Conclusie
I.Inleiding
eerstecassatiemiddel komt op tegen het (negatieve) oordeel van het hof over procesafspraken die tussen het openbaar ministerie en de verdediging zouden zijn gemaakt. Het
tweedecassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof over de vorderingen van de benadeelde partijen in samenhang met het schuldsaneringstraject dat de verdachte heeft doorlopen en de Wet schuldsanering natuurlijke personen.
De vorderingen van de benadeelde partijen.
2.1. Procesafspraken
III. Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
III.1 Het middel
NJ2023/31, m.nt. Mevis heeft de Hoge Raad enkele aandachtspunten geformuleerd voor procesafspraken tussen het openbaar ministerie en de verdediging die bestaan uit een gezamenlijk voorstel tot afdoening van de zaak. Deze aandachtspunten houden – voor zover hier van belang – het volgende in:
rechtbankwegens medeplegen van oplichting en overtreding van verschillende voorschriften van de Wet op het financieel toezicht, de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet toezicht effectenverkeer 1995, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk. De verdachte en de medeverdachten zouden zich, als oprichters van het bedrijf [A] Vastgoed B.V., in de jaren 2005-2009 schuldig hebben gemaakt aan oplichting van tientallen klanten.
voorafgaand aande inhoudelijke behandeling van de zaak een beslissing te nemen over de procesafspraken (cursivering door mij, A-G). Het hof is vervolgens – en wel naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting – tot zijn eindoordeel gekomen om zich niet aan te sluiten bij de procesafspraken. Het stond het hof alleszins vrij om ter terechtzitting in hoger beroep het in een tussenuitspraak nog te laten bij een voorlopig oordeel over de aanvaardbaarheid van de gemaakte procesafspraken en om zijn (al dan niet andersluidend) definitieve oordeel pas tot uitdrukking te brengen in zijn einduitspraak op grond van al het verhandelde ter terechtzitting. Dat het hof pas bij zijn einduitspraak heeft betrokken dat de in de procesafspraken neergelegde straftoemeting te zeer afwijkt van hetgeen het hof passend en geboden acht, maakt dat oordeel in zoverre dus niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Ook komt mij dit allerminst problematisch voor, nu het hof een dergelijke omstandigheid ter terechtzitting, voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling, nog helemaal niet kon betrekken bij zijn tussenbeslissing om zich niet op voorhand reeds aan te sluiten bij de procesafspraken.
NJ2023/31, m.nt. Mevis. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 5.8, waaruit volgt dat een in hoger beroep tussen de procespartijen tot stand gekomen afdoeningsvoorstel niet onacceptabel is indien daarnaast nog bezwaren tegen het vonnis van de rechtbank resteren die in hoger beroep (vervolgens nog) dienen te worden behandeld. Bezien in dat licht getuigt het oordeel van het hof om zich niet aan te sluiten bij de tot stand gekomen procesafspraken, dat hoofdzakelijk steunt op omstandigheden waarover de partijen expliciet geen afspraken hebben gemaakt (gedoeld wordt op de vorderingen benadeelde partijen), van een onjuiste rechtsopvatting en/of is het niet toereikend gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
NJ2023/31, m.nt. Mevis, waarin de Hoge Raad (kort gezegd) overweegt dat in het geval de rechter tot een (wezenlijk) ander oordeel over de bewezenverklaring of de straftoemeting komt dan in het afdoeningsvoorstel is opgenomen, de eisen van een behoorlijke procesorde en/of een eerlijk proces met zich kunnen brengen dat de rechter – zo nodig na heropening van het onderzoek ter terechtzitting – de procespartijen in de gelegenheid stelt nader het woord te voeren. De steller van het middel meent dat het hof de beginselen van een behoorlijke procesorde en/of een eerlijk proces heeft geschonden door het onderzoek ter terechtzitting niet op vorengenoemde wijze te heropenen.
allevorderingen die reeds ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling
bestaan(cursiveringen door mij, A-G). De schuldenaar mag na verkrijging van de schone lei dus niet meer geconfronteerd worden met vorderingen die dateren van vóór de toelatingsdatum. [4] Het ontstaansmoment van een vordering verschilt naargelang de grondslag waarop zij rust.
civielrechtelijk aansprakelijkis voor de schade die hij met het strafbare feit heeft veroorzaakt (cursivering door mij, A-G). [6] De vraag of naar burgerlijk recht een aanspraak op schadevergoeding bestaat, moet worden beantwoord aan de hand van art. 6:162 BW Pro. Degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade te vergoeden die de ander dientengevolge lijdt. Wanneer de strafrechter oordeelt dat een volwassen verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en daarvoor strafbaar is, volgt daaruit dat de gedraging van deze verdachte in strijd is met de wet en er aldus sprake is van een onrechtmatige daad. [7] Een vordering wegens onrechtmatige daad ontstaat als aan de vereisten van art. 6:162 BW Pro is voldaan. In de regel gaat het daarbij om het moment van het plegen van de daad en niet om (pas) het moment waarop de benadeelde bekend is geraakt met het feit dat de ander schadeplichtig is wegens onrechtmatig handelen. [8]
Stb.2007, 192) is in het vierde lid van art. 358 Fw Pro bepaald dat strafrechtelijke schulden worden uitgesloten van de schone lei:
onherroepelijkeveroordeling (cursivering door mij, A-G). Hiermee heeft de wetgever een regeling willen introduceren waardoor dergelijke schulden, die op het moment van het verzoek van de schuldenaar om toepassing van de schuldsaneringsregeling ouder waren dan vijf jaar (en dus geen reden hoefden te vormen om de schuldenaar krachtens art. 288, tweede lid aanhef en onder b, Fw de toegang tot de schuldsaneringsregeling te ontzeggen) en die na afronding van het Wsnp-traject nog bestaan, kunnen worden uitgezonderd van de schone lei, zo blijkt uit de genoemde memorie van toelichting. Ik haal daaruit het volgende aan: [12]
NJ2021/323, m.nt. Verstijlen. Daaruit volgt onder meer dat verifieerbare vorderingen die niet tijdig zijn ingediend ter verificatie niet langer afdwingbaar zijn, tenzij de schuldeiser redelijkerwijs niet in staat was de vordering binnen de bedoelde termijn voor verificatie in te dienen. Dit betekent dat indien de officier van justitie op grond van art. 94, derde lid, Sv in het faillissement kan opkomen in verband met een geldboete of een ontnemingsmaatregel, maar hij de vordering niet tijdig ter verificatie indient, terwijl het faillissement vervolgens eindigt met de homologatie van een akkoord, er — behoudens het geval dat hij redelijkerwijs niet in staat was de vordering ter verificatie in te dienen — geen verhaalsmaatregelen kunnen worden getroffen.
voortvloeituit een strafrechtelijke sanctie, zoals de schadevergoedingsmaatregel (zie hiervoor onder randnummer 37), hetgeen in dit geval zou betekenen dat de ene vordering wél onder het bereik van de Wsnp valt en de andere niet. Een dergelijk verschil komt mij nogal willekeurig voor en is, meen ik, niet in lijn met de bedoeling van de wetgever die tot uitdrukking is gebracht in de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis. De tekst van de uitzonderingsbepaling van art. 358, vierde lid, Fw maakt ook geen gewag van een (dergelijk) onderscheid tussen de vordering tot betaling van schadevergoeding aan een benadeelde partij enerzijds en de vordering tot betaling van een opgelegde en onherroepelijk geworden strafrechtelijke sanctie als de schadevergoedingsmaatregel anderzijds. De genoemde uitzonderingsbepaling spreekt gemeenschappelijk van ‘vorderingen die voortvloeien uit een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling tot betaling’ en lijkt aldus gebaseerd te zijn op het uitgangspunt dat een vordering tot betaling van schadevergoeding pas ontstaat in geval van een strafrechtelijke veroordeling die onherroepelijk is geworden. Een dergelijk standpunt acht ik, ook met het oog op het systeem van de wet, zeer wel verdedigbaar. Op de beoordeling van de vordering van een benadeelde partij zijn weliswaar de regels van het materiële burgerlijk recht van toepassing, maar dat laat onverlet dat sprake is van een zekere connexiteit met het strafproces. De strafrechter komt bijvoorbeeld alleen dan toe aan de beoordeling van de ingediende vordering wanneer hij van oordeel is dat het tenlastegelegde bewezenverklaard kan worden en de verdachte strafbaar is (art. 361, tweede lid, Sv). In zoverre zou dan ook kunnen worden betoogd dat een strafrechtelijke veroordeling, net als bij een sanctie als de schadevergoedingsmaatregel (vgl. randnummer 37), constitutief is voor het ontstaan van de verbintenis tot betaling van schadevergoeding.