Conclusie
1.Fastned B.V.,
Staatrespectievelijk gezamenlijk
Fastned c.s.en individueel als
Fastneden
FCN.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
tankstations). De Vereniging Particuliere Rijkswegvergunningen van Tankstations (hierna:
VPR) en de Vereniging Energie voor Mobiliteit en Industrie (hierna:
Vemobin) vertegenwoordigen de rechthebbenden op deze tankstations. Enviem Retail Nederland B.V. (hierna:
Enviem) is één van de rechthebbenden, onder meer op de locatie De Horn. Tezamen worden VPR, Vemobin en Enviem hierna aangeduid als
VPR c.s.
Convenant) [4] werd onder meer bepaald dat de opbrengst van de eerste veiling van een concessie voor een verkooppunt niet toekomt aan de Staat, maar aan de voormalig concessiehouder als compensatie voor het opgeven van de langdurige rechten. [5] Art. 4.3 van het Convenant bepaalt:
Benzinewet). [6] Die bepaling luidt:
Kennisgeving). In de Kennisgeving, waarvan de oorspronkelijke versie dateert van 22 maart 2004, wordt onderscheid gemaakt tussen basisvoorzieningen en aanvullende voorzieningen.
shop), een autowasstraat of een snoepautomaat. Aanvullende voorzieningen mogen niet los van een basisvoorziening worden aangeboden.
Wbr) de wettelijke grondslag voor deze vergunningsplicht. [7] Op grond van art. 3 lid 1 Wbr Pro gold een afgebakend toetsingskader bij de beslissing om al dan niet een vergunning te verlenen. Weigering, wijziging of intrekking van een vergunning was slechts mogelijk ter bescherming van ‘waterstaatswerken’ (zoals een verzorgingsplaats) en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken.
basisvoorzieningworden verleend met een maximale looptijd van 15 jaar.
aanvullende voorzieningbij een laadstation. Om dit tot uitdrukking te brengen is per 21 november 2013 het volgende aan de Kennisgeving toegevoegd: [11]
Afdeling) de uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd. [13] De Afdeling overwoog onder meer:
rechtbank) VPR c.s. toegestaan om zich te voegen aan de zijde van de Staat. [16] Bij vonnis van 14 april 2021 heeft rechtbank de vorderingen van Fastned c.s. gedeeltelijk toegewezen. [17] De rechtbank heeft geoordeeld dat de weigering privaatrechtelijke toestemming te geven in strijd is met de Dienstenrichtlijn. [18] Aan de Staat werd een gebod opgelegd om nieuwe besluiten te nemen op de verzoeken van Fastned c.s. tot het verlenen van het privaatrechtelijke gebruiksrecht. Ook is de Staat veroordeeld tot vergoeding van de schade van Fastned c.s. (zoals op te maken bij staat) als gevolg van de onrechtmatige algemene weigering om aanvullende voorzieningen bij laadstations toe te staan.
nietdat de privaatrechtelijke toestemming in beginsel niet mag worden geweigerd (rov. 6.2 en 6.3).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1: het hof had zich terughoudender moeten opstellen en heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid zijn meegewogen, mede in relatie tot de specifieke omstandigheden van het geval.
Onderdeel 2: het hof diende te beoordelen of de Staat alle betrokken belangen heeft afgewogen en in het licht van de omstandigheden heeft kunnen komen tot zijn handelswijze. Het hof heeft ten onrechte een eigen belangenafweging gemaakt.
Onderdeel 3: de omstandigheid dat de Staat elektrisch rijden wilde stimuleren brengt niet (zonder meer) mee dat de Staat daarom ook shops bij laadvoorzieningen moet toestaan.
Onderdelen 4 t/m 6: het hof had op generiek niveau moeten toetsen of het weigeren van privaatrechtelijk toestemming evenredig is. Zelfs als niet voor iedere verzorgingsplaats geldt dat het toestaan van een shop leidt tot (mogelijke) daling van de veilingopbrengst, is de categorische weigering van de Staat niet per se onevenredig. Verder brengen de afspraken over bescherming van de veilingopbrengst mee dat de Staat het risico op vermindering van deze opbrengst kon meewegen.
Onderdeel 7: het hof heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de weigering niet wordt gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang.
Onderdeel 8: bij het oordeel dat ook in strijd is gehandeld met het gelijkheidsbeginsel heeft het hof miskend dat de Staat heeft aangevoerd dat geen sprake is van gelijke gevallen dan wel dat een objectieve reden bestaat voor onderscheid.
Onderdeel 9: de overgangsperiode is voor de beoordeling relevant, net als wanneer Fastned c.s. shops had willen openen.
Onderdeel 10bevat een voortbouwklacht.
eerste klachtvan
onderdeel 1is gericht op rov. 6.8. Deze overweging luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
indien het hof heeft beslist dathet hof zelf kan bepalen of de door de Staat gemaakte keuze geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Ik stel vast dat het hof dit niet heeft overwogen zodat de klacht feitelijke grondslag mist. Het hof sluit met de geciteerde overweging aan bij de zogenoemde
Harderwijk-uitspraak van de Grote Kamer van de Afdeling. [23] Deze uitspraak gaat over de toetsing aan art. 3:4 lid 2 Awb Pro, dat luidt: “
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.” Ik citeer de volgende passages uit deze belangrijke uitspraak van de Afdeling:
niet beoordeelt of het bestuursorgaan bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid wel of niet tot het besluit heeft kunnen komen(zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 1996, ECLI:NL:RVS:1996:ZF2153, Maxis-Praxis), maar bij voorkeur (rechtstreeks) moet aansluiten bij de bewoordingen van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
geschiktom het doel te bereiken? Die geschiktheidstoets houdt een effectiviteitstoets en een coherentietoets in;
noodzakelijkom het doel te bereiken? Is een keuze mogelijk tussen meer geschikte maatregelen, dan moet op basis van deze toets die maatregel worden gekozen die de belanghebbenden het minst belast;
evenwichtig(evenredigheid stricto sensu)? Is de op zichzelf geschikte en noodzakelijke maatregel in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend voor de belanghebbende?"
tweede klachtvan
onderdeel 1. Anders dan de Staat stelt, heeft het hof niet miskend dat de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van geval tot geval verschilt en heeft het in rov. 6.10 t/m 6.12 wel degelijk inzichtelijk gemaakt welke rol noodzakelijkheid, evenwichtigheid en geschiktheid spelen, waarbij het hof de omstandigheden van het geval betrekt. Voor het lezersgemak citeer ik deze overwegingen en de conclusies die het hof in rov. 6.13 daaruit heeft getrokken (citaat zonder voetnoot; hieronder en hierna in alle citaten mijn onderstreping, A-G):
Volgens Fastned c.s. was de keuze voor compensatie in de vorm van de eerste veilingopbrengst al niet noodzakelijk en dus niet evenredig.De Staat had volgens haar de tankstationhouders ook direct een schadevergoeding kunnen uitbetalen. Dat laatste is naar het oordeel van het hof op zichzelf waar, maar het leidt niet automatisch tot de conclusie dat reeds het maken van die compensatieafspraken als onrechtmatig jegens nieuwkomers als Fastned c.s. moet worden aangemerkt. Het gaat met name om de consequenties die de Staat aan die afspraken verbindt en de gevolgen daarvan voor Fastned c.s.
Fastned c.s. brengt daar terecht tegen in dat het onzeker is of en in welke mate het toestaan van een shop op een of meer verzorgingsplaatsen waar Fastned c.s. een laadstation heeft, daadwerkelijk tot een daling van de veilingopbrengst van een tankstation zou leiden, en of dat in alle gevallen zo is. Dat is moeilijk op voorhand vast te stellen; het is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval ten aanzien van de betrokken verzorgingsplaats.Een negatieve invloed is in elk geval onzekerder naarmate het om een verder weg gelegen tankstation gaat.
De Staat heeft echter gekozen voor een categorische weigering van de privaatrechtelijke toestemming. Dat staat al op gespannen voet met de vereiste evenredigheid.
Daar waar vergroting van de concurrentie op de ene markt (benzinemarkt) aanvankelijk het doel was, leidt de gekozen route in de praktijk juist tot belemmeringen op een nieuwe markt (elektrisch rijden) en dus tot een beperking van de concurrentie. Niet aannemelijk is dat dit laatste in het belang van de consument respectievelijk het belang van het milieu is.Dat wringt des te meer nu de Staat juist met het oog op dat milieubelang de markt van elektrische auto’s wil stimuleren (zie hiervoor onder 3.10).
onderdeel 1als
derde klachtaan dat het hof in rov. 6.12 niet inzichtelijk maakt waarom de door de Staat gemaakte keuze niet geschikt, niet noodzakelijk en/of niet evenwichtig was. Naar mijn mening miskent de Staat met deze klacht dat het hof in rov. 6.12 oordeelt dat de categorische weigering van de Staat niet geschikt is in het licht van het doel om de concurrentie te bevorderen en daarmee consumenten te beschermen. Het hof borduurt in rov. 6.12 voort op rov. 6.11 en overweegt als inleiding in essentie hetzelfde: de afspraken zien niet op (shops bij) laadvoorzieningen, maar toch wenst de Staat de zittende benzinestationhouders te beschermen door geen toestemming te geven. De concurrentie van shops bij laadvoorzieningen wordt dus voorkomen met als oogmerk de compensatie voor benzinestationhouders te beschermen. Vervolgens bespreekt het hof in rov. 6.12 dat het mede aangevoerde belang van vergroting van de concurrentie niet is gebaat bij een categorische weigering van de toestemming voor shops bij laadstations. De concurrentie vanuit de nieuwe markt van elektrisch rijden wordt hiermee juist beperkt. De categorische weigering is daarom volgens het hof
niet geschiktin relatie tot het doel om concurrentie te bevorderen en daarmee consumenten te beschermen.
onderdeel 2richt de Staat zijn pijlen wederom op rov. 6.12.
eerste klachtluidt dat het hof heeft miskend dat het diende te beoordelen of de Staat alle betrokken belangen heeft afgewogen en of hij daarbij in het licht van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn handelswijze. Het hof heeft echter zelf een belangenafweging gemaakt en deze ten onrechte in de plaats gesteld van die van de Staat. De
tweede klachthoudt in dat het hof onvoldoende inzicht heeft geboden in zijn gedachtegang waarom de Staat de belangen kennelijk weliswaar heeft afgewogen, maar gelet op alle omstandigheden van het geval in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Volgens de
derde klachtheeft het hof miskend dat Fastned c.s. zich niet hebben beroepen op het belang van het milieu. Verder stemt dat belang niet (zonder meer) overeen met het economische belang van Fastned c.s. bij de mogelijkheden tot exploitatie van shops bij laadvoorzieningen en/of het voorkomen van een beperking van de concurrentie. Het hof had het belang van het milieu dus niet in zijn evenredigheidstoets mogen betrekken. De
vierde klachtbetoogt dat het hof de grondslag van de vordering van Fastned c.s. heeft aangevuld, [26] althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft genomen.
De eerste en tweede klachtgaan uit van de veronderstelling dat het hof in rov. 6.12 een eigen belangenafweging maakt. Dat zie ik anders. Het hof heeft daar niet een eigen belangenafweging in de plaats gesteld van de door de Staat gemaakte afweging, maar bespreekt de categorische weigering van de Staat en onderzoekt de geschiktheid daarvan in het licht van het doel om de concurrentie te bevorderen en daarmee consumenten te beschermen. Daarbij betrekt het hof ook het milieubelang, in die zin dat dit belang niet gediend is bij een categorische weigering van shops bij laadpunten. De (impliciete) aanname van het hof is daarbij dat de aanwezigheid van shops bij een laadpunt het gebruik van een elektrisch voertuig aantrekkelijker zou kunnen maken (zie het betoog met deze strekking in punt 3.17 van de inleidende dagvaarding van Fastned c.s. en punt 23 van de pleitnota zijdens Fastned c.s. van 19 februari 2023). Het betrekken van het milieu gebeurt mede omdat de Staat zelf heeft aangevoerd dat hij – met het oog op verbetering van het milieu – elektrisch rijden bevordert en daarom energielaadpunten langs de rijkswegen wil (zie rov. 3.9, volgend uit conclusie van antwoord 1.1.1 t/m 1.1.3, memorie van grieven 3.1 en 3.2 en memorie van antwoord 1.10). Hierop stuiten de
derde en vierde klachtaf.
Met het oog op verbetering van het milieu en bescherming van het klimaat, ontmoedigt de Staat het gebruik van fossiele brandstoffen. In dat kader moedigt de Staat het gebruik van zowel hybride stekkerauto’s (plug-in hybrid, PHEV) als volledig elektrische auto’s (EV’s) aan, als alternatief op auto’s die bijvoorbeeld rijden op benzine of diesel.De Staat heeft daartoe allerlei maatregelen getroffen. Hierbij kan natuurlijk gedacht worden aan de diverse belastingvoordelen die een stuwende werking hebben gehad op de aankoop van elektrische auto’s, maar bijvoorbeeld ook aan het in samenhang met het bedrijfsleven invoeren van interoperabiliteit van de laadinfrastructuur.
Zij stelden zich ter zake initieel echter afwachtend op.Tegelijkertijd was er op dat moment vanuit de markt wel interesse in het realiseren van laadstations. (…) de Staat [heeft] er door middel van een beleidswijziging van 20 december 2011 voor gekozen om per 10 januari 2012 de mogelijkheid te bieden om een energielaadpunt ook als een zogenoemde basisvoorziening toe te staan op de verzorgingsplaatsen naast rijkswegen.”
Het standpunt van de Staat is dat de hoge financiële vergoedingen voor benzinestations noodzakelijk waren om concurrentie te bewerkstelligen op] de markt voor benzineverkoop. Als dat al juist zou zijn (wat Fastned betwist), dan vereist dat nog geen categorische weigering van shops bij laadstations.(…).
De Staat mag als eigenaar van die publieke verzorgingsplaatsen de laadstationhouders niet weigeren een shop te hebben om elektrische rijders de mogelijkheid te bieden de oplaadtijd aangenaam te overbruggen (…), uitsluitend om daarmee de benzinestationhouders ter wille te zijn.De grieven tegen het Vonnis moeten falen.”
onderdeel 3betoogt de Staat dat de vaststelling van het hof (in rov. 3.9 [27] en rov. 3.12) dat de Staat elektrisch rijden wil stimuleren door laadvoorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen als basisvoorziening toe te staan (een normaal bedrijfsrisico voor tankstationhouders, aldus het hof), rov. 6.12 nog niet begrijpelijk maakt. Die omstandigheid zou immers niet (zonder meer) meebrengen dat de Staat daarom in redelijkheid ook shops bij laadvoorzieningen zou moeten toestaan.
onderdeel 4zijn gericht tegen rov. 6.11. Volgens de Staat heeft het hof
ten eerstemiskend dat de Staat ter onderbouwing van zijn weigering privaatrechtelijke toestemming te geven niet per individuele verzorgingsplaats aannemelijk hoefde te maken dat de komst van een shop bij een laadvoorziening leidt tot (een risico op) daling van de veilingopbrengst. Het hof heeft daarom miskend dat het op generiek niveau moest toetsen of het weigeren van toestemming evenredig is.
Ten tweede, indien het hof dit niet heeft miskend maar heeft aangenomen dat de Staat het algemene risico van daling van de veilingopbrengst niet heeft gesteld en onderbouwd, dan is de beslissing onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van de Staat en VPR c.s.
Ten derde, indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, is de overweging rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk. Fastned c.s. hebben niet in algemene zin gesteld dat onzeker is of en in welke mate het toestaan van een shop op één of meer verzorgingsplaatsen waar zij laadstations hebben, daadwerkelijk tot een (risico op) daling van de veilingopbrengst van een tankstation zou leiden, en of dit in alle gevallen zo is.
21. Het standpunt van de Staat is dat de hoge financiële vergoedingen voor benzinestations noodzakelijk waren om concurrentie te bewerkstelligen [op] de markt voor benzineverkoop. Als dat al juist zou zijn (wat Fastned betwist) dan vereist dat nog geen categorische weigering van shops bij laadstations. (…)” Het hof heeft één en ander kennelijk, en niet onbegrijpelijk, zo uitgelegd dat Fastned c.s. betogen dat een categorische weigering in dit geval niet evenwichtig is (namelijk: onredelijk bezwarend voor Fastned c.s.), omdat het gaat om drie locaties ten aanzien waarvan niet specifiek is gekeken wat met de vergoeding van tankstationhouders zou gebeuren. Het categorische karakter van de maatregel is dus problematisch volgens Fastned c.s. Dit argument heeft het hof vervolgens uitdrukkelijk voorgehouden aan de Staat en VPR c.s. (proces-verbaal mondelinge behandeling 19 januari 2023, p. 7, bovenaan): “
(…) stel dat het hof helemaal mee zou gaan in de redenering van de Staat (…) is het dan niet nog steeds wel de vraag of eencategorische
weigering van shops evenredig is? Je zou ook kunnen beargumenteren dat de Staat minstgenomen per aanvraag zou moeten nagaan of een shop op die bewuste plek de eerste veilingopbrengst op een locatie in de buurt zou kunnen doen verminderen.” Uit dit alles blijkt dat onderdeel 4 geen doel treft.
onderdeel 5hebben rov. 6.11 als doelwit. Volgens de
eerste klachtheeft het hof miskend dat, zelfs indien aannemelijk is dat mogelijk niet voor iedere verzorgingsplaats geldt dat het toestaan van een shop bij een laadvoorziening leidt tot een (risico op) daling van de veilingopbrengst, dit niet meebrengt dat de weigering van de Staat om privaatrechtelijke toestemming te verlenen voor shops voor alle verzorgingsplaatsen onevenredig en daarmee onrechtmatig is. De
tweede klachthoudt in dat zelfs als in cassatie uitgangspunt zou moeten zijn dat het hof heeft beslist dat de categorische weigering van het toestaan van een shop bij een laadvoorziening door de Staat vanwege het bieden van compensatie aan de zittende tankstationhouders niet door de beugel kan en dat die beslissing in zoverre rechtens juist is, het hof dan heeft miskend dat de weigering privaatrechtelijke toestemming te verlenen alleen onevenredig en dus onrechtmatig is ten aanzien van de verzorgingsplaatsen waarvoor Fastned c.s., gelet op de beslissing van het hof in rov. 6.7, hebben aangetoond dat geen sprake is of was van (een risico op) daling van de veilingopbrengst, althans voor verzorgingsplaatsen waarvoor dat laatste aannemelijk is, en dus niet onrechtmatig is ten aanzien van alle andere verzorgingsplaatsen. De
derde klachtluidt dat het hof in aansluiting daarop in rov. 6.17 heeft miskend dat de Staat dus ook voor de daarin genoemde drie verzorgingsplaatsen privaatrechtelijke toestemming kon weigeren zolang Fastned c.s. niet hebben aangetoond dat geen sprake is of was van (een risico op) daling van de veilingopbrengst, althans voor zover dat laatste niet aannemelijk is. [29]
eerste klachtlaat de Staat buiten beschouwing dat het hof de
categorischeweigering tot het verlenen van privaatrechtelijke toestemming toetst. Ook als het toestaan van een shop bij een laadvoorziening niet per se een negatieve invloed heeft op de veilingopbrengst in het individuele geval, kan de keuze van de Staat voor een categorische weigering wel degelijk onevenredig zijn. Met de
tweede en derde klachtziet de Staat eraan voorbij dat het hof in rov. 6.7 oordeelt dat in het midden kan blijven of de Dienstenrichtlijn nu wel of niet van toepassing is omdat de door de Staat aangevoerde redenen het categorisch weigeren van toestemming niet kunnen dragen. De overweging dat de stelplicht op Fastned c.s. zou rusten indien de Dienstenrichtlijn niet van toepassing zou zijn, is daarmee niet van invloed op de hier aangevallen rov. 6.11.
onderdeel 6valt de Staat opnieuw rov. 6.11 aan. Volgens de klacht heeft het hof miskend dat toen de afspraken over bescherming van de veilingopbrengst werden gemaakt de komst van (shops bij) laadvoorzieningen weliswaar nog niet werd voorzien, maar dat dit niet wegneemt dat wettelijk was vastgelegd dat geen nieuwe locaties zullen worden toegevoegd aan verzorgingsplaatsen langs snelwegen (art. 17 lid 2 Benzinewet Pro). Deze afspraak is gemaakt om de veilingopbrengst te beschermen. Voor de Staat is het dus niet slechts beleidsmatig wenselijk dat het risico op vermindering van de veilingopbrengst wordt meegewogen, maar dit heeft ook een wettelijke achtergrond.
Of op de locatie naast een verkooppunt ook andere voorzieningen mogen worden aangebracht en hoe de locatie verder moet worden ingericht, is voor het voorstel voor de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen irrelevant.”
Dit artikel legt, voor zover nodig, in het wetsvoorstel het zogenaamde locatiebeleid vast dat is verwoord in artikel 7 van Pro het Convenant. Hierdoor beperkt de Staat zich in zijn privaatrechtelijke bevoegdheden om nieuwe locaties in het leven te roepen.Belanghebbenden zullen de Staat daaraan kunnen houden. Een nieuwe locatie is in dit verband een locatie die er niet was op het moment dat de afspraak over het locatiebeleid in het Convenant werd vastgelegd. Omdat dit voor zich spreekt, is er geen aparte definitie opgenomen voor nieuwe locaties. Toch verdient het hier aandacht, omdat in het Convenant nog sprake is van «aanvullende» locaties. Hoewel die term niet terugkomt in het wetsvoorstel, stemt de inhoud van artikel 15 geheel Pro overeen met de afspraken die in het Convenant zijn vastgelegd. (…).”
motorbrandstofverkooppuntenzal toestaan op verzorgingsplaatsen en dat dit in het Convenant en de Benzinewet is vastgelegd. Hierbij sluit het hof in de hier bestreden rov. 6.11 aan: de afspraken over bescherming van de veilingopbrengst zien niet op laadstations of shops bij laadstations (maar op motorbrandstofverkooppunten). [32] De Staat beroept zich op het doel van de afspraak (bescherming veilingopbrengst) en vindt het daarom wenselijk shops bij laadstations te weren. Hiermee miskent het hof niet dat er een wettelijke achtergrond is bij de wens van de Staat om de veilingopbrengst te beschermen. Alleen kan dit de Staat niet baten omdat de daarover gemaakte afspraken niet zien op laadstations en al helemaal niet op shops bij laadstations.
niet-economischebelangen onder de noemer ‘dwingende redenen van algemeen belang’ vallen. Zoals de Staat zelf benadrukt in zijn repliek, is in deze zaak een afweging gemaakt tussen de
economischebelangen van Fastned c.s. enerzijds en die van VPR c.s. anderzijds. Economische belangen kunnen ‘zwaarwegende belangen’ zijn die in algemene zin een bepaalde beleidskeuze kunnen rechtvaardigen.
Bovendien is deze categorische weigering ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Tankstationhouders hebben immers wel recht op een shop.”
eerste klachthoudt in dat indien strijd met het gelijkheidsbeginsel is aangenomen omdat de compensatie aan zittende tankstationhouders voor de weigering geen rechtvaardiging kan vormen gelet op rov. 6.11 en 6.12, en daarom geen relevante verschillen bestaan tussen exploitanten van tankstations en laadvoorzieningen of voor dat onderscheid geen objectieve rechtvaardiging bestaat, die beslissing onjuist of onbegrijpelijk is zoals vermeld in onderdelen 1 t/m 7.
tweede klachtluidt dat indien de schending van het gelijkheidsbeginsel een zelfstandig dragende grond voor zijn beslissing is, die beslissing rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is. De Staat heeft nu juist aangevoerd (zie ook rov. 6.8) dat geen sprake is van gelijke gevallen dan wel een objectieve reden bestaat voor dit onderscheid vanwege de aan de zittende tankstationhouders verschuldigde compensatie voor het openbreken van de benzinemarkt.
slagen. Het oordeel dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden is inderdaad te kort door de bocht. Er staat alleen aan het slot van rov. 6.13 dat tankstationhouders wel recht hebben op een shop, dus (impliciet) laadvoorzieningenhouders ook. Het gelijkheidsbeginsel vereist echter dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden en ongelijke gevallen verschillend naar de mate waarin zij verschillen. Om vast te kunnen stellen of sprake is van een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen zal de rechter moeten nagaan welke verschillen en overeenkomsten voor de vergelijking van belang zijn. Om dit te kunnen doen moet hij zoeken naar een geschikte vergelijkingsmaatstaf. [33] Strijd met het gelijkheidsbeginsel zal pas aan de orde zijn zodra vanuit een
specifiekgezichtspunt sprake is van ongelijke behandeling door de overheid [34] waarvoor bovendien géén (objectieve) rechtvaardiging bestaat. [35] Dit alles komt in het bestreden arrest niet aan bod. [36] Dat wringt te meer, nu de Staat een rechtvaardigingsgrond voor het onderscheid heeft aangevoerd. Ik citeer uit punt 2.4.6 van de memorie van grieven van de Staat:
betekent dat nog niet dat de Staat hen daardoor in strijd met het gelijkheidsbeginsel behandelt. (…)”
niettot gevolg dat vernietiging van het bestreden arrest moet volgen. De andere zelfstandig dragende grond (strijd met het evenredigheidsbeginsel) voor het oordeel dat sprake is van onrechtmatig handelen, houdt immers om de hiervoor genoemde gronden stand.
in verband met het gelijkheidsbeginselvan belang dat Fastned c.s. wisten dat de Staat geen privaatrechtelijke toestemming wilde verlenen voor shops bij laadvoorzieningen. Zij konden met die wetenschap immers schade voorkomen door niet in shops bij laadvoorzieningen te investeren, aldus de Staat, terwijl een lagere veilingopbrengst bij komst van die shops niet meer te voorkomen was voor zittende tankstationhouders.
Ten tweedeheeft het hof bij het oordeel dat Fastned c.s. in de overgangsperiode al shops had willen openen, volgens de Staat miskend dat relevant is wanneer Fastned c.s. shops hadden willen openen. Naarmate die datum dichter bij het einde van de overgangsperiode ligt, des te minder onevenredig zullen de gevolgen van de weigering van de Staat zijn.
Ten derdegeldt, aldus de Staat, dat naarmate Fastned c.s. gedurende de overgangsperiode minder shops hadden willen openen, de weigering van de Staat minder onevenredig zou worden.
eerste klachtmist zijn doel omdat het hof door de overgangsperiode te bespreken nu juist niet heeft miskend dat Fastned c.s. na die periode (dus op 1 januari 2024) uitzicht hadden op exploitatie. De
tweede en derde klachtgaan niet op omdat het hof terecht en niet onbegrijpelijk overweegt dat dit vragen zijn voor de schadestaatprocedure. De door de Staat vermelde omstandigheden maken de categorische weigering niet minder onevenredig, waarbij moet worden bedacht dat het hof het aannemelijk acht dat Fastned c.s. zonder het weigeringsbeleid van de Staat andere of meer investeringsmogelijkheden zou hebben gehad (zie rov. 6.22).