Conclusie
Nummer23/03874
Inleiding
medeplegen van moord”, 2. (primair) “
medeplegen van poging tot moord”, 3. “
medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, 4. “
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd”, 5. “
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen, meermalen gepleegd”, en 6. “
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig jaar, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof beslissingen genomen omtrent in beslag genomen voorwerpen en vorderingen tot schadevergoedingen van benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
De zaak
“Waardering van het bewijs
Overlijden van [slachtoffer 1] naar aanleiding van de schietpartij
Op 16 mei 2021 heeft een schietpartij plaatsgevonden op de [a-straat] te [plaats]. Hierbij werd met twee automatische vuurwapens geschoten op een Mercedes A-klasse AMG met [kenteken 1] (hierna: de Mercedes) op naam van [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] was op dat moment bestuurder van de Mercedes. Haar vriend, [slachtoffer 2], was de bijrijder. Hij zou op een dodenlijst staan en meerdere keren door de politie zijn gewaarschuwd voor een dreiging op zijn leven. Het is daarom aannemelijk dat hij, en niet [slachtoffer 1], het beoogde doelwit van de aanslag was.
Onderzoek [a-straat]
Uit de camerabeelden en getuigenverklaringen is gebleken dat een grijze Volkswagen Caddy met [kenteken 2] (hierna: de VW Caddy) bij de schietpartij betrokken is geweest. De VW Caddy is op 16 mei 2021 om 17:45 uur op de [a-straat] gearriveerd. Tussen 18:07 uur en 18:26 uur is het voertuig meerdere keren van parkeervak gewisseld. Om 18:14 uur is de bestuurder uitgestapt, naar de achterzijde van de VW Caddy gelopen en heeft daar een handeling uitgevoerd. Hij was in het zwart gekleed.
Negroïde man
Zwarte schoenen
Blauwe spijkerbroek met vermoedelijk een zwarte broek daarover (deze is deels verbrand)
Zwarte jas
Donkerkleurige zonnebril
Geen handschoenen
Onderzoek ten aanzien van [verdachte]
is op 19 mei 2021 aangehouden in een zolderberging, behorende bij de [g-straat 1] te [plaats]. Na de aanhouding van [verdachte] heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in die berging. Daarbij werden in een jas een bankpas op naam van [verdachte] en een bankpas op naam van [betrokkene 3] aangetroffen.
Tussenconclusie
Opzet
Uit het voorgaande blijkt in het bijzonder dat [verdachte], [medeverdachte] en [betrokkene 3] lange tijd op de Mercedes hebben gewacht. In die Mercedes zaten twee personen. Onmiddellijk nadat deze de parkeergarage verliet, zijn [medeverdachte] en [betrokkene 3] de Mercedes van achteren genaderd en hebben zij deze onder vuur hebben genomen met automatische aanvalsgeweren, waarbij ten minste zesendertig kogels zijn afgevuurd. Noch uit verklaringen van [verdachte], noch uit verklaringen van de medeverdachten, noch anderszins blijkt dat zij zich eerst hebben vergewist wie in de Mercedes zaten. Aannemelijk is weliswaar dat [slachtoffer 2] het beoogde slachtoffer was, maar uit niets blijkt dat de schutters daadwerkelijk hebben kunnen zien dat hij in de Mercedes zat, laat staan dat zij hebben geprobeerd alleen hem neer te schieten. Vermoedelijk verkeerden de verdachten in de veronderstelling dat [slachtoffer 2] in de Mercedes zat, maar uit de wijze waarop de schutters vervolgens te werk zijn gegaan kan worden afgeleid dat de verdachten nietsontziend de beslissing hebben genomen alle inzittenden van de Mercedes neer te schieten in een streven om — ook – [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Dit betekent dat het opzet van de verdachten was gericht op de dood van alle inzittenden (en naar later zou blijken [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) van de Mercedes.
Voorbedachte raad
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat [verdachte] zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit de inzittenden van de Mercedes om het leven te brengen en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Of voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt niet alleen sterk af van de hier bedoelde gelegenheid maar evenzeer van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Medeplegen
De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de rol van [verdachte] – het besturen van de VW Caddy – te gering was om te oordelen dat sprake is van medeplegen. Hooguit is sprake, zoals in de jurisprudentie ten aanzien van chauffeurs vaker is aangenomen, medeplichtigheid.
Conclusie
Het hof komt dus tot het oordeel dat [verdachte], [medeverdachte] en [betrokkene 3] zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan de moord op [slachtoffer 1] en de poging moord op [slachtoffer 2]. (…) ”
“Persoon van de verdachte
Conclusie
De hiervoor genoemde omstandigheden – in het bijzonder (i) de buitengewone ernst van de door de verdachte gepleegde misdrijven, (ii) zijn criminele en gewelddadige levensloop, waarin hij de veelvuldige hulpverlening – zelfs in het kader van een PIJ- en een tbs-maatregel – niet heeft benut en die het ergste doet vrezen voor de toekomst en, (iii) zijn zorgwekkende houding, zoals hiervoor beschreven – leiden het hof tot de conclusie dat een gevangenisstraf van dertigjaar passend en geboden is. Enkel de maximale duur van een tijdelijke gevangenisstraf doet voldoende recht aan de aard en ernst van de door de verdachte gepleegde misdrijven en de met strafoplegging na te streven doelen van enerzijds vergelding en anderzijds beveiliging van de maatschappij. Met de strafoplegging in deze zaak beoogt het hof bovendien anderen ervan te weerhouden over te gaan tot het plegen van dergelijke misdrijven.
Het eerste middel
mede omdat dit punt de bewijswaardering betreft en het hof deze in een openbaar arrest moet motiveren.”
Het beoordelingskader
Vanaf het uitroepen van de zaakkande rechtbank gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren bevelen” (mijn onderstreping). Beperkingen op het beginsel van externe openbaarheid zijn slechts toegestaan op grond van één van de in datzelfde lid opgesomde redenen: het belang van de goede zeden, de openbare orde, de veiligheid van de staat, de belangen van minderjarigen, de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen, en ten slotte het belang van de goede rechtspleging. Deze gronden voor beperking van de openbaarheid komen overeen, zij het niet woordelijk, met de redenen die worden vermeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, waaruit ze zijn overgenomen, en in artikel 14 lid 1 IVBPR Pro.
eenvoudig tot een goeddeels geheime tak van rechtspleging kunnen maken.” [5]
De bespreking van het eerste middel
“Ik was toen niet goed voorbereid” en “
Ik denk dat ik die vraag toen verkeerd begrepen had”.Verder volgt uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting
“dat het bij de rechtbank niet goed liep tussen hem en zijn advocaat van destijds. Zijn huidige advocaat laat hem rustig spreken waardoor hij zich beter kan uitdrukken en zijn verhaal beter kan vertellen.”Ten slotte heeft de verdachte als reden voor het ‘wisselen’ opgegeven: “
Ik heb toen onjuist verklaard omdat er bij de rechtbank een dreiging op mijn leven was. Ik was toen angstig. De eerste dag bij de rechtbank werd ik normaal aangevoerd, maar de tweede dag werd ik gebracht door het BOT (bijzonder ondersteuningsteam). Dat heeft mij afgeschrikt. Ik was angstig op dat moment voor mijn naasten. Ik zat vast maar mijn familie liep misschien gevaar. Je gaat niet verklaren over iemand als dat mogelijk een gevaar oplevert voor je naasten. Ik was voorzichtiger.”
Wij kunnen toelichten waarom mijn cliënt op sommige punten bij de rechtbank anders heeft verklaard. Dat heeft te maken met zijn veiligheid. Het is niet meer actueel maar speelde wel op dat moment. Wij willen dat toelichten maar enkel achter gesloten deuren.”
Voor het verschil in de door [verdachte] afgelegde verklaringen heeft hij in hoger beroep als uitleg gegeven, en zoals door zijn raadsvrouw bepleit, dat hij door de behandeling in eerste aanleg van slag is geraakt en daardoor onjuiste dingen heeft gezegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte echter ook verklaard dat er een dreiging was op zijn leven, reden waarom hij met het BOT de tweede dag van de inhoudelijke behandeling naar de rechtbank werd vervoerd, waardoor hij bewust een aantal dingen (waaronder zijn verklaring over dat hij eerder met de chauffeur van de VW Caddy op de [b-straat] is geweest en over het bellen met het nummer 06-[telefoonnummer 2]) onjuist heeft verklaard. [verdachte] wilde de reden van die onjuiste verklaringen uitsluitend achter gesloten deuren toelichten. Dat heeft het hof afgewezen, mede omdat dit punt de bewijswaardering betreft en het hof deze in een openbaar arrest moet motiveren. Van de geboden kans – en de uitdrukkelijk uitnodiging daartoe – op de terechtzitting (zonder dat de deuren gesloten werden) het verschil in zijn verklaringen toe te lichten heeft [verdachte] verder geen gebruik gemaakt.
“mede” ten grondslag gelegd dat “
dit punt de bewijswaardering betreft en het hof deze in een openbaar arrest moet motiveren.”
niet meer actueel” is, heeft het hof (niet onbegrijpelijk) kunnen oordelen dat hetgeen naar voren is gebracht niet kan worden aangemerkt als ‘gewichtige redenen’ om het onderzoek ter zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren te laten plaatsvinden, als bedoeld in artikel 4 lid 2 Wet Pro RO. In (de motivering van) ’s hofs oordeel ligt besloten dat het belang bij het maken van een uitzondering op het beginsel van externe openbaarheid zoals dat namens de verdachte naar voren is gebracht, niet prevaleert boven het belang dat aan de basis staat van dat beginsel, te weten het garanderen van de kwaliteit van het verloop van de strafrechtspleging zelf, de werkzaamheid van het strafrechtelijk systeem in de samenleving en de controleerbare normering van het overheidsoptreden in strafzaken. Het oordeel van het hof acht ik daarom niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.
Het tweede middel
We zijn een job gaan doen en het is fout fout gegaan” ziet op de dood van het [slachtoffer 1], hetgeen een contra-indicatie oplevert met betrekking tot het bewijs van ‘(voorwaardelijk) opzet’, ‘voorbedachte raad’ en ‘medeplegen’. Ten derde wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte betrokken is geweest bij een vooropgezet plan tot het afschieten van “
een forse hoeveelheid munitie”, te weten zesendertig kogels, en mitsdien niet kan worden afgeleid dat hij bereid is geweest om het leven van het [slachtoffer 1] op te offeren voor de liquidatie van haar partner.
De bespreking van het tweede middel
Opzet”, “
Voorbedachte raad” en “
Medeplegen” de van toepassing zijnde (en voor de bespreking van het middel relevante) boordelingskaders (op juiste wijze) uiteengezet.
Medeplegen” nadrukkelijk aandacht besteed aan de feiten en omstandigheden die hij redengevend acht voor het bewijs van de nauwe en bewuste samenwerking c.q. het medeplegen. Het hof heeft aan de opsomming van feiten en omstandigheden die volgen uit de bewijsmiddelen (welke als zodanig niet door of namens de verdachte zijn bestreden) de conclusie verbonden dat de rol van de verdachte niet beperkt bleef tot het met de auto afzetten van de schutters bij de plaats waar de aanslag zou moeten worden gepleegd. Het ging volgens het hof niet zozeer om het verrichten van één ondersteunende taak zonder verdere invloed op de loop van de gebeurtenissen, als wel om het – met een bepaalde mate van intensiteit van samenwerking – verrichten van handelingen vóór, tijdens en na de bewezen verklaarde gedragingen, hetgeen volgens het hof een nauwe en bewuste samenwerking oplevert tussen de verdachte en de medeverdachten.
We zijn een job gaan doen en het is fout fout gegaan” “
klaarblijkelijk” ziet op de dood van het [slachtoffer 1] en daarmee een contra-indicatie oplevert met betrekking tot (voorwaardelijk) opzet en/of voorbedachte raad en/of medeplegen.
haar dood” niet “
klaarblijkelijk de fout [is] waarover verzoeker zich tegen zijn nicht heeft uitgelaten”. Ik geef in overweging dat het predicaat “
fout fout” net zo goed betrekking kan hebben op de omstandigheid dat de verdachte en zijn medeverdachten bij het wissen van sporen onbedoeld ernstige brandwonden hebben opgelopen.
Het derde middel
Het beoordelingskader
NJ2003/126 m.nt. Reijntjes, het volgende overwogen omtrent het in aanmerking nemen van strafverzwarende omstandigheden – onderstrepingen mijnerzijds:
NJ2014/282, het volgende overwogen – onderstrepingen mijnerzijds:
NJ2010/586, het volgende overwogen – onderstrepingen mijnerzijds:
NJ2017/400, het volgende overwogen – onderstrepingen mijnerzijds: [9]
De bespreking van het derde middel
Uit niets blijkt dat de verdachte de ernst van de feiten inziet of wil inzien en dit doet in het licht van de vele ernstige strafbare feiten die de verdachte tot op heden heeft gepleegd het ergste vrezen voor de toekomst.”en
“De hiervoor genoemde omstandigheden - in het bijzonder (i) de buitengewone ernst van de door de verdachte gepleegde misdrijven, (ii) zijn criminele en gewelddadige levensloop, waarin hij de veelvuldige hulpverlening - zelfs in het kader van een PIJ - en een tbs-maatregel - niet heeft benut en die het ergste doet vrezen voor de toekomst en, (iii) zijn zorgwekkende houding, zoals hiervoor beschreven - leiden het hof tot de conclusie dat een gevangenisstraf van dertig jaar passend en geboden is. Enkel de maximale duur van een tijdelijke gevangenisstraf doet voldoende recht aan de aard en ernst van de door de verdachte gepleegde misdrijven en de met strafoplegging na te streven doelen van enerzijds vergelding en anderzijds beveiliging van de maatschappij. Met de strafoplegging in deze zaak beoogt het hof bovendien anderen ervan te weerhouden over te gaan tot het plegen van dergelijke misdrijven.”
NJ2003/126 m.nt. Reijntjes, en HR 13 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1099,
NJ2014/282, brengt de steller van het middel naar voren dat het hof “
de vele ernstige strafbare feiten die de verdachte tot op heden heeft gepleegd” onder de noemer recidive in het bestreden arrest aanmerkt als strafverzwarende omstandigheid, zulks terwijl die omstandigheid niet aan de verdachte is ten laste gelegd en door wettige bewijsmiddelen is bewezen.
in het licht” hiervan. Voorts wordt door het hof een koppeling gemaakt met erkende strafdoelen. In zijn algemeenheid betreft speciale preventie, alsook beveiliging van de maatschappij, een erkend strafdoel, hetgeen in een strafmotivering tot uitdrukking kan worden gebracht met een zinsnede als “
zijn criminele en gewelddadige levensloop, waarin hij de veelvuldige hulpverlening – zelf s in het kader van een PIJ- en een tbs-maatregel – niet heeft benut en die het ergste doet vrezen voor de toekomst”. De door het hof onder het kopje “
Persoon van de verdachte” aangeduide “
vele ernstige strafbare feiten die de verdachte tot op heden heeft gepleegd” zijn in het onderhavige geval dus niet (op zichzelf) aangemerkt als een strafverzwarende omstandigheid die als zodanig zou moeten zijn ten laste gelegd en die door wettige bewijsmiddelen zou moet zijn bewezen verklaard. Het middel berust m.i. op een verkeerde lezing van het arrest. [12]
NJ2010/586, en HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391,
NJ2017/400.