ECLI:NL:PHR:2024:584

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 mei 2024
Publicatiedatum
29 mei 2024
Zaaknummer
23/03678
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:33 BWArt. 3:35 BWArt. 3:110 BWArt. 3:119 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg huwelijkse voorwaarden en finale verrekening van huurinkomsten en goudstaaf bij echtscheiding

Deze zaak betreft de uitleg van huwelijkse voorwaarden met een finaal verrekenbeding tussen partijen die zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen. De kernvraag is of opbrengsten zoals huurinkomsten van onroerend goed, dat van verrekening is uitgesloten, toch in de verrekening moeten worden betrokken. Daarnaast speelt de vraag of een goudstaaf, gekocht met privévermogen van de vrouw, tot het te verrekenen vermogen behoort.

De rechtbank en het hof oordeelden dat de huurinkomsten wel tot de verrekening behoren, terwijl het vermogen zelf (de panden) zijn uitgesloten. De goudstaaf behoort tot het privévermogen van de vrouw en valt buiten de verrekening. De man stelde in cassatie dat de huurinkomsten eveneens buiten de verrekening moesten blijven en dat hij mede-eigenaar was van de goudstaaf.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de man niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht om aan te tonen dat de huurinkomsten buiten de verrekening moeten blijven. De uitleg van het finaal verrekenbeding moet worden bepaald aan de hand van de bedoeling van partijen en de maatstaf van redelijkheid en billijkheid. De enige uitzondering op de verrekening is het vermogen dat voorafgaand aan het huwelijk is aangebracht. De opbrengsten daarvan, zoals huurinkomsten, vallen wel onder de verrekening. Ook bevestigt de Hoge Raad dat de goudstaaf, gekocht met privévermogen van de vrouw, buiten de verrekening blijft. De man heeft onvoldoende bewijs geleverd voor mede-eigendom.

De Hoge Raad wijst de cassatieklachten af en bevestigt het oordeel dat de man een bedrag aan de vrouw moet betalen na verrekening van het vermogen en de huurinkomsten. De uitspraak verduidelijkt de uitleg van huwelijkse voorwaarden met een alsof-beding en de behandeling van opbrengsten van privévermogen bij echtscheiding.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat huurinkomsten van aangebracht onroerend goed in de verrekening vallen en dat de goudstaaf buiten de verrekening blijft.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03678
Zitting31 mei 2024
CONCLUSIE
T. Hartlief
In de zaak
[de man](hierna: ‘ [de man] ’ of ‘de man’)
tegen
[de vrouw](hierna: ‘ [de vrouw] ’ of ‘de vrouw’)
Deze zaak gaat over de vermogensafwikkeling van een echtscheiding. Partijen waren getrouwd op basis van huwelijkse voorwaarden. Onderdeel hiervan is dat tussen partijen geen gemeenschap van goederen bestond, maar dat bij de ontbinding van het huwelijk vanwege een echtscheiding een finale verrekening plaatsvindt alsof partijen gehuwd waren in de wettelijke gemeenschap van goederen (ook wel een ‘alsof-beding’ genoemd). Van de verrekening is uitgesloten het vermogen dat door de man en de vrouw is aangebracht/ieder van hen bezat voor het huwelijk. De man heeft, onder andere, onroerend goed aangebracht. De rechtbank heeft geoordeeld dat de man, na de verrekening, nog een bedrag aan de vrouw verschuldigd is. Ook het hof is tot het oordeel gekomen dat de man nog een bedrag aan de vrouw moet betalen, zij het een lager bedrag dan waar de rechtbank op uitkwam. In cassatie stelt de man een aantal aspecten van de door het hof gehanteerde verrekening ter discussie. Kort gezegd gaat het daarbij om (i) het oordeel dat de huurinkomsten van het door de man aangebrachte onroerend goed in de verrekening moeten worden betrokken, (ii) het oordeel dat een goudstaaf die door de vrouw is gekocht met door haar aangebracht vermogen buiten de verrekening valt en (iii) de wijze waarop het hof het te verrekenen bedrag in verband met een aantal bankrekeningen van de man heeft vastgesteld.

1.Feiten

1.1
De volgende feiten zijn in cassatie van belang. [1]
1.2
Partijen zijn op 15 juni 2007 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden (hierna: ‘HV’), die bij notariële akte op 5 juni 2007 zijn vastgelegd. [2] Deze luiden – voor zover in cassatie van belang – als volgt:
“UITSLUITING GEMEENSCHAP VAN GOEDEREN
Artikel 2
Tussen de echtgenoten zal geen enkele gemeenschap van goederen bestaan. Uitdrukkelijk zijn de wettelijke bepalingen betreffende de gemeenschap van winst en verlies en de gemeenschap van vruchten en inkomsten niet van toepassing.
(…)
VERGOEDINGEN
Artikel 6
De echtgenoten zijn voorzover niet anders is overeengekomen, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, naar de waarde van de dag van de onttrekking.
Deze vergoeding is terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.
(…)
VERREKENING OVERGESPAARDE INKOMSTEN
Artikel 10
1. Hetgeen van de netto-inkomsten als bedoeld in artikel 8 lid 1 van Pro de echtgenoten zal resteren, nadat daaruit de in artikel 9 bedoelde Pro kosten, alsmede alle overige kosten van de gemeenschappelijke huishouding, zijn voldaan, zal tussen de echtgenoten gelijkelijk worden verdeeld.
Indien premies en dergelijke als bedoeld in artikel 9 uit Pro het inkomen zijn betaald worden zij ter berekening van de te verdelen som bijgeteld, zodat zij het inkomen niet verminderen.
2. De deling geschiedt in beginsel door uitkering van geld. Indien de redelijkheid zulks gebiedt zullen de echtgenoten een betalingsregeling treffen (al of niet met zekerheidstelling), waarbij de belangen van beiden in acht worden genomen.
3. De omvang van hetgeen op grond van het voorgaande van de netto-inkomsten verrekend zal moeten worden, zal door de echtgenoten in onderling overleg worden vastgesteld en zo zij het daarover niet eens kunnen worden, voor partijen bindend door een deskundige, te benoemen door de echtgenoten in onderling overleg of, ingeval van geschil daaromtrent, door de Kantonrechter van de laatste gemeenschappelijke woonplaats van de echtgenoten in Nederland en bij gebreke daarvan door de Kantonrechter te 's-Gravenhage.
4. Geen verrekening heeft plaats:
a. over de tijd, dat de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van tafel en bed bestaat;
b. over het kalenderjaar dat het inkomen van een echtgenoot, onder aftrek van de kosten van de huishouding, ten gevolge van verlies in een zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf van die echtgenoot negatief is;
c. indien een echtgenoot surséance van betaling of schuldsanering heeft verkregen, in staat van faillissement verkeert ofwel verkeerd heeft;
Verrekening zal na het einde van het faillissement (wederom) wel plaatshebben indien en zodra het vermogen van de desbetreffende ex-gefailleerde echtgenoot positief is.
(…)
FINAAL VERREKENBEDING
Artikel 14
1. Ingeval van ontbinding van het huwelijk (...) door echtscheiding (...) zal tussen de echtgenoten (...) verrekening plaatsvinden alsof de echtgenoten gehuwd waren in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen.
(…)
Ingeval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding (...) zal de verrekening niet gelden ten aanzien van hetgeen door ieder der echtgenoten ten huwelijk is aangebracht casu quo ieder van hen bezat (welke goederen op de aan deze akte gehechte (...) staat van aanbrengsten staan vermeld), dan wel datgene dat daarvoor krachtens zaaksvervanging in de plaats is getreden, alsmede hetgeen krachtens erfstelling, legaat, lastbevoordeling of schenking is of zal worden verkregen, dan wel datgene dat daarvoor krachtens zaaksvervanging in de plaats is getreden, en de op die verkrijgingen drukkende schulden en de wegens die verkrijgingen geheven belastingen.
De inkomsten uit bedoelde verkrijgingen en de renten van bedoelde schulden zullen wel in de verrekening worden betrokken.
(…)
(…)
Artikel 16
1. De beschrijving, verrekening en uitkering geschieden naar de toestand en de waarde van de wederzijdse vermogens ten dage van de ontbinding van het huwelijk, dan wel, indien van toepassing, de dag van de aanvang van het instellen van de vordering tot echtscheiding (...) en wel door uitkering van een zodanige som of waarde voor één der partijen aan de andere partij tot beider vermogen, met inachtneming van hetgeen in artikel 14 lid 1 daaromtrent Pro is vermeld, even groot wordt. (…)”
1.3
Partijen zijn de ouders van drie dochters.

2.Procesverloop

Eerste aanleg

2.1
Bij verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvorderingen van 1 november 2018 heeft de man bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: ‘de rechtbank’) een verzoekschriftprocedure aanhangig gemaakt. Hij heeft daarin verzocht, samengevat en voor zover in cassatie nog van belang, dat de rechtbank de echtscheiding uitspreekt en nevenvoorzieningen treft ten aanzien van de afwikkeling van de HV.
2.2
De vrouw heeft op 12 februari 2019 een verweerschrift echtscheiding met zelfstandige verzoeken ingediend. Zij heeft niet betwist dat het huwelijk met de man duurzaam is ontwricht en heeft de rechtbank eveneens verzocht de echtscheiding uit te spreken. Verder heeft zij verweer gevoerd tegen een groot deel van de door de man verzochte nevenvoorzieningen. Daarnaast heeft ook de vrouw, samengevat en voor zover in cassatie nog van belang, de rechtbank verzocht nevenvoorzieningen te treffen ten aanzien van de afwikkeling van de HV.
Tussenbeschikking van 15 mei 2020
2.3
De rechtbank heeft in haar tussenbeschikking van 15 mei 2020 [3] (hierna: ‘de echtscheidingsbeschikking’) een eerste materiële beoordeling van het geschil gegeven. Samengevat, en voor zover in cassatie relevant, heeft de rechtbank geoordeeld dat zij de echtscheiding zal uitspreken omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht (rov. 3.1.-3.2.). Daarnaast heeft de rechtbank een oordeel gegeven over een deel van de verzochte nevenvoorzieningen (rov. 3.3.-3.46.). [4] Omdat deze, met uitzondering van de vraag of, en zo ja hoe, een goudstaaf in de verdeling moet worden betrokken, geen rol meer spelen in cassatie, laat ik dat verder buiten beschouwing. Ten aanzien van de goudstaaf heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:
“3.45. Met de vrouw gaat de rechtbank er vanuit dat het genoemde goud tot haar privévermogen behoort. De man heeft niet betwist dat het goud door de vrouw is aangekocht maar stelt dat hij nadien een bedrag aan haar heeft vergoed waarmee zij gezamenlijk eigenaar zijn geworden. Mede gelet op het tijdsverloop tussen de aankoop van het goud (juli 2008) en de door de man gestelde overboekingen in januari en december 2019 waarmee hij de aankoopkosten deels stelt te hebben terugbetaald, volgt de rechtbank de man niet in zijn, door de vrouw betwiste, stelling dat hij het goud in mede eigendom heeft verkregen. Verder heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat het goud is aangekocht van aangebracht privé vermogen dat volgens de staat van aanbrengsten privé is gebleven.
Dit vermogensbestanddeel moet dus niet worden verdeeld als eenvoudige gemeenschap, en hoeft niet te worden betrokken bij de finale verrekening in het kader van artikel 14 HV Pro. Dit betekent dat de man dit goud (met het aankoopbewijs en het echtheidscertificaat) aan de vrouw moet afgeven, zoals door de vrouw verzocht. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen in de eindbeschikking in deze procedure. Het verzoek tot het opleggen van een dwangsom zal de rechtbank afwijzen, omdat niet is gesteld of gebleken dat de man het goud en certificaat niet zal afgeven.”
2.4
Vervolgens heeft de rechtbank zich toegelegd op de toepassing van het finale verrekenbeding uit de HV. Na de standpunten van partijen hierover uiteen te hebben gezet (rov. 3.47.-3.49.), heeft de rechtbank overwogen dat een belangrijk geschilpunt tussen partijen is of op grond van de HV de huurinkomsten die voortkomen uit de panden die de man in (mede)eigendom [5] heeft, betrokken moeten worden bij de finale verrekening op basis van artikel 14 HV Pro. De vrouw stelt dat deze huurinkomsten te verrekenen vermogen zijn, maar de man meent van niet (rov. 3.50.-3.53.).
2.5
Volgens de rechtbank moeten de huurinkomsten van de man, althans wat daarvan aanwezig is op de peildatum (1 november 2018), worden betrokken bij de finale verrekening (rov. 3.54.). De rechtbank heeft dit oordeel als volgt gemotiveerd:
“3.55. In artikel 14 HV Pro is een aantal vermogensbestanddelen vermeld ten aanzien waarvan de finale verrekening tussen partijen niet geldt.
Tussen partijen staat onweersproken vast dat de panden die de man (deels) in eigendom heeft en waaruit de huurinkomsten afkomstig zijn, aangebracht privé vermogen betreft dat buiten de verrekening blijft. De vraag is echter of dat ook geldt voor de inkomsten uit die panden. Vast staat dat de man huurinkomsten heeft.
De rechtbank is van oordeel dat de (door de rechtbank onder 2.2 onderstreepte) woorden “De inkomsten uit bedoelde verkrijgingen (...)” in artikel 14 HV Pro niet gaan over inkomsten uit aangebracht privé vermogen. De “bedoelde verkrijgingen” zijn de in de zin daarvoor aangeduide verkrijgingen krachtens erfstelling, legaat, lastbevoordeling of schenking. Deze “verkrijgingen” slaan dus niet op inkomsten uit aangebracht vermogen zoals de hier aan de orde zijnde huurinkomsten. Dat vindt de rechtbank taalkundig voldoende duidelijk en dat is daarmee voor de rechtbank geen onderwerp van uitleg van de bedoeling van de huwelijkse voorwaarden.
3.56.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat op basis van de huwelijkse voorwaarden geen specifieke uitzondering geldt, waarom de verrekening niet zou gelden voor de huurinkomsten. Verder gold ten tijde van het opstellen van de huwelijksvoorwaarden in 2007 de algemene regel dat vruchten van aangebracht vermogen in de gemeenschap van goederen vielen.
Noch uit het gestelde door partijen, noch uit de door partijen overgelegde brief van de notaris die destijds betrokken is geweest bij de opstelling van de huwelijkse voorwaarden, heeft de rechtbank kunnen opmaken dat partijen een andere bedoeling hadden ten aanzien van de nu in geschil zijnde huurinkomsten.
Ook de door de man gestelde omstandigheid dat op de staat van aanbrengsten de rekening waarop de huurinkomsten binnenkwamen is vermeld en niet slechts het saldo van die rekening vindt de rechtbank onvoldoende reden om een uitzondering aan te nemen.
De rechtbank kan de man evenmin volgen in zijn standpunt dat vanwege de maatstaven van redelijkheid en billijkheid verrekening achterwege moet blijven. De huurinkomsten die de vrouw volgens de man door haar moeder laat incasseren zijn nogal minimaal in verhouding tot de huurinkomsten van de man.”
2.6
Vervolgens heeft de rechtbank iedere verdere beslissing ten aanzien van de finale verrekening aangehouden en partijen de gelegenheid gegeven om hun standpunten, onder meer ten aanzien van de saldi op bankrekeningen van de man en ten aanzien van de onderneming van de man, te preciseren ten behoeve van de verdere behandeling (rov. 3.57.).
Eindbeschikking van 18 december 2020
2.7
De rechtbank heeft op 18 december 2020 haar eindbeschikking gegeven. [6] Zij heeft daarin, voor zover in cassatie relevant, als volgt overwogen en geoordeeld.
2.8
De echtscheidingsbeschikking is op 11 augustus 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (rov. 2.3.).
2.9
De rechtbank heeft vervolgens enkele aanvullende oordelen gegeven ten aanzien van nevenverzoeken waarover zij reeds in de echtscheidingsbeschikking een oordeel had geveld. [7] Omdat deze in cassatie geen rol spelen, laat ik die, met uitzondering van het oordeel over de vraag of de goudstaaf tot het te verrekenen vermogen behoort, buiten beschouwing. Over die laatste vraag heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:
“3.3. Ten aanzien van het goud is er in de tussenbeschikking van 15 mei 2020 sprake van een kennelijke verschrijving. Waar onder rechtsoverweging 3.45 staat ‘december 2019’ dient, gelet op productie 10 van de man, te staan ‘december 2009’. De rechtbank zal deze schrijffout in het dictum van deze beschikking herstellen. Deze verschrijving heeft echter geen consequenties voor de reeds gegeven redenering die heeft geleid tot de eindbeslissing. Deze berust niet op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Ook is er geen sprake van een dubbeltelling zoals gesteld door de man. Het goud is gekocht van aangebracht (en van de verrekening uitgesloten) vermogen van de vrouw en de vrouw heeft in haar verzoek bij de verrekening van haar rekeningnummers het niet te verrekenen saldo van [rekeningnummer 1] verminderd met voornoemd aankoopbedrag van het goud. Conform de tussenbeschikking van 15 november 2020 [8] dient de man de goudstaaf af te geven aan de vrouw. De rechtbank zal de man hiertoe veroordelen in het dictum. De rechtbank zal daaraan geen dwangsom verbinden nu dat verzoek reeds is afgewezen in de tussenbeschikking.”
2.1
Hierna is de rechtbank toegekomen aan de finale verrekening van het vermogen van partijen. Samengevat en voor zover in cassatie relevant, heeft de rechtbank hierover als volgt geoordeeld:
- het verzoek van de man aan de rechtbank om terug te komen van haar reeds genomen oordeel over de uitleg van artikel 14 HV Pro is door de rechtbank verworpen. De huurinkomsten van de man worden dus aangemerkt als te verrekenen vermogen (rov. 3.11.-3.12.);
- partijen zijn het erover eens dat de omvang van het te verrekenen vermogen bepaald dient te worden tegen de datum waarop de man zijn verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank heeft ingediend (1 november 2018, hierna: ‘de peildatum’). Vervolgens heeft de rechtbank uiteengezet welke bestanddelen voor welke waarde behoren tot het te verrekenen vermogen van de man en de vrouw en hoe dit verrekend moet worden (rov. 3.13.-3.14.);
- het te verrekenen vermogen van de man heeft de rechtbank vastgesteld op € 263.141. Hier moet vervolgens bij worden opgeteld het saldo van de spaarrekening dat is opgenomen onder post d. in het overzicht van de bankrekeningen van de man in rov. 3.16. en het saldo van de crypto’s dat is opgenomen onder post i. in hetzelfde overzicht van rov. 3.16. [9] De gegevens waaruit de waarde van deze posten moet blijken, diende de man nog op grond van art. 843a Rv in het geding te brengen (rov. 3.15.-3.21.);
- het te verrekenen vermogen van de vrouw is door de rechtbank vastgesteld op € 153.294 (rov. 3.22.-3.23.).
2.11
De rechtbank is uiteindelijk tot de volgende (finale) verrekening van het vermogen van partijen gekomen:
“3.25.
Het vermogen van de man:
Het vermogen van de vrouw:
Saldo bankrekeningen:
€ 89.361,- + P.M.
€ 153.294,-.
Contant geld:
€ 10.000,-
Vermogen eenmanszaak:
€ 46.420,-.
Onroerend goed:
€ 117.360.-
Totaal
€ 263.141,-+
P.M.
€ 153.294,-.
In totaal hebben partijen dus een vermogen van € 416.435,-. Volgens de artikelen 14 en 16 van de huwelijkse voorwaarden dienen de man en de vrouw op zo’n manier met elkaar af te rekenen dat zij bij de ontbinding van het huwelijk een even groot vermogen overhouden. Dit is zo als zij beiden een vermogen van € 208.217,50 hebben. Daarom dient de man een bedrag van € 54.923,50 aan de vrouw te betalen, welk bedrag wordt vermeerderd met de helft van eventuele extra waardes/saldi die blijken uit de afschriften die de man nog met bewijs in het geding moet brengen en de helft van de waarde van de 750 maple leaf munten op de peildatum, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.”
Hoger beroep
2.12
Bij beroepschrift van 16 maart 2021 is de man bij het hof Arnhem-Leeuwarden (hierna: ‘het hof’) in hoger beroep gekomen van de echtscheidingsbeschikking en de eindbeschikking van de rechtbank van 18 december 2020. De man heeft zijn hoger beroep beperkt tot de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding. In hoger beroep heeft de man, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het hof verzocht: [10]
- de eindbeschikking van de rechtbank te vernietigen;
- te verklaren voor recht dat de goudstaaf toebehoort aan beide partijen en wordt toegedeeld aan de man onder gehoudenheid dat hij de helft van de waarde ten tijde van de verdeling voldoet aan de vrouw;
- ter uitvoering van het verrekenbeding, zoals bepaald in artikel 14 en Pro 16 HV, het te verrekenen vermogen aan de zijde van de man vast te stellen op € 40.574 (dan wel op een bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren) en het te verrekenen vermogen aan de zijde van vrouw vast te stellen op € 235.583 (dan wel op een bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren);
- de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man binnen twee weken na de te geven beschikking van een bedrag van € 97.504,50 vermeerderd met het bedrag van € 62.248,86 dat de man op basis van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde eindbeschikking van de rechtbank aan de vrouw heeft voldaan.
2.13
De vrouw heeft zich bij verweerschrift verweerd in het hoger beroep. Zij heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de eindbeschikking van de rechtbank en haar verzoek (voorwaardelijk) gewijzigd. Haar incidenteel beroep ziet eveneens op de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding en de beslissingen die de rechtbank hierover heeft gegeven. Ook zij heeft, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het hof verzocht de eindbeschikking van de rechtbank te vernietigen, en verder het te verrekenen vermogen van de man vast te stellen op € 360.100,10 en het te verrekenen vermogen van de vrouw op € 148.297, zodat de man na verrekening € 105.901 aan de vrouw moet betalen. [11] De (voorwaardelijke) wijziging van het verzoek van de vrouw speelt geen rol in cassatie en laat ik daarom verder buiten beschouwing.
Tussenbeschikking van 10 maart 2022
2.14
Het hof heeft in zijn tussenbeschikking van 10 maart 2022 [12] een eerste inhoudelijke beoordeling gegeven. Samengevat, en voor zover in cassatie van belang, heeft het hof als volgt geoordeeld.
2.15
Ten aanzien van de vraag of, en zo ja hoe, de goudstaaf in de verdeling moet worden betrokken, heeft het hof, evenals de rechtbank, geoordeeld dat de goudstaaf buiten de verdeling blijft omdat zij door de vrouw is gekocht met aangebracht vermogen dat is uitgesloten van de verrekening:

Goudstaaf (grief 1 van de man)
5.5
De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de goudstaaf in eigendom toebehoort aan de vrouw. Hij voert daartoe aan dat partijen destijds hebben afgesproken om gezamenlijk te gaan beleggen in goud. De man is hiervan de initiator geweest. In overleg tussen de man en de vrouw is destijds afgesproken dat de vrouw mede ten behoeve van de man tot aankoop daarvan zou overgaan. De vrouw was daartoe in de gelegenheid omdat zij daar destijds, gezien haar zwangerschapsverlof meer tijd voor had. Een en ander heeft plaatsgevonden in juli 2008. De vrouw heeft toen mede namens de man de desbetreffende staaf aangekocht en geleverd gekregen en is deze staaf mede namens de man in ontvangst gaan nemen. De goudstaaf is op grond daarvan eigendom van beide partijen. De vrouw voert gemotiveerd verweer.
5.6
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de door de vrouw overgelegde stukken [blijkt,
A-G] dat het goud is gekocht va[a]n aangebracht vermogen van de vrouw dat is uitgesloten van verrekening, te weten het saldo van de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] . Gelet op het tijdsverloop tussen de aankoop van het goud (juli 2008) en de door de man gestelde overboekingen in januari en december 2019 [13] waarmee hij de aankoopkosten deels stelt te hebben terugbetaald, volgt het hof de man niet in zijn, door de vrouw betwiste, stelling dat hij het goud in mede eigendom heeft verkregen. Het enkele feit dat de man ten tijde van het huwelijk de goudstaaf onder zich hield maakt niet dat hij de eigendom heeft verkregen. Nu de man in hoger beroep ook geen nader bewijs heeft aangeboden van het door hem gestelde en de vrouw die stellingen gemotiveerd betwist, gaat het hof aan de stellingen van de man voorbij. Grief 1 van de man faalt.”
2.16
Vervolgens heeft het hof een oordeel gegeven over de verdeling van de inboedel en afgifte door partijen van erfstukken (rov. 5.7-5.11). Dit oordeel is in cassatie niet relevant en laat ik daarom buiten beschouwing.
2.17
Hierna is het hof ingegaan op de wijze waarop artikel 14 HV Pro moet worden uitgelegd om vast te stellen of de huurinkomsten van de man tot het te verrekenen vermogen behoren. Het hof heeft eerst de standpunten van partijen weergegeven:

Uitleg huwelijksvoorwaarden (grief 4 van de man)
5.12
De man is het – kort gezegd – niet eens met de uitleg van artikel 14 van Pro de huwelijkse voorwaarden zoals vermeld in rov. 3.54 tot en met 3.56 van de beschikking van 15 mei 2020. Hij stelt dat het de bedoeling van partijen was dat de opbrengst en het rendement van het aangebrachte vermogen niet onder enige verrekening zou vallen en geen onderdeel van het [te,
A-G] verrekenen vermogen op basis van het finaal verrekenbeding zou zijn. Hij verwijst daarvoor naar de opdrachtbrief van [de notaris] van 4 juni 2007 en met name naar de passage met betrekking tot de staat van aanbrengsten, waarover de notaris heeft opgemerkt dat de bankrekeningen waar geen saldo is opgenomen (…) sowieso privé blijven. Ook wijst hij erop dat de vrouw ten tijde van het huwelijk geen enkele betrokkenheid bij beleggingen van de man had en niets van doen wilde hebben met de hypotheken op zijn onroerende zaken (en die van zijn vader). De geldstromen van ieders privévermogen waren dan ook tijdens het huwelijk gesloten circuits. Het is nimmer de bedoeling van partijen geweest dat de vrouw op enigerlei wijze aanspraak zou maken op inkomsten uit de exploitatie van de onroerende goederen. De man biedt bewijs van zijn stellingen aan door het horen van [de notaris] voornoemd.
5.13
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij verwijst daartoe naar de brief van prof. mr. Reinhartz d.d. 7 februari 2020 en de brief van mr. dr. Zonnenberg d.d.12 februari 2020. Volgens de vrouw moeten partijen bij echtscheiding op grond van artikel 14 van Pro de huwelijkse voorwaarden verrekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen waren getrouwd. Buiten die verrekening blijft hetgeen door ieder van hen is aangebracht voorafgaand aan het huwelijk, alsmede hetgeen voor of tijdens het huwelijk is verkregen uit erfenissen of schenkingen en hetgeen daarvoor in de plaats is gekomen. Andere afwijkingen van de hoofdregel dat er verrekend moet worden alsof er een algehele gemeenschap zou bestaan zijn niet bedongen. De inkomsten van bedoelde verkrijgingen en de rente op de bedoelde schulden moeten volgens de vrouw dan ook in de verrekening betrokken worden. De vrouw betwist verder dat er ten tijde van het huwelijk sprake was [van,
A-G] gesloten circuits zoals de man stelt. Dat blijkt volgens haar uit de handelswijze van de man tijdens het huwelijk. De kosten van de huishouding werden mede betaald uit de huurinkomsten.”
2.18
Het hof heeft vervolgens het relevante kader uiteengezet dat geldt voor de uitleg van een akte waarin de huwelijkse voorwaarden zijn vastgelegd:
“5.14 Het hof stelt bij die beoordeling voorop dat de vraag hoe in een akte huwelijkse voorwaarden de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van de huwelijkse voorwaarden. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981/635). Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Daarbij is niet alleen de letterlijke tekst van de notariële akte van belang, maar ook de bedoelingen van partijen voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst.”
2.19
Gelet op het gespecificeerde bewijsaanbod van de man heeft het hof aanleiding gezien om hem in de gelegenheid te stellen bewijs te leveren van zijn stelling dat de huurinkomsten van de buiten de verrekening blijvende onroerende zaken eveneens buiten de verrekening dienen te blijven:
“5.15 De tekst van het finaal verrekenbeding (artikel 14 lid Pro 1) biedt, taalkundig bezien, aanknopingspunten om te oordelen dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen de aanbrengsten en de verkrijgingen, waarbij uitsluitend de inkomsten uit de verkrijgingen en niet de inkomsten uit de aanbrengsten in de verrekening betrokken moeten worden. Daartegenover staat dat uit de brief van [de notaris] van 4 juni 2007 expliciet met betrekking tot de staat van aanbrengsten is vermeld: “De rekeningen waar de saldi achter staan vermeld, blijven alleen privé voor wat betreft de genoemde saldi, de rekeningen waar geen saldi zijn vermeld blijven geheel privé.” Het betreffen hier deels bankrekeningen waarop de huurpenningen van de tot het privévermogen behorende onroerende zaken werden ontvangen. Dat zou dan op andere afspraken kunnen duiden. Gelet op het gespecificeerde bewijsaanbod van de man ziet het hof aanleiding om hem in de gelegenheid te stellen bewijs te leveren van zijn stelling dat de huurinkomsten van de buiten de verrekening blijvende onroerende zaken eveneens buiten de verrekening dienen te blijven. De man heeft al aangegeven dat hij [de notaris] als getuige wenst te horen.”
2.2
Hierna heeft het hof geoordeeld dat het enkele grieven pas in zijn eindbeschikking zal bespreken nadat de getuigenverhoren hebben plaatsgevonden (rov. 5.16-5.17). Vervolgens heeft het hof nog enkele andere grieven van partijen besproken. Deze zijn in cassatie niet van belang en laat ik daarom verder buiten beschouwing. [14] Uiteindelijk heeft het hof iedere beslissing aangehouden en de man toegelaten om bewijs te leveren zoals is vermeld in rov. 5.15. [15]
2.21
Op 30 augustus 2022 heeft het getuigenverhoor plaatsgevonden. De man heeft drie personen laten horen: [de notaris] (de notaris die de akte met de HV heeft opgesteld en gepasseerd) (hierna: ‘de notaris’), [de vader van de man] (de vader van de man) en zichzelf. De vrouw heeft afgezien van het laten horen van getuigen. [16]
Eindbeschikking van 22 juni 2023
2.22
Het hof heeft op 22 juni 2023 zijn eindbeschikking gewezen. [17] Samengevat, en voor zover in cassatie van belang, heeft het hof als volgt overwogen en geoordeeld.
2.23
De man heeft de notaris, zijn vader en zichzelf als getuige laten horen. Ten aanzien van de getuigenverklaring van de man heeft het hof geoordeeld dat deze slechts beperkte bewijskracht heeft:
“2.3 De man heeft zichzelf, zijn vader en [de notaris] (de notaris ten overstaan van wie op 5 juni 2007 de notariële akte met de huwelijkse voorwaarden is verleden, hierna: de notaris) als getuigen laten horen. De verklaring van de man als partijgetuige kan geen bewijs in zijn voordeel opleveren, tenzij zijn verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. De beperking van de bewijskracht van de verklaring van de partijgetuige geldt niet als aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij de verklaring van de partijgetuige voldoende geloofwaardig maken. De vrouw heeft afgezien van het laten horen van getuigen in een tegengetuigenverhoor.”
2.24
Het hof heeft geoordeeld dat de man niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht omdat de verklaringen van de getuigen onvoldoende steun bieden voor het standpunt van de man dat de huurinkomsten van de buiten de verrekening blijvende onroerende zaken ook buiten de verrekening moeten blijven:
“2.4 Het hof is van oordeel dat de man niet is geslaagd te bewijzen dat (partijen de bedoeling hadden dat) de huurinkomsten van de buiten de verrekening blijvende onroerende zaken ook buiten de verrekening dienen te blijven en overweegt daartoe het volgende.
2.5
De verklaringen van de getuigen bieden onvoldoende steun voor het standpunt van de man dat de huurinkomsten tijdens het huwelijk niet moeten worden verrekend. De notaris heeft hierover in haar getuigenverhoor onder meer het volgende verklaard:
‘U vraagt mij of ik rechtsoverweging 5.15 van de beschikking van 10 maart 2022 ken. Sinds gistermiddag ken ik die. U vraagt mij als ik die vraag van het hof zie in combinatie met de huwelijkse voorwaarden wat mijn herinnering is van artikel 14, over het stukje
de inkomsten uit bedoelde verkrijgingen, wat specifiek met partijen is besproken. Nee, dat weet ik helaas niet. U vraagt mij of ik kan verklaren waarom ik geen preambule in de huwelijkse voorwaarden heb opgenomen met de uitgangspunten met betrekking tot het aangebracht vermogen van ieder der partijen. Dat was op kantoor destijds niet gebruikelijk om te doen. Zeker niet bij een niet afwijkende, aparte situatie die toelichting behoefde. Tegenwoordig doen we dat vaker, maar destijds was het op ons kantoor niet gebruikelijk.
U vraagt mij of ik mij kan herinneren hoeveel concepten voorafgaand van het tekenen en passeren van de akte huwelijkse voorwaarden aan ieder der partijen is gestuurd. Nee, dat kan ik mij niet herinneren. Ik herinner mij dat die lijst later aangevuld is. Ik bedoel met de lijst de aangepaste lijst.
U vraagt mij of ik mij kan herinneren of de concept huwelijkse voorwaarden is aangepast. Dat durf ik niet met zekerheid te zeggen. Behalve de lijst, die was niet klaar toen het concept verzonden werd.
De getuige pakt de staat van aanbrengsten erbij.U houdt mij voor dat op de lijst van aanbrengsten geen saldo staat vermeld bij de hypothecaire geldleningen die rusten op de onroerende zaken die door partijen worden aangebracht. U vraagt mij of dat dezelfde ratio heeft als de privérekeningen. Zo zou ik het wel zien.
U vraagt mij of ik mij kan herinneren of ik partijen voorlichting heb gegeven over artikel 14. Uit mijn dossieraantekeningen zie ik dat de aanbrengsten besproken zijn, maar of de inkomsten uit die aanbrengsten ook specifiek besproken zijn, kan ik niet zien en kan ik mij ook niet herinneren.
U vraagt mij of er taalkundig een verschil zit tussen verkrijging en aanbrengsten. Zoals ik het nu lees zou er een onderscheid kunnen zijn tussen verkrijging en aanbrengsten en de inkomsten daarvan, bijvoorbeeld: nu benoemen we dat in de akte als voormelde goederen. Hoe het destijds bedoeld is kan ik mij niet herinneren en dat kan ik niet terugvinden hoe het modelmatig in het model stond.
U vraagt mij of ik een expliciet onderscheid heb gemaakt dat kosten, opbrengsten en lasten van het aangebrachte vermogen als verkrijging onder het finaal verrekenbeding vallen. Nee.’”
2.25
Op basis van de stukken en getuigenverklaringen heeft het hof geoordeeld dat partijen de bedoeling hebben gehad om bij een echtscheiding te verrekenen alsof er een algehele gemeenschap van goederen zou bestaan. De enige afwijking die partijen op dit uitgangspunt zijn overeengekomen is dat buiten die verrekening blijft hetgeen door ieder van partijen voorafgaand aan het huwelijk is aangebracht (welke goederen op de staat van aanbrengsten staan vermeld) alsmede hetgeen voor of tijdens het huwelijk is verkregen uit erfenissen en/of schenkingen en hetgeen daarvoor in de plaats is gekomen:
“2.6 Uit de stukken (waaronder de huwelijkse voorwaarden in concept met toelichting) en de getuigenverklaringen leidt het hof af dat het de bedoeling van partijen is geweest dat zij bij echtscheiding zullen verrekenen alsof zij gehuwd waren in algehele gemeenschap van goederen en dat buiten die verrekening blijft hetgeen door ieder van partijen voorafgaand aan het huwelijk is aangebracht (welke goederen op de staat van aanbrengsten staan vermeld) alsmede hetgeen voor of tijdens het huwelijk is verkregen uit erfenissen en/of schenkingen en hetgeen daarvoor in de plaats is gekomen.
Dat partijen andere afwijkingen van het uitgangspunt, dat verrekend moet worden alsof er een algehele gemeenschap zou bestaan, zijn overeengekomen, heeft de man niet aangetoond. Daarbij acht het hof met name van belang dat de notaris heeft verklaard dat uit haar dossieraantekeningen blijkt dat de aanbrengsten (wel) besproken zijn, maar dat zij niet kan zien of de inkomsten uit die aanbrengsten ook specifiek besproken zijn en dat zij zich dat ook niet kan herinneren. Volgens haar verklaring heeft zij ook geen expliciet onderscheid gemaakt dat kosten, opbrengsten en lasten van het aangebrachte vermogen als verkrijging onder het finaal verrekenbeding vallen. De inkomsten uit de verkrijgingen moeten dan ook in de verrekening worden betrokken, evenals de rente op de schulden.
Dat in artikel 14 HV Pro in de zin ‘
De inkomsten uit bedoelde verkrijgingen en de renten van bedoelde schulden zullen wel in de verrekening worden betrokken’ het woord ‘aanbrengsten’ ontbreekt, wil dan ook niet zeggen dat de opbrengsten van de aanbrengsten zijn uitgezonderd van de hoofdregel.”
2.26
De verklaringen van de vader van de man heeft het hof onvoldoende geacht om anders te oordelen ten aanzien van wat de man en de vrouw in de HV zijn overeengekomen. Het hof heeft ook geen beslissende waarde toegekend aan de passage in de brief van de notaris van 4 juni 2007 over het al dan niet vermelden van de banksaldi van de daarin genoemde bankrekeningen:
“2.7 Het moge zo zijn dat volgens de vader van de man niet ter discussie stond dat de belegging(en) van hem en de man een ‘bubbel van (hun) tweeën’ was (zowel het onroerend goed zelf als de inkomsten) en dat de man tegen zijn vader heeft gezegd ‘dat hij ervoor zou zorgen dat dit erbuiten zou blijven’, maar dat is onvoldoende om anders te oordelen in het licht van wat de man en de vrouw in het kader van de huwelijkse voorwaarden hebben besproken en zijn overeengekomen.
2.8
Verder kent het hof, omdat de notaris haar toelichting in haar brief van 4 juni 2007 al had verstrekt voordat zij de staat van aanbrengsten had ontvangen, geen beslissende waarde toe aan de passage in die toelichting over het al dan niet vermelden van de banksaldi van genoemde bankrekeningen.”
2.27
Ten aanzien van de uitleg van de HV is het hof tot de volgende conclusie gekomen:
“2.9 Het hof komt op voormelde gronden tot de conclusie dat het de bedoeling van partijen is geweest om in de huwelijkse voorwaarden vast te leggen dat bij echtscheiding de inkomsten en opbrengsten van de buiten de verrekening blijvende aangebrachte onroerende zaken in de verrekening moeten worden betrokken.”
2.28
De stelling van de vrouw, dat zij recht heeft op een door de man te betalen vergoeding omdat hij met huuropbrengsten heeft afgelost op schulden die verband houden met de aangebrachte onroerende zaken, is door het hof verworpen omdat het finaal verrekenbeding uitsluitend betrekking heeft op het vermogen van partijen dat aanwezig is op de peildatum:
“2.10 De vrouw heeft nog aangevoerd dat zij recht heeft op een door de man te betalen vergoeding omdat hij met huuropbrengsten heeft afgelost op schulden die verband houden met de aangebrachte onroerende zaken, maar daarin kan het hof haar niet volgen. De aflossingen zijn – daarover bestaat geen verschil van mening – gedaan uit de inkomsten van de man die niet vallen onder de inkomsten in box I van de Wet inkomstenbelasting 2001 en daarmee dus ook niet onder het periodiek verrekenbeding van partijen, gelet op de tekst van artikel 8 HV Pro. Het finaal verrekenbeding betreft uitsluitend het vermogen van partijen dat op de peildatum aanwezig is en dus niet mede de inkomsten die in de tussentijd weer zijn uitgegeven of zijn geherinvesteerd in privévermogen. Het betreft dus ook geen vermogen van de vrouw dat in dat vermogen van de man is geïnvesteerd.”
2.29
Vervolgens heeft het hof zich gericht op het vaststellen van het te verrekenen vermogen van de man. Hierbij heeft het hof geoordeeld dat de eiswijziging van de man in zijn akte na enquête, gezien het stadium van de procedure, in strijd was met de goede procesorde (rov. 2.11-2.12).
2.3
Hierna is het hof de verschillende posten langsgegaan die de rechtbank heeft gebruikt om de te verrekenen banksaldi van de man vast te stellen. [18] Partijen zijn het erover eens dat de rekeningen die behoren tot posten G, H en I in ieder geval in aanmerking komen voor verrekening:
“2.13 Zoals in r.o. 5.16 van de tussenbeschikking van 10 maart 2022 is overwogen, zijn partijen het erover eens dat de volgende posten voor verrekening in aanmerking komen:
G: [rekeningnummer 2] , saldo € 20,-,
H: [rekeningnummer 3] , saldo € 3.487,- en
I: Crypto's, saldo € 1.297,-.”
2.31
Gezien het oordeel van het hof dat bij een echtscheiding de inkomsten en opbrengsten van de buiten de verrekening blijvende aangebrachte onroerende zaken in de verrekening moeten worden betrokken, vallen ook de rekeningen die behoren tot posten A, B, F en J (gedeeltelijk) in het te verrekenen vermogen omdat de saldi van die rekeningen huurinkomsten betreffen:
“2.14 De posten
- A: [rekeningnummer 4] , saldo € 429,80,
- B: [rekeningnummer 5] , saldo € 7.551,30,
- F: Gain Capital, saldo € 4.401,- en
- J: Gold Republic, saldo € 10.598,-
betreffen huurinkomsten die vallen in het te verrekenen vermogen. Daarbij merkt het hof op dat de posten A en B rekeningen zijn die de man samen met zijn vader heeft ten behoeve van onroerend goed in [plaats 1] . Het saldo van bankrekening A dient daarom voor de helft te worden meegenomen en het saldo van bankrekening B voor 30%, nu de gerechtigdheid van de man tot die rekening 30% is.”
2.32
Vervolgens heeft het hof toegelicht van welke bedragen het is uitgegaan bij de rekeningen die behoren tot posten C, D en E:
“2.15 Wat betreft post C ( [rekeningnummer 6] ) is gebleken dat het saldo van de betaalrekening op de peildatum € 2.428,- bedroeg, zodat dit bedrag in het te verrekenen vermogen valt. De vrouw stelt dat er een spaarrekening aan deze rekening is gekoppeld (Oranje Spaarrekening/Toprekening). Dat blijkt ook uit productie H.14 van de man. Het saldo van deze rekening bedroeg op 1 januari 2018 € 26.935,06 en op 31 december 2018 € 439,69. Van het saldo op de peildatum (1 november 2018) zijn geen stukken voorhanden. Het hof volgt de rechtbank in haar oordeel dat het op de weg van de man had gelegen dat aan te tonen en dat, nu hij dat heeft nagelaten, het door de vrouw gestelde saldo (€ 22.885,-) moet worden verrekend.
Ten aanzien van post D ( [rekeningnummer 7] ) gaat het hof uit van een te verrekenen saldo op de peildatum van € 1.848,-.
Wat betreft post E (Traders Only, [rekeningnummer 8] , saldo van € 36.250,-) overweegt het hof dat de man wel een stroomschema heeft overgelegd van de overboekingen bij het sluiten van de huwelijkse voorwaarden (productie H.16) maar dat verder niet heeft onderbouwd met bankafschriften. Daarmee is de man niet geslaagd in het weerleggen van het bewijsvermoeden van artikel 1:136 lid 2 BW Pro, zodat dit bedrag zal worden verrekend.”
2.33
Hierna heeft het hof de resterende grieven van de man en de vrouw behandeld. Wat betreft het contante geld is het hof ervan uitgegaan dat er geen te verrekenen contant geld aanwezig was in de kluis zodat dit niet kan worden meegenomen in de verrekening (rov. 2.16).
2.34
Over de zilveren Maple Leaf munten heeft het hof geoordeeld dat deze buiten de verrekening vallen:
“2.17 De munten (grief 7 van de man) zijn aangeschaft met huuropbrengsten. Gelet op hetgeen hiervoor over de huurinkomsten is overwogen, valt de waarde van de munten (€ 9.435,- op de peildatum) buiten de verrekening. De grief slaagt daarom.”
2.35
Ten aanzien van de hypotheekaflossingen die de man op zijn (van verrekening uitgesloten) onroerend goed heeft gedaan, heeft het hof geoordeeld dat er geen grond bestaat om enig bedrag hiervan in de verrekening te betrekken:
“2.18 Ten aanzien van de hypotheekaflossingen (grief 9 van de man) oordeelt het hof dat artikel 6 HV Pro hier niet van toepassing is. Er is geen sprake van onttrekking aan het vermogen van de vrouw. De man mocht gedurende het huwelijk vrijelijk over zijn eigen vermogen en de daarmee samenhangende huurinkomsten beschikken. Daarom is er geen grond om enig bedrag voor de hypotheekaflossingen te betrekken bij de verrekening (op grond van artikel 8 lid 1 in Pro verband met artikel 10 HV Pro). Voor een correctie omdat deze uitkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals de vrouw – subsidiair – heeft gesteld, heeft zij onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd. Ook deze grief van de man slaagt. Daaruit volgt dat ook het voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw om de aflossingen op een privéschuld door de man met te verrekenen vermogen te verrekenen met [de,
A-G] vrouw moet worden afgewezen.”
2.36
Gelet op de wijze waarop het hof de HV heeft uitgelegd, heeft de vrouw terecht gesteld dat het saldo van een bankrekening met [rekeningnummer 9] moet worden meegenomen in de verrekening bij het vermogen van de man (rov. 2.19). Hierna heeft het hof nog een aanvullend oordeel gegeven over het te verrekenen vermogen van de vrouw (rov 2.20). Dit speelt geen rol in cassatie en laat ik daarom buiten beschouwing.
2.37
Het hof is uiteindelijk tot het volgende overzicht gekomen met betrekking tot wat partijen moeten verrekenen:
“2.21 Partijen dienen het navolgende te verrekenen.
Aan de zijde van de man:
- bankrekeningen
A. [rekeningnummer 10]
€ 214,90 (€ 429,80 / 2)
B. [rekeningnummer 11]
€ 2.265,39 (€ 7.551,30 x 30%)
C. [rekeningnummer 6]
€ 22.885,-
D. [rekeningnummer 7]
€ 1.848,-
E. Traders Only, [rekeningnummer 8]
€ 36.250,-
F. Gain Capital
€ 4.401,-
G. [rekeningnummer 2]
€ 20,-
H. [rekeningnummer 3]
€ 3.487,-
I. Crypto's
€ 1.297,-
J. Gold Republic
€ 10.598,-
[rekeningnummer 9]
€ 22.399,-
Subtotaal
€ 105.665,29
- aanslagen/restitutie IB
€ 9.581,-
- eenmanszaak
€ 50.447,- (€ 58.478,- -/- € 250,- -/- € 7.781,-)
Totaal
€ 165.693,29
2.22
Aan de zijde van de vrouw:
- bankrekeningen
a. [rekeningnummer 1]
€ 128.438,23
b. [rekeningnummer 12]
€ 8.031,01
c. [rekeningnummer 13]
€ 398,39
d. Rabo [rekeningnummer 14]
€ 16.426.30
Subtotaal
€ 153.293,93
- aanslagen restitutie IB
€ 4.997,-
Totaal
€ 148.296,93
2.38
De man moet, na de finale verrekening, nog € 8.698,18 aan de vrouw betalen:
“2.23 Volgens de artikelen 14 en 16 van de huwelijkse voorwaarden behoren de man en de vrouw bij de ontbinding van het huwelijk een even groot vermogen over te houden. Uitgaande van het totale vermogen van € 313.990,22 betekent dit dat zij beiden recht hebben op een vermogen van € 156.995,11. De man moet daarom een bedrag van € 8.698,18 aan de vrouw betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.”
Beschikking van 14 september 2023 op een herstelverzoek van de man
2.39
Bij brief van 24 juli 2023 heeft de man het hof verzocht om zijn eindbeschikking van 22 juni 2023 op grond van art. 31 Rv Pro te herstellen. Volgens de man heeft het hof bij de berekening van de te verrekenen banksaldi van de man rekenfouten gemaakt die zich voor eenvoudig herstel lenen. [19] Hierdoor zou het totaal te verrekenen vermogen van de man niet op € 165.693,29, maar op € 60.028 moeten worden vastgesteld. De vrouw heeft bij brief van 1 augustus 2023 bezwaar gemaakt tegen het herstelverzoek van de man en het hof verzocht om het verzoek af te wijzen.
2.4
Bij beschikking van 14 september 2023 [20] heeft het hof het herstelverzoek van de man afgewezen. Voor zover in de eindbeschikking van 22 juni 2023 bedragen zijn opgenomen die volgens de man niet juist zijn, is volgens het hof geen sprake van kennelijke rekenfouten die zich voor eenvoudig herstel lenen.
Cassatie
2.41
De man heeft bij procesinleiding van 21 september 2023, tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen de tussenbeschikking van 10 maart 2022 (hierna: ‘de bestreden tussenbeschikking’) en de eindbeschikking van 22 juni 2023 (hierna: ‘de bestreden eindbeschikking’) van het hof. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.
2.42
De vrouw heeft bij haar verweerschrift in het principaal cassatieberoep van 24 november 2023 (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen de eindbeschikking. De man heeft hiertegen een verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep

3.1
In cassatie gaat het om de uitleg die het hof heeft gegeven aan de HV in verband met de vraag of de huurinkomsten van de man moeten worden betrokken in de verrekening, de vraag of, en zo ja hoe, de goudstaaf in de verdeling moet worden betrokken en de berekening van enkele posten in het door het hof opgemaakte overzicht van de te verrekenen banksaldi van de man. Het middel komt hiertegen op en is onderverdeeld in drie onderdelen: onderdeel B, C en D. [21] Onderdeel B, dat uiteenvalt in twee subonderdelen met eigen sub-subonderdelen, richt zich tegen het uitlegoordeel van het hof dat op grond van artikel 14 HV Pro ook de huurinkomsten van de buiten de verrekening blijvende onroerende zaken in de finale verrekening betrokken moeten worden. Onderdeel C bestaat uit vijf subonderdelen en is gericht tegen het oordeel van het hof dat de goudstaaf door de vrouw is gekocht met door haar aangebracht vermogen en daarom buiten de verrekening blijft. Onderdeel D bevat overige klachten die aan de orde worden gesteld in twee subonderdelen. Eén daarvan kent een aantal sub-subonderdelen. Onderdeel D is (voornamelijk) gericht tegen de posten die door het hof zijn opgenomen in het overzicht van de te verrekenen banksaldi van de man.
Onderdeel B: artikel 14 HV Pro
3.2
Onderdeel B bestaat uit twee subonderdelen.
3.3
Subonderdeel B.Istelt dat het hof met zijn oordeel in rov. 2.4 van de bestreden eindbeschikking, dat de man er niet in is geslaagd te bewijzen dat (partijen de bedoeling hadden dat) de huurinkomsten van de buiten de verrekening blijvende onroerende zaken ook buiten de verrekening dienen te blijven, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de verdeling van de bewijslast, dan wel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd. Het onderdeel valt uiteen in vijf sub-subonderdelen.
3.4
Sub-subonderdeel B.I.1is gericht tegen rov. 5.12 tot en met 5.15 en het dictum van de bestreden tussenbeschikking en rov. 2.3 tot en met 2.9 van de bestreden eindbeschikking. Het hof geeft in deze rechtsoverwegingen, en in het bijzonder door in rov. 2.3 van de bestreden eindbeschikking te oordelen dat de man partijgetuige is in de zin van art. 164 lid 2 Rv Pro, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel heeft zijn oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd. Volgens het sub-subonderdeel heeft het hof in deze rechtsoverwegingen miskend dat het de vrouw is geweest die zich op het rechtsgevolg heeft beroepen van de letterlijke lezing van artikel 14 HV Pro. [22] Dat de vrouw een beroep heeft gedaan op dit rechtsgevolg blijkt ook uit het feit dat dit door de rechtbank is gehonoreerd [23] en dat de man hiertegen in hoger beroep een grief heeft gericht. [24] Dit alles betekent dat, bij gebreke van een bijzondere bewijsregel, krachtens de hoofdregel van art. 150 Rv Pro de bewijslast op de vrouw rust en niet op de man.
3.5
Het sub-subonderdeel faalt omdat het hof in rov. 2.2 tot en met 2.11 met recht heeft geoordeeld dat de man de bewijslast draagt van de door hem bepleite uitleg van artikel 14 HV Pro. Ik licht dit als volgt toe, waarbij ik eerst een algemene opmerking maak over de bewijsrechtelijke regels die gelden bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden en vervolgens het partijdebat inzake de uitleg van artikel 14 HV Pro weergeef.
3.6
De uitleg van een overeenkomst geschiedt aan de hand van de bekende
Haviltex-maatstaf. Het komt dus aan op de zin die partijen redelijkerwijs aan de desbetreffende bepalingen uit de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [25] Op grond van art. 150 Rv Pro draagt de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van een bepaalde uitleg van (een bepaling van) een overeenkomst, bij voldoende betwisting, de bewijslast (en het bewijsrisico) van de feiten en omstandigheden die deze uitleg ondersteunen. [26] Daarbij moet zij ook aangeven in welke zin deze feiten en/of omstandigheden van belang zijn voor de bepleite uitleg van (een bepaling van) de overeenkomst. [27] In een geschil over de uitleg van een overeenkomst bepleiten partijen in de regel ieder een andere uitleg. In de literatuur wordt aangenomen dat in zo’n geval het uitgangspunt is dat de stellingen van de wederpartij moeten worden gezien als (niet meer dan) een motivering van haar betwisting van de door de eisende partij gestelde uitleg. Dit betekent ook dat de wederpartij in zo’n geval, in beginsel, niet direct de bewijslast draagt van haar stellingen. [28] In het geval dat beide partijen een andere uitleg bepleiten, heeft de rechter procedureel gezien verschillende mogelijkheden om tot een uiteindelijk uitlegoordeel te komen. Hij kan een voorshands oordeel geven over welke uitleg volgens hem de juiste is en, afhankelijk van welke gestelde uitleg hij volgt, de partij die niet is gevolgd de mogelijkheid geven om de door haar bepleite uitleg te bewijzen. Ook kan hij er voor kiezen om een eigen uitleg te hanteren of (voorlopig) in het midden laten welke uitleg hij volgt en de eiser de mogelijkheid geven om de door hem bepleite uitleg te bewijzen. [29] Dit regime en de daarmee samenhangende processuele regels, is ook van toepassing bij de uitleg van een verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden. [30]
3.7
Ik stel voorop dat het de man, als verzoekende partij, is geweest die de discussie over de vraag of de huurinkomsten van de aangebrachte goederen in de verrekening moeten worden betrokken, is gestart. De man heeft in zijn inleidende verzoekschrift, samengevat, gesteld dat op grond van de HV “
de vruchten” die voortvloeien uit de privégoederen die op de lijst van aangebrachte goederen bij de HV staan vermeld, buiten de finale verrekening moeten blijven. Hierbij heeft hij ook verwezen naar artikel 14 HV Pro. [31] De vrouw heeft dit vervolgens in haar verweerschrift betwist en met verwijzing naar artikel 14 HV Pro gesteld dat de vruchten uit het privévermogen in de verrekening moeten worden betrokken. [32] Vervolgens hebben partijen hun standpunten over de uitleg van artikel 14 HV Pro nader onderbouwd. [33] In haar echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank geoordeeld dat zij de man niet volgt in de door hem bepleite uitleg van artikel 14 HV Pro en dat de huurinkomsten van de man, althans wat daarvan aanwezig was op de peildatum, moeten worden betrokken in de finale verrekening. [34] De rechtbank heeft dit oordeel in haar eindbeschikking van 18 december 2020 gehandhaafd. [35]
3.8
In de procedure in hoger beroep is de man in zijn beroepschrift met grief 4 opgekomen tegen dit uitlegoordeel van de rechtbank. In dat verband heeft hij gesteld dat de rechtbank hiermee “
een andere uitleg[heeft,
A-G]
gegeven aan de inhoud van artikel 14 van Pro de akte huwelijkse voorwaarden dan door de man gesteld en welke niet aansluit bij de bedoeling van partijen.” Daarna heeft hij opnieuw betoogd dat artikel 14 HV Pro zo moet worden uitgelegd dat de huurinkomsten van het aangebrachte vastgoed buiten de verrekening moeten blijven. [36] De vrouw heeft deze uitleg (wederom) gemotiveerd betwist en gesteld dat partijen met artikel 14 HV Pro hebben bedoeld te verrekenen alsof een gemeenschap van goederen heeft bestaan en dat zij de inkomsten uit aangebracht vermogen hier niet van hebben uitgezonderd, zodat deze moeten worden betrokken in de verrekening. [37] In de bestreden tussenbeschikking heeft het hof in rov. 5.12 en 5.13 eerst de standpunten van partijen weergegeven ten aanzien van de vraag hoe artikel 14 HV Pro moet worden uitgelegd en vervolgens in rov. 5.14 de
Haviltex-maatstaf als uitlegmaatstaf genoemd. Hierna heeft het hof in rov. 5.15 aanleiding gezien om de man de gelegenheid te geven om bewijs te leveren van
zijn stellingdat de huurinkomsten van de buiten de verrekening blijvende onroerende zaken eveneens buiten de verrekening dienen te blijven. De man heeft vervolgens de notaris, zijn vader en zichzelf als getuigen laten horen. [38] In de bestreden eindbeschikking is het hof tot het oordeel gekomen dat de man er niet in is geslaagd te bewijzen dat (partijen de bedoeling hadden dat) de huurinkomsten van de buiten de verrekening blijvende onroerende zaken ook buiten de verrekening dienen te blijven. Met verwijzing naar de stukken en getuigenverklaringen heeft het hof geconcludeerd dat het de bedoeling van partijen is geweest om in de HV vast te leggen dat bij echtscheiding de inkomsten en opbrengsten van de buiten de verrekening blijvende aangebrachte onroerende zaken in de verrekening moeten worden betrokken (rov. 2.3 tot en met rov. 2.9).
3.9
Zoals blijkt uit randnummers 3.7-3.8 hiervoor is het de man, als verzoekende partij, geweest die de discussie over de uitleg van artikel 14 HV Pro is gestart en zich daarbij op het standpunt heeft gesteld dat artikel 14 HV Pro zo moet worden uitgelegd dat de inkomsten van het aangebrachte vermogen buiten de verrekening moeten blijven, waarna de vrouw dit gemotiveerd heeft betwist. Anders dan het sub-subonderdeel stelt, moeten de stellingen van de vrouw ten aanzien van de wijze waarop artikel 14 HV Pro moet worden uitgelegd (slechts) worden gezien als een gemotiveerde betwisting van de stellingen van de man. Conform het regime dat geldt voor de verdeling van de bewijslast bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden (zie randnummer 3.6 hiervoor) heeft het hof in de bestreden tussenbeschikking in rov. 5.15, zonder art. 150 Rv Pro te miskennen, de man de bewijsopdracht gegeven van de feiten en omstandigheden die zouden moeten leiden tot de door hem bepleite uitleg van artikel 14 HV Pro, namelijk dat de huurinkomsten van het aangebrachte vermogen zijn uitgesloten van de verrekening. Dit betekent ook dat het hof in rov. 2.3 van de bestreden eindbeschikking terecht beperkte bewijskracht heeft toegekend aan de getuigenverklaring van de man omdat hij een partijgetuige is in de zin van art. 164 lid 2 Rv Pro. Op grond van art. 164 lid 2 Rv Pro heeft de verklaring van de partij als getuige immers beperkte bewijskracht als op haar de bewijslast rust. [39]
3.1
Volgens
sub-subonderdeel B.I.2brengt het slagen van sub-subonderdeel B.I.1 mee dat het hof ten onrechte de man als partijgetuige heeft aangemerkt in rov. 2.3 van de bestreden eindbeschikking en vervolgens, mede daarom, in rov. 2.4 tot en met 2.9 van de bestreden eindbeschikking heeft geoordeeld dat de man niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd, onder meer omdat de verklaringen van de getuigen onvoldoende steun vinden in de stelling dat (partijen de bedoeling hadden dat) de huurinkomsten van de buiten de verrekening blijvende onroerende zaken ook buiten de finale verrekening dienen te blijven. [40] Omdat het hof uitgaat van de verkeerde maatstaf, onder meer ten aanzien van de verklaring van de man, maar ook omdat het hooguit om tegenbewijs gaat (zie hierna sub-subonderdeel B.I.3) kunnen de tussen- en eindbeschikking van het hof niet in stand blijven, aldus het sub-subonderdeel.
3.11
Dit sub-subonderdeel bouwt voort op het slagen van sub-subonderdeel B.I.1. Zoals ik hiervoor heb toegelicht in randnummers 3.5-3.9 faalt dit sub-subonderdeel. Daarmee valt ook het doek voor sub-subonderdeel B.I.2.
3.12
Sub-subonderdeel B.I.3is voorgesteld voor het geval dat het hof wel is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting wat betreft de bewijslastverdeling, in die zin dat de bewijslast op de vrouw rust en de bewijsopdracht in rov. 5.15 van de bestreden tussenbeschikking en rov. 2.2 van de bestreden eindbeschikking uitgaat van het leveren van
tegenbewijsdoor de man. Volgens het sub-subonderdeel heeft het hof in dat geval miskend dat, anders dan het hof in rov 2.3 van de bestreden eindbeschikking heeft geoordeeld en daar in rov. 2.4 tot en met 2.9 van de bestreden eindbeschikking op heeft voortgebouwd, de man niet als partijgetuige in de zin van art. 164 lid 2 Rv Pro kon worden aangemerkt en zijn verklaring daarom ‘vol’ meetelt. Ook om deze reden kan de gehele bewijswaardering niet in stand blijven.
3.13
Dit sub-subonderdeel faalt omdat het feitelijke grondslag mist. Zoals ik hiervoor heb toegelicht in randnummers 3.5-3.9 heeft het hof, zonder art. 150 Rv Pro te miskennen, kunnen oordelen dat de bewijslast op de man rust wat betreft de door hem bepleite uitleg van artikel 14 HV Pro en mocht het daarom de verklaring van de man kwalificeren als die van een partijgetuige in de zin van art. 164 lid 2 Rv Pro. De bewijsopdracht in rov. 5.15 van de bestreden tussenbeschikking betreft dus niet, anders dan waarvan het sub-subonderdeel uitgaat, het leveren van tegenbewijs door de man.
3.14
Sub-subonderdeel B.I.4bevat, als ik het goed zie, twee klachten. De
eerste klachtstelt dat het slagen van een van de hiervoor genoemde klachten, betekent dat ook rov. 2.5 tot en met 2.9 van de eindbeschikking niet in stand kunnen blijven. Volgens de
tweede klachtkan de bewijswaardering in rov. 2.5 tot en met 2.9 van de eindbeschikking ook om de volgende reden geen stand houden. Als er, zo begrijp ik de klacht, van wordt uitgegaan, zoals in sub-subonderdeel B.I.3, dat het hof in rov. 5.15 van het bestreden tussenarrest een bewijsopdracht aan de man heeft gegeven, bijvoorbeeld omdat aan de letterlijke tekst van de huwelijksvoorwaarden een bewijsvermoeden kan worden ontleend, dan kon de man volstaan met het leveren van tegenbewijs, hetgeen in onderhavige zaak het ontzenuwen betekent van dat bewijsvermoeden. Dit heeft het hof dan miskend in zijn bewijswaardering in rov. 2.5 tot en met 2.9.
3.15
De eerste klacht bouwt voort op de klachten van sub-subonderdelen B.I.1 tot en met B.I.3. Omdat deze sub-subonderdelen tevergeefs zijn voorgesteld, faalt ook de eerste klacht van sub-subonderdeel B.I.4. De tweede klacht mist feitelijke grondslag, omdat deze er vanuit gaat dat de bewijsopdracht die het hof aan de man heeft gegeven, ziet op het leveren van tegenbewijs, al dan niet om een bewijsvermoeden te ontzenuwen. Zoals blijkt uit randnummers 3.7-3.9 hiervoor is dat onjuist. Uit de bestreden arresten blijkt niet dat het hof aan de letterlijke tekst van de HV een bewijsvermoeden heeft ontleend. De bewijsopdracht die het hof aan de man heeft gegeven, zag op het leveren van bewijs van de stelling van de man dat de huurinkomsten van de buiten de verrekening blijvende onroerende zaken eveneens buiten de verrekening dienden te blijven.
3.16
Sub-subonderdeel B.I.5bevat een veegklacht. Het slagen van één of meer van de bovenvermelde klachten vitieert ook rov. 2.11 tot en met 3.2 en het dictum van de eindbeschikking
3.17
Omdat de klachten van sub-subonderdelen B.I.1 tot en met 4 falen, strandt ook de veegklacht van sub-subonderdeel B.I.5.
3.18
Met
subonderdeel B.IIstelt de man dat het hof heeft miskend dat hij, in het kader van artikel 14 HV Pro, een beroep heeft gedaan op gerechtvaardigd vertrouwen. Het onderdeel valt uiteen in vier sub-subonderdelen met enkele eigen klachten.
3.19
Sub-subonderdeel B.II.1is gericht tegen rov. 5.12-5.13 van de bestreden tussenbeschikking en rov. 2.4 tot en met 2.9 van de bestreden eindbeschikking. Volgens het sub-subonderdeel heeft het hof in de bestreden rechtsoverwegingen miskend dat de man met zijn verweer tegen de stelling van de vrouw dat artikel 14 HV Pro letterlijk moet worden gelezen, [41] (ook) een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen heeft gedaan. Samengevat, stelt het sub-subonderdeel dat het hof heeft miskend dat de man zich, in het kader van art. 3:33 en Pro art. 3:35 BW Pro, op het standpunt heeft gesteld dat hij de HV, in het licht van de bespreking met de notaris op 1 juni 2007 en de bevestigingsbrief van de notaris van 4 juni 2007, op zo’n manier heeft mogen begrijpen dat zowel het door hem aangebrachte onroerend goed als het rendement daarvan buiten het te verrekenen vermogen van het finale verrekenbeding zouden blijven. [42] Dat de man een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen heeft gedaan, blijkt volgens het sub-subonderdeel uit verschillende stellingen die door de man in de feitelijke instanties zijn gedaan. Het gaat om de volgende stellingen, waarbij het sub-subonderdeel bijzondere aandacht heeft gevraagd voor de dikgedrukte passage onder letter f:
a. Het was de bedoeling dat de opbrengst en het rendement van het aangebrachte vermogen niet zouden vallen onder enige verrekening en ook geen onderdeel zou zijn van het te verrekenen vermogen in het kader van het finaal verrekenbeding; [43]
b. De man heeft het vorenstaande in eerste aanleg uitvoerig onderbouwd onder verwijzing naar de opdrachtbrief van de notaris van 4 juni 2007 [44] en met name naar de passage ten aanzien van de staat van aanbrengsten, waarover de notaris uitdrukkelijk heeft opgemerkt dat de bankrekeningen waar geen saldo opgenomen staat geheel privé blijven; [45]
c. De vrouw wilde geen enkele betrokkenheid hebben bij de beleggingen van de man en op geen enkele wijze iets van doen hebben met de hypotheken rustend op zijn onroerende zaken (en die met zijn vader). Mede daarom is in de HV overeengekomen dat ieders privévermogen en de inkomsten daaruit privé blijven. Het was geenszins de bedoeling van partijen dat de vrouw op enigerlei wijze aanspraak kon maken of ging meedelen in het onroerend goed van de man. De geldstromen van ieders privévermogens waren dan ook tijdens het huwelijk gesloten circuits. Van de huur- en verkoopopbrengsten van het onroerend goed van de man (met zijn vader) zijn de hypotheekverplichtingen en alle andere aan het uitgesloten onroerend goed verbonden kosten betaald; [46]
d. De vrouw was ten tijde van het sluiten van het huwelijk als advocaat insolventierecht werkzaam bij CMS Derks Star Busmann in Hilversum. Voor het opstellen van de HV heeft zij een notaris ingeschakeld die werkzaam was bij haar kantoor. De vrouw heeft een juridische achtergrond en de man niet; [47]
e. De notaris heeft een paar dagen voor het sluiten van het huwelijk één bespreking met partijen samen gevoerd, zoals blijkt uit de opdrachtbrief van 4 juni 2007; [48]
f. In randnummer 32. van zijn hoger beroepschrift heeft de man het volgende gesteld (vetgedrukt door de advocaat van de man in cassatie):
“In de opdrachtbrief d.d. 4 juni 2007 licht de notaris aan de hand van de gegeven voorlichting tijdens die enige bespreking d.d. 1 juni 2007 de belangrijkste uitgangspunten van partijen voor de door hun te sluiten huwelijksvoorwaarden toe.
(…) Met
de voorlichting van de notaris, zowel tijdens de bespreking d.d. 1 juni 2007, als in de opdrachtbrief d.d. 4 juni 2007 mocht de man er redelijkerwijs vanuit gaan dat de vrouw bij het einde van het huwelijk door echtscheiding nimmer in financiële zin (via verrekening) aanspraak op zijn onroerend goed en dat van hem met zijn vader, zijnde het aangebrachte vermogen, alsmede het rendement daarvan zou kunnen maken en dit derhalve buiten het te verrekenen vermogen van het finale verrekenbeding zal blijven.
g. De als productie H.4 in hoger beroep overgelegde staat van aanbrengsten luidt als volgt (passages vetgedrukt door de advocaat van de man in cassatie):

Door [de man] wordt aangebracht:
- het registergoed plaatselijk bekend [a-straat 1] te [postcode 1] [plaats 1] , (…), alsmede de hierop rustende (hypothecaire) geldleningen;
- het registergoed plaatselijk bekend [a-straat 2] te [postcode 1] [plaats 1] , [a-straat 2] BIS te [postcode 1] [plaats 1] , [b-straat 1] te [postcode 2] [plaats 1] , (…), alsmede de hierop rustende (hypothecaire) geldleningen;
- het registergoed plaatselijk bekend [c-straat 1] te [postcode 3] [plaats 2] , (…), alsmede de hierop rustende (hypothecaire) geldleningen;
- het registergoed plaatselijk bekend [registergoed] te [plaats 3] , (…), alsmede de hierop rustende (hypothecaire) geldleningen;
- het saldo ad € 4.500,00 op Alex beleggingsrekening met [rekeningnummer 15] ;
-
ABN AMRO Bank [rekeningnummer 9] , een en/of rekening met [de vader van de man] voor het registergoed [a-straat] te [plaats 1] en het [registergoed] te [plaats 3] , met de daaraan gekoppelde internetspaarrekening;
-
Postbank jaarclubrekening met [rekeningnummer 16] ;
- Het saldo ad € 4.550,00 op Postbank privérekening met [rekeningnummer 6] en het saldo ad € 4.050,00 op de daaraan gekoppelde internetspaarrekening;
- Het saldo ad € 3.050,00 op Postbank privérekening met [rekeningnummer 7] en het saldo ad € 2.825,00 op de daaraan gekoppelde internetspaarrekening;
- Het saldo ad € 250,00 op ABN AMRO Bank privérekening zakelijke activiteiten met [rekeningnummer 17] ;
- Het saldo ad € 3.500,00 op ABN AMRO Bank beleggingsrekening met [rekeningnummer 18] ;
- Het saldo ad € 37.000,00 op Westland Utrecht Beleggingsrekening met [rekeningnummer 19] ;
- computer;
- auto (…);
- auto (…).”
3.2
Het sub-subonderdeel bevat, zo begrijp ik, twee klachten.
3.21
Volgens de
eerste klachtvan sub-subonderdeel B.II.1 betekent het voorgaande concreet dat het hof in rov. 5.12 tot en met 5.15 van het bestreden tussenbeschikking en rov. 2.3 tot en met 2.6 van het bestreden eindbeschikking het beroep van de man op gerechtvaardigd vertrouwen onbesproken heeft gelaten. Indien het hof dat beroep (impliciet) heeft verworpen is dat oordeel niet toereikend gemotiveerd en zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Immers: indien de man als leek (terwijl de vrouw juridisch geschoold is) voorafgaand aan het tekenen, uitgelegd krijgt dat rekeningen waar geen saldo achter staat geheel buiten de verrekening blijven en wanneer vervolgens daadwerkelijk rekeningen worden opgenomen waarop geen saldo is vermeld, dan valt zonder nadere toelichting niet in te zien dat en waarom de man er dan niet op mocht vertrouwen dat artikel 14 HV Pro zo moest worden begrepen, althans nader is overeengekomen dat die rekeningen, en daarmee de opbrengsten van de buiten de verdeling gehouden onroerende zaken, buiten de verrekening zouden blijven.
3.22
Voor ik de klacht inhoudelijk bespreek, maak ik een algemene opmerking over de verhouding tussen het leerstuk van de uitleg van een rechtshandeling en de wilsvertrouwensleer. [49]
3.23
Een rechtshandeling ontstaat in principe door een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard (art. 3:33 BW Pro). In het geval van een discrepantie tussen wil en verklaring, komt in beginsel geen rechtshandeling tot stand. Dit is anders als de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op een door de verklarende partij gewekte schijn dat haar verklaring in overeenstemming is met haar wil. Gelet op dit opgewekte vertrouwen komt dan toch, ondanks wilsontbreken, een geldige rechtshandeling tot stand (art. 3:35 BW Pro). In verband met dit samenspel tussen art. 3:33 en Pro 3:35 BW bij de totstandkoming van een rechtshandeling wordt gesproken van de ‘wilsvertrouwensleer’. [50] Zij speelt niet alleen een rol bij de vraag
ofeen rechtshandeling tot stand is gekomen, maar ook bij de in het verlengde hiervan liggende vraag
welke inhoudzij heeft. [51] Of een rechtshandeling tot stand is gekomen en, zo ja, welke inhoud zij heeft, is volgens vaste rechtspraak van Uw Raad afhankelijk van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen mochten toekennen en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [52] Aangenomen wordt dat de
Haviltex-maatstaf een uitvloeisel is van de wilsvertrouwensleer. Steeds gaat het immers om wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen of gedragingen omtrent hun wederzijdse bedoelingen hebben mogen afleiden en wat hen op die grond kan worden toegerekend. [53] De beoordeling van het uitlegoordeel van de rechter is in hoge mate feitelijk en leent zich daarom slechts beperkt voor toetsing in cassatie. Als de rechter de juiste maatstaf heeft gehanteerd, kan de uitleg in cassatie alleen worden getoetst op zijn begrijpelijkheid. Daarbij geldt dat een uitleg niet reeds onbegrijpelijk is als een andere uitleg ook mogelijk zou zijn geweest. [54]
3.24
In de kern stelt de klacht dat het hof het beroep van de man op gerechtvaardigd vertrouwen onbesproken heeft gelaten bij zijn oordeel dat de HV zo moeten worden uitgelegd dat ook de huurinkomsten van de aangebrachte goederen moeten worden meegenomen in de finale verrekening. De klacht kan hierin niet worden gevolgd. Ik geef eerst weer hoe het hof tot zijn uitlegoordeel is gekomen en bespreek vervolgens waarom hierin ook het beroep van de man op gerechtvaardigd vertrouwen is besproken.
3.25
Het hof heeft in rov. 5.14 (terecht) vooropgesteld dat de HV moeten worden uitgelegd aan de hand van de
Haviltex-maatstaf. Vervolgens heeft het hof in rov. 5.15 overwogen dat het nog geen oordeel kon vellen over hoe de HV moeten worden uitgelegd ten aanzien van de vraag of de huurinkomsten van de buiten de verrekening blijvende onroerende zaken eveneens buiten de verrekening dienen te blijven. Hierna heeft de man de bewijsopdracht gekregen van zijn stelling dat partijen de bedoeling hadden om de huurinkomsten buiten de verrekening te houden. Nadat de man de notaris, zijn vader en zichzelf als getuigen heeft laten horen, is het hof in de bestreden eindbeschikking tot zijn definitieve uitlegoordeel gekomen: de huurinkomsten moeten in de verrekening worden betrokken. Dit heeft het hof in rov. 2.6 als volgt onderbouwd. Op basis van de verklaringen van de getuigen en de stukken, waaronder de toelichting van de notaris op het concept HV, is het volgens het hof de
bedoelingvan partijen geweest dat zij bij een echtscheiding zullen verrekenen alsof zij gehuwd waren in algemene gemeenschap van goederen. De enige uitzondering hierop is dat de aangebrachte goederen en hetgeen voor of tijdens het huwelijk is verkregen uit erfenissen en/of schenkingen (en hetgeen daarvoor in de plaats is gekomen) buiten de verrekening blijven. De man is er niet in geslaagd aan te tonen dat partijen enige andere uitzondering op dit uitgangspunt zijn overeengekomen. Bij dit oordeel heeft het hof specifiek waarde gehecht aan de verklaring van de notaris (weergegeven in rov. 2.5) dat uit haar dossieraantekeningen bleek dat de aanbrengsten (wel) besproken zijn, maar dat zij niet kon zien of de inkomsten uit die aanbrengsten ook specifiek besproken zijn en dat zij zich dat ook niet kon herinneren. Volgens haar verklaring heeft zij ook geen expliciet onderscheid gemaakt dat kosten, opbrengsten en lasten van het aangebrachte vermogen als verkrijging onder het finaal verrekenbeding vallen. In dat licht moet de volgende zin uit artikel 14 HV Pro worden gelezen: “
De inkomsten uit bedoelde verkrijgingen en de renten van bedoelde schulden zullen wel in de verrekening worden betrokken”. Dat het woord ‘aanbrengsten’ hierin ontbreekt, wil daarom niet zeggen dat de opbrengsten van de aanbrengsten, in tegenstelling tot de verkrijgingen, zijn uitgezonderd van de hoofdregel dat wordt verrekend alsof partijen in algehele gemeenschap van goederen zijn getrouwd. Tegen deze achtergrond heeft het hof de overige stellingen van de man die de door hem bepleite uitleg van artikel 14 HV Pro zouden ondersteunen vervolgens verworpen. Het hof heeft geen (beslissende) waarde gehecht aan de verklaringen van de vader van de man omdat die onvoldoende waren om anders te oordelen in het licht van wat de man en de vrouw in het kader van de HV hebben besproken en zijn overeengekomen (rov. 2.7). Evenmin heeft het hof beslissende waarde toegekend aan de (enkele) passage in de toelichting van de notaris in haar brief van 4 juni 2007 over het al dan niet vermelden van de banksaldi van genoemde bankrekeningen omdat de notaris deze toelichting al had verstrekt voordat zij de staat van aanbrengsten had ontvangen (rov. 2.8).
3.26
Door te onderzoeken welke bedoelingen partijen bij het finale verrekenbeding in de HV hadden ten tijde van het aangaan van de HV, heeft het hof conform de
Haviltex-maatstaf gehandeld. Zoals blijkt uit randnummer 3.23 heeft het hof hiermee ook het beroep van de man op gerechtvaardigd vertrouwen beoordeeld. Met zijn oordeel dat partijen niet de bedoeling hebben gehad om af te wijken van de hoofdregel dat zij bij een echtscheiding verrekenen alsof er een algehele gemeenschap van goederen bestond en alleen aangebrachte goederen en, kort gezegd, persoonlijke goederen hiervan zijn uitgesloten, heeft het hof het standpunt van de man dat hij de HV op zo’n manier heeft mogen begrijpen dat zowel het door hem aangebrachte onroerend goed als het rendement daarvan buiten het te verrekenen vermogen van het finale verrekenbeding zouden blijven, verworpen. De klacht kan dus niet worden gevolgd in de stelling dat het hof het beroep van de man op gerechtvaardigd vertrouwen onbesproken heeft gelaten. Evenmin kan worden gezegd dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Zoals blijkt uit randnummer 3.25 hiervoor heeft het hof immers de belangrijkste door de man aangehaalde stellingen, de bespreking van 1 juni 2007 met de notaris, de brief van de notaris van 4 juni 2007 en de getuigenverklaring van de notaris, besproken en gemotiveerd waarom deze niet tot de door hem bepleite uitleg van de HV hebben geleid. Ook de motiveringsklacht faalt dus.
3.27
De
tweede klachtvan sub-subonderdeel B.II.1. richt zich in het bijzonder tegen rov. 2.6 van de bestreden eindbeschikking. Deze rechtsoverweging wordt in de procesinleiding (p. 5) als volgt weergegeven:
“i. Uit de stukken (waaronder de huwelijkse voorwaarden in concept met toelichting) en de getuigenverklaringen leidt het hof af dat het de bedoeling van partijen is geweest dat zij bij echtscheiding zullen verrekenen alsof zij gehuwd waren in algehele gemeenschap van goederen en dat buiten die verrekening blijft hetgeen door ieder van partijen voorafgaand aan het huwelijk is aangebracht (welke goederen op de staat van aanbrengsten staan vermeld) alsmede hetgeen voor of tijdens het huwelijk is verkregen uit erfenissen en/of schenkingen en hetgeen daarvoor in de plaats is gekomen.
ii. Dat partijen andere afwijkingen van het uitgangspunt, dat verrekend moet worden alsof er een algehele gemeenschap zou bestaan, zijn overeengekomen, heeft de man niet aangetoond.
iii. Daarbij acht het hof met name van belang dat de notaris heeft verklaard dat uit haar dossieraantekeningen blijkt dat de aanbrengsten (wel) besproken zijn, maar dat zij niet kan zien of de inkomsten uit die aanbrengsten ook specifiek besproken zijn en dat zij zich dat ook niet kan herinneren.
iv. Volgens haar verklaring heeft zij ook geen expliciet onderscheid gemaakt dat kosten, opbrengsten en lasten van het aangebrachte vermogen als verkrijging onder het finaal verrekenbeding vallen. De inkomsten uit de verkrijgingen moeten dan ook in de verrekening worden betrokken, evenals de rente op de schulden.
v. Dat in artikel 14 HV Pro in de zin ‘
De inkomsten uit bedoelde verkrijgingen en de renten van bedoelde schulden zullen wel in de verrekening worden betrokken’ het woord ‘
aanbrengsten’ ontbreekt, wil dan ook niet zeggen dat de opbrengsten van de aanbrengsten zijn uitgezonderd van de hoofdregel.”
3.28
Volgens de klacht zijn deze onder i. tot en met v. opgesomde overwegingen en oordelen rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd. Het oordeel van het hof zoals dat is samengevat onder i. sluit niet aan op de stelling van de man dat hij ervan uit mocht gaan, en er dus op heeft mogen vertrouwen, dat ook de huurinkomsten daarvan uitgezonderd zouden blijven. Het hof heeft blijkens subonderdeel B.I zijn oordeel zoals dat is samengevat onder ii. mede laten bepalen door een onjuist bewijsoordeel. Ook is rechtens onjuist en onbegrijpelijk het oordeel zoals dat is samengevat onder iii., inhoudende dat het hof van belang heeft geacht dat de notaris heeft verklaard dat uit haar dossieraantekeningen blijkt dat de aanbrengsten (wel) besproken zijn, maar dat zij niet kan zien of de inkomsten uit die aanbrengsten ook specifiek besproken zijn en dat zij zich dat ook niet kan herinneren. Volgens de man blijkt uit de brief van 4 juni 2007 (daags voor het verlijden van de akte, waarbij invulling is gegeven aan die vastlegging) immers dat de inkomsten van de verkrijgingen wel degelijk zijn besproken en op basis van die inhoud heeft de man nu juist gesteld dat hij er vanuit mocht gaan (en dus op mocht vertrouwen) dat zijn huurinkomsten buiten de verrekening zouden blijven. Evenmin is dan van belang (onder iv.) dat de notaris volgens haar verklaring ook geen expliciet onderscheid heeft gemaakt dat kosten, opbrengsten en lasten van het aangebrachte vermogen als verkrijging onder het finaal verrekenbeding vallen. Dit geldt ook voor hetgeen is weergegeven onder v.: het gaat immers niet om de exacte bewoordingen van artikel 14 HV Pro, maar om de vraag waarop de man redelijkerwijs mocht vertrouwen naar aanleiding van de besprekingen van 1 en 4 juni 2007, de brief van de notaris van 4 juni 2007, alsmede de invulling daarvan in de staat van aanbrengsten van 5 juni 2007 zoals die door de notaris is verleden. Het hof heeft dit alles miskend, dan wel geen, althans niet toereikend, inzicht gegeven in zijn gedachtegang en/of een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
3.29
De klacht faalt om verschillende redenen. Voor zover zij stelt dat het oordeel van het hof in rov. 2.6 niet aansluit op de stelling van de man dat hij er op mocht vertrouwen dat ook de huurinkomsten van de verrekening uitgezonderd zouden blijven en/of dat het hof op enige wijze heeft miskend dat de man met een beroep op de bijeenkomst van 1 juni 2007 en de brief van de notaris van 4 juni 2007 een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen heeft gedaan, miskent zij dat het hof deze stelling van de man heeft verworpen met zijn oordeel dat het de bedoeling van partijen is geweest om in de HV vast te leggen dat bij een echtscheiding de inkomsten en opbrengsten van de buiten de verrekening blijvende aangebrachte onroerende zaken in de verrekening moeten worden betrokken. Daarbij heeft het hof ook de bijeenkomst van 1 juni 2007 en de brief van 4 juni 2007 betrokken. [55] Voor zover de klacht voortbouwt op subonderdeel B.I faalt zij omdat dat subonderdeel faalt en niet gezegd kan worden dat het hof een onjuist bewijsoordeel heeft gegeven. [56] Evenmin kan de klacht gevolgd worden in haar stelling dat het oordeel van het hof zoals is weergegeven onder iii. rechtens onjuist en onbegrijpelijk is omdat in de brief van 4 juni 2007 zou vastliggen dat de inkomsten uit de aanbrengsten op 1 juni 2007 zouden zijn besproken. Uit de brief van 4 juni 2007 is niet af te leiden dat tijdens de bespreking van 1 juni 2007 de inkomsten uit de aanbrengsten specifiek zijn besproken. Integendeel, er is juist opgenomen dat, met uitzondering van erfenissen en schenkingen die tijdens het huwelijk worden verkregen en het aangebrachte vermogen, al het overige vermogen zal worden verrekend. [57] De klacht kan ook niet gevolgd worden in wat zij heeft gesteld over het oordeel van het hof zoals dat is weergegeven onder iv. en v. omdat zij miskent dat het hof niet enkel naar de exacte bewoordingen van artikel 14 HV Pro heeft gekeken. Zoals blijkt uit randnummers 3.25-3.26 hiervoor heeft het hof de
Haviltex-maatstaf toegepast en, mede aan de hand van de bespreking van 1 juni 2007 tussen partijen en de notaris, de brief van de notaris van 4 juni 2007 en de getuigenverklaring van de notaris, onderzocht wat de bedoelingen waren van partijen met artikel 14 HV Pro ten aanzien van de verrekening van de inkomsten van het aangebrachte vastgoed. Als gezegd, zie randnummer 3.26 hiervoor, heeft het hof daarmee ook het beroep van de man op de wilsvertrouwensleer beoordeeld. Tot slot merk ik op dat de procedure in cassatie geen derde feitelijke instantie is. Dit lijkt de klacht te miskennen; in wezen poogt zij Uw Raad te verleiden tot een hernieuwde feitelijke beoordeling met betrekking tot de uitleg van de HV. Uit mijn bespreking van de klacht blijkt dat Uw Raad deze verleiding beter zou weerstaan.
3.3
Sub-subonderdeel B.II.2stelt dat het hof in rov. 5.14 van de bestreden tussenbeschikking het
Haviltex-criterium wel heeft genoemd, maar dat vervolgens onjuist, althans onbegrijpelijk heeft toegepast in rov. 5.12 en rov. 5.15 van het bestreden tussenarrest en in rov. 2.3 tot en met 2.9 van de bestreden eindbeschikking, in het bijzonder in rov 2.6 tot en met 2.9. Het sub-subonderdeel valt uiteen in drie klachten.
3.31
Het hof heeft in rov. 5.14 van de bestreden tussenbeschikking overwogen dat de rechter, in het kader van de
Haviltex-beoordeling, rekening moet houden met alle omstandigheden van het specifieke geval. In dit geval heeft de man betoogd dat hij er gelet op de besprekingen van 1 en 4 juni 2007 [58] met de notaris en uit de brief van de notaris ter bevestiging daarvan, redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat de vrouw bij het einde van het huwelijk door een echtscheiding nimmer in financiële zin (via verrekening) aanspraak op zijn onroerend goed en het rendement daarvan zou kunnen maken en dit derhalve buiten het te verrekenen vermogen van het finale verrekenbeding zal blijven. Volgens het sub-subonderdeel wordt dit standpunt ondersteund door de uitleg die de notaris als getuige heeft gegeven aan de brief van 4 juni 2007, [59] namelijk dat de bankrekeningen waar geen saldo achter stond geheel buiten de verrekening vielen. Daarnaast blijkt uit de vetgedrukte passages in de in randnummer 3.19 onder g. hiervoor geciteerde staat van aanbrengsten, die één dag na de brief van 4 juni 2007 tezamen met de HV is verleden, dat partijen daar inderdaad invulling aan hebben gegeven. Daar is immers geen saldo opgenomen. Aldus volgt de bedoeling van partijen uit de brief van 4 juni 2007 en uit de wijze waarop daaraan op 5 juni 2007 vervolgens door partijen invulling aan is gegeven. Volgens de
eerste klachtvan sub-subonderdeel B.II.2 heeft het hof door het beroep op het gerechtvaardigd vertrouwen in samenhang met de hiervoor genoemde feiten niet, althans niet voldoende kenbaar, bij zijn beoordeling te betrekken, hetzij een onjuiste invulling aan het
Haviltex-criterium gegeven, hetzij zijn oordeel onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
3.32
Deze klacht is in wezen een herhaling van de eerste klacht van sub-subonderdeel B.II.1 en deelt dan ook hetzelfde lot als die klacht. Zie voor de bespreking hiervan randnummers 3.20-3.26 hiervoor.
3.33
Volgens de
tweede klachtvan sub-subonderdeel B.II.2 heeft het hof voorts miskend dat voor de vraag wat partijen voor ogen heeft gestaan en waarop de man mocht vertrouwen ten tijde van het aangaan van de HV, anders dan het hof in rov. 2.7 van de bestreden eindbeschikking heeft overwogen, evenzeer van belang is wat de man daaromtrent tegenover zijn vader heeft aangegeven. Dat is immers zijn ‘state of mind’ ten tijde van het aangaan van de HV geweest. Dat hij ervoor zou zorgen dat het een en ander buiten de verrekening zou blijven, geeft aan dat hij dat, zoals hij heeft gesteld, kennelijk als zodanig heeft ingebracht in de besprekingen van 1 en 4 juni 2007. [60] Aldus is ook rechtens onjuist en onbegrijpelijk dat het hof in rov. 2.8 van de bestreden eindbeschikking heeft overwogen dat, nu de notaris op 4 juni 2007 de brief heeft verstrekt voordat zij een staat van aanbrengsten zou hebben ontvangen, het hof daaraan geen “
beslissende waarde” heeft gehecht. Hiermee heeft het hof miskend dat partijen daags nadien daaraan wel invulling hebben gegeven.
3.34
Ik stel voorop dat de beoordeling van het uitlegoordeel van de rechter in hoge mate feitelijk is en zich daarom slechts beperkt leent voor toetsing in cassatie. Als de rechter de juiste maatstaf heeft gehanteerd, kan de uitleg in cassatie alleen worden getoetst op zijn begrijpelijkheid. [61] Hetzelfde geldt voor de waardering van getuigenverklaringen. Hierin heeft de rechter een grote mate van vrijheid en het bewijsoordeel kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. [62] Tegen deze achtergrond faalt de klacht. Het hof heeft in de motivering van zijn uitlegoordeel van artikel 14 HV Pro de door de man aangevoerde omstandigheden gewogen, maar te licht bevonden. Gezien het oordeel van het hof in rov. 2.6, acht ik het niet onbegrijpelijk dat de verklaringen van de vader volgens het hof in rov. 2.7 onvoldoende zijn geweest om anders te oordelen in het licht van wat de man en de vrouw in het kader van de HV hebben besproken en zijn overeengekomen. Hetzelfde geldt voor het oordeel van het hof in rov. 2.8 over de passage in de toelichting van de brief van de notaris van 4 juni 2007. Ook dit oordeel is, in het licht van rov. 2.6, niet onbegrijpelijk. [63]
3.35
Dan kom ik nu bij de
derde klachtvan sub-subonderdeel B.II.2. Blijkens rov. 5.13 van de bestreden tussenbeschikking heeft de vrouw, aldus de klacht, de inhoud van de brief van 4 juni 2007 niet als zodanig betwist, maar heeft zij twee juristen laten verklaren hoe artikel 14 HV Pro in zijn algemeenheid zou moeten worden uitgelegd. Dat is als betwisting in het kader van de
Haviltex-maatstaf irrelevant in het onderhavige geval waarin partijen expliciet voor ogen heeft gestaan, dan wel dat de man er vanuit mocht gaan, dat de rekeningen waar op de staat van aanbrengsten geen saldo is vermeld (te weten de rekeningen waarop de huurinkomsten werden gestort en de jaarclubrekening) [64] buiten de verrekening zouden blijven. Volgens de klacht geeft het hof aldus blijk van een onjuiste toepassing van de
Haviltex-maatstaf, nu het deze feiten bij de uiteindelijke beoordeling niet of niet voldoende kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken, althans is het oordeel in dat licht onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd.
3.36
De klacht faalt om verschillende redenen. Ten eerste mist zij feitelijke grondslag omdat de vrouw wel degelijk de stelling van de man (gemotiveerd) heeft betwist dat uit de brief van de notaris van 4 juni 2007 zou volgen dat partijen de bedoeling hebben gehad om de rekeningen waar op de staat van aanbrengsten geen saldo is vermeld geheel privé te laten zijn op het moment van de peildatum. [65] Voor zover de klacht betoogt dat het hof de
Haviltex-maatstaf onjuist heeft toegepast, verwijs ik naar randnummers 3.20 tot en met 3.26 en 3.32 hiervoor, waar is uiteengezet dat het hof de
Haviltex-maatstaf correct heeft toegepast.
3.37
Met
sub-subonderdeel B.II.3stelt de man vervolgens dat hij het, in samenhang met hetgeen hij in sub-subonderdeel B.II.2 heeft aangevoerd, maar ook los daarvan, rechtens onjuist en onbegrijpelijk vindt dat hij in rov 5.15 van de bestreden tussenbeschikking nog een bewijsopdracht heeft gekregen. Uit rov. 5.13 van de bestreden tussenbeschikking volgt dat de vrouw de inhoud en strekking van de brief met uitleg van de notaris niet heeft betwist, waardoor op grond van art. 149 Rv Pro vaststaat dat (1) partijen één bespreking hebben gevoerd met de notaris, [66] (2) dat blijkens die brief partijen hebben besproken wat er in de huwelijksvoorwaarden zou moeten worden opgenomen, (3) hetgeen de notaris heeft bevestigd in die opdrachtbrief, en (4) dat partijen daaraan daadwerkelijk invulling hebben gegeven door expliciet onderscheid te maken tussen bankrekeningen met een aanbrengsaldo en bankrekeningen zonder saldo. Aldus had het hof op basis van de besprekingen van 1 en 4 juni 2007 [67] en van de brief van 4 juni 2007, alsmede de invulling die daarin is gegeven in de staat van aanbrengsten, in het kader van art. 149 Rv Pro moeten vaststellen dat partijen kennelijk zijn afgeweken van de standaarduitleg die de vrouw met het overleggen van legal opinions [68] (naar de mening van de man tegen beter weten in) ingang tracht te doen vinden.
3.38
Het sub-subonderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De vrouw heeft wel degelijk de door de man gestelde (afwijkende) bedoeling van partijen bij de HV bestreden. [69] Daarbij heeft de vrouw expliciet betwist (1) de door de man aangevoerde strekking van de brief van de notaris van 4 juni 2007 [70] en (2) hetgeen de man uit het gesprek met de notaris voorafgaand aan het passeren van de akte heeft moeten en mogen begrijpen ten aanzien van de bedoeling van partijen over de werking van het finale verrekenbeding in de HV. [71] Het sub-subonderdeel kan dus niet gevolgd worden in zijn stelling dat het hof in het kader van art. 149 Rv Pro had moeten vaststellen dat partijen kennelijk zijn afgeweken van de standaarduitleg van de HV die door de vrouw is bepleit. Zie over het verloop van het partijdebat over de vraag hoe artikel 14 HV Pro moet worden uitgelegd ook randnummers 3.7-3.8 hiervoor.
3.39
Sub-subonderdeel B.II.4bevat vervolgens een veegklacht. Het slagen van één van de klachten van sub-subonderdelen B.II.1 tot en met 3 vitieert ook rov. 5.13-5.14 van de bestreden tussenbeschikking en rov. 2.3 tot en met rov. 4.7 van de bestreden eindbeschikking, in het bijzonder ook rov. 2.14, 2.15, 2.20, 2.21 en 2.23.
3.4
Met het falen van de klachten van sub-subonderdelen B.II.1 tot en met 3 faalt ook de veegklacht van sub-subonderdeel B.II.4.
Onderdeel C: eigendom van de goudstaaf
3.41
Onderdeel C bestaat uit één subonderdeel dat is genummerd met een Romeinse III en uiteenvalt in vijf sub-subonderdelen. Het is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.6 van de bestreden tussenbeschikking waarin het heeft geoordeeld dat uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat de goudstaaf is gekocht van aangebracht vermogen van de vrouw dat is uitgesloten van verrekening. Het is eveneens gericht tegen de op rov. 5.6 van de bestreden tussenbeschikking voortbouwende rov. 2.1, 2.20 tot en met 3.2 en het dictum van de bestreden eindbeschikking.
3.42
Sub-subonderdeel C.III.1is gericht tegen rov. 5.6 van de bestreden tussenbeschikking waarin het hof heeft geoordeeld dat, gelet op het tijdsverloop tussen de aankoop van het goud (juli 2008) en de door de man gestelde overboekingen in januari en december 2019 waarmee hij de aankoopkosten deels stelt te hebben terugbetaald, het hof de man niet volgt in zijn, door de vrouw betwiste, stelling dat hij het goud in mede-eigendom heeft verkregen. Volgens het sub-subonderdeel heeft het hof hiermee miskend dat die terugbetalingen niet hebben plaatsgevonden in 2019 maar in 2009, [72] zoals ook blijkt uit rov. 3.3. van de eindbeschikking van de rechtbank van 18 december 2020. Het hof heeft kennelijk zijn oordeel mede gebaseerd op een aanzienlijk veel langere terugbetalingstermijn dan daadwerkelijk aan de orde was. Daarbij is het niet aannemelijk, dat, nu het hof zich, net als aanvankelijk de rechtbank, heeft verschreven, het hof wel de juiste terugbetalingstermijn voor ogen heeft gehad. Indien dat laatste echter wel het geval is, is het oordeel in elk geval onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, nu expliciet 2019 wordt genoemd. Het oordeel is hoe dan ook onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd.
3.43
Het hof heeft zich, net als aanvankelijk de rechtbank, kennelijk verschreven bij het aanduiden van het jaar waarin de door de man gestelde (terug)betalingen zijn gedaan. Zoals het sub-subonderdeel terecht stelt, was dit 2009 en niet 2019. Dit neemt echter niet weg dat het sub-subonderdeel mijns inziens niet kan slagen. Het hof heeft specifiek geoordeeld dat het acht heeft geslagen op de “
door de man gesteldeoverboekingen” (onderstreping door mij,
A-G). Dat het hof vervolgens 2019 noemt in plaats van 2009 duidt er op dat het hier enkel om een verschrijving gaat en dat het hof wel degelijk 2009 voor ogen heeft gehad. Daarnaast zit er nog steeds een substantieel tijdsverloop tussen het aankoopmoment van het goud door de vrouw (juli 2008) en de gestelde terugbetalingen van de man (januari en december 2009) waardoor het oordeel van het hof dat de man niet wordt gevolgd in zijn stelling dat hij het goud in mede-eigendom heeft verkregen niet onbegrijpelijk is.
3.44
Volgens
sub-subonderdeel C.III.2heeft het hof met zijn oordeel in rov. 5.6 van de bestreden tussenbeschikking dat het enkele feit dat de man ten tijde van het huwelijk de goudstaaf onder zich hield niet maakt dat hij de eigendom heeft verkregen, miskend dat de hoofdregel is dat de bezitter van een roerende zaak wordt vermoed rechthebbende te zijn (art. 3:119 BW Pro). Het is dan aan de vrouw om daartegen tegenbewijs te leveren. Daartoe is echter enkele betaling niet voldoende, dit nog daargelaten de stelling van de man dat hij zijn aandeel in 2009 (niet 2019, zie sub-subonderdeel C.III.1) aan de vrouw heeft vergoed. Althans had het hof, indien het impliciet heeft geoordeeld dat de vrouw dat tegenbewijs heeft geleverd dat oordeel beter moeten motiveren, bij gebreke waarvan het oordeel onbegrijpelijk, althans in elk geval niet toereikend gemotiveerd is.
3.45
Het sub-subonderdeel faalt. De vrouw heeft gesteld dat zij het goud met aangebracht privévermogen heeft gekocht dat krachtens de HV buiten de verrekening blijft. [73] Het hof heeft in rov. 5.6 de vrouw hierin gevolgd. Anders dan waar het sub-subonderdeel kennelijk van uitgaat, heeft het hof dus
nietgeoordeeld dat de vrouw eigenaar is geworden enkel omdat zij een betaling voor het goud heeft verricht. Met dit oordeel van het hof is niet (meer) relevant of de man de goudstaaf ten tijde van het huwelijk onder zich hield. Beslissend is immers dat de goudstaaf buiten de verrekening valt omdat deze door de vrouw met door haar aangebracht vermogen is gekocht. Om deze reden kan het sub-subonderdeel niet worden gevolgd in zijn stelling dat het hof art. 3:119 BW Pro heeft miskend, en evenmin in zijn stelling dat het hof (al dan niet impliciet) zou hebben geoordeeld dat de vrouw het tegenbewijs heeft geleverd om de hoofdregel van art. 3:119 BW Pro te weerleggen. Voor zover het sub-subonderdeel voortbouwt op sub-subonderdeel C.III.1, faalt het ook omdat dat sub-subonderdeel tevergeefs is voorgesteld.
3.46
Met
sub-subonderdeel C.III.3stelt de man dat het oordeel van het hof in rov. 5.6 van de bestreden tussenbeschikking onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is. In zijn beroepschrift heeft de man aangevoerd dat de partijen destijds hebben afgesproken om gezamenlijk te gaan beleggen in goud. [74] Meer specifiek heeft de man hierover het volgende gesteld:
(i) betalen is niet essentieel voor de verkrijging van eigendom; [75]
(ii) gelet op het korte tijdsbestek dat de man de helft van het aankoopbedrag aan de vrouw heeft terugbetaald, heeft de vrouw de aankoop mede ten behoeve van de man gedaan. De vrouw heeft als mede-vertegenwoordigster van de man de goudstaaf geleverd gekregen en is op dat moment de goudstaaf mede gaan houden voor de man; [76]
(iii) ter zitting van 11 november 2020 is, omdat de rechtbank op het verkeerde been was gezet, ten overvloede verwezen naar een e-mail van 31 augustus 2018 van de vrouw aan haar belastingadviseur (overgelegd als productie 69 door de man bij de stukken eerste aanleg). [77] Daarin geeft de vrouw onomwonden aan dat zij het goud samen met de man als belegging heeft gekocht; [78]
(iv) partijen hebben op instigatie van de man besloten samen in goud te beleggen. Zie ook randnummer 43. van het verweerschrift van de vrouw van 13 februari 2019 waarin zij stelt op advies van de man in 2008 goud te hebben gekocht. Daarnaast wordt het goud in de IB aangifte 2017 van de vrouw voor 50% aan haar toegerekend en niet 100%. [79] Ook hieruit is af te leiden dat zij niet alleen eigendom heeft maar mede-eigenaar is. Louter de omstandigheid dat de vrouw in eerste instantie het aankoopbedrag heeft betaald, is niet essentieel voor de eigendomsverkrijging. De levering aan haar heeft op grond van art. 3:110 BW Pro mede aan de man plaatsgevonden, voor wie zij de staaf mede is gaan houden. [80]
3.47
Volgens het sub-subonderdeel heeft het hof op deze stellingen slechts gerespondeerd met een verwijzing naar de lange termijn van de terugbetaling en dat de vrouw het een en ander betwist zou hebben. Indien dan naar die betwisting wordt gekeken dan blijkt dat de vrouw niet ontkent dat in de belastingaangifte het goud voor 50% aan een ieder werd toegekend. [81] Of er sprake is van een overeenkomst (in onderhavige zaak van mede-eigendom) moet op grond van
Haviltexworden bepaald aan de hand van wat partijen bij het aangaan van die overeenkomst voor ogen heeft gestaan. De wijze waarop partijen invulling hebben gegeven aan een overeenkomst is een aanwijzing van wat partijen bij aanvang voor ogen heeft gestaan. Een wijze van invulling is hoe de vrouw richting haar fiscaal adviseur (zelf) heeft aangegeven hoe de eigendomsverhouding ligt en/of hoe die fiscaal moet worden verantwoord. Aldus betreft naast het korte tijdsbestek ook de fiscale verantwoording en de uitingen van de vrouw daaromtrent zoals hierboven weergegeven essentiële stellingen: die maken immers het verweer van de vrouw volstrekt ongeloofwaardig. Dat laatste geldt ook voor de betwiste stelling van de vrouw dat de betaling in 2009 een terugbetaling aan de vrouw zou zijn van een beweerdelijk door de moeder van de vrouw aan de vrouw in 2016 gedane lening.
3.48
Het sub-subonderdeel faalt. Voor zover het sub-subonderdeel stelt dat het hof onvoldoende kenbaar is ingegaan op de door het sub-subonderdeel aangehaalde stellingen en/of dat de vrouw deze onvoldoende kenbaar zou hebben betwist, kan het daarin niet worden gevolgd. Ik licht dit per stelling toe.
3.49
Wat betreft stelling (i) geldt dat het hof
nietheeft geoordeeld dat de vrouw eigenaar is geworden enkel omdat zij een betaling voor het goud heeft verricht. De vrouw heeft gesteld dat zij het goud met aangebracht privévermogen heeft gekocht dat krachtens de HV buiten de verrekening blijft. [82] Het hof heeft de vrouw hierin gevolgd door in rov. 5.6 te oordelen dat de vrouw heeft aangetoond dat zij het goud heeft gekocht met door haar aangebracht vermogen dat om die reden is uitgesloten van de verrekening.
3.5
Stelling (ii) is gemotiveerd door de vrouw betwist. [83] Daarnaast is ook deze stelling door het hof verworpen in rov. 5.6 waarin het heeft geoordeeld dat het juist vanwege het tijdsverloop tussen het aanschaffen van het goud en de door de man gedane betalingen de man niet volgt in zijn stelling dat hij het goud in mede-eigendom heeft verkregen. Daarbij heeft het hof ook waarde gehecht aan de gemotiveerde betwisting van de vrouw en het feit dat de man in hoger beroep geen nader bewijs heeft aangeboden van zijn stellingen.
3.51
Ook stellingen (iii) en (iv) zijn door de vrouw gemotiveerd betwist. [84] Hierbij merk ik ook op dat voor zover het sub-subonderdeel de nadruk legt op de uitlatingen van de vrouw aan haar fiscaal adviseur en dat daaruit zou blijken dat de vrouw heeft erkend dat zij het goud in mede-eigendom heeft verkregen met de man, het sub-subonderdeel feitelijke grondslag mist. In een mail van 31 augustus 2018, [85] dus nog voordat de man zijn inleidende verzoekschrift tot echtscheiding had ingediend, heeft de vrouw aan haar belastingadviseur het volgende geschreven over het opnemen van het goud in de belastingaangifte voor 2017 (onderstreping door mij,
A-G): “
Om de aangifte vandaag af te kunnen ronden stel ik voor dat we fysiek zilver en goud dat ik weet – zilveren munten (600 maple leaf) en goud (1kg baar goud) – wel opgeven met een 50/50 verdeling (fiscaal). (…)Bij de afrekening van onze huwelijkse voorwaarden zullen we dan nog kijken naar de juridisch correcte verdeling, welke anders kan zijn dan deze fiscale verdeling.” Uit deze mail kan dus niet worden afgeleid dat de vrouw heeft erkend dat zij het goud met de man in mede-eigendom heeft verkregen.
3.52
Volgens
sub-subonderdeel C.III.4is het oordeel van het hof in rov. 5.6 van de bestreden tussenbeschikking inhoudende dat de man in hoger beroep geen bewijs heeft aangeboden van het door hem gestelde onjuist en onbegrijpelijk gelet op, onder meer, het bewijsaanbod van de man in hoger beroep. [86]
3.53
Het bewijsaanbod in hoger beroep moet voldoende specifiek en ter zake dienend zijn. Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad is het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en op het stadium waarin de procedure verkeert. Daarbij geldt dat in hoger beroep van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mag worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre die getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. [87]
3.54
Het bewijsaanbod van de man in hoger beroep waar het sub-subonderdeel naar verwijst, luidde als volgt:
“De man biedt bewijs aan van al zijn stellingen met alle middelen rechtens in het bijzonder door het horen van [de notaris] , (de notaris die destijds de huwelijksvoorwaarden heeft opgesteld en gepasseerd) thans werkzaam bij [A] aan het [d-straat 1] te ( [postcode 4] ) [plaats 4] als getuige, alsmede de vader van de man, [de vader van de man] .”
3.55
Het bewijsaanbod is dus slechts in algemene bewoordingen geformuleerd en niet specifiek gericht op de stellingen van de man die betrekking hebben op de vraag of de goudstaaf in de verrekening moet worden betrokken. Ook het aanbod tot het horen van de notaris en de vader van de man, wijst hier niet op. [88] Gezien de maatstaf die geldt voor het bewijsaanbod in hoger beroep (zie randnummer 3.53 hiervoor) is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof in rov. 5.6 heeft geoordeeld dat de man in hoger beroep geen nader bewijs heeft aangeboden van het door hem gestelde ten aanzien van de vraag of de goudstaaf in de verrekening moet worden betrokken. Het sub-subonderdeel faalt daarom.
3.56
Sub-subonderdeel C.III.5bevat een veegklacht. Het slagen van één van de klachten van sub-subonderdelen C.III.1 tot en met 4 vitieert ook rov. 2.20, 2.21 en het dictum van de bestreden eindbeschikking.
3.57
Met het falen van sub-subonderdelen C.III.1 tot en met 4 valt ook het doek voor de veegklacht van sub-subonderdeel C.III.5.
Onderdeel D: overige klachten
3.58
Onderdeel D is gericht tegen rov. 2.15, 2.17, 2.21 en het dictum van de bestreden eindbeschikking en bestaat uit twee subonderdelen. Subonderdeel D.IV is gericht tegen het door het hof opgemaakte overzicht van het te verrekenen vermogen van de man en de wijze waarop het hof verschillende posten heeft berekend. Subonderdeel D.V bevat een veegklacht.
3.59
Subonderdeel D.IVvalt op zijn beurt uiteen in zes sub-subonderdelen. Het is gericht tegen de wijze waarop het hof het te verrekenen vermogen van de man heeft vastgesteld in rov. 2.21 van de bestreden eindbeschikking. [89] Het betreft klachten die zijn gericht tegen de wijze waarop het hof de bedragen heeft vastgesteld die zijn opgenomen in posten A, C, D en E van rov. 2.21 en tegen rov. 2.17 in samenhang met post J van rov. 2.21. [90]
Post A
3.6
Sub-subonderdeel D.IV.1is gericht tegen de wijze waarop het hof het te verrekenen saldo van post A van het overzicht uit rov. 2.21 heeft vastgesteld. In post A heeft het hof het aan de zijde van de man te verrekenen saldo voor de bankrekening met [rekeningnummer 4] (hierna: ‘bankrekening A’) vastgesteld op € 214,90 (€ 429,80 / 2). Dit is een bankrekening die de man samen met zijn vader heeft in verband met hun onroerend goed in [plaats 1] en die via bankrekening [rekeningnummer 9] met huurinkomsten wordt gevoed. Voor zover subonderdeel B.I faalt en die huurinkomsten inderdaad moeten worden meegenomen in de verrekening, heeft nog altijd te gelden dat de man slechts voor 30%, en niet voor 50%, gerechtigd is op het saldo op bankrekening A. Dit heeft het hof ook in rov. 2.14 overwogen. Het te verrekenen saldo van bankrekening A is daarmee 30% van € 429,80 (€ 128,94), waarna beide partijen recht hebben op de helft van dat bedrag (€ 64,47). [91]
3.61
Het sub-subonderdeel is voorgesteld onder de voorwaarde dat subonderdeel B.I faalt. Zoals blijkt uit randnummers 3.5-3.17 hiervoor is dat het geval zodat ik aan een bespreking van het sub-subonderdeel toekom. Volgens het sub-subonderdeel heeft het hof ten onrechte aan de zijde van de man het te verrekenen saldo voor bankrekening A vastgesteld op een te hoog bedrag en daarbij geen rekening gehouden met het feit dat de man slechts tot 30% gerechtigd is op het bedrag van die rekening en niet, zoals het hof heeft geoordeeld, tot 50%. Ter onderbouwing hiervan verwijst het sub-subonderdeel naar rov. 2.14 van de bestreden eindbeschikking. Het hof heeft hierin overwogen dat de man bankrekening A en de bankrekening met nummer [rekeningnummer 5] (post B uit het overzicht van rov. 2.21) (hierna: ‘bankrekening B’) samen met zijn vader heeft ten behoeve van hun onroerend goed in [plaats 1] . Het saldo op bankrekening A moet daarom, aldus het hof, voor de helft worden meegenomen in de verrekening en het saldo van bankrekening B voor 30% omdat de man slechts gerechtigd is tot 30% van die rekening. Ik merk op dat het sub-subonderdeel dus, in principe, niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat het hof in rov. 2.14 heeft overwogen dat de man slechts voor 30% gerechtigd is op bankrekening A. Dat geldt volgens het hof alleen voor bankrekening B. Het sub-subonderdeel verwijst vervolgens nog naar productie 14 van de man uit de eerste aanleg. Productie 14 bevat een overzicht van de af- en bijschrijvingen van bankrekening A in de periode van 25 mei 2017 tot en met 1 januari 2019. Hier kan ook niet direct uit worden afgeleid dat de man slechts tot 30% gerechtigd is op het saldo van deze rekening. Het enige dat hieruit duidelijk wordt, is dat bankrekening A de bankrekening is van de vereniging van eigenaren van de [a-straat 2] en 38 BS, zijnde het vastgoed dat de man samen met zijn vader in [plaats 1] bezit.
3.62
Hoewel dus uit de stukken die het sub-subonderdeel aandraagt niet direct is af te leiden dat de man inderdaad slechts tot 30% gerechtigd is op rekening A, volg ik wel de strekking van het sub-subonderdeel dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de man voor 50% gerechtigd is tot bankrekening A, terwijl dit 30% had moeten zijn. Het hof heeft immers wel voor ogen gehad dat de man het onroerend goed in [plaats 1] samen met zijn vader bezit. Dit blijkt uit de tweede zin van rov. 2.14: “
Daarbij merkt het hof op dat de posten A en B rekeningen zijn die de man samen met zijn vader heeft ten behoeve van onroerend goed in [plaats 1]”. Uit de processtukken in zowel eerste aanleg als in hoger beroep blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat de man slechts voor 30% eigenaar is van het onroerend goed in [plaats 1] dat hij met zijn vader bezit en dus slechts voor 30% gerechtigd is op de daarmee samenhangende bankrekeningen. [92] Het is dan onjuist dat het hof heeft vastgesteld dat de man tot 50% gerechtigd is op bankrekening A, terwijl het wel (correct) heeft vastgesteld dat de man tot 30% gerechtigd is op bankrekening B. Het sub-subonderdeel is dus terecht voorgesteld: het hof had in rov. 2.14 van de bestreden eindbeschikking moeten oordelen dat de man slechts gerechtigd was tot 30% van bankrekening A, waarna het in rov. 2.21 had moeten oordelen dat bankrekening A slechts voor een bedrag van € 128,94 ( € 429,80 x 0,3) in de verrekening moet worden betrokken.
Post C
3.63
Sub-subonderdeel D.IV.2bestrijdt de wijze waarop het hof het te verrekenen saldo van post C van rov. 2.21 heeft vastgesteld. In rov. 2.15 heeft het hof geoordeeld dat er van de spaarrekening die is gekoppeld aan de in post C opgenomen rekening ( [rekeningnummer 6] ) (hierna: ‘de gekoppelde spaarrekening’) geen overzicht van de peildatum voorhanden is, dat het op de weg van de man had gelegen om het saldo aan te tonen en nu de man dat heeft nagelaten, het door de vrouw gestelde saldo van € 22.885 moet worden verrekend. In post C van rov. 2.21 van de bestreden eindbeschikking doet het hof dit ook. Dit oordeel is onbegrijpelijk in het licht van de stelling van de man [93] dat er op de peildatum een verrekenbaar saldo was van € 2.428 + € 432, [94] alsmede in het licht van de brief van de man van 2 september 2021 aan het hof waarin als toelichting bij productie H.13 wordt aangegeven dat in 2016 een bedrag van € 21.950 is overgemaakt naar rekening [rekeningnummer 6] en op de gekoppelde spaarrekening is gezet, terwijl dit bedrag in 2018 in tranches is teruggeboekt naar [rekeningnummer 7] en is gebruikt voor aflossingen op de hypotheek bij de Westland Utrecht Hypotheekbank voor onroerend goed in [plaats 2] . [95] De man heeft aldus gesteld dat gedurende 2018 € 21.950 in tranches is teruggeboekt naar de andere ING [rekeningnummer 7] en dat op de peildatum € 439,69 resteerde op de gekoppelde spaarrekening. Indien productie H.14 waar het hof in rov. 2.15 naar heeft verwezen, wordt bekeken dan volgt daaruit dat het door de vrouw gestelde bedrag van € 22.885 in de buurt komt van het beginsaldo van die rekening op 1 januari 2018 (€ 26.935,06). Het is, aldus het sub-subonderdeel, in het licht van de stellingen van de man rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, gelet op het bepaalde in art. 149 Rv Pro – nu immers het door de vrouw op de peildatum gestelde saldo door de man gemotiveerd is betwist – dat het hof desalniettemin is uitgegaan van € 22.885 op de peildatum. [96] Althans is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd.
3.64
Volgens het sub-subonderdeel heeft het hof in rov. 2.15 ten onrechte de vrouw gevolgd in haar stelling dat het saldo van de gekoppelde spaarrekening op de peildatum € 22.885 bedroeg. De man zou dit voldoende gemotiveerd hebben betwist. Het sub-subonderdeel verwijst hiervoor naar verschillende processtukken en producties waar dit uit zou blijken. Ik loop deze hierna langs en licht daarbij toe waarom hieruit niet het saldo ten tijde van de peildatum kan worden opgemaakt:
- in randnummer 13., onder c., van de pleitnota van de advocaat van de man voor de mondelinge behandeling in het hoger beroep van 16 september 2021 wordt een verrekenbaar saldo van € 439 genoemd voor de gekoppelde spaarrekening en verwezen naar productie 17 van de man in eerste aanleg en productie H.14 van de man in het hoger beroep. Dit is dus geen stuk dat het door de man gestelde saldo van de gekoppelde spaarrekening op de peildatum onderbouwt;
- productie 17 van de man in eerste aanleg bevat een afschrift van de betaalrekening die is gekoppeld aan de gekoppelde spaarrekening en een (slecht leesbaar) screenshot van een spaarrekening met een saldo van € 439,69. Uit dit screenshot blijkt echter niet welke spaarrekening het betreft en van welke datum het saldo is. Uit deze productie kan dus niet het door de man gestelde saldo van de gekoppelde spaarrekening op de peildatum worden afgeleid;
- productie H.14 van de man in hoger beroep bevat een jaaroverzicht van alle rekeningen die hij bij ING hield. Hierin is wel de gekoppelde spaarrekening opgenomen maar het overzicht bevat slechts de saldi van de opgenomen rekeningen per 1 januari 2018 en per 31 december 2018. Ook uit deze productie kan dus niet worden opgemaakt wat het saldo op de peildatum is van de gekoppelde spaarrekening;
- ten slotte verwijst de man nog naar zijn productie H.13 in hoger beroep en de toelichting die hij daarbij heeft gegeven. Productie H.13 bevat slechts een overzicht van bij- en afschriften van betaalrekening [rekeningnummer 7] . Hieruit is wel op te maken dat in 2018 geld is overgemaakt van de betaalrekening die is gekoppeld aan de gekoppelde spaarrekening naar betaalrekening [rekeningnummer 7] , maar niet wat het saldo van de gekoppelde spaarrekening was op de peildatum.
3.65
Op basis van het voorgaande concludeer ik dat het niet onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 2.15 heeft geoordeeld dat van het saldo op de peildatum geen stukken voorhanden zijn en dat het op de weg van de man had gelegen dat aan te tonen en dat, nu hij dat heeft nagelaten, het door de vrouw gestelde saldo (€ 22.885) in de verrekening moet worden betrokken. Het sub-subonderdeel moet dan ook falen.
3.66
Vervolgens heeft het hof in post C van rov. 2.21, aldus
sub-subonderdeel D.IV.3, verzuimd het – krachtens de HV hoe dan ook buiten de verrekening te laten – aangebrachte saldo op die betaalrekening met de gekoppelde spaarrekening (€ 4.050 en € 4.550) van bij elkaar € 8.600 als aangebracht vermogen in mindering te brengen op het te verrekenen saldo. [97] Indien immers niet die gehele bankrekening buiten de finale verrekening blijft (zie subonderdeel B.I), dient het op de peildatum te verrekenen saldo in elk geval te worden verminderd met het saldo op de staat van aanbrengsten. [98]
3.67
Dit sub-subonderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft wel degelijk het aangebrachte saldo van de man in mindering gebracht. Het hof heeft in rov. 2.15 geoordeeld dat zowel de betaalrekening als de spaarrekening met nummer [rekeningnummer 6] in het te verrekenen vermogen vallen. Het saldo op de betaalrekening bedroeg op de peildatum € 2.428. Het aangebrachte vermogen op deze rekening bedroeg volgens de lijst van privé-goederen van de HV € 4.550, waardoor er in totaal voor de betaalrekening € 0 in het te verrekenen vermogen van de man moet worden opgenomen. Voor de gekoppelde spaarrekening heeft het hof het door de vrouw gestelde bedrag van € 22.885 opgenomen als te verrekenen vermogen van de man. [99] Het sub-subonderdeel miskent dat de vrouw bij haar onderbouwing van het te verrekenen bedrag van € 22.885 reeds het door de man aangebrachte vermogen van € 4.050 in mindering heeft gebracht. [100] Het voorgaande betekent dat het hof dus terecht een bedrag van € 22.885 in aanmerking heeft genomen als het te verrekenen bedrag voor de betaal- en spaarrekening die zijn opgenomen onder post C.
Post D
3.68
Sub-subonderdeel D.IV.4is gericht tegen de wijze waarop het hof het te verrekenen saldo van post D van rov. 2.21 heeft vastgesteld. Volgens het hof is het te verrekenen saldo op de betaalrekening met nummer [rekeningnummer 7] aan de zijde van de man € 1.848. Het hof heeft echter miskend dat het aangebrachte saldo op die rekening met de daaraan gekoppelde internetspaarrekening € 5.875 was, zodat er geen te verrekenen saldo voor deze rekening bestond. [101]
3.69
Ten aanzien van post D ( [rekeningnummer 7] ) is het hof in rov. 2.15 uitgegaan van een te verrekenen saldo op de peildatum van € 1.848. Uit de lijst van privé-goederen van de HV blijkt dat aan de betaalrekening met nummer [rekeningnummer 7] ook een spaarrekening is gekoppeld. Het aangebracht vermogen op de betaalrekening bedroeg € 3.050 en op de spaarrekening € 2.825. Het saldo op de betaalrekening bedroeg volgens de man op de peildatum € 4.898. [102] Dit is niet betwist door de vrouw. [103] Ten aanzien van de betaalrekening komt dus € 4.898 -/- € 3.050 = € 1.848 in aanmerking voor verrekening. Wat betreft de aan de betaalrekening gekoppelde spaarrekening, heeft de man, hoewel hij daartoe door de rechtbank was veroordeeld, [104] geen inzage gegeven in het saldo van deze spaarrekening ten tijde van het peilmoment. [105] Hierdoor is het saldo van deze spaarrekening niet komen vast te staan. Dit betekent echter niet, en daar lijkt het sub-subonderdeel wel van uit te gaan, dat het aangebrachte vermogen van de spaarrekening in mindering kan worden gebracht op het te verrekenen vermogen van de betaalrekening. Dat blijft beperkt tot de spaarrekening. De klaagt faalt dus en het hof heeft terecht het te verrekenen vermogen van (de betaalrekening van) post D ( [rekeningnummer 7] ) vastgesteld op € 1.848 en niet miskend dat het aangebrachte saldo op die rekening met de daaraan gekoppelde internetspaarrekening € 5.875 was.
Post E
3.7
Het hof heeft in rov. 2.15 geoordeeld dat de man wel een stroomschema heeft overgelegd als productie H.16 ter onderbouwing van de bankrekening die is opgenomen bij post E (Traders Only, [rekeningnummer 8] ), maar dat die niet is onderbouwd met bankafschriften. Dit oordeel is volgens
sub-subonderdeel D.IV.5onjuist en onbegrijpelijk nu het hof heeft miskend dat onderaan dat stroomschema een toelichting staat met verwijzingen naar de onderliggende bankafschriften, die als producties zijn overgelegd. [106] De consequentie hiervan is dat het hof bij het vaststellen van de aan de zijde van de man te verrekenen banksaldi geen rekening gehouden heeft met de aangebrachte banksaldi van de man van in totaal € 59.725 terwijl dat bij de vrouw wel is gebeurd. Het gaat bij de te verrekenen banksaldi, zoals het hof in rov. 2.6 heeft overwogen, om de verdeling van de aanwas van de banksaldi tijdens het huwelijk (dus exclusief aangebrachte saldi, onroerend goed, erfenissen en schenkingen). In het geval van de man bedroeg zijn aangebrachte banksaldo in totaal € 59.725 + p.m. voor de banksaldi met zijn vader plus de verkoopopbrengst van € 15.617,75 van het onroerend goed in [plaats 3] . [107] Dat aangebrachte banksaldo was op de peildatum aanwezig maar is in de loop der jaren overgeboekt naar en verspreid over andere bankrekeningen. Bij de vrouw is haar aangebrachte saldo minus het aankoopbedrag voor het goud ook op het door haar te verrekenen saldo in mindering gebracht.
3.71
Het sub-subonderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat de man met productie H.16 wel degelijk een stroomschema met bijbehorende bankafschriften heeft overgelegd waaruit zou blijken dat de bankrekening die is opgenomen bij post E is gevoed met aangebracht vermogen waardoor het hof het te verrekenen vermogen van de man in mindering had moeten brengen. De klacht faalt omdat uit het partijdebat en de wijze waarop de rechtbank en het hof het overgelegde stroomschema hebben beoordeeld, blijkt dat de man nog steeds niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de bankrekening die is opgenomen bij post E buiten de verrekening zou moeten blijven omdat deze zou bestaan uit aangebracht vermogen.
3.72
Productie H.16 is een nadere uitwerking van het overzicht dat de man eerder in eerste aanleg heeft aangevoerd om de geldstromen van de saldi die in de HV waren uitgesloten inzichtelijk te maken. [108] Over dit schema heeft de rechtbank geoordeeld dat de overschrijvingen van uitgesloten rekeningen naar andere rekeningen telkens uit verschillende tussenstappen via verschillende rekeningen, verspreid over de tijd, bestaan. Op basis daarvan kon de rechtbank niet vaststellen dat de uiteindelijke bijschrijvingen op de betreffende Traders Only-rekening het saldo betreft van de uitgesloten rekening. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat het saldo op de Traders Only-rekening moest worden betrokken in de verrekening. [109] Als gezegd, heeft de man in hoger beroep met productie H.16 dus zijn eerdere overzicht uitgebreid en daarbij heeft hij de geldstromen naar de Traders Only-rekening toegelicht en verwezen naar eerder in eerste aanleg overgelegde bankafschriften. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat het schema zou verduidelijken dat er geen sprake is van verrekenbaar vermogen. Het schema was volgens haar nog steeds onnavolgbaar. Ik meen dat de overweging van het hof in rov. 2.15, dat de man met productie H.16 wel een stroomschema heeft overgelegd van de overboekingen maar dat verder niet heeft onderbouwd met bankafschriften, in het licht van het voorgaande moet worden gelezen. Het stroomschema maakt immers nog steeds niet op een heldere wijze inzichtelijk dat het saldo dat ten tijde van het peilmoment op de Traders Only-rekening stond, zou bestaan uit aangebracht vermogen en daarmee is uitgesloten van de verrekening. De klacht faalt dan ook.
Post J en rov. 2.17
3.73
Volgens
sub-subonderdeel D.IV.6is het oordeel van het hof in rov. 2.17 van de bestreden eindbeschikking contrair met hetgeen in post J van rov. 2.21 is opgenomen. In rov. 2.17 heeft het hof overwogen dat de zilveren munten, die de man uit huurinkomsten heeft aangeschaft, buiten de verrekening vallen. Die overwegingen volgend, dienen het zilver en het goud dat fysiek aangehouden wordt bij Gold Republic (post J) ook buiten de verrekening te blijven. [110] Kennelijk heeft het hof dat miskend, omdat het in verrekening brengen van Gold Republic voor € 10.598 in post J contrair gaat aan de eerdere overweging in rov 2.17.
3.74
Het sub-subonderdeel stelt terecht dat het oordeel van het hof in rov. 2.17 tegenstrijdig is met het te verrekenen bedrag dat het hof heeft vastgesteld met post J in rov. 2.21. Het sub-subonderdeel lijkt echter geen oog te hebben voor het feit dat rov. 2.17 eveneens tegenstrijdig is met het eerdere oordeel van het hof dat de huuropbrengsten van het aangebrachte vastgoed in de verrekening moeten worden betrokken (rov. 2.4 tot en met 2.11). Zoals blijkt uit de bespreking van onderdeel B, [111] blijft dit oordeel in cassatie wat mij betreft in stand. Indien het sub-subonderdeel dus zou worden gevolgd dan blijft de tegenstrijdigheid bestaan tussen rov. 2.17 en het oordeel van het hof dat de huuropbrengsten in de verrekening betrokken moeten worden. Anders dan het sub-subonderdeel betoogt, moet post J van rov. 2.21 niet in overeenstemming worden gebracht met rov. 2.17, maar dient rov. 2.17 zelf te worden aangepast om de geconstateerde tegenstrijdigheid op te heffen. Ik kom hier op terug bij mijn bespreking van onderdeel 1 van het incidenteel cassatieberoep. [112] Het sub-subonderdeel faalt dus.
3.75
Subonderdeel D.Vbevat een veegklacht. Het slagen van een of meer klachten vitieert rov. 2.21 tot en met 4.7 van de bestreden eindbeschikking.
3.76
Nu sub-subonderdeel D.IV.1 doel treft, slaagt ook de veegklacht van subonderdeel D.V, zij het slechts voor zover zij betrekking heeft op rov. 2.21 tot en met 2.23 en op rov. 4.2 (de rechtsoverwegingen die betrekking hebben op het te verrekenen bedrag en op hetgeen de man nog aan de vrouw moet betalen).

4.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidenteel beroep

4.1
Het incidenteel cassatieberoep van de vrouw bevat een onvoorwaardelijk en een voorwaardelijk onderdeel.
4.2
Onderdeel 1is onvoorwaardelijk geformuleerd en is gericht tegen rov. 2.17 van de bestreden eindbeschikking waarin het hof heeft geoordeeld dat, gelet op hetgeen het over de huurinkomsten heeft overwogen, de waarde van de zilveren Maple Leaf munten (€ 9.435 op de peildatum) buiten de verrekening valt omdat de munten zijn aangeschaft met huuropbrengsten. Volgens het onderdeel is dit oordeel onjuist in het licht van, althans onbegrijpelijk want innerlijk tegenstrijdig met, rov. 2.11 en 2.14 van de bestreden beschikking. In rov. 2.11 heeft het hof geoordeeld dat de man er niet in is geslaagd om te bewijzen dat de huurinkomsten van de buiten de verrekening blijvende onroerende zaken ook buiten de verrekening dienen te blijven. Die huurinkomsten vallen dus wel onder het te verrekenen vermogen van de man. Daaraan verbindt het hof in rov. 2.14 de conclusie dat de aldaar genoemde rekeningen A, B, F en J, die gevormd zijn uit die huurinkomsten, in het te verrekenen vermogen vallen. In rov. 2.17 stelt het hof vast dat de munten zijn aangeschaft met huuropbrengsten. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en staat vast in cassatie. [113] De conclusie die het hof daaraan vervolgens heeft verbonden, namelijk dat de waarde van die munten buiten de verrekening valt, is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk in het licht van rov. 2.11 en 2.14. De enige mogelijke conclusie is immers dat de waarde van de munten wel onder het te verrekenen vermogen valt nu de huurinkomsten waarmee die munten zijn aangeschaft onder dat te verrekenen vermogen vallen. Als Uw Raad het onderdeel volgt, dan kan Uw Raad, zo meent de vrouw, de zaak op dit punt zelf afdoen. Gegrondverklaring van dit onderdeel resulteert in de conclusie dat grief 7 van de man alsnog faalt en de beschikking van de rechtbank op dit punt kan worden bekrachtigd. Het vitieert ook rov. 2.21 waar het hof een overzicht van het te verrekenen vermogen heeft gegeven. Aan de zijde van de man dient daarbij de post munten van € 9.435 te worden toegevoegd, zodat het te verrekenen vermogen aan zijn zijde met dit bedrag wordt verhoogd. Het vitieert ook rov. 2.23 waar het hof de onderlinge verrekenvordering heeft vastgesteld, alsmede rov. 4.2 van het dictum waarin ditzelfde bedrag is opgenomen.
4.3
Zoals ik reeds heb toegelicht bij de bespreking van sub-subonderdeel D.IV.6 in het principaal cassatieberoep, [114] is rov. 2.17 van de eindbeschikking inderdaad tegenstrijdig met het eerdere oordeel van het hof dat de huurinkomsten tot het te verrekenen vermogen behoren. Het onderdeel is dan ook terecht voorgesteld. Omdat het hof reeds had geoordeeld dat de huurinkomsten tot het te verrekenen vermogen behoren en in cassatie vaststaat dat de zilveren Maple Leaf munten zijn aangeschaft met huurinkomsten, had het hof vervolgens ook de waarde van de zilveren Maple Leaf munten (€ 9.435 op de peildatum) tot het te verrekenen vermogen van de man moeten rekenen.
4.4
Onderdeel 2is voorgesteld onder de voorwaarde dat één of meerdere klachten in het principaal cassatieberoep slagen. Nu wat mij betreft sub-subonderdelen D.IV.1 en D.V van het principaal cassatieberoep doel treffen, is de voorwaarde waaronder het incidenteel cassatieberoep is ingesteld vervuld, zodat aan een beoordeling daarvan wordt toegekomen.
4.5
Volgens het onderdeel heeft het hof in rov. 2.18 van de bestreden eindbeschikking het toetsingskader van Uw Raad uit de uitspraak van 7 oktober 2022, [115] dat het zo nodig ambtshalve op grond van art. 25 Rv Pro had moeten toepassen, miskend en de stelling van de vrouw [116] langs een te beperkte grondslag beoordeeld, namelijk alleen de letterlijke tekst van artikel 6 HV Pro. Althans, dit oordeel is onbegrijpelijk in het licht van (a) artikel 14 HV Pro waarin is opgenomen dat in het geval van echtscheiding wordt verrekend “
alsof de echtgenoten gehuwd waren in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen” en (b) de stelling van de vrouw waar zij heeft aangegeven wat de bedoeling van partijen is geweest in de HV met betrekking tot het doen ontstaan van vergoedingsrechten. [117] Volgens het onderdeel had het hof – indachtig het door Uw Raad geformuleerde toetsingskader – moeten responderen op de stellingen van de vrouw ten aanzien van de bedoeling van partijen als het gaat om de vraag of zij beoogd hebben om vergoedingsrechten te doen ontstaan. In het licht van dat toetsingskader dienen die stellingen immers als essentieel gekwalificeerd te worden. Gegrondverklaring van dit onderdeel vitieert ook rov. 2.21, rov. 2.23 en rov. 4.2. van het dictum.
4.6
De vrouw stelt met onderdeel 2 in de kern dat het hof in rov. 2.18 het “
toetsingskader” van Uw Raad uit het arrest van 7 oktober 2022 [118] heeft miskend. In dit arrest heeft Uw Raad het volgende geoordeeld over de verhouding tussen een finaal verrekenbeding en het ontstaan van vergoedingsrechten tussen echtgenoten bij een echtscheiding:
“3.2.2 Finale verrekenbedingen bevatten veelal de bepaling dat aan het einde van het huwelijk wordt afgerekend alsof gemeenschap van goederen heeft bestaan. [119] Door een zodanig finaal verrekenbeding (hierna ook: ‘alsof’-beding) overeen te komen, zoeken de echtgenoten kennelijk aansluiting bij regels voor de wettelijke gemeenschap van goederen in titel 7 van Boek 1 BW. De vraag kan rijzen of de echtgenoten daarbij slechts het oog hebben op de regels over de omvang van de wettelijke gemeenschap (in het bijzonder art. 1:94 BW Pro), dan wel of zij mede beogen de mogelijkheid van het ontstaan van vergoedingsrechten als bedoeld in (thans) art. 1:95 lid 2 BW Pro en art. 1:96 lid 4 BW Pro in het leven te roepen. Wat art. 1:96 lid 4 BW Pro betreft, zou het dan gaan om een vergoedingsrecht in verband met het voldoen van een schuld van de ‘pseudo-gemeenschap’ ten laste van niet tot die pseudo-gemeenschap behorende eigen goederen van een echtgenoot.
3.2.3
De hiervoor in 3.2.2 genoemde vraag kan niet in algemene zin worden beantwoord. Of partijen met een ‘alsof’-beding niet slechts een methode van verrekening naar analogie van de gemeenschap van goederen zijn overeengekomen maar ook de mogelijkheid van vergoedingsrechten alsof tijdens het huwelijk gemeenschap van goederen heeft bestaan, is een kwestie van uitleg van de huwelijkse voorwaarden. Bij die aan de feitenrechter voorbehouden uitleg kan, tegen de achtergrond van hetgeen voortvloeit uit de hiervoor in 3.2.1 genoemde wettelijke regels, bijvoorbeeld van belang zijn wat partijen eventueel nader met betrekking tot de berekening van de verrekenvordering zijn overeengekomen en of zij naast het ‘alsof’-beding reeds regelingen hebben getroffen voor het ontstaan van vergoedingsrechten, zoals ter zake van de kosten van de huishouding.”
4.7
Het hof heeft in rov. 2.18, samengevat, geoordeeld dat de hypotheekaflossingen die de man heeft gedaan gedurende het huwelijk met betrekking tot panden die (deels) van hem zijn niet in aanmerking komen voor verrekening (grief 9 van de man). Volgens het hof betroffen de hypotheekaflossingen geen onttrekking aan het vermogen van de vrouw, waardoor artikel 6 HV Pro hierop niet van toepassing is, en mocht de man gedurende het huwelijk vrijelijk over zijn eigen vermogen beschikking. Voor een correctie omdat deze uitkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, heeft de vrouw, aldus het hof, onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd. [120]
4.8
Ik meen dat het onderdeel moet falen omdat het miskent dat de vrouw slechts in beperkte mate een beroep heeft gedaan op de grondslag voor het ontstaan van een vergoedingsplicht voor de hypotheekaflossingen en voor zover de vrouw hier iets over heeft gesteld, het hof hier voldoende kenbaar op is ingegaan. Ik licht dit als volgt toe.
4.9
Om vast te stellen of partijen met een finaal verrekenbeding dat is gevormd als een alsof-beding hebben bedoeld om ook de wettelijke regeling van het ontstaan van vergoedingsrechten overeen te komen, moet de rechter de huwelijkse voorwaarden uitleggen. [121] Zoals is uiteengezet in randnummer 3.6 geschiedt de uitleg van huwelijkse voorwaarden aan de hand van de
Haviltex-maatstaf. Op grond van art. 150 Rv Pro draagt de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van een bepaalde uitleg van (een bepaling van) een overeenkomst, bij voldoende betwisting, de bewijslast (en het bewijsrisico) van de feiten en omstandigheden die deze uitleg ondersteunen. [122] Daarbij moet zij ook aangeven in welke zin deze feiten en/of omstandigheden van belang zijn voor de bepleite uitleg van (een bepaling van) de overeenkomst. [123]
4.1
Welke grondslag heeft de vrouw aangevoerd voor haar vergoedingsrecht op de man? Primair heeft zij gesteld een vergoedingsrecht te hebben op grond van artikel 6 HV Pro omdat de man gelden die hij met de vrouw had moeten verrekenen (waardoor min of meer sprake is van voorwaardelijk vermogen van de vrouw) heeft aangewend ten behoeve van zijn eigen, privévermogen. Subsidiair heeft de vrouw gesteld dat onverkorte toepassing van de peildatum voor de finale verrekening in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en deze (onverkorte) toepassing van de peildatum moet worden gecorrigeerd omdat de man zichzelf, ten koste van de vrouw, heeft verrijkt. Hij heeft immers privéschulden met overgespaard inkomen van partijen afgelost. [124] Zowel de primaire als de subsidiaire grondslag zijn door het hof in rov. 2.18 besproken en verworpen. Andere omstandigheden waar de door de vrouw gestelde bedoeling, dat partijen zijn overeengekomen om vergoedingsrechten te doen ontstaan naast het finale verrekenbeding, uit blijkt, heeft zij niet gesteld (stelling (b) in randnummer 4.5 hiervoor).
4.11
Voor zover het onderdeel betoogt dat het hof de tekst van artikel 14 HV Pro (stelling (a) in randnummer 4.5 hiervoor) in zijn beoordeling had moeten betrekken, mist het feitelijke grondslag omdat het onderdeel er ten onrechte van uitgaat dat de vrouw daar in feitelijke instanties een beroep op heeft gedaan. [125]
4.12
Uit het voorgaande volgt dat het onderdeel niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat het hof het toetsingskader van Uw Raad uit de uitspraak van 7 oktober 2022 [126] heeft miskend of de stelling van de vrouw langs een te beperkte grondslag heeft beoordeeld, noch dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Het onderdeel moet dus falen.

5.Slotsom en afdoeningswijze

5.1
De slotsom is dat het principale cassatieberoep voor zover dat betrekking heeft op de bestreden eindbeschikking op twee (sub-)subonderdelen slaagt (sub-subonderdeel D.IV.1 en subonderdeel D.V), dat het incidentele cassatieberoep met één onderdeel (onderdeel 1) doel treft en dat het principale en het incidentele cassatieberoep voor het overige falen.
5.2
Ik meen dat verwijzing niet nodig is en dat Uw Raad op de voet van art. 429 lid 2 Rv Pro in verbinding met art. 420 Rv Pro de zaak als volgt zelf kan afdoen:
- rov. 2.14 van de bestreden eindbeschikking moet worden aangepast in die zin dat het saldo van bankrekening A voor 30% moet worden meegenomen in de finale verrekening (€ 128,94 op de peildatum);
- rov. 2.17 van de bestreden eindbeschikking moet worden aangepast in die zin dat de waarde van de munten (€ 9.435 op de peildatum) wel in de verrekening moet worden betrokken en behoort tot het te verrekenen vermogen van de man, waardoor grief 7 van de man alsnog faalt;
- het totaal te verrekenen vermogen van de man moet worden vastgesteld op € 175.042,33 (€ 165.693,29 -/- € 85,96 [127] + € 9.435) (rov. 2.21 van de bestreden eindbeschikking);
- het totale vermogen van partijen moet vervolgens worden vastgesteld op € 323.339,26 (€ 175.042,33 + € 148.296,93), zodat beide partijen recht hebben op € 161.669,63 (€ 323.339,26 / 2) (rov. 2.23 van de bestreden eindbeschikking);
- de man is dan een bedrag van € 13.372,70 (€ 175.042,33 -/- € 161.669,63) aan de vrouw verschuldigd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening (rov. 2.23 en 4.2 van het dictum van de bestreden eindbeschikking).

6.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep voor zover het is gericht tegen de bestreden tussenbeschikking, tot vernietiging van de bestreden eindbeschikking in het principale en in het incidentele cassatieberoep en, in verband met dit laatste, tot een afdoening overeenkomstig randnummer 5.2 hiervoor.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De feiten zijn, met redactionele aanpassingen, ontleend aan hof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1866, rov. 3.1-3.2.
2.Productie 2 bij het inleidende verzoekschrift van de man.
3.Rb. Midden-Nederland 15 mei 2020, zaaknummers C/16/469751 / FA RK 18-6215 en C/16/475453 /FA RK 19-868 (niet gepubliceerd).
4.Het betreft, samengevat, de volgende onderwerpen: de hoofdverblijfplaats van de kinderen (rov. 3.3.), de zorg- en informatieregeling ten aanzien van de kinderen (rov. 3.4.-3.10.), het door de man te betalen bedrag aan kinderalimentatie (rov. 3.11.-3.29.), wie recht heeft op het gebruik van de echtelijke woning (rov. 3.30.-3.32.), verzoeken ten aanzien van overlegging van stukken (rov. 3.33.-3.34.) en de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen, bestaande uit de echtelijke woning en de daaraan verbonden bankspaarrekening (rov. 3.37.-3.40.), gemeenschappelijke banksaldi (rov. 3.41.), zilveren Maple Leaf munten (rov. 3.42.) en een goudstaaf (rov. 3.45.). De rechtbank heeft haar beslissing over de verdeling van de inboedel en te ontvangen of te dragen inkomstenbelasting aangehouden (rov. 3.43.-3.44. en rov. 3.46.).
5.Enkele panden heeft de man samen met zijn vader in eigendom.
6.Rb. Midden-Nederland 18 december 2020, zaaknummers C/16/469751 / FA RK 18-6215 en C/16/475453 /FA RK 19-868 (niet gepubliceerd).
7.Het betreft de volgende onderwerpen: de verdeling van de echtelijke woning (rov. 3.1.), de gemeenschappelijke banksaldi (rov. 3.2.), de goudstaaf (rov. 3.3.), de inboedel etc. (rov. 3.4.), afgifte van documenten (rov. 3.5.), vordering van de vrouw voor betaling van gebruikers- en eigenaarslasten en een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking (rov. 3.6.), te ontvangen of af te dragen inkomstenbelasting (rov. 3.7.) en de verdeling van (de opbrengst van) verschillende (zilveren) munten (rov. 3.8.-3.10.).
8.Uit het procesdossier blijkt niet dat de rechtbank een tussenbeschikking heeft gewezen op 15 november 2020. De rechtbank zal hier dan ook bedoelen: de tussenbeschikking van 15 mei 2020.
9.Zie de opsomming van de bankrekeningen en saldi zoals opgenomen in Rb. Midden-Nederland 18 december 2020, zaaknummers C/16/469751 / FA RK 18-6215 en C/16/475453 /FA RK 19-868 (niet gepubliceerd), rov. 3.16. Het bedrag dat nog moet worden opgeteld, is door de rechtbank aangeduid met “
10.P. 18-19 van het hoger beroepschrift van de man.
11.P. 32-33 van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw.
12.Hof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1866.
13.Het lijkt er op dat het hof zich hier op dezelfde manier als de rechtbank heeft verschreven. In rov. 3.45. van de echtscheidingsbeschikking had de rechtbank overwogen dat de door de man gestelde overboekingen in januari en december 2019 hadden plaatsgevonden. In haar eindbeschikking van 18 december 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat hier sprake was van een kennelijke verschrijving. Waar in rov. 3.45. stond ‘december 2019’ diende, gelet op productie 10 van de man, te staan ‘december 2009’. Zie ook randnummers 2.3 en 2.8 hiervoor.
14.Het betrof, samengevat, de volgende onderwerpen: de waarde van de eenmanszaak van de man in de verrekening (rov. 5.18-5.23), het te verrekenen vermogen van de vrouw (rov. 5.24-5.29) en de aanslagen en restituties van de inkomstenbelasting (rov. 5.30-5.32).
15.Zie randnummer 2.19 hiervoor.
16.Zie ook hof Arnhem-Leeuwarden 22 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6040, rov. 2.3.
17.Hof Arnhem-Leeuwarden 22 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6040.
18.Het hof heeft met zijn nummering van de posten in zijn eindbeschikking gebruik gemaakt van dezelfde nummering die de rechtbank heeft gebruikt in haar eindbeschikking van 18 december 2020. Het enige verschil is dat het hof hoofdletters heeft gebruikt en de rechtbank kleine letters. Zie voor de opsomming van de rechtbank Rb. Midden-Nederland 18 december 2020, zaaknummers C/16/469751 / FA RK 18-6215 en C/16/475453 /FA RK 19-868 (niet gepubliceerd), rov. 3.15. Zie voor de definitieve opsomming van het hof randnummer 2.37 hierna.
19.Dezelfde klachten heeft de man in het principaal cassatieberoep aangevoerd in subonderdeel D.IV. Zie hierover randnummers 3.58-3.74 hierna.
20.Hof Arnhem-Leeuwarden 14 september 2023, zaaknr. 200.291.902 (niet gepubliceerd).
21.Onderdeel A is getiteld “
22.De procesinleiding (p. 3-4) verwijst hierbij naar randnummers 47., 56.-57. en 69. (waarin de vrouw een zelfstandig verzoek baseert op de letterlijke lezing van artikel 14 HV Pro en daarom aanspraak maakt op vermogensbestanddelen van de man) en het petitum van het verweerschrift echtscheiding tevens zelfstandige verzoeken van de vrouw. Zie verder ook randnummers 46. tot en met 49. en randnummers 50. tot en met 60. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019 (met een verwijzing naar de legal opinion van mr. B. Breederveld die is overgelegd als productie 13 bij dit verweerschrift). Zie verder ook de echtscheidingsbeschikking, rov. 3.48. en 3.50. tot en met 3.57., waarbij de man specifiek verwijst naar rov. 3.51.: “
23.De procesinleiding (p. 4) verwijst hierbij naar de echtscheidingsbeschikking, rov. 3.54. tot en met 3.56. Ook wordt verwezen naar randnummer 6. van de pleitnota van de man in hoger beroep waarin de man heeft gesteld dat op de vrouw de bewijslast rust van het door haar ingeroepen rechtsgevolg.
24.De procesinleiding (p. 4) verwijst hierbij naar randnummer 25. van het hoger beroepschrift van de man.
25.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158,
26.H.N. Schelhaas & W.L. Valk,
27.R.P.J.L. Tjittes,
28.H.N. Schelhaas & W.L. Valk,
29.T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Bewijs van de (inhoud van de) overeenkomst’,
30.L.H.M. Zonnenberg,
31.Randnummers 22.-27. van het verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen van de man.
32.Randnummer 31. van het verweerschrift echtscheiding tevens zelfstandige verzoeken van de vrouw.
33.De man heeft in zijn reactie op het verweerschrift van de vrouw de door hem bepleite uitleg van artikel 14 HV Pro nader onderbouwd met een advies van mr. Breederveld (randnummers 45.-46. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019. Het advies is als productie 13 overgelegd bij deze reactie). De vrouw heeft dit standpunt van de man (wederom) gemotiveerd betwist en brieven van prof.mr. Reinhartz en mr.dr. Zonnenberg overgelegd (productie 33 bij de brief van de vrouw aan de rechtbank van 11 februari 2020 en productie 41 bij de brief van de vrouw aan de rechtbank van 19 februari 2020).
34.Rb. Midden-Nederland 15 mei 2020, zaaknummers C/16/469751 / FA RK 18-6215 en C/16/475453 /FA RK 19-868 (niet gepubliceerd), rov. 3.50.-3.56. Zie ook randnummer 2.5 hiervoor.
35.Rb. Midden-Nederland 18 december 2020, zaaknummers C/16/469751 / FA RK 18-6215 en C/16/475453 /FA RK 19-868 (niet gepubliceerd), rov. 3.11.-3.12. Zie ook randnummer 2.10 hiervoor.
36.Randnummers 25.-36. van het hoger beroepschrift van de man.
37.Randnummers 25.-35. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoeken voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.
38.Zie ook randnummer 2.21 hiervoor.
40.De procesinleiding (p. 4) verwijst hierbij naar de bestreden eindbeschikking, rov. 2.4-2.5.
41.De procesinleiding (p. 6) verwijst hierbij naar subonderdeel B.I waarin de man heeft gesteld dat de bewijslast bij de vrouw ligt.
42.De procesinleiding (p. 6) verwijst hierbij naar randnummer 32. van het hoger beroepschrift van de man. De procesinleiding voegt hier later (p. 9) aan toe dat wat in de brief van 4 juni 2007 als opdrachtbevestiging is opgenomen, in de akte daags daarna zo is uitgevoerd. Hetgeen de man uit die brief heeft mogen begrijpen, wordt volgens het sub-subonderdeel ook door de notaris als getuige gedurende het getuigenverhoor onderschreven. De procesinleiding verwijst hierbij (p. 9) naar p. 6 (laatste woordblok) van het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 30 augustus 2022.
43.De procesinleiding (p. 6) verwijst hierbij naar randnummer 27. van het hoger beroepschrift van de man.
44.Productie H.4 bij het hoger beroepschrift van de man.
45.De procesinleiding (p. 7) verwijst hierbij naar randnummer 28. van het hoger beroepschrift van de man.
46.De procesinleiding (p. 7) verwijst hierbij naar randnummer 29. van het hoger beroepschrift van de man. Eveneens wordt verwezen naar een verklaring van de man tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg, zie p.8 (laatste woordblok) van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 maart 2020.
47.De procesinleiding (p. 8) verwijst hierbij naar randnummer 30. van het hoger beroepschrift van de man.
48.De procesinleiding (p. 8) verwijst hierbij naar randnummer 31. van het hoger beroepschrift van de man.
49.Zie hierover ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:287) voor HR 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:711 (
50.Zie bijvoorbeeld Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh,
51.Zie onder meer H.N. Schelhaas & W.L. Valk,
52.Zie bijvoorbeeld HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9243,
53.Zie onder meer
54.Zie Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh,
55.Zie ook randnummers 3.25-3.26 hiervoor.
56.Zie randnummers 3.2-3.17 hiervoor.
57.P. 5 van productie H.5 bij het hoger beroepschrift van de man.
58.In hoger beroep heeft de man gesteld dat partijen, een paar dagen voor het sluiten van het huwelijk, slechts één bijeenkomst met de notaris hebben gehad. Hierbij heeft de man verwezen naar de opdrachtbrief van de notaris van 4 juni 2007. Daaruit blijkt dat deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 1 juni 2007. Zie randnummer 31. van het hoger beroepschrift van de man en productie H.5 bij dat hoger beroepschrift.
59.De procesinleiding (p. 11) verwijst hierbij naar sub-subonderdeel B.II.1.
60.Ook hier merk ik op, net als bij de eerste klacht van sub-subonderdeel B.II.1, dat de man in hoger beroep heeft gesteld dat partijen, een paar dagen voor het sluiten van het huwelijk, slechts één bijeenkomst met de notaris hebben gehad. Hierbij heeft de man verwezen naar de opdrachtbrief van de notaris van 4 juni 2007. Daaruit blijkt dat deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 1 juni 2007. Zie randnummer 31. van het hoger beroepschrift van de man en productie H.5 bij dat hoger beroepschrift.
61.Zie randnummer 3.23 hiervoor.
62.G. de Groot,
63.Zie over rov. 2.6 ook randnummer 3.25 hiervoor.
64.Volgens de procesinleiding (p. 11) is bij deze rekening temeer evident dat dit saldo buiten de verrekening blijft. Net als terzake van de huurpenningen betreft het in hoofdzaak geld van derden dat daarop wordt beheerd (de leden van de jaarclub) waarmee de vrouw immers niets van doen heeft.
65.Randnummer 32. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021. Zie ook randnummers 25.-29. van de antwoordakte na enquête van de vrouw van 31 oktober 2022.
66.Hier voegt de procesinleiding (p. 12) aan toe dat de notaris destijds een collega was van de vrouw die toen bij datzelfde kantoor CMS advocaat was, zie ook sub-subonderdeel B.II.1 onder d.
67.Ook hier merk ik op dat de man in hoger beroep heeft gesteld dat partijen, een paar dagen voor het sluiten van het huwelijk, slechts één bijeenkomst met de notaris hebben gehad. Hierbij heeft de man verwezen naar de opdrachtbrief van de notaris van 4 juni 2007. Daaruit blijkt dat deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 1 juni 2007. Zie randnummer 31. van het hoger beroepschrift van de man en productie H.5 bij dat hoger beroepschrift.
68.Ik neem aan dat de man hier doelt op de brieven van prof.mr. Reinhartz van 7 februari 2020 en van mr.dr. Zonnenberg van 12 februari 2020. Zie ook rov. 5.13 van de bestreden tussenbeschikking.
69.Randnummers 25.-35. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.
70.Randnummers 31.-32. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.
71.Randnummer 34. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.
72.De procesinleiding verwijst hierbij (p. 12) naar randnummer 38. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019, waarin wordt verwezen naar de bankafschriften die zijn overgelegd als productie 10 bij die reactie. Ook daaruit zou blijken dat het om 2009 en niet 2019 gaat.
73.Zie bijvoorbeeld randnummer 65. van de brief van de vrouw aan de rechtbank van 11 februari 2020.
74.De procesinleiding verwijst hierbij (p. 13) naar randnummer 8. van het hoger beroepschrift van de man.
75.De procesinleiding verwijst hierbij (p. 13) naar randnummer 9. van het hoger beroepschrift van de man.
76.De procesinleiding verwijst hierbij (p. 13) naar randnummer 9. van het hoger beroepschrift van de man.
77.Overgelegd als productie 69 bij de brief van de man van 27 oktober 2020 aan de rechtbank.
78.De procesinleiding verwijst hierbij (p. 13) naar randnummer 10. van het hoger beroepschrift van de man.
79.De procesinleiding verwijst hierbij (p. 13) naar randnummer 38. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019.
80.De procesinleiding verwijst hierbij (p. 13) naar randnummer 11. van het hoger beroepschrift van de man.
81.De procesinleiding verwijst hierbij (p. 14) naar randnummer 12. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.
82.Zie bijvoorbeeld randnummer 65. van de brief van de vrouw aan de rechtbank van 11 februari 2020.
83.Zie bijvoorbeeld randnummer 10. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.
84.Zie bijvoorbeeld randnummer 12. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.
85.P. 2 van productie 69 bij de brief van de man van 27 oktober 2020 aan de rechtbank.
86.De procesinleiding verwijst hierbij (p. 14) naar randnummer 75. van het hoger beroepschrift van de man.
87.HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO781,
88.Het aanbod tot het horen van de notaris is specifiek gedaan in het kader van de uitleg van de HV, zie randnummers 33. en 75. van het hoger beroepschrift van de man. Het aanbod tot het horen van de vader van de man is specifiek gedaan in het kader van de afgifte van erfstukken, zie randnummers 24. en 75. van het hoger beroepschrift van de man.
89.Zie randnummer 2.37 hiervoor.
90.Het sub-subonderdeel merkt hierbij op dat de man de klachten die in subonderdeel D.IV zijn aangedragen eerder in de vorm van een verzoek op grond van art. 31 Rv Pro had ingediend bij het hof. Het hof heeft dit verzoek van de man afgewezen. Omdat op grond van art. 399 Rv Pro geen cassatie open staat tegen deze beschikking, heeft de man zich genoodzaakt gevoeld om deze klachten (ook) in cassatie voor te leggen. Zie ook randnummers 2.39-2.40 hiervoor.
91.De procesinleiding verwijst hierbij (p. 15) naar productie 14 bij de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019, waarbij zij verwijst naar de aanhef van de rekening en de tegenrekening van de overboeking.
92.Zie bijvoorbeeld voor de eerste aanleg randnummer 35. van het verweerschrift echtscheiding tevens zelfstandige verzoeken van de vrouw en randnummer 61. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019. Zie voor het hoger beroep de toelichting bij productie H.12 in de brief van de man aan het hof van 2 september 2021, randnummer 61. van het verweerschrift van tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021 en randnummer 7. van de brief van de vrouw aan het hof van 8 september 2021.
93.De procesinleiding verwijst hierbij (p. 15) naar randnummer 13., onder c, van de pleitnota van de advocaat van de man (mr. Crans) voor de mondelinge behandeling in hoger beroep van 16 september 2021, productie 17 bij de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019 en productie H.14 bij de brief van de man aan het hof van 2 september 2021.
94.Ik vermoed dat hier een bedrag van € 439 wordt bedoeld aangezien dit bedrag wordt genoemd in de stukken waar het sub-subonderdeel verder naar verwijst.
95.De procesinleiding verwijst hierbij (p. 15) naar onderdeel c van productie H.10 bij de brief van de man aan het hof van 2 september 2021.
96.In een voetnoot voegt de man hier nog aan toe (p. 16 van de procesinleiding) dat hij niet in staat was een bankafschrift met het saldo van de internetspaarrekening op de peildatum te overleggen omdat de ING Bank die niet afgeeft en ook geen mogelijkheid daartoe biedt. Vandaar dat namens de man als productie 17 bij de reactie op verweerschrift echtscheiding van 9 april 2019 een kopie van de betaalrekening op 2 november 2018 is overgelegd met daarachter een print screen van het saldo eind 2018 van de daaraan gekoppelde spaarrekening. Gezien de stelling van de vrouw, heeft de man in hoger beroep het jaaroverzicht 2018 betreffende die rekening met de daaraan gekoppelde internetspaarrekening als productie H.14 overgelegd. Dus op 31 december 2018, krap twee maanden na de peildatum van 2 november 2018, bedroeg het saldo op die betaalrekening met de daaraan gekoppelde internetspaarrekening € 439,69, in plaats van € 22.885 het saldo van bijna een jaar daarvoor (31 december 2017).
97.De procesinleiding verwijst hierbij (p. 16) naar ad. 3 van randnummer 54. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019 en productie H.4 (de lijst privégoederen bij de huwelijksvoorwaarden) bij het hoger beroepschrift van de man. Zie in hoger beroep onder meer randnummer 18. van de akte houdende uitlating na enquête van 4 oktober van de man.
98.De procesinleiding verwijst hierbij (p. 16) naar productie H.4 (de lijst privégoederen bij de huwelijksvoorwaarden) bij het hoger beroepschrift van de man.
99.Zie hierover ook randnummers 3.64-3.65 hiervoor.
100.Randnummer 40. van de brief van de vrouw aan de rechtbank van 11 februari 2020.
101.De procesinleiding verwijst hierbij (p. 16) naar ad 3 van randnummer 54. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019 en productie H.4 (de lijst privégoederen bij de huwelijksvoorwaarden) bij het hoger beroepschrift van de man. Zie in hoger beroep onder meer randnummer 18. van de akte houdende uitlating na enquête van de man van 4 oktober 2022.
102.De man heeft in randnummer 42. van zijn hoger beroepschrift gesteld dat het saldo op de betaalrekening op de peildatum € 4.897 bedroeg. Hij heeft daarbij echter verwezen naar producties 19 en 56 uit de eerste aanleg. Uit deze stukken blijkt dat het saldo op de peildatum € 4897,96 bedroeg. Afgerond betreft het dus een saldo van € 4.898 en niet € 4.897. In eerste aanleg heeft de man wel het correcte bedrag van € 4898 genoemd als het saldo op de peildatum (zie randnummer 56. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019). Ik ga er dan ook vanuit dat waar de man heeft gesteld dat het saldo op de peildatum van de betaalrekening met nummer [rekeningnummer 7] € 4.897 bedroeg, hij hier kennelijk € 4.898 heeft bedoeld.
103.Randnummer 39.D. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.
104.Rb. Midden-Nederland 18 december 2020, zaaknummers C/16/469751 / FA RK 18-6215 en C/16/475453 /FA RK 19-868 (niet gepubliceerd), rov. 3.16. onder d.
105.Randnummer 39.D. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.
106.De procesinleiding stelt hierbij in een voetnoot (p. 16) dat in de toelichting onder 1a tot en met 4a telkens staat waar het bankafschrift te vinden is, welke overboeking het betreft en welk bedrag daarmee gemoeid is.
107.Zie de lijst van privégoederen, overgelegd als productie H.4, waarnaar wordt verwezen in randnummers 3. en 28. van het hoger beroepschrift van de man. Zie ook randnummers 18.-19. van de akte houdende uitlating na enquête van de man van 4 oktober 2022.
108.Randnummer 58. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de aanvullende verzoeken van de vrouw en tevens houdende aanvullende verzoeken ex artikel 843a Rv van de man van 9 april 2019. In dat overzicht was de “
109.Rb. Midden-Nederland 18 december 2020, zaaknummers C/16/469751 / FA RK 18-6215 en C/16/475453 /FA RK 19-868 (niet gepubliceerd), rov. 3.16. onder e.
110.Uit productie 32 van de stukken in eerste aanleg aan de zijde van de man blijkt uit het afschrift van Gold Republic hoeveel gram zilver en goud de man met zijn huurinkomsten heeft gekocht en welke waarde die op 2 november 2018 vertegenwoordigden. Verder wordt in dit verband verwezen naar randnummer 59. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de aanvullende verzoeken van de vrouw en tevens houdende aanvullende verzoeken ex artikel 843a Rv van de man van 9 april 2019.
111.Zie randnummers 3.2-3.40 hiervoor.
112.Zie randnummers 4.2-4.3 hierna.
113.Het verweerschrift verwijst hierbij (p. 11) naar grief 7 van de man, waar de man heeft erkend dat de 750 munten die door de rechtbank in de verrekening zijn betrokken, zijn gekocht met huurinkomsten.
114.Zie randnummers 3.73-3.74 hiervoor.
115.HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1389,
116.Het onderdeel geeft niet aan welke stelling van de vrouw hier wordt bedoeld. Aangezien het onderdeel gericht is tegen rov. 2.18 van de bestreden eindbeschikking, neem ik aan dat het de stelling betreft dat enig bedrag voor de hypotheekaflossingen moet worden betrokken bij het te verrekenen vermogen van de man (op grond van artikel 8 lid 1 in Pro verband met artikel 10 HV Pro).
117.Het verweerschrift verwijst hierbij (p. 12) naar randnummers 54., 55. en 57. tot en met 59. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.
118.HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1389,
119.In een voetnoot heeft Uw Raad hier verwezen naar
120.Zie randnummer 2.35 hiervoor.
121.Zie randnummer 4.6 hiervoor.
122.Zie voetnoot 26 hiervoor.
123.Zie voetnoot 27 hiervoor.
124.Randnummers 54.-59. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021. De vrouw heeft daarbij verwezen naar hof ‘s-Hertogenbosch 13 november 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY3854 en Rb. Amsterdam 14 februari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:754.
125.Zie randnummers 4.9-4.10 hiervoor.
126.HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1389,
127.Het hof heeft € 214,90 in aanmerking genomen als te verrekenen vermogen van bankrekening A, terwijl dit, zie randnummers 3.60-3.62 hiervoor, € 128,94 had moeten zijn. Daarom moet op het totale bedrag van het te verrekenen vermogen van de man € 214,90 -/- € 128,94 = € 85,96 in mindering worden gebracht.