Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
P.M.
Goudstaaf (grief 1 van de man)
A-G] dat het goud is gekocht va[a]n aangebracht vermogen van de vrouw dat is uitgesloten van verrekening, te weten het saldo van de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] . Gelet op het tijdsverloop tussen de aankoop van het goud (juli 2008) en de door de man gestelde overboekingen in januari en december 2019 [13] waarmee hij de aankoopkosten deels stelt te hebben terugbetaald, volgt het hof de man niet in zijn, door de vrouw betwiste, stelling dat hij het goud in mede eigendom heeft verkregen. Het enkele feit dat de man ten tijde van het huwelijk de goudstaaf onder zich hield maakt niet dat hij de eigendom heeft verkregen. Nu de man in hoger beroep ook geen nader bewijs heeft aangeboden van het door hem gestelde en de vrouw die stellingen gemotiveerd betwist, gaat het hof aan de stellingen van de man voorbij. Grief 1 van de man faalt.”
Uitleg huwelijksvoorwaarden (grief 4 van de man)
A-G] verrekenen vermogen op basis van het finaal verrekenbeding zou zijn. Hij verwijst daarvoor naar de opdrachtbrief van [de notaris] van 4 juni 2007 en met name naar de passage met betrekking tot de staat van aanbrengsten, waarover de notaris heeft opgemerkt dat de bankrekeningen waar geen saldo is opgenomen (…) sowieso privé blijven. Ook wijst hij erop dat de vrouw ten tijde van het huwelijk geen enkele betrokkenheid bij beleggingen van de man had en niets van doen wilde hebben met de hypotheken op zijn onroerende zaken (en die van zijn vader). De geldstromen van ieders privévermogen waren dan ook tijdens het huwelijk gesloten circuits. Het is nimmer de bedoeling van partijen geweest dat de vrouw op enigerlei wijze aanspraak zou maken op inkomsten uit de exploitatie van de onroerende goederen. De man biedt bewijs van zijn stellingen aan door het horen van [de notaris] voornoemd.
A-G] gesloten circuits zoals de man stelt. Dat blijkt volgens haar uit de handelswijze van de man tijdens het huwelijk. De kosten van de huishouding werden mede betaald uit de huurinkomsten.”
de inkomsten uit bedoelde verkrijgingen, wat specifiek met partijen is besproken. Nee, dat weet ik helaas niet. U vraagt mij of ik kan verklaren waarom ik geen preambule in de huwelijkse voorwaarden heb opgenomen met de uitgangspunten met betrekking tot het aangebracht vermogen van ieder der partijen. Dat was op kantoor destijds niet gebruikelijk om te doen. Zeker niet bij een niet afwijkende, aparte situatie die toelichting behoefde. Tegenwoordig doen we dat vaker, maar destijds was het op ons kantoor niet gebruikelijk.
De inkomsten uit bedoelde verkrijgingen en de renten van bedoelde schulden zullen wel in de verrekening worden betrokken’ het woord ‘aanbrengsten’ ontbreekt, wil dan ook niet zeggen dat de opbrengsten van de aanbrengsten zijn uitgezonderd van de hoofdregel.”
A-G] vrouw moet worden afgewezen.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep
Haviltex-maatstaf. Het komt dus aan op de zin die partijen redelijkerwijs aan de desbetreffende bepalingen uit de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [25] Op grond van art. 150 Rv Pro draagt de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van een bepaalde uitleg van (een bepaling van) een overeenkomst, bij voldoende betwisting, de bewijslast (en het bewijsrisico) van de feiten en omstandigheden die deze uitleg ondersteunen. [26] Daarbij moet zij ook aangeven in welke zin deze feiten en/of omstandigheden van belang zijn voor de bepleite uitleg van (een bepaling van) de overeenkomst. [27] In een geschil over de uitleg van een overeenkomst bepleiten partijen in de regel ieder een andere uitleg. In de literatuur wordt aangenomen dat in zo’n geval het uitgangspunt is dat de stellingen van de wederpartij moeten worden gezien als (niet meer dan) een motivering van haar betwisting van de door de eisende partij gestelde uitleg. Dit betekent ook dat de wederpartij in zo’n geval, in beginsel, niet direct de bewijslast draagt van haar stellingen. [28] In het geval dat beide partijen een andere uitleg bepleiten, heeft de rechter procedureel gezien verschillende mogelijkheden om tot een uiteindelijk uitlegoordeel te komen. Hij kan een voorshands oordeel geven over welke uitleg volgens hem de juiste is en, afhankelijk van welke gestelde uitleg hij volgt, de partij die niet is gevolgd de mogelijkheid geven om de door haar bepleite uitleg te bewijzen. Ook kan hij er voor kiezen om een eigen uitleg te hanteren of (voorlopig) in het midden laten welke uitleg hij volgt en de eiser de mogelijkheid geven om de door hem bepleite uitleg te bewijzen. [29] Dit regime en de daarmee samenhangende processuele regels, is ook van toepassing bij de uitleg van een verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden. [30]
de vruchten” die voortvloeien uit de privégoederen die op de lijst van aangebrachte goederen bij de HV staan vermeld, buiten de finale verrekening moeten blijven. Hierbij heeft hij ook verwezen naar artikel 14 HV Pro. [31] De vrouw heeft dit vervolgens in haar verweerschrift betwist en met verwijzing naar artikel 14 HV Pro gesteld dat de vruchten uit het privévermogen in de verrekening moeten worden betrokken. [32] Vervolgens hebben partijen hun standpunten over de uitleg van artikel 14 HV Pro nader onderbouwd. [33] In haar echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank geoordeeld dat zij de man niet volgt in de door hem bepleite uitleg van artikel 14 HV Pro en dat de huurinkomsten van de man, althans wat daarvan aanwezig was op de peildatum, moeten worden betrokken in de finale verrekening. [34] De rechtbank heeft dit oordeel in haar eindbeschikking van 18 december 2020 gehandhaafd. [35]
een andere uitleg[heeft,
A-G]
gegeven aan de inhoud van artikel 14 van Pro de akte huwelijkse voorwaarden dan door de man gesteld en welke niet aansluit bij de bedoeling van partijen.” Daarna heeft hij opnieuw betoogd dat artikel 14 HV Pro zo moet worden uitgelegd dat de huurinkomsten van het aangebrachte vastgoed buiten de verrekening moeten blijven. [36] De vrouw heeft deze uitleg (wederom) gemotiveerd betwist en gesteld dat partijen met artikel 14 HV Pro hebben bedoeld te verrekenen alsof een gemeenschap van goederen heeft bestaan en dat zij de inkomsten uit aangebracht vermogen hier niet van hebben uitgezonderd, zodat deze moeten worden betrokken in de verrekening. [37] In de bestreden tussenbeschikking heeft het hof in rov. 5.12 en 5.13 eerst de standpunten van partijen weergegeven ten aanzien van de vraag hoe artikel 14 HV Pro moet worden uitgelegd en vervolgens in rov. 5.14 de
Haviltex-maatstaf als uitlegmaatstaf genoemd. Hierna heeft het hof in rov. 5.15 aanleiding gezien om de man de gelegenheid te geven om bewijs te leveren van
zijn stellingdat de huurinkomsten van de buiten de verrekening blijvende onroerende zaken eveneens buiten de verrekening dienen te blijven. De man heeft vervolgens de notaris, zijn vader en zichzelf als getuigen laten horen. [38] In de bestreden eindbeschikking is het hof tot het oordeel gekomen dat de man er niet in is geslaagd te bewijzen dat (partijen de bedoeling hadden dat) de huurinkomsten van de buiten de verrekening blijvende onroerende zaken ook buiten de verrekening dienen te blijven. Met verwijzing naar de stukken en getuigenverklaringen heeft het hof geconcludeerd dat het de bedoeling van partijen is geweest om in de HV vast te leggen dat bij echtscheiding de inkomsten en opbrengsten van de buiten de verrekening blijvende aangebrachte onroerende zaken in de verrekening moeten worden betrokken (rov. 2.3 tot en met rov. 2.9).
sub-subonderdeel B.I.2brengt het slagen van sub-subonderdeel B.I.1 mee dat het hof ten onrechte de man als partijgetuige heeft aangemerkt in rov. 2.3 van de bestreden eindbeschikking en vervolgens, mede daarom, in rov. 2.4 tot en met 2.9 van de bestreden eindbeschikking heeft geoordeeld dat de man niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd, onder meer omdat de verklaringen van de getuigen onvoldoende steun vinden in de stelling dat (partijen de bedoeling hadden dat) de huurinkomsten van de buiten de verrekening blijvende onroerende zaken ook buiten de finale verrekening dienen te blijven. [40] Omdat het hof uitgaat van de verkeerde maatstaf, onder meer ten aanzien van de verklaring van de man, maar ook omdat het hooguit om tegenbewijs gaat (zie hierna sub-subonderdeel B.I.3) kunnen de tussen- en eindbeschikking van het hof niet in stand blijven, aldus het sub-subonderdeel.
tegenbewijsdoor de man. Volgens het sub-subonderdeel heeft het hof in dat geval miskend dat, anders dan het hof in rov 2.3 van de bestreden eindbeschikking heeft geoordeeld en daar in rov. 2.4 tot en met 2.9 van de bestreden eindbeschikking op heeft voortgebouwd, de man niet als partijgetuige in de zin van art. 164 lid 2 Rv Pro kon worden aangemerkt en zijn verklaring daarom ‘vol’ meetelt. Ook om deze reden kan de gehele bewijswaardering niet in stand blijven.
eerste klachtstelt dat het slagen van een van de hiervoor genoemde klachten, betekent dat ook rov. 2.5 tot en met 2.9 van de eindbeschikking niet in stand kunnen blijven. Volgens de
tweede klachtkan de bewijswaardering in rov. 2.5 tot en met 2.9 van de eindbeschikking ook om de volgende reden geen stand houden. Als er, zo begrijp ik de klacht, van wordt uitgegaan, zoals in sub-subonderdeel B.I.3, dat het hof in rov. 5.15 van het bestreden tussenarrest een bewijsopdracht aan de man heeft gegeven, bijvoorbeeld omdat aan de letterlijke tekst van de huwelijksvoorwaarden een bewijsvermoeden kan worden ontleend, dan kon de man volstaan met het leveren van tegenbewijs, hetgeen in onderhavige zaak het ontzenuwen betekent van dat bewijsvermoeden. Dit heeft het hof dan miskend in zijn bewijswaardering in rov. 2.5 tot en met 2.9.
subonderdeel B.IIstelt de man dat het hof heeft miskend dat hij, in het kader van artikel 14 HV Pro, een beroep heeft gedaan op gerechtvaardigd vertrouwen. Het onderdeel valt uiteen in vier sub-subonderdelen met enkele eigen klachten.
de voorlichting van de notaris, zowel tijdens de bespreking d.d. 1 juni 2007, als in de opdrachtbrief d.d. 4 juni 2007 mocht de man er redelijkerwijs vanuit gaan dat de vrouw bij het einde van het huwelijk door echtscheiding nimmer in financiële zin (via verrekening) aanspraak op zijn onroerend goed en dat van hem met zijn vader, zijnde het aangebrachte vermogen, alsmede het rendement daarvan zou kunnen maken en dit derhalve buiten het te verrekenen vermogen van het finale verrekenbeding zal blijven.”
Door [de man] wordt aangebracht:
ABN AMRO Bank [rekeningnummer 9] , een en/of rekening met [de vader van de man] voor het registergoed [a-straat] te [plaats 1] en het [registergoed] te [plaats 3] , met de daaraan gekoppelde internetspaarrekening;
Postbank jaarclubrekening met [rekeningnummer 16] ;
eerste klachtvan sub-subonderdeel B.II.1 betekent het voorgaande concreet dat het hof in rov. 5.12 tot en met 5.15 van het bestreden tussenbeschikking en rov. 2.3 tot en met 2.6 van het bestreden eindbeschikking het beroep van de man op gerechtvaardigd vertrouwen onbesproken heeft gelaten. Indien het hof dat beroep (impliciet) heeft verworpen is dat oordeel niet toereikend gemotiveerd en zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Immers: indien de man als leek (terwijl de vrouw juridisch geschoold is) voorafgaand aan het tekenen, uitgelegd krijgt dat rekeningen waar geen saldo achter staat geheel buiten de verrekening blijven en wanneer vervolgens daadwerkelijk rekeningen worden opgenomen waarop geen saldo is vermeld, dan valt zonder nadere toelichting niet in te zien dat en waarom de man er dan niet op mocht vertrouwen dat artikel 14 HV Pro zo moest worden begrepen, althans nader is overeengekomen dat die rekeningen, en daarmee de opbrengsten van de buiten de verdeling gehouden onroerende zaken, buiten de verrekening zouden blijven.
ofeen rechtshandeling tot stand is gekomen, maar ook bij de in het verlengde hiervan liggende vraag
welke inhoudzij heeft. [51] Of een rechtshandeling tot stand is gekomen en, zo ja, welke inhoud zij heeft, is volgens vaste rechtspraak van Uw Raad afhankelijk van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen mochten toekennen en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [52] Aangenomen wordt dat de
Haviltex-maatstaf een uitvloeisel is van de wilsvertrouwensleer. Steeds gaat het immers om wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen of gedragingen omtrent hun wederzijdse bedoelingen hebben mogen afleiden en wat hen op die grond kan worden toegerekend. [53] De beoordeling van het uitlegoordeel van de rechter is in hoge mate feitelijk en leent zich daarom slechts beperkt voor toetsing in cassatie. Als de rechter de juiste maatstaf heeft gehanteerd, kan de uitleg in cassatie alleen worden getoetst op zijn begrijpelijkheid. Daarbij geldt dat een uitleg niet reeds onbegrijpelijk is als een andere uitleg ook mogelijk zou zijn geweest. [54]
Haviltex-maatstaf. Vervolgens heeft het hof in rov. 5.15 overwogen dat het nog geen oordeel kon vellen over hoe de HV moeten worden uitgelegd ten aanzien van de vraag of de huurinkomsten van de buiten de verrekening blijvende onroerende zaken eveneens buiten de verrekening dienen te blijven. Hierna heeft de man de bewijsopdracht gekregen van zijn stelling dat partijen de bedoeling hadden om de huurinkomsten buiten de verrekening te houden. Nadat de man de notaris, zijn vader en zichzelf als getuigen heeft laten horen, is het hof in de bestreden eindbeschikking tot zijn definitieve uitlegoordeel gekomen: de huurinkomsten moeten in de verrekening worden betrokken. Dit heeft het hof in rov. 2.6 als volgt onderbouwd. Op basis van de verklaringen van de getuigen en de stukken, waaronder de toelichting van de notaris op het concept HV, is het volgens het hof de
bedoelingvan partijen geweest dat zij bij een echtscheiding zullen verrekenen alsof zij gehuwd waren in algemene gemeenschap van goederen. De enige uitzondering hierop is dat de aangebrachte goederen en hetgeen voor of tijdens het huwelijk is verkregen uit erfenissen en/of schenkingen (en hetgeen daarvoor in de plaats is gekomen) buiten de verrekening blijven. De man is er niet in geslaagd aan te tonen dat partijen enige andere uitzondering op dit uitgangspunt zijn overeengekomen. Bij dit oordeel heeft het hof specifiek waarde gehecht aan de verklaring van de notaris (weergegeven in rov. 2.5) dat uit haar dossieraantekeningen bleek dat de aanbrengsten (wel) besproken zijn, maar dat zij niet kon zien of de inkomsten uit die aanbrengsten ook specifiek besproken zijn en dat zij zich dat ook niet kon herinneren. Volgens haar verklaring heeft zij ook geen expliciet onderscheid gemaakt dat kosten, opbrengsten en lasten van het aangebrachte vermogen als verkrijging onder het finaal verrekenbeding vallen. In dat licht moet de volgende zin uit artikel 14 HV Pro worden gelezen: “
De inkomsten uit bedoelde verkrijgingen en de renten van bedoelde schulden zullen wel in de verrekening worden betrokken”. Dat het woord ‘aanbrengsten’ hierin ontbreekt, wil daarom niet zeggen dat de opbrengsten van de aanbrengsten, in tegenstelling tot de verkrijgingen, zijn uitgezonderd van de hoofdregel dat wordt verrekend alsof partijen in algehele gemeenschap van goederen zijn getrouwd. Tegen deze achtergrond heeft het hof de overige stellingen van de man die de door hem bepleite uitleg van artikel 14 HV Pro zouden ondersteunen vervolgens verworpen. Het hof heeft geen (beslissende) waarde gehecht aan de verklaringen van de vader van de man omdat die onvoldoende waren om anders te oordelen in het licht van wat de man en de vrouw in het kader van de HV hebben besproken en zijn overeengekomen (rov. 2.7). Evenmin heeft het hof beslissende waarde toegekend aan de (enkele) passage in de toelichting van de notaris in haar brief van 4 juni 2007 over het al dan niet vermelden van de banksaldi van genoemde bankrekeningen omdat de notaris deze toelichting al had verstrekt voordat zij de staat van aanbrengsten had ontvangen (rov. 2.8).
Haviltex-maatstaf gehandeld. Zoals blijkt uit randnummer 3.23 heeft het hof hiermee ook het beroep van de man op gerechtvaardigd vertrouwen beoordeeld. Met zijn oordeel dat partijen niet de bedoeling hebben gehad om af te wijken van de hoofdregel dat zij bij een echtscheiding verrekenen alsof er een algehele gemeenschap van goederen bestond en alleen aangebrachte goederen en, kort gezegd, persoonlijke goederen hiervan zijn uitgesloten, heeft het hof het standpunt van de man dat hij de HV op zo’n manier heeft mogen begrijpen dat zowel het door hem aangebrachte onroerend goed als het rendement daarvan buiten het te verrekenen vermogen van het finale verrekenbeding zouden blijven, verworpen. De klacht kan dus niet worden gevolgd in de stelling dat het hof het beroep van de man op gerechtvaardigd vertrouwen onbesproken heeft gelaten. Evenmin kan worden gezegd dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Zoals blijkt uit randnummer 3.25 hiervoor heeft het hof immers de belangrijkste door de man aangehaalde stellingen, de bespreking van 1 juni 2007 met de notaris, de brief van de notaris van 4 juni 2007 en de getuigenverklaring van de notaris, besproken en gemotiveerd waarom deze niet tot de door hem bepleite uitleg van de HV hebben geleid. Ook de motiveringsklacht faalt dus.
tweede klachtvan sub-subonderdeel B.II.1. richt zich in het bijzonder tegen rov. 2.6 van de bestreden eindbeschikking. Deze rechtsoverweging wordt in de procesinleiding (p. 5) als volgt weergegeven:
De inkomsten uit bedoelde verkrijgingen en de renten van bedoelde schulden zullen wel in de verrekening worden betrokken’ het woord ‘
aanbrengsten’ ontbreekt, wil dan ook niet zeggen dat de opbrengsten van de aanbrengsten zijn uitgezonderd van de hoofdregel.”
Haviltex-maatstaf toegepast en, mede aan de hand van de bespreking van 1 juni 2007 tussen partijen en de notaris, de brief van de notaris van 4 juni 2007 en de getuigenverklaring van de notaris, onderzocht wat de bedoelingen waren van partijen met artikel 14 HV Pro ten aanzien van de verrekening van de inkomsten van het aangebrachte vastgoed. Als gezegd, zie randnummer 3.26 hiervoor, heeft het hof daarmee ook het beroep van de man op de wilsvertrouwensleer beoordeeld. Tot slot merk ik op dat de procedure in cassatie geen derde feitelijke instantie is. Dit lijkt de klacht te miskennen; in wezen poogt zij Uw Raad te verleiden tot een hernieuwde feitelijke beoordeling met betrekking tot de uitleg van de HV. Uit mijn bespreking van de klacht blijkt dat Uw Raad deze verleiding beter zou weerstaan.
Haviltex-criterium wel heeft genoemd, maar dat vervolgens onjuist, althans onbegrijpelijk heeft toegepast in rov. 5.12 en rov. 5.15 van het bestreden tussenarrest en in rov. 2.3 tot en met 2.9 van de bestreden eindbeschikking, in het bijzonder in rov 2.6 tot en met 2.9. Het sub-subonderdeel valt uiteen in drie klachten.
Haviltex-beoordeling, rekening moet houden met alle omstandigheden van het specifieke geval. In dit geval heeft de man betoogd dat hij er gelet op de besprekingen van 1 en 4 juni 2007 [58] met de notaris en uit de brief van de notaris ter bevestiging daarvan, redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat de vrouw bij het einde van het huwelijk door een echtscheiding nimmer in financiële zin (via verrekening) aanspraak op zijn onroerend goed en het rendement daarvan zou kunnen maken en dit derhalve buiten het te verrekenen vermogen van het finale verrekenbeding zal blijven. Volgens het sub-subonderdeel wordt dit standpunt ondersteund door de uitleg die de notaris als getuige heeft gegeven aan de brief van 4 juni 2007, [59] namelijk dat de bankrekeningen waar geen saldo achter stond geheel buiten de verrekening vielen. Daarnaast blijkt uit de vetgedrukte passages in de in randnummer 3.19 onder g. hiervoor geciteerde staat van aanbrengsten, die één dag na de brief van 4 juni 2007 tezamen met de HV is verleden, dat partijen daar inderdaad invulling aan hebben gegeven. Daar is immers geen saldo opgenomen. Aldus volgt de bedoeling van partijen uit de brief van 4 juni 2007 en uit de wijze waarop daaraan op 5 juni 2007 vervolgens door partijen invulling aan is gegeven. Volgens de
eerste klachtvan sub-subonderdeel B.II.2 heeft het hof door het beroep op het gerechtvaardigd vertrouwen in samenhang met de hiervoor genoemde feiten niet, althans niet voldoende kenbaar, bij zijn beoordeling te betrekken, hetzij een onjuiste invulling aan het
Haviltex-criterium gegeven, hetzij zijn oordeel onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
tweede klachtvan sub-subonderdeel B.II.2 heeft het hof voorts miskend dat voor de vraag wat partijen voor ogen heeft gestaan en waarop de man mocht vertrouwen ten tijde van het aangaan van de HV, anders dan het hof in rov. 2.7 van de bestreden eindbeschikking heeft overwogen, evenzeer van belang is wat de man daaromtrent tegenover zijn vader heeft aangegeven. Dat is immers zijn ‘state of mind’ ten tijde van het aangaan van de HV geweest. Dat hij ervoor zou zorgen dat het een en ander buiten de verrekening zou blijven, geeft aan dat hij dat, zoals hij heeft gesteld, kennelijk als zodanig heeft ingebracht in de besprekingen van 1 en 4 juni 2007. [60] Aldus is ook rechtens onjuist en onbegrijpelijk dat het hof in rov. 2.8 van de bestreden eindbeschikking heeft overwogen dat, nu de notaris op 4 juni 2007 de brief heeft verstrekt voordat zij een staat van aanbrengsten zou hebben ontvangen, het hof daaraan geen “
beslissende waarde” heeft gehecht. Hiermee heeft het hof miskend dat partijen daags nadien daaraan wel invulling hebben gegeven.
derde klachtvan sub-subonderdeel B.II.2. Blijkens rov. 5.13 van de bestreden tussenbeschikking heeft de vrouw, aldus de klacht, de inhoud van de brief van 4 juni 2007 niet als zodanig betwist, maar heeft zij twee juristen laten verklaren hoe artikel 14 HV Pro in zijn algemeenheid zou moeten worden uitgelegd. Dat is als betwisting in het kader van de
Haviltex-maatstaf irrelevant in het onderhavige geval waarin partijen expliciet voor ogen heeft gestaan, dan wel dat de man er vanuit mocht gaan, dat de rekeningen waar op de staat van aanbrengsten geen saldo is vermeld (te weten de rekeningen waarop de huurinkomsten werden gestort en de jaarclubrekening) [64] buiten de verrekening zouden blijven. Volgens de klacht geeft het hof aldus blijk van een onjuiste toepassing van de
Haviltex-maatstaf, nu het deze feiten bij de uiteindelijke beoordeling niet of niet voldoende kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken, althans is het oordeel in dat licht onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd.
Haviltex-maatstaf onjuist heeft toegepast, verwijs ik naar randnummers 3.20 tot en met 3.26 en 3.32 hiervoor, waar is uiteengezet dat het hof de
Haviltex-maatstaf correct heeft toegepast.
sub-subonderdeel B.II.3stelt de man vervolgens dat hij het, in samenhang met hetgeen hij in sub-subonderdeel B.II.2 heeft aangevoerd, maar ook los daarvan, rechtens onjuist en onbegrijpelijk vindt dat hij in rov 5.15 van de bestreden tussenbeschikking nog een bewijsopdracht heeft gekregen. Uit rov. 5.13 van de bestreden tussenbeschikking volgt dat de vrouw de inhoud en strekking van de brief met uitleg van de notaris niet heeft betwist, waardoor op grond van art. 149 Rv Pro vaststaat dat (1) partijen één bespreking hebben gevoerd met de notaris, [66] (2) dat blijkens die brief partijen hebben besproken wat er in de huwelijksvoorwaarden zou moeten worden opgenomen, (3) hetgeen de notaris heeft bevestigd in die opdrachtbrief, en (4) dat partijen daaraan daadwerkelijk invulling hebben gegeven door expliciet onderscheid te maken tussen bankrekeningen met een aanbrengsaldo en bankrekeningen zonder saldo. Aldus had het hof op basis van de besprekingen van 1 en 4 juni 2007 [67] en van de brief van 4 juni 2007, alsmede de invulling die daarin is gegeven in de staat van aanbrengsten, in het kader van art. 149 Rv Pro moeten vaststellen dat partijen kennelijk zijn afgeweken van de standaarduitleg die de vrouw met het overleggen van legal opinions [68] (naar de mening van de man tegen beter weten in) ingang tracht te doen vinden.
door de man gesteldeoverboekingen” (onderstreping door mij,
A-G). Dat het hof vervolgens 2019 noemt in plaats van 2009 duidt er op dat het hier enkel om een verschrijving gaat en dat het hof wel degelijk 2009 voor ogen heeft gehad. Daarnaast zit er nog steeds een substantieel tijdsverloop tussen het aankoopmoment van het goud door de vrouw (juli 2008) en de gestelde terugbetalingen van de man (januari en december 2009) waardoor het oordeel van het hof dat de man niet wordt gevolgd in zijn stelling dat hij het goud in mede-eigendom heeft verkregen niet onbegrijpelijk is.
sub-subonderdeel C.III.2heeft het hof met zijn oordeel in rov. 5.6 van de bestreden tussenbeschikking dat het enkele feit dat de man ten tijde van het huwelijk de goudstaaf onder zich hield niet maakt dat hij de eigendom heeft verkregen, miskend dat de hoofdregel is dat de bezitter van een roerende zaak wordt vermoed rechthebbende te zijn (art. 3:119 BW Pro). Het is dan aan de vrouw om daartegen tegenbewijs te leveren. Daartoe is echter enkele betaling niet voldoende, dit nog daargelaten de stelling van de man dat hij zijn aandeel in 2009 (niet 2019, zie sub-subonderdeel C.III.1) aan de vrouw heeft vergoed. Althans had het hof, indien het impliciet heeft geoordeeld dat de vrouw dat tegenbewijs heeft geleverd dat oordeel beter moeten motiveren, bij gebreke waarvan het oordeel onbegrijpelijk, althans in elk geval niet toereikend gemotiveerd is.
nietgeoordeeld dat de vrouw eigenaar is geworden enkel omdat zij een betaling voor het goud heeft verricht. Met dit oordeel van het hof is niet (meer) relevant of de man de goudstaaf ten tijde van het huwelijk onder zich hield. Beslissend is immers dat de goudstaaf buiten de verrekening valt omdat deze door de vrouw met door haar aangebracht vermogen is gekocht. Om deze reden kan het sub-subonderdeel niet worden gevolgd in zijn stelling dat het hof art. 3:119 BW Pro heeft miskend, en evenmin in zijn stelling dat het hof (al dan niet impliciet) zou hebben geoordeeld dat de vrouw het tegenbewijs heeft geleverd om de hoofdregel van art. 3:119 BW Pro te weerleggen. Voor zover het sub-subonderdeel voortbouwt op sub-subonderdeel C.III.1, faalt het ook omdat dat sub-subonderdeel tevergeefs is voorgesteld.
sub-subonderdeel C.III.3stelt de man dat het oordeel van het hof in rov. 5.6 van de bestreden tussenbeschikking onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is. In zijn beroepschrift heeft de man aangevoerd dat de partijen destijds hebben afgesproken om gezamenlijk te gaan beleggen in goud. [74] Meer specifiek heeft de man hierover het volgende gesteld:
Haviltexworden bepaald aan de hand van wat partijen bij het aangaan van die overeenkomst voor ogen heeft gestaan. De wijze waarop partijen invulling hebben gegeven aan een overeenkomst is een aanwijzing van wat partijen bij aanvang voor ogen heeft gestaan. Een wijze van invulling is hoe de vrouw richting haar fiscaal adviseur (zelf) heeft aangegeven hoe de eigendomsverhouding ligt en/of hoe die fiscaal moet worden verantwoord. Aldus betreft naast het korte tijdsbestek ook de fiscale verantwoording en de uitingen van de vrouw daaromtrent zoals hierboven weergegeven essentiële stellingen: die maken immers het verweer van de vrouw volstrekt ongeloofwaardig. Dat laatste geldt ook voor de betwiste stelling van de vrouw dat de betaling in 2009 een terugbetaling aan de vrouw zou zijn van een beweerdelijk door de moeder van de vrouw aan de vrouw in 2016 gedane lening.
nietheeft geoordeeld dat de vrouw eigenaar is geworden enkel omdat zij een betaling voor het goud heeft verricht. De vrouw heeft gesteld dat zij het goud met aangebracht privévermogen heeft gekocht dat krachtens de HV buiten de verrekening blijft. [82] Het hof heeft de vrouw hierin gevolgd door in rov. 5.6 te oordelen dat de vrouw heeft aangetoond dat zij het goud heeft gekocht met door haar aangebracht vermogen dat om die reden is uitgesloten van de verrekening.
A-G): “
Om de aangifte vandaag af te kunnen ronden stel ik voor dat we fysiek zilver en goud dat ik weet – zilveren munten (600 maple leaf) en goud (1kg baar goud) – wel opgeven met een 50/50 verdeling (fiscaal). (…)Bij de afrekening van onze huwelijkse voorwaarden zullen we dan nog kijken naar de juridisch correcte verdeling, welke anders kan zijn dan deze fiscale verdeling.” Uit deze mail kan dus niet worden afgeleid dat de vrouw heeft erkend dat zij het goud met de man in mede-eigendom heeft verkregen.
sub-subonderdeel C.III.4is het oordeel van het hof in rov. 5.6 van de bestreden tussenbeschikking inhoudende dat de man in hoger beroep geen bewijs heeft aangeboden van het door hem gestelde onjuist en onbegrijpelijk gelet op, onder meer, het bewijsaanbod van de man in hoger beroep. [86]
Daarbij merkt het hof op dat de posten A en B rekeningen zijn die de man samen met zijn vader heeft ten behoeve van onroerend goed in [plaats 1]”. Uit de processtukken in zowel eerste aanleg als in hoger beroep blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat de man slechts voor 30% eigenaar is van het onroerend goed in [plaats 1] dat hij met zijn vader bezit en dus slechts voor 30% gerechtigd is op de daarmee samenhangende bankrekeningen. [92] Het is dan onjuist dat het hof heeft vastgesteld dat de man tot 50% gerechtigd is op bankrekening A, terwijl het wel (correct) heeft vastgesteld dat de man tot 30% gerechtigd is op bankrekening B. Het sub-subonderdeel is dus terecht voorgesteld: het hof had in rov. 2.14 van de bestreden eindbeschikking moeten oordelen dat de man slechts gerechtigd was tot 30% van bankrekening A, waarna het in rov. 2.21 had moeten oordelen dat bankrekening A slechts voor een bedrag van € 128,94 ( € 429,80 x 0,3) in de verrekening moet worden betrokken.
sub-subonderdeel D.IV.3, verzuimd het – krachtens de HV hoe dan ook buiten de verrekening te laten – aangebrachte saldo op die betaalrekening met de gekoppelde spaarrekening (€ 4.050 en € 4.550) van bij elkaar € 8.600 als aangebracht vermogen in mindering te brengen op het te verrekenen saldo. [97] Indien immers niet die gehele bankrekening buiten de finale verrekening blijft (zie subonderdeel B.I), dient het op de peildatum te verrekenen saldo in elk geval te worden verminderd met het saldo op de staat van aanbrengsten. [98]
sub-subonderdeel D.IV.5onjuist en onbegrijpelijk nu het hof heeft miskend dat onderaan dat stroomschema een toelichting staat met verwijzingen naar de onderliggende bankafschriften, die als producties zijn overgelegd. [106] De consequentie hiervan is dat het hof bij het vaststellen van de aan de zijde van de man te verrekenen banksaldi geen rekening gehouden heeft met de aangebrachte banksaldi van de man van in totaal € 59.725 terwijl dat bij de vrouw wel is gebeurd. Het gaat bij de te verrekenen banksaldi, zoals het hof in rov. 2.6 heeft overwogen, om de verdeling van de aanwas van de banksaldi tijdens het huwelijk (dus exclusief aangebrachte saldi, onroerend goed, erfenissen en schenkingen). In het geval van de man bedroeg zijn aangebrachte banksaldo in totaal € 59.725 + p.m. voor de banksaldi met zijn vader plus de verkoopopbrengst van € 15.617,75 van het onroerend goed in [plaats 3] . [107] Dat aangebrachte banksaldo was op de peildatum aanwezig maar is in de loop der jaren overgeboekt naar en verspreid over andere bankrekeningen. Bij de vrouw is haar aangebrachte saldo minus het aankoopbedrag voor het goud ook op het door haar te verrekenen saldo in mindering gebracht.
sub-subonderdeel D.IV.6is het oordeel van het hof in rov. 2.17 van de bestreden eindbeschikking contrair met hetgeen in post J van rov. 2.21 is opgenomen. In rov. 2.17 heeft het hof overwogen dat de zilveren munten, die de man uit huurinkomsten heeft aangeschaft, buiten de verrekening vallen. Die overwegingen volgend, dienen het zilver en het goud dat fysiek aangehouden wordt bij Gold Republic (post J) ook buiten de verrekening te blijven. [110] Kennelijk heeft het hof dat miskend, omdat het in verrekening brengen van Gold Republic voor € 10.598 in post J contrair gaat aan de eerdere overweging in rov 2.17.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidenteel beroep
alsof de echtgenoten gehuwd waren in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen” en (b) de stelling van de vrouw waar zij heeft aangegeven wat de bedoeling van partijen is geweest in de HV met betrekking tot het doen ontstaan van vergoedingsrechten. [117] Volgens het onderdeel had het hof – indachtig het door Uw Raad geformuleerde toetsingskader – moeten responderen op de stellingen van de vrouw ten aanzien van de bedoeling van partijen als het gaat om de vraag of zij beoogd hebben om vergoedingsrechten te doen ontstaan. In het licht van dat toetsingskader dienen die stellingen immers als essentieel gekwalificeerd te worden. Gegrondverklaring van dit onderdeel vitieert ook rov. 2.21, rov. 2.23 en rov. 4.2. van het dictum.
toetsingskader” van Uw Raad uit het arrest van 7 oktober 2022 [118] heeft miskend. In dit arrest heeft Uw Raad het volgende geoordeeld over de verhouding tussen een finaal verrekenbeding en het ontstaan van vergoedingsrechten tussen echtgenoten bij een echtscheiding:
Haviltex-maatstaf. Op grond van art. 150 Rv Pro draagt de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van een bepaalde uitleg van (een bepaling van) een overeenkomst, bij voldoende betwisting, de bewijslast (en het bewijsrisico) van de feiten en omstandigheden die deze uitleg ondersteunen. [122] Daarbij moet zij ook aangeven in welke zin deze feiten en/of omstandigheden van belang zijn voor de bepleite uitleg van (een bepaling van) de overeenkomst. [123]