.”
allefactoren uit een koerslijst, is overigens wel een nuancering op zijn plaats. De correctiefactoren die in de voornoemde zaak aan de orde waren houden – in mijn woorden – geen direct verband met de kenmerken en eigenschappen van specifieke voertuigen. Factoren die wel betrekking hebben op specifieke voertuigkenmerken, mogen slechts worden toegepast indien het te registreren voertuig deze kenmerken ook heeft. Zo oordeelt de Hoge Raad in een arrest van 28 februari 2020 [66] dat een correctie ‘ex rental’ slechts mag worden toegepast indien het te registreren voertuig daadwerkelijk een verhuurverleden heeft. De Hoge Raad overweegt dat het alleen mogelijk is een dergelijke correctie toe te passen, indien de koerslijst hiertoe de mogelijkheid biedt. De gedachte hierachter is dat de koerslijstaanbieder deze (correctie)factor in een dergelijk geval blijkbaar niet relevant acht voor het bepalen van de koers. Ik citeer de Hoge Raad:
magtoepassen. In enkele zaken waar deze bijlage bij hoort, speelt de vraag of uit het voorgaande volgt dat de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag voor de bpm, gehouden is de correctiefactoren in een koerslijst – in het bijzonder de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s – uit eigen beweging toe te passen. Met andere woorden:
moetde inspecteur uit eigen beweging de correctiefactoren toepassen die de belastingplichtige
mag [70] toepassen?
maghouden met de relevante factoren in een koerslijst. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [75] oordeelt daarentegen dat de inspecteur de correctiefactoren wél uit eigen beweging dient toe te passen. Dit gerechtshof overweegt dat de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag voor de bpm is gehouden te blijven binnen de grenzen van art. 110 VWEU Pro. Dit brengt mee, aldus het gerechtshof, dat indien de inspecteur aan de hand van de hem ter beschikking staande gegevens over het motorrijtuig in staat is het voor de belastingplichtige meest gunstige bpm-tarief of de meest gunstige heffingsmaatstaf te bepalen aan de hand van de regeling die sinds de ingebruikneming van het motorrijtuig heeft gegolden, hij dit tarief of deze heffingsmaatstaf uit eigen beweging moet toepassen. [76] Dit heeft volgens het gerechtshof ook te gelden voor de correctiefactoren in de koerslijst EurotaxGlass’s.
maghouden met de correctiefactoren in de koerslijst EurotaxGlass’s (zie 4.8), doet hieraan mijns inziens niet af. Uit dit arrest volgt namelijk ook dat, indien de toepassing van de correctiefactoren achterwege blijft, dit tot gevolg heeft dat niet kan worden uitgesloten dat (kort gezegd) meer bpm wordt geheven dan in bepaalde gevallen nog rust op gelijksoortige in Nederland verhandelde motorrijtuigen, zulks in strijd met art. 110 VWEU Pro. Past de inspecteur de relevante correctiefactoren in een koerslijst niet uit eigen beweging toe, terwijl deze koerslijst wel behoort tot de gegevens die hem ter beschikking staan bij het opleggen van de naheffingsaanslag, dan moet de conclusie dus zijn dat hij daarmee buiten de grenzen van art. 110 VWEU Pro treedt. [79]
5.De Koerslijst EurotaxGlass’s
Marktsituatie, dealersituatie en de disclaimer
niet meertoegelaten. Eurotax is van mening dat dergelijke prijsverhogings- en prijsverlagingsindicatoren
niet meerrelevant zijn voor de handelsinkoopwaarde te bepalen zoals vermeld in het arrest ECLI:NL:HR:2019:1783 van de Hoge Raad. Eveneens is Eurotax van mening dat het gebruik van eender welke correctiefactoren gegrond moet zijn en effectief bewezen moet worden door de gebruiker zelf, waar het arrest dit anders heeft belicht. Daarom zijn de indicatoren “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie”
voortaanop 0% vastgelegd.”
Aanleiding
Let op! Deze afslag ziet alleen op de basis handelsinkoopwaarde + maandaanpassing + kilometerbijstelling. De afslag wordt niet toegepast op opties die een waardeverhogend effect hebben.
Aanleiding