ECLI:NL:PHR:2024:518

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 mei 2024
Publicatiedatum
13 mei 2024
Zaaknummer
19/00559
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 lid 1 SvArt. 434 lid 1 SvArt. 437 lid 2 SvArt. IV lid 3 Procesreglement Strafkamer HR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigverklaring dagvaarding wegens onvindbaar procesdossier in cassatie

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 februari 2019. De verdachte heeft drie middelen van cassatie ingediend, waaronder motiveringsklachten en een klacht over overschrijding van de inzendtermijn.

De Hoge Raad beschikt echter niet over de gedingstukken van feitelijke aanleg. Ondanks ambtshalve pogingen om het dossier alsnog te verkrijgen, is het dossier in ongerede geraakt en niet meer beschikbaar. De raadsman van de verdachte heeft ook geen verzoek gedaan om het dossier te completeren, noch is hierover geklaagd in cassatie.

Volgens vaste jurisprudentie kan een middel dat klaagt over ontbrekende processtukken niet worden behandeld zonder eerst een verzoek tot aanvulling aan de rolraadsheer. Nu het dossier niet kan worden aangevuld, kan de Hoge Raad de klachten niet inhoudelijk beoordelen.

De Hoge Raad overweegt dat in dit soort situaties het procesdossier niet beschikbaar is en dat het bestreden arrest daarom niet kan worden getoetst. Om doelmatigheidsredenen wordt geadviseerd de zaak zelf af te doen door de inleidende dagvaarding nietig te verklaren en het arrest te vernietigen, behoudens voor zover het arrest in eerste aanleg is vernietigd.

Deze conclusie leidt tot vernietiging van het bestreden arrest en nietigverklaring van de dagvaarding, waarmee het cassatieberoep wordt toegewezen op procedurele gronden.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart de inleidende dagvaarding nietig wegens het ontbreken van het procesdossier.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/00559
Zitting14 mei 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het cassatieberoep richt zich tegen een ten aanzien van de verdachte gewezen arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, van 1 februari 2019.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld door of namens de verdachte. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. In de eerste twee middelen wordt met een motiveringsklacht opgekomen tegen de bewezenverklaring van feit 1 respectievelijk feit 2 en feit 3. Het derde middel bevat een klacht over overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.

2.Ambtshalve opmerkingen over het dossier

2.1
Ik kom niet toe aan een bespreking van deze middelen in verband met het volgende.
2.2
Op 5 februari 2019 heeft de raadsman van de verdachte zich in cassatie gesteld. Vervolgens is op 17 november 2021 door de raadsman een cassatieschriftuur ingediend dat de hierboven vermelde drie middelen van cassatie bevat. [1] In deze schriftuur wordt onder meer geciteerd uit het arrest van het hof en verwezen naar de aanvulling op het arrest, waarover de raadsman kennelijk beschikt.
2.3
De Hoge Raad beschikt in deze zaak echter niet over de gedingstukken van feitelijke aanleg.
2.4
De raadsman heeft geen verzoek gericht tot de rolraadsheer om de processtukken te completeren en over het ontbreken van de processtukken wordt in cassatie niet geklaagd.
2.5
Er zijn door de griffie van de Hoge Raad verschillende verzoeken gedaan om de gedingstukken alsnog toe te zenden aan de Hoge Raad. Uit (e-mail)correspondentie tussen de griffie van de Hoge Raad en de griffie van het hof Arnhem-Leeuwarden volgt dat het hof niet (langer) beschikt over het dossier in deze zaak en evenmin over een (digitaal) schaduwdossier. Bij brief van 24 augustus 2023 is aan de griffie van de Hoge Raad het volgende bericht:
“Uit het digitale systeem van het hof maak ik op dat het strafdossier op 16 augustus 2019 in verband met het cassatieberoep naar de Hoge Raad is verstuurd. Ik begrijp dat de binnenkomst van het dossier bij de Hoge Raad niet werd geregistreerd. Kennelijk is het strafdossier in ongerede geraakt en het hof beschikt niet over een schaduwdossier.
Ik kan u op basis van het NIAS-registratiesysteem melden dat de zaak op 18 januari 2019 heeft gediend en dat het hof op 1 februari 2019 arrest heeft gewezen. Verder zie ik in NIAS dat op 4 februari 2019 door of namens verdachte cassatieberoep werd ingesteld en dat het dossier, na uitwerking van het proces-verbaal van de terechtzitting en de aanvulling door de griffier, op 16 augustus 2019 werd verstuurd naar de Hoge Raad. Als bijlagen bij deze brief voeg ik twee printscreens waaruit het vorenstaande kan blijken.
Ik vond nog wel het door de griffier opgemaakte proces-verbaal van de zitting en de aanvulling op het verkort arrest, zoals die door de griffier digitaal zijn opgeslagen. Ook die stuur ik als bijlagen mee. Ik merk daarbij op dat deze documenten ongetekend zijn. (…) Op 15 augustus 2019 werd de uitgewerkte cassatie door de griffier naar de griffie gestuurd.”
2.6
Op 30 augustus 2023 is de aanzegging ingevolge art. 435 lid 1 Sv Pro aan de verdachte verzonden.
2.7
De stukken genoemd in de brief van het hof van 24 augustus 2023 zijn op 26 september 2023 via het portaal aan de raadsman ter beschikking gesteld. De gedingstukken bestaan thans slechts uit het door het hof toegezonden niet ondertekend proces-verbaal van een zitting van het hof van 18 januari 2019 en een niet ondertekende aanvulling op het arrest van het hof.
2.8
In zijn arrest van 28 juni 2011 [2] heeft de Hoge Raad een overzicht gegeven hoe op grond van Art. IV lid 3 van het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad om dient te worden gegaan met situaties waarin de processtukken niet volledig zijn, hetgeen van overeenkomstige toepassing is op situaties als de onderhavige waarin het gehele procesdossier ontbreekt.
2.9
De hoofdregel is dat een raadsman die constateert dat de hem door de Hoge Raad toegezonden afschriften van de processtukken niet volledig zijn, binnen de termijn van art. 437 lid 2 Sv Pro aan de rolraadsheer dient te verzoeken om een afschrift van dat ontbrekende stuk. Dat brengt mee dat een middel dat enkel klaagt dat een processtuk ontbreekt zonder dat de raadsman eerst aan de rolraadsheer om aanvulling heeft verzocht, niet tot cassatie kan leiden. Indien het processtuk na zo een verzoek aan de rolraadsheer niet ter beschikking komt, komt de Hoge Raad toe aan de beoordeling - en in de regel tot gegrondverklaring - van een klacht dat een processtuk ontbreekt.
2.1
Maar art. IV lid 3 staat er niet aan in de weg een middel in te dienen waarin wordt geklaagd over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen, terwijl de gegrondheid van deze klacht niet kan worden onderzocht wegens het ontbreken van het daarvoor relevante processtuk in het op de voet van art. 434 lid 1 Sv Pro aan de HR toegezonden procesdossier.
“In zo een geval zal de Hoge Raad of zijn Parket trachten alsnog de beschikking te krijgen over het ontbrekende stuk. Als dit niet tot resultaat leidt, is de Hoge Raad niet in staat de klacht te onderzoeken en kan dit leiden tot gegrondverklaring van het middel (vgl. HR 13 juli 2010, LJN BJ8676). Ingeval het ontbrekende processtuk alsnog ter beschikking komt, zal de Hoge Raad mede aan de hand van dat stuk de gegrondheid van het middel onderzoeken.” [3]
2.11
In onderhavige zaak heeft de raadsman niet geklaagd over de onvolledigheid van het procesdossier maar wel inhoudelijke middelen ingediend. Ambtshalve pogingen om het procesdossier alsnog boven water te krijgen zijn gestrand. Gelet daarop moet het ervoor worden gehouden dat het dossier in het ongerede is geraakt en niet meer beschikbaar zal komen. Dit brengt met zich dat de bestreden uitspraak in cassatie niet kan worden getoetst. Reeds daarom kan de uitspraak van het hof niet in stand blijven.
2.12
De vraag is tot welke vervolgbeslissing van de Hoge Raad dit zou kunnen of moeten leiden: tot gegrondverklaring van de middelen en terugwijzing zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 28 juni 2011 (zie citaat hiervoor onder 2.10) heeft overwogen [4] , of tot afdoening door de Hoge Raad zelf door nietigverklaring van de inleidende dagvaarding omdat het hof na terugwijzing niet zal kunnen beraadslagen en beslissen op de grondslag van de tenlastelegging. [5]
2.13
Nu het gehele procesdossier in het ongerede is geraakt adviseer ik de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af te doen en de inleidende dagvaarding nietig te verklaren.

3.Conclusie

3.1
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behoudens voor zover daarbij de uitspraak in eerste aanleg mocht zijn vernietigd, en tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het kon niet worden achterhaald of de raadsman tevoren een aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv Pro heeft ontvangen.
2.HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6704, NJ 2011/495, m.nt. Borgers.
3.HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6704, NJ 2011/495, m.nt. Borgers, rov 3.7. onder b.
4.Zie bijv. ook HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ8676; HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:467 en HR 14 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1247. Veelal betreft het ontbrekende stuk een pleitnotitie van de raadsman in hoger beroep. Daarvoor geldt overigens dat het middel in voorkomende gevallen wel kan worden beoordeeld indien de pleitnotitie in de schriftuur wordt aangehaald of wordt aangehecht. De Hoge Raad gaat dan veronderstellenderwijs uit van een correcte weergave van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht. Zie HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1121 en HR 31 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2804.
5.HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6675, HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4412, HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4965, HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7733 (niet-gepubliceerd), NJ 2002/302 en – voor een soortgelijke benadering in een ontnemingszaak, waarin de ontnemingsvordering nietig werd verklaard – HR 15 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3573.