Conclusie
OIEG)
1.Petróleos de Venezuela S.A. (hierna: PDVSA)
Bariven)
Propernyn)
Services)
PDV)
(gezamenlijk hierna:
PDVSA c.s., in vrouwelijk enkelvoud)
Venezuela). In hoger beroep zijn de vorderingen van OIEG afgewezen, net als in eerste aanleg. Daartegen komt zij in cassatie op, m.i. zonder succes. Ik leg uit waarom.
1.Feiten
arresten het
hof).
ICSID).
arbitrale vonnis) veroordeeld tot betaling aan OIEG van een bedrag van $ 372.461.982 aan schadevergoeding wegens de onteigening van de glasfabrieken en een bedrag van $ 5.750.000 aan proceskosten, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente. [2]
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) een procedure tegen PDVSA c.s. aanhangig gemaakt. Zij heeft gevorderd dat PDVSA c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van in totaal ongeveer $ 400 miljoen (te vermeerderen met rente) [6] en de proceskosten.
vonnis). Zij heeft in de hoofdzaak de vorderingen van OIEG afgewezen en OIEG veroordeeld in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad. Zij heeft in het incident PDVSA c.s. veroordeeld in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
Vereenzelviging naar Nederlands recht” in op de vraag of OIEG’s beroep op vereenzelviging van Propernyn, Services en PDV (gezamenlijk hierna: de
Nederlandse vennootschappen) met Venezuela slaagt. Daartoe behandelt het hof grieven 1-2 van OIEG.
Rainbow-arrest van de Hoge Raad, [8] volgend op ‘s hofs overweging:
Vereenzelviging naar Venezolaans recht” in op de vraag of OIEG’s beroep op vereenzelviging van PDVSA en Bariven (gezamenlijk hierna: de
Venezolaanse vennootschappen) met Venezuela slaagt. Daartoe behandelt het hof grieven 3-6 van OIEG. [15]
Organic Law for Hydrocarbons. Ten tweede volgt dit uit het feit dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn genoemd in
Transporte Saet, een arrest van 14 mei 2004 van de Constitutionele Kamer van het Hoogste Gerechtshof van Venezuela, dat betrekking had op vereenzelviging. Dit arrest heeft nadien diverse malen navolging gekregen, zoals blijkt uit door OIEG overgelegde literatuur. Vereenzelviging is ook mogelijk buiten concernverband, zolang het gaat om rechtspersonen binnen een groep (grief 4). Naar Venezolaans recht is zowel vereenzelviging van de dochter met de moeder mogelijk, als vereenzelviging van de moeder met de dochter (omgekeerde vereenzelviging) (grief 5). Voor vereenzelviging is niet vereist dat de vordering die wordt ingesteld verband houdt met de gezamenlijke activiteiten van de te vereenzelvigen rechtspersonen (grief 6), aldus nog steeds OIEG.”
Transporte Saetdat dit het geval is. PDVSA c.s. zijn echter van mening dat dit niet uit dat arrest volgt.”
Transporte Saet-arrest van de Constitutionele Kamer inzake het begrip ‘groep’ en misbruik van rechtspersoonlijkheid.
Organic Law for Hydrocarbons(of aanverwante wet- en regelgeving) volgt dat de Venezolaanse vennootschappen aansprakelijk zijn voor schulden van Venezuela.
Transporte Saet-arrest en er daarom aanleiding is voor vereenzelviging van de Venezolaanse vennootschappen met Venezuela.
Transporte Saet-arrest volgt dat de voornaamste reden voor vereenzelviging de bestrijding van misbruik van rechtspersoonlijkheid voor benadeling van schuldeisers is. Het is niet aannemelijk dat de Constitutionele Kamer het oogmerk had het mogelijk te maken dat privaatrechtelijke rechtspersonen aansprakelijk zijn voor schulden van Venezuela op de grond dat Venezuela daarover als enig aandeelhouder van de moedermaatschappij een (doorslaggevende) zeggenschap heeft en zij economisch, organisatorisch en politiek verregaand zijn verweven met Venezuela. De door OIEG overgelegde opinies maken dat niet anders.
Transporte Saet-arrest omgekeerde vereenzelviging mogelijk maakt. [16] Noch of de ingestelde vordering verband moet houden met de gezamenlijke economische activiteiten van de te vereenzelvigen entiteiten.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Rainbow-arrest. In het bijzonder, aldus OIEG, ontbreekt in dit citaat de volgende passage uit de vierde en laatste alinea in die rov. 3.5:
Rainbow-arrest. Het hof heeft ook overigens niets overwogen over de vraag of vereenzelviging in deze zaak zou kunnen leiden tot overcompensatie en om die reden te ver zou kunnen gaan. Het hof heeft aldus niet de juiste maatstaf toegepast. Dit is
klacht a.
klacht b.
Rainbow-arrest ging het om zo’n vereenzelviging die leidt tot uitbreiding van aansprakelijkheid van de ene naar een andere (rechts)persoon. Daarvan ga ik hierna uit. In 2016 heeft de Hoge Raad zich in het
Maple Leaf-arrest - in algemene, zaakoverstijgende bewoordingen - uitgelaten over die rov. 3.5. Dit betrof ook zo’n uitbreiding van aansprakelijkheid via vereenzelviging. Ik laat de Hoge Raad aan het woord: [24]
Rainbow-arrest is overwogen (rov. 3.5) dat door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen, en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Voorts, dat het maken van zodanig misbruik in de regel zal moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal, zo leert het arrest, dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf. Vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen kan, in uitzonderlijke omstandigheden, de meest aangewezen vorm van redres zijn. Maar indien een op benadeling van een bepaalde crediteur gerichte handelwijze onrechtmatig is jegens deze crediteur, brengt de verplichting de daardoor aangerichte schade te vergoeden niet mee dat de omvang van deze schade zonder meer gelijk is aan het bedrag van de vordering waarvan men het verhaal wilde verijdelen. In een dergelijk geval is vereenzelviging een vorm van redres die te ver gaat.” [25]
Rainbow-arrest dat de omstandigheden van het geval
zo uitzonderlijk van aardkunnen zijn (dus: gekwalificeerd uitzonderlijk) dat vereenzelviging van de betrokken (rechts)personen, oftewel het volledig wegdenken van het identiteitsverschil,
de meest aangewezen vorm van redresis (dus: gekwalificeerd aangewezen). [26] En verder dat, waar zo’n vereenzelviging zou leiden tot uitbreiding van aansprakelijkheid van de ene naar een andere (rechts)persoon, zulke uitzonderlijke omstandigheden hoe dan ook ontbreken als sprake is van het in de voorlaatste en laatste zin van het citaat bedoelde geval. Inhoudend dat bij vereenzelviging het door de laatstgenoemde (rechts)persoon aan de schuldeiser verschuldigde bedrag op basis van die aldus uitgebreide aansprakelijkheid hoger is, of kan uitpakken, dan dat van de aanspraak die de schuldeiser heeft jegens die (rechts)persoon uit hoofde van diens eigen aansprakelijkheid (hierna:
dreigende surplus-aansprakelijkheid). Daarvan wil de Hoge Raad niet weten. [27]
Maple Leaf-arrest sauveerde de Hoge Raad vervolgens, in het licht van rov. 3.5 van het
Rainbow-arrest, het bestreden oordeel dat daar vereenzelviging van B (een rechtspersoon) met A (een natuurlijk persoon) een vorm van redres is die te ver gaat reeds vanwege dreigende surplus-aansprakelijkheid. [28] Dit bestreden oordeel luidde: [29]
NJ2000/698).”
Rainbow-arrest. [32] En verder dat hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat C zich op geen enkel ander vermogensbestanddeel van A dan het in B ondergebrachte actief (de villa) kan verhalen. [33] Onder dit gesternte merkte Olaerts recent op, en niet zonder grond, dat “een vordering op basis van vereenzelviging voor de toekomst weinig kans van slagen [heeft].” [34]
Rainbow-arrest, waaronder de passage - weergegeven onder 3.5.1 hiervoor - die mede betrekking heeft op de problematiek van dreigende surplus-aansprakelijkheid. M.i. ziet het hof die passage niet over het hoofd, maar laat het die passage daar bij gebrek aan relevantie in dit geval. Wat betreft grief 1, omdat het processuele debat in het kader van die grief als samengevat in rov. 4.4-4.5 het hof geen reden gaf ter zake aandacht te besteden aan die problematiek, te minder als rov. 4.6 daarbij in ogenschouw wordt genomen. Kort en goed: bij het beroep op vereenzelviging door OIEG is hier geabstraheerd van een (grondslag voor) eigen aansprakelijkheid van de Nederlandse vennootschappen jegens OIEG. Dit zou anders kunnen zijn bij grief 2, in welk kader door OIEG - anders dan bij grief 1 - ter ondersteuning van haar beroep op vereenzelviging is aangevoerd dat sprake is van “onrechtmatige verhaalsfrustratie” jegens haar, in wezen een vorm van misbruik van identiteitsverschil tussen de betrokken rechtspersonen. [49] Zie onder 2.10 sub (a-h en) i-l hiervoor. Maar ook in het kader van grief 2 komt het hof niet toe aan die problematiek, gelet op rov. 4.9. Want als voor zo’n onrechtmatige verhaalsfrustratie onvoldoende is aangevoerd, zoals het hof hier dus vaststelt ten aanzien van OIEG, blijft de vraag naar dreigende surplus-aansprakelijkheid logischerwijs ook hier uit.
klacht a. In rov. 4.3-4.10 van het arrest ligt besloten dat volgens het hof de problematiek van dreigende surplus-aansprakelijkheid in de onderhavige zaak geen aparte behandeling behoeft (rov. 4.4-4.10), reden waarom het hof de vierde en laatste alinea in rov. 3.5 van het
Rainbow-arrest niet ook aanhaalt (rov. 4.3). Bij de onder 3.7.8-3.7.9 hiervoor weergegeven stand van zaken, en bezien tegen de onder 3.7.1-3.7.7 hiervoor geschetste juridische achtergrond, geven die oordelen van het hof m.i. geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Overigens is er geen rechtsregel die meebrengt dat de rechter in zijn uitspraak enig(e) citaat uit of verwijzing naar rechtspraak opneemt. [50] Hierop stuit de klacht af.
klacht b. Ook die strandt in het voetspoor van 3.7.1-3.7.9 hiervoor. Kennelijk herleidt het hof de stellingen van OIEG en PDVSA c.s. waarop de klacht doelt [51] tot het kader van de met grief 2 ontsloten discussie, waarbij OIEG ter ondersteuning van haar beroep op vereenzelviging heeft aangevoerd dat sprake is van “onrechtmatige verhaalsfrustratie” jegens haar. Die uitleg van het procesdossier acht ik niet onbegrijpelijk, gezien de portee van die stellingen en van grief 2. Zie ook onder 2.10 sub (a-h en) i-l hiervoor. Nu het hof in rov. 4.9 uiteenzet waarom OIEG onvoldoende heeft aangevoerd voor de in rov. 4.8 bedoelde onrechtmatige verhaalsfrustratie, behoefde het niet nog weer nader in te gaan op genoemde stellingen die, naar het evenmin onbegrijpelijke oordeel van het hof, de problematiek van dreigende surplus-aansprakelijkheid betreffen. Aan die problematiek wordt dan immers niet toegekomen. Hierop stuit de klacht af.
klacht a.
klacht b.
Ad a [54] draait erom dat het hof bij de toepassing van de voor vereenzelviging geldende norm, waarbij acht moet worden geslagen op de (relevante) omstandigheden van het geval, slechts acht heeft geslagen op een beperkt aantal stellingen en omstandigheden. Voor zover daarin een rechtsoordeel besloten zou liggen met als strekking dat alleen die stellingen relevant of beslissend zouden kunnen zijn, is dat oordeel rechtens onjuist.
Ad b [55] draait erom dat een uitspraak van de U.S. District Court of Delaware [56] en de stellingen van partijen die daarop zien [57] door het hof op geen enkele wijze in de beoordeling zijn betrokken. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de feitelijke vaststellingen in die uitspraak niet relevant zouden kunnen zijn, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof heeft gemeend dat op formele of inhoudelijke gronden geheel aan de bevindingen van die uitspraak voorbij moet worden gegaan, of dat daaraan geen beslissend gewicht toekomt, is de beoordeling ontoereikend gemotiveerd. Het hof geeft immers geen enkele inzage in enige gedachtegang.
Ad c [58] draait erom dat OIEG uitvoerig heeft toegelicht/onderbouwd dat de toegang tot het recht in de kern is aangetast. Want in Venezuela kan zij geen eerlijk proces krijgen ten overstaan van een onafhankelijke rechter, waardoor het onmogelijk is het arbitrale vonnis daar ten uitvoer te leggen. Voor zover het hof heeft gemeend dat die stellingen niet relevant kunnen zijn voor de vraag of vereenzelviging geëigend is, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. [59] In ieder geval geldt dat de beoordeling onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof niet kenbaar op die stellingen is ingegaan. [60]
Ad d [61] draait erom dat het hof wel is ingegaan op enkele specifieke stellingen ten aanzien van PDVSA (rov. 4.4), maar geen enkele aandacht heeft besteed aan uitvoerige specifieke stellingen die al in eerste aanleg zijn ingenomen over de Nederlandse vennootschappen. [62] Dit terwijl het hof zelf sterk de nadruk heeft gelegd op het concrete handelen van de Nederlandse vennootschappen (“zie m.n. rov. 4.3 en 4.6”). De stellingen die in de procedure zijn ingenomen, behelzen veel meer dan "het enkele feit" dat Venezuela de zeggenschap heeft over die vennootschappen (rov. 4.6). Voor zover het hof heeft gemeend dat de omvangrijke stellingen in de inleidende dagvaarding niet relevant (kunnen) zijn voor de vraag of vereenzelviging geëigend is, gaat zijn oordeel uit van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof heeft gemeend aan die stellingen voorbij te mogen gaan, miskent het de devolutieve werking van het hoger beroep. De beoordeling is hoe dan ook onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet kenbaar op die stellingen is ingegaan en aldus geen inzicht geeft in enige onderliggende gedachtegang.
Ad e [63] draait erom dat het hof bepaalde stellingen van OIEG [64] (deels) onder ogen heeft gezien bij de bespreking van de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen (rov. 4.8-4.9), maar daarop ten onrechte, althans in ieder geval niet afdoende gemotiveerd, is ingegaan waar het gaat om de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat vereenzelviging een aangewezen vorm van redres is.
klacht c.
klacht a.
klacht b.
klacht c.
ad a.
ad b.
Rainbow-arrest (zie rov. 4.3). Daarmee dus verwerpend die (blote) stelling van OIEG in grief 1 als basis voor haar beroep op zo’n vereenzelviging.
Rainbow-arrest), is evenwel niet onjuist: zie onder 3.7.1-3.7.7 hiervoor. Bij deze stand van zaken behoefde dit oordeel evenmin een nog weer nadere motivering. Waarom dit laatste anders zou zijn, legt de klacht hier ook op geen enkele wijze uit. Voor zover die ter zake nog (bloot) poneert dat het hof “geen enkele inzage in enige gedachtegang [geeft]”, ontbeert de klacht hier dus eveneens feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
ad c.
Rainbow-arrest geformuleerde ondergrens voor genoemde vereenzelviging nog niet gehaald. Dit oordeel is onbegrijpelijk noch onjuist. Zie onder 3.16.1, aanhef en sub (i)-(iii) en 3.7.1-3.7.7 hiervoor. Die lacune kan uiteraard niet worden opgevuld met de in rov. 4.6, laatste zin bedoelde gesubstantieerde omstandigheden, die immers niet aanwijsbaar (mede) betrekking hebben op de Nederlandse vennootschappen. Zie onder 3.17.2 hiervoor.
ad d.
ad e.
rov. 4.14 van het vonnis, specifiek de zinsnede “(…) het verwijt maakt dat Venezuela doelbewust de executie van haar buitenlandse vermogensbestanddelen frustreert door deze op dusdanige wijze te structureren dat deze buiten bereik van haar schuldeisers blijven (…).”
klacht a.
klacht b.
klacht a.
klacht b.
sub (i)gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist dus feitelijke grondslag, nu de klacht veronderstelt dat volgens het hof in rov. 4.6, laatste zin grief 1 reeds moet worden verworpen, omdat gesteld noch gebleken is dat de Nederlandse vennootschappen enige (in)directe bemoeienis hebben gehad met de in rov. 4.5, tweede zin bedoelde handelwijze van Venezuela. Wat het hof wel doet in rov. 4.6 ter verwerping van grief 1 is, zoals gezegd, meergelaagd en prima te volgen. Zie onder 3.23.5 hiervoor.
sub (ii)gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist dus feitelijke grondslag. De verwijzing in rov. 4.6, laatste zin naar “de onder 4.5 geschetste gang van zaken” slaat immers niet (ook) terug op de in rov. 4.5, derde zin bedoelde stelling van OIEG inzake (schijn)rechtspersoonlijkheid. Zie onder 3.16.1, aanhef en sub (iv)-(v) hiervoor.
sub (iii)baat OIEG evenmin. In ’s hofs uitleg van de in rov. 4.5, vierde zin bedoelde stellingname van OIEG inzake onmogelijkheid van executie van vermogensbestanddelen van Venezuela, gaat het niet (ook) om de sub (iii) aangehaalde stellingen van OIEG over vermogensafscherming en verhaalsfrustratie door de Nederlandse vennootschappen. Die uitleg is niet onbegrijpelijk. Zie onder 3.16.1, aanhef en sub (iv)-(v) hiervoor. Reeds daarop loopt de klacht hier vast.
klacht a.
klacht b.
klacht c.
klacht a.
klacht b.
klacht c.
Transporte Saet-arrest (rov. 4.13.1-4.13.4). Het overweegt dat dat arrest en het leerstuk van vereenzelviging in het bijzonder beogen misbruik te voorkomen. Het oordeelt dat “niet aannemelijk” is dat het de bedoeling zou zijn geweest op basis van een beperkt aantal specifieke omstandigheden private ondernemingen aansprakelijk te houden voor schulden van Venezuela (rov. 4.17-4.18). Privaatrechtelijke rechtspersonen die nauw verweven zijn met de staat kunnen niet “zonder meer aansprakelijk” worden gehouden voor staatsschulden (rov. 4.19). Het hof verwerpt vervolgens (kennelijk) de rechtsopvattingen van (de deskundige van) OIEG (rov. 4.19, eerste en vierde zin). Het laat evenwel na zelf (kenbaar) de inhoud van het toepasselijk recht vast te stellen. Voor zover het hof meent dat het kon volstaan met de verwerping van partijstandpunten over het toepasselijke recht, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. De rechter moet ambtshalve het recht toepassen en dus uit eigen beweging de juiste rechtsregel identificeren en aan zijn beslissing ten grondslag leggen (art. 10:2 BW Pro). De beoordeling is hoe dan ook onvoldoende gemotiveerd. Aan het einde van de rit maakt het hof immers geenszins duidelijk wat de juiste rechtsregel is naar het recht van Venezuela. Het hof sluit niet uit dat sprake kan zijn van vereenzelviging, maar maakt ook niet duidelijk aan welke criteria precies moet worden getoetst in een geval als dit waarbij sprake is van staatsbedrijven. Dit is
klacht a. [103]
klacht b. [104]
klacht c. [106]
klacht a.
Transporte Saet-arrest dat dit het geval is. PDVSA c.s. is echter van mening dat dit niet uit genoemd arrest volgt.
Transporte Saet-arrest.
Organic Law for Hydrocarbons(of aanverwante wet- en regelgeving) volgt dat de Venezolaanse vennootschappen aansprakelijk zijn voor schulden van Venezuela. Daarmee verwerpt het hof het in rov. 4.14 bedoelde betoog van OIEG.
Transporte Saet-arrest. Dit betoog verwerpt het hof in rov. 4.17-4.19.
Transporte Saet-arrest het oogmerk had de mogelijkheid te openen dat privaatrechtelijke rechtspersonen aansprakelijk zijn voor schulden van Venezuela op de grond dat, kort gezegd, Venezuela als enig aandeelhouder van de moedermaatschappij een (doorslaggevende) zeggenschap heeft over de privaatrechtelijke rechtspersonen en de Venezolaanse vennootschappen economisch, organisatorisch en politiek verregaand verweven zijn met Venezuela. Integendeel, uit de bewoordingen van het
Transporte Saet-arrest volgt veeleer dat de Constitutionele Kamer het oog heeft op ondernemingen en privaatrechtelijke rechtspersonen die als een groep aan het economische verkeer deelnemen met als gevolg dat er een risico bestaat op misbruik van rechtspersoonlijkheid.
Transporte Saet-arrest omgekeerde vereenzelviging mogelijk maakt en of de ingestelde vordering verband moet houden met de gezamenlijke economische activiteiten van de te vereenzelvigen entiteiten.
klacht b.
klacht c.