Conclusie
II.Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
Het arrest van het hof
2.1. Procesafspraken
NJ2023/31, m.nt. Mevis heeft de Hoge Raad enkele aandachtspunten geformuleerd voor procesafspraken tussen het openbaar ministerie en de verdediging die bestaan uit een gezamenlijk voorstel tot afdoening van de zaak. Deze aandachtspunten houden – voor zover hier van belang – het volgende in:
rechtbankwegens medeplegen van oplichting en overtreding van verschillende voorschriften van de Wet op het financieel toezicht, de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet toezicht effectenverkeer 1995, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk. De verdachte en de medeverdachten zouden zich, als oprichters van het bedrijf [A] B.V., in de jaren 2005-2009 schuldig hebben gemaakt aan oplichting van tientallen klanten.
NJ2023/31, m.nt. Mevis. Kennelijk hebben zij daarbij rechtsoverweging 5.7.4 voor ogen, waarin de Hoge Raad (kort gezegd) overweegt dat in het geval de rechter tot een (wezenlijk) ander oordeel over de bewezenverklaring of de straftoemeting komt dan in het afdoeningsvoorstel is opgenomen, de eisen van een behoorlijke procesorde en/of een eerlijk proces met zich kunnen brengen dat de rechter – zo nodig na heropening van het onderzoek ter terechtzitting – de procespartijen in de gelegenheid stelt nader het woord te voeren.
III.Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
oplichtingsmiddelenzijn;
bewogentot afgifte door (een van) de in de tenlastelegging vermelde oplichtingsmiddelen.
6. Overweging met betrekking tot het bewijs
the lender” en [G] Invest (hierna: [G] ) als “
the borrower” is op 29 november 2005 te Warschau gesloten en namens [A] door [verdachte] ondertekend. Daarbij is overeen gekomen dat op die datum een bedrag van € 200.000,-- werd uitgeleend door het te storten op een rekening van de “
borrower”. Dit betrof een lening voor onbepaalde tijd (“
loan is granted for a indefinite period of time”) tegen een rentepercentage van 4 %. Vervolgens zijn nog leenovereenkomsten gesloten op 16 maart 2006, 19 april 2006, 30 juni 2006, 10 juli 2006, 25 juli 2006, 4 september 2006, 22 december 2006 en twee op 26 januari 2007. In deze leenovereenkomsten is telkens onder paragraaf 7 punt 4 het volgende opgenomen: “
The Loan is being granted to the Borrower for the purpose of allocation by the Borrower towards expenses incurred in its business activity.” Kort gezegd komt het erop neer dat de leningen zijn verstrekt om de kosten die [G] in haar zakelijke activiteiten maakte te kunnen betalen.
Oplichting?
Om te kunnen beoordelen of de voorgespiegelde rendementen en terugbetaalgaranties realistisch / haalbaar waren of dat zij valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan investeerders zijn verstrekt, acht het hof ten eerste van belang hoe de door [rechtspersoon4] aangeboden producten zijn ontwikkeld en tot stand gebracht.
5.2 De oplichtingsmiddelen g, i, j en k
Rendement
prospectusis opgenomen over de risico’s en de beperking hiervan. Hierin is opgenomen dat er eventueel zekerheden moeten worden gesteld voor eventuele externe financiers, dat bouwkosten tegen kunnen vallen, dat organisatiekosten tegen kunnen vallen en dat de opbrengsten afhankelijk zijn van de waarde van de valuta. Dat er overigens sprake zou zijn van verschillende versies doet aan dit pleidooi niet af. Cliënt heeft hierover ter terechtzitting in eerste aanleg ook verklaard. Soms werd de prospectus taalkundig aangepast, niet meer en niet minder.
brochurewaarover enkele aangevers eveneens hebben verklaard:
De rendementen verschillen per project. Op grond van onze ervaring zullen deze tenminste tussen de 10% en 20% per jaar bedragen.*
Tot slot wordt in dit verband nog overwogen dat uit het dossier het beeld naar voren komt dat slechts een aantal van de ingestapte beleggers enig onderzoek heeft verricht naar de betrouwbaarheid van hetgeen hen wordt voorgespiegeld, maar ook zij nemen vrij snel genoegen met de uitkomst, zijnde een vaste jaarlijkse vergoeding. Niet blijkt dat zij de informatie die zij dan krijgen ook maar enigszins checken, zelfs niet bij investeringen voor substantiële bedragen. Eerst na negatieve berichten over de verdachte [bedrijf1] en het uitblijven van betaling van rendement wordt nagegaan op welke basis men nu eigenlijk met de verdachte [bedrijf1] en [bedrijfsnaam] in zee is gegaan,(arcering rdsmn)
Tot op de dag van vandaag is, zo blijkt uit de verhoren ter zitting het een aantal beleggers nog altijd niet duidelijk waarom hun belegging(en) hen niet heeft/hebben gebracht wat zij hoopten. Dat de verdachte [verdachte] veel beleggers heeft bewogen een (aanzienlijke) inleg te doen, leidt er dan ook niet toe dat er ten aanzien van de oplichtingsmiddelen g), i),j) en k) van oplichting kan worden gesproken.”
De risico’s die gepaard gaan met het investeren via [F] C.V. in Polen kunnen wij als volgt kenschetsen;
Het bewijzen van het 'bewegen’
Vraag: Wat zou [A] en/of [F] CV met de door u ingelegde gelden doen?
2.4. In de voorgaande overwegingen staan de verschillende oplichtingsmiddelen centraal. Opmerking – en in voorkomende gevallen aparte aandacht – verdient nog dat voor oplichting blijkens art. 326, eerste lid, Sr is vereist dat iemand door zo een oplichtingsmiddel wordt “bewogen” tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel “beweegt” tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr.
NJ2017/157, m.nt. Keijzer maakt de Hoge Raad de volgende vooropstellingen over deze oplichtingsmiddelen:
bewogen totafgifte van een geldbedrag door (één van) de in de tenlastelegging vermelde oplichtingsmiddelen. Geklaagd wordt dat de bewijsoverwegingen en de bewijsmiddelen dat oordeel niet kunnen dragen, althans dat het hof niet voldoende heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging te dier zake.
condicio sine qua non-verband hoeft op zichzelf dus niet in de weg te staan aan de vaststelling dat het slachtoffer mede onder invloed van het oplichtingsmiddel heeft gehandeld. [11]
Slotsom