3.5Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende strafmotivering opgenomen:
“Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich op 24 juli 2021 schuldig gemaakt aan het bedreigen met de dood van een buurtgenoot [betrokkene 2] . Daarmee heeft de verdachte deze [betrokkene 2] vrees aangejaagd. Drie maanden later heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [aangever] . Beide feiten zijn zonder enige aanwijsbare reden gepleegd. Verder komt uit het dossier naar voren dat sprake is geweest van eerdere voorvallen met (onder meer voornoemde) buurtbewoners. De door verdachte gepleegde strafbare feiten hebben in zijn woonomgeving grote onrust en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt, zoals onder meer tot uitdrukking is gebracht door [betrokkene 2] bij de uitoefening van het spreekrecht ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 april 2022, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit onder meer blijkt dat hij op 2 augustus 2021 is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke, taakstraf, welke straf op 17 augustus 2021 onherroepelijk is geworden. Aan het voorwaardelijke strafdeel waren bijzondere voorwaarden verbonden. De verdachte heeft het in de zaak met parketnummer 01-290009-21 bewezenverklaarde aldus gepleegd tijdens de proeftijd van deze veroordeling. Voorts is de verdachte in 2014 tweemaal veroordeeld, eenmaal ter zake van mishandeling tot een taakstaf en eenmaal ter zake van mishandeling, bedreiging en wederspannigheid tot een gevangenisstraf en daarnaast een voorwaardelijke taakstraf.
Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te begaan.
Voorts heeft het hof kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsrapport d.d. 10 juni 2022 en van hetgeen de reclasseringswerker [betrokkene 3] ter terechtzitting in hoger beroep als deskundige omtrent de huidige persoonlijke situatie van de verdachte heeft verklaard. Vanuit de reclassering zijn verschillende interventies en trajecten ingezet, maar deze zijn allemaal mislukt. De verdachte heeft verschillende kansen gekregen maar blijft in contact komen met politie en justitie en haakte niet aan bij de hulp en begeleiding die hem werd geboden. Zo is hij naar aanleiding van het vonnis in onderhavige zaak opgenomen in een forensisch psychiatrische kliniek, maar heeft hij deze kliniek na welgeteld één dag uit eigen beweging verlaten. Kort na het klinische traject is nog een ambulant hulpverleningstraject gestart en heeft hij eenmaal een depotmedicatie gebruikt. Ook dit traject is echter voortijdig afgebroken. Dat alles maakte dat de reclassering in voormeld advies aangaf dat een voorwaardelijke straf met toezicht en een ambulant hulpverleningstraject geen mogelijkheden biedt tot gedragsverandering of verandering in de leefomgeving. Wel wordt een klinisch traject, zoals eerder door de reclassering is geadviseerd, nog steeds gezien als mogelijke optie om alsnog tot gedragsverandering te kunnen komen. De reclassering schat in datzelfde rapport de haalbaarheid van dit traject, gezien de huidige opstelling van de verdachte, echter in op
heel laag. Een en ander is ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 juni 2022 toegelicht door de reclasseringswerker. Zij gaf aan dat een klinisch traject weliswaar de beste kans zou bieden om tot gedragsverandering te komen, maar benadrukte dat zij dit traject niet haalbaar acht. Verder verklaarde zij dat zij op 15 juni 2022, één dag voor de terechtzitting in hoger beroep, nog een e-mailbericht van de verdachte had ontvangen, waarin hij te kennen gaf zich geheel niet te kunnen vinden in de inhoud van het rapport en niet opgenomen te willen worden in een kliniek.
Gelet op het voorgaande is het hof niet gebleken van enig inzicht bij de verdachte in het kwalijke van zijn gedrag en motivatie om aan zichzelf te werken en zijn gedrag te veranderen. Het hof merkt in dat kader voorts op dat de verdachte zelf hoger beroep heeft ingesteld, maar vervolgens - zonder opgaaf van redenen - niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen.
Het hof is onder deze omstandigheden van oordeel dat het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals de rechtbank heeft gedaan, al dan niet met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden thans een gepasseerd station is. Ook een taakstraf acht het hof niet passend. Deze straffen en hulpverleningstrajecten hebben immers geen effect gehad, terwijl de verdachte tijdens en ondanks begeleiding door de reclassering wederom is gerecidiveerd.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het vorenstaande, in verband met een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, waarvan 3 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het hof acht gelet op het voorgaande geen termen aanwezig om aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden te verbinden.
Wel zal het hof ten behoeve van het voorkomen van nieuwe strafbare feiten overgaan tot oplegging van twee vrijheidsbeperkende maatregelen ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, te weten een contactverbod met het slachtoffer [betrokkene 2] en zijn partner [betrokkene 4] , en een locatieverbod om zich binnen een straal van 6 meter van het perceel van hun woning, aan het [b-straat 1] te [plaats] te begeven. Deze contact- en locatieverboden zullen worden opgelegd voor de duur van 5 jaren. Het hof zal daarbij bepalen dat indien deze verboden worden overtreden, per overtreding 2 weken vervangende hechtenis zal worden toegepast, waarbij de totale duur van de vervangende hechtenis ten hoogste 6 maanden bedraagt.
Gelet op:
de omstandigheid dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-226576-21 tenlastegelegde heeft begaan jegens een slachtoffer dat in dezelfde straat als de verdachte woonde en nog steeds woont;
de wijze waarop de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan (zonder enige direct aanwijsbare aanleiding en volstrekt plotseling);
het feit dat de verdachte op geen enkele wijze wenst mee te werken aan welke hulpverlening en begeleiding dan ook;
het rapport van de reclassering waarin wordt gerelateerd dat bij de verdachte geen inzicht in de eigen problematiek noch veranderbehoefte aanwezig is en dat de reclassering een ambulant hulpverleningstraject en/of een klinisch traject niet haalbaar acht en
de verklaring van de reclasseringswerker ter terechtzitting in hoger beroep dat zij - hoewel het recidiverisico in voornoemd advies op basis van het risicotaxatie-instrument OXREC als laag wordt ingeschat en via bestuursrechtelijke maatregelen wordt getracht recidive te voorkomen - verwacht dat de verdachte ‘getriggerd’ kan worden wanneer spanningen hoog oplopen en hij zich dan niet in de hand kan houden en het mis kan gaan,
is het hof van oordeel dat geenszins ondenkbaar is dat de verdachte bij oplopende spanningen wederom de fout in zal gaan. Derhalve is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens zijn buurtgenoten. Het hof zal mitsdien de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht bevelen.”
Juridisch kader