Conclusie
1.Curaçao Airport Holding N.V. (hierna: CAH)
Hasco)
CAH c.s., in vrouwelijk enkelvoud)
Wijnmakerij)
1.Feiten
bestreden vonnisen het
hof).
CAP).
Landhuis). Het project heette ‘Curaçao Winery’ (hierna: de
Winery).
MoU). Aan het MoU was een concept-huurovereenkomst en een concept-erfpachtovereenkomst gehecht.
Burgerluchtvaart Authoriteit) in relation to the designated use in accordance with Article 1 of this Agreement.”
CCAA) en Wijnmakerij. Dit naar aanleiding van berichten dat er weinig kans was dat CCAA de gevraagde
clearancezou geven, omdat de wijngaard van Wijnmakerij vogels zou aantrekken. Tijdens die bespreking is besloten tot een algemeen onafhankelijk onderzoek door internationale experts van ACI [3] naar de risico’s van
birdstrikesop en rond de luchthaven Hato. CAP zou optreden als opdrachtgever en CAH zou het onderzoek financieren.
[betrokkene 1]), namens CAH c.s. aan Korpodeko, om de lening aan Wijnmakerij uit te betalen. In overleg met Wijnmakerij heeft CAH c.s. bij brief van 2 maart 2016 formeel een verzoek ingediend bij CCAA voor het afgeven van de
clearance, zoals bedoeld in art. 2 lid 1 sub c van Pro de erfpachtovereenkomst.
ICAO).
clearancete verlenen.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
birdstrikesrondom de luchthaven Hato aan Wijnmakerij te doen toekomen.
Gerecht) de incidentele vordering van CAH c.s. afgewezen.
eindvonnis) heeft het Gerecht de vorderingen van Wijnmakerij (in de hoofdzaak) afgewezen en haar veroordeeld in de kosten.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
clearancevoor de door Wijnmakerij voorgenomen activiteiten af te geven. Meer in het bijzonder miskent het hof dat in beginsel geen aansprakelijkheid kan worden aangenomen ten aanzien van door een partij opgewekte verwachtingen over de wijze van uitoefening van een bevoegdheid van en door een derde, behoudens bijzondere omstandigheden. Dit werkt het subonderdeel als volgt uit, onder verwijzing naar de
Provincie Gelderland/Vitesse c.s.-arresten van de Hoge Raad. [10] In dit verband komt met name gewicht toe aan de vraag of een voorbehoud is gemaakt ten aanzien van de bevoegdheden van CAH c.s. ten opzichte van CCAA. Het hof geeft in rov. 3.9-3.10 van het bestreden vonnis geen blijk ervan acht te slaan op dat juridische uitgangspunt. Daarbij geldt in cassatie (veronderstellenderwijs) als uitgangspunt dat de door Wijnmakerij te verkrijgen
clearancevan CCAA als uitdrukkelijke contractuele opschortende voorwaarde onderdeel uitmaakte van de erfpachtovereenkomst, en dat Wijnmakerij wist dat CCAA een ten opzichte van CAH c.s. zelfstandige instantie met eigen beslissingsbevoegdheid was. Bij die stand van zaken kon het hof rechtens niet tot het oordeel komen dat CAH c.s. onrechtmatig jegens Wijnmakerij heeft gehandeld, althans dat Wijnmakerij door de gedragingen van CAH c.s. erop mocht vertrouwen (gerechtvaardigd dus) dat het met die
clearancewel goed zou komen.
Provincie Gelderland/Vitesse c.s.-arresten van de Hoge Raad. En wel omdat het subonderdeel in zoverre redeneert vanuit een opvatting die geen steun vindt in het recht.
clearance) van CCAA) slechts een formaliteit zou zijn.
clearancezou afgeven voor de activiteiten van Wijnmakerij op gronden naast het vliegveld. Een nadere motivering op dat punt mocht te meer van het hof worden verwacht in het licht van het feit dat het risico met betrekking tot verkrijging van de
clearancein de vorm van een door Wijnmakerij ondertekende opschortende voorwaarde in de erfpachtovereenkomst bij Wijnmakerij was neergelegd.
vervolgensuiteenzet in rov. 3.10. [21]
clearancezou afgeven voor de activiteiten van Wijnmakerij op gronden naast het vliegveld.” Hetzelfde geldt voor “op dat punt”, waarmee het subonderdeel voortbouwt op deze onjuiste veronderstelling.
Gemeente ’s-Hertogenbosch/[…]-arrest van de Hoge Raad, [26] ten betoge dat het rechtens wel degelijk van belang is voor de vraag of CAH c.s. onrechtmatig jegens Wijnmakerij heeft gehandeld of CAH c.s. wel of niet heeft medegedeeld of de toestemming van CCAA slechts een formaliteit betrof. [27] Nu CAH c.s., zoals in cassatie (veronderstellenderwijs) tot uitgangspunt dient, niets mondeling of schriftelijk aan Wijnmakerij heeft medegedeeld over de kans dat CCAA een
clearancezou afgeven voor de activiteiten van Wijnmakerij, geldt reeds dat geen sprake kan zijn van enig gerechtvaardigd vertrouwen bij Wijnmakerij dat die
clearanceslechts een formaliteit betrof. Althans had het hof in dat verband moeten onderzoeken of het niet op de weg van Wijnmakerij had gelegen nadere vragen aan CAH c.s. te stellen of onderzoek te doen naar de kans dat CCAA de benodigde
clearancezou afgeven. Dat geldt eens te meer nu, zoals in cassatie ook (veronderstellenderwijs) tot uitgangspunt dient, die
clearanceeen opschortende voorwaarde vormde onder de erfpachtovereenkomst waarbij het contractuele risico voor verkrijging van die
clearancedus bij Wijnmakerij was neergelegd. [28] De aard van deze rechtsverhouding brengt eens te meer mee dat tijdens en na het sluiten van de erfpachtovereenkomst niet zonder meer op basis van gedragingen van CAH c.s. gerechtvaardigd vertrouwen van Wijnmakerij kan worden aangenomen dat de
clearancevan CCAA (een derde partij) slechts een formaliteit was.
clearance) van CCAA slechts een formaliteit betrof, reeds omdat - zoals in cassatie (veronderstellenderwijs) tot uitgangspunt dient - CAH c.s. ter zake niets mondeling of schriftelijk aan Wijnmakerij heeft medegedeeld, loopt het subonderdeel erop vast deze (categorische) opvatting geen steun vindt in het recht.
Gemeente ’s-Hertogenbosch/[…]-arrest van de Hoge Raad. Dit betrof een wezenlijk ander geval dan voorligt in onze zaak, want draaide om de te onderscheiden vraag “of een gemeente onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven aan een belanghebbende, naar aanleiding van een door deze gedaan verzoek, over de mogelijkheden die haar regelgeving - in dit geval een bestemmingsplan - die belanghebbende biedt en of die gemeente om die reden onrechtmatig heeft gehandeld jegens de belanghebbende”. [29] Wat de Hoge Raad daarin vervolgens overweegt, [30] en waaruit het subonderdeel put, staat in de sleutel van díe specifieke vraag. Daarmee is nog niks gezegd over het geval dat voorligt in onze zaak. [31]
clearancezou afgeven, loopt het reeds vast op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het bestreden vonnis. Ik licht ook dit toe.
birdstrikesof andere risico’s voor de burgerluchtvaart alvorens zij de opschortende voorwaarde van die toestemming in de erfpachtovereenkomst dicteerde. Had CAH c.s. dit onderzoek verricht, dan had zij kunnen weten dat die voorwaarde naar alle waarschijnlijkheid nooit in vervulling zou zijn gegaan. Aldus komt het hof ook tot verwerping van het verweer van CAH c.s., samengevat in rov. 3.6, dat zij geen onderzoeksplicht had.
clearancevan CCAA een door Wijnmakerij getekende opschortende voorwaarde in de erfpachtovereenkomst vormde. Het contractuele risico voor de benodigde toestemming is zo in de vorm van die opschortende voorwaarde bij Wijnmakerij neergelegd. De stelplicht en bewijslast dat die voorwaarde is vervuld, rusten op Wijnmakerij. Voor CAH c.s. geldt slechts een contractuele inspanningsverplichting om medewerking te verlenen bij het vragen van toestemming aan CCAA, zoals CAH c.s. heeft gesteld. Nu de
clearanceeen duidelijk contractueel voorbehoud vormde voor de juridische verbindendheid van de erfpacht, en dus ook een duidelijk voorbehoud vormde met betrekking tot de volgens het hof door CAH c.s. gewekte indrukken, valt niet in te zien waarom Wijnmakerij desondanks erop mocht vertrouwen (gerechtvaardigd dus) dat de
clearanceslechts een formaliteit was. Te minder nu het hof geen inzicht geeft in de vraag waarom het niet op de weg van Wijnmakerij had gelegen nadere vragen aan CAH c.s. te stellen of zelf onderzoek te doen naar de haalbaarheid van de benodigde
clearance.
clearance) van CCAA als opschortende voorwaarde in de erfpachtovereenkomst rechtvaardigt niet de conclusie dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk is.
CAH c.s. [33] de indruk heeft gewekt dat vervulling van die voorwaarde geen probleem zou opleverenen, zo ja,
Wijnmakerij daarop ook mocht vertrouwen. [34]
clearance. Dit doet het hof m.i. wel. Zie onder 3.10.4-3.10.7 hiervoor. Opmerking verdient tot slot dat het subonderdeel nergens verwijst naar een stelling van CAH c.s. (laat staan met vindplaats), behoudens de stelling dat op CAH c.s. wat betreft het vragen van die toestemming slechts een contractuele inspanningsplicht tot verlening van medewerking rustte.
clearancevan CCAA (een van CAH c.s. onafhankelijke derde) om de sub (i)-(vii) genoemde, in onderlinge samenhang te beschouwen redenen.
(i).
clearancevan CCAA was gemaakt, valt immers zonder nadere motivering niet in te zien waarom enig gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend aan een eerdere concept-overeenkomst waarin die opschortende voorwaarde nog niet stond, bij gebreke van enige mededeling daarover van de kant van CAH c.s. en van nadere vragen of onderzoek daaromtrent van de kant van Wijnmakerij, waarover het hof niets heeft vastgesteld.
gerechtvaardigd vertrouwde [37] niet (ook) op de in rov. 3.10, eerste zin genoemde omstandigheid dat in de aanloop van de te sluiten erfpachtovereenkomst er reeds een concept-erfpachtovereenkomst lag, waarbij de toestemming van CCAA geen opschortende voorwaarde was. Zie ook onder 3.6.4 hiervoor. En overigens onder 3.12.1-3.12.6 hiervoor.
(ii).
clearancevan CCAA wel goed zou komen.
clearancevan CCAA wel goed zou komen”. Het is zonneklaar dat het hof dit nergens oordeelt, ook niet in rov. 3.10. Ook overigens loopt het subonderdeel hier vast. Klaarblijkelijk (zie ook rov. 3.6) leest het hof in de gedingstukken zijdens CAH c.s. niet dat zij haar van begin mei 2014 daterende ‘eigen risico-waarschuwing’ aan het adres van Wijnmakerij waarop het subonderdeel hier doelt, heeft gerelateerd, laat staan op hier relevante wijze, aan de opschortende voorwaarde inzake toestemming (
clearance) van CCAA als uiteindelijk opgenomen in de erfpachtovereenkomst van september 2015. Onbegrijpelijk is dit niet, zoals wordt geïllustreerd door de vindplaatsen die het subonderdeel hier noemt. [38] Daarmee is geen sprake van een essentiële stelling van CAH c.s. als bedoeld sub (ii).
(iii).
clearancevan CCAA.
(iv).
clearancevan CCAA slechts een formaliteit was, is het onbegrijpelijk.
In de eerste plaatsmaakt het hof zich aldus schuldig aan een “onbegrijpelijke cirkelredenering”. Het hof baseert het gerechtvaardigde vertrouwen van Wijnmakerij over verkrijging van de
clearancenamelijk op de omstandigheid dat Wijnmakerij een leningsovereenkomst sloot met Korpodeko. Zij zou die leningsovereenkomst echter hebben gesloten,
omdatCAH c.s. de indruk had gewekt dat de
clearancevan CCAA een formaliteit zou zijn. Het gerechtvaardigde vertrouwen trekt zich in die redenering aan de eigen haren uit het moeras. [41] Ook los daarvanis de oordeelsvorming van het hof op dit punt onbegrijpelijk. Deze “financiering” doet namelijk niet af aan de door Wijnmakerij getekende opschortende voorwaarde met betrekking tot de
clearancevan CCAA in de erfpachtovereenkomst, althans maakt het hof niet inzichtelijk waarom dat wel zo zou zijn. De “financiering” doet ook inhoudelijk niet af aan de vraag of Wijnmakerij voldeed aan de voorwaarden voor de
clearance. Datzelfde geldt voor de “bevestiging van akkoord” met de financiering zijdens CAH c.s. en het te vestigen hypotheekrecht op de erfpachtovereenkomst. Zonder nadere, ontbrekende toelichting van het hof valt evenmin in te zien waarom in dit verband van belang zou zijn dat het een “feit van algemene bekendheid” is dat geldverstrekkers zekerheid willen hebben en voor Korpodeko dit het vestigen van het hypotheekrecht op de erfpachtovereenkomst vormde. Dit feit laat immers onverlet dat, zoals het hof in rov. 3.8 van het bestreden vonnis zelf heeft vastgesteld, de opschortende voorwaarde van de erfpachtovereenkomst niet is vervuld en, aldus nog steeds het hof, er geen erfpachtovereenkomst tot stand is gekomen. Daaruit volgt dat de door Korpodeko gewenste zekerheid niet kon worden verkregen, althans dat die zekerheid afhankelijk was van het verkrijgen van de
clearancevan CCAA door Wijnmakerij.
clearancevan CCAA slechts een formaliteit was, althans dat Wijnmakerij een leningsovereenkomst sloot met Korpodeko. Het is zonneklaar dat het hof dit nergens oordeelt, ook niet in rov. 3.10. Zie mede onder 3.6.4 en 3.6.6 hiervoor. Ook voor het overige loopt het subonderdeel hier vast. Wat betreft de verwijzing naar “een onbegrijpelijke cirkelredenering” volgt dit al uit het voorgaande. Voor hetgeen komt na “Ook los daarvan”, etc. kan ik volstaan met het volgende. De crux van wat het hof overweegt in rov. 3.10 over de kenbare betrokkenheid en wetenschap van CAH c.s. inzake de leningsovereenkomst is dat, gezien de daar uitgelichte aard en voorziene/voorzienbare consequenties van die betrokkenheid en wetenschap, ook dit suggereerde dat volgens CAH c.s. de toestemming van CCAA er wel zou komen (anders had CAH c.s. zich hier niet zo opgesteld) en in het bijzonder het soortelijk gewicht van dit een en ander bijdraagt aan het aannemen van het gerechtvaardigde vertrouwen van Wijnmakerij (“Maar belangrijker nog voor”, etc.). Deze redenering van het hof is prima te volgen. In dit verband behoefde geen verdere toelichting wat het hof overweegt in rov. 3.10, zevende zin over een “feit van algemene bekendheid”; hetgeen het subonderdeel daarover opmerkt sub (iv) aan het slot, onder verwijzing naar rov. 3.8, ziet voorbij aan die crux. Hetzelfde lot treft hetgeen het subonderdeel hier opmerkt over de “financiering”, de “bevestiging van akkoord” en waaraan dit niet zou afdoen; dit ziet eveneens voorbij aan die crux en overigens aan de breder opgezette redenering in rov. 3.10. Zie ook onder 3.12.1-3.12.6 hiervoor.
(v).
clearancevan CCAA misschien geen vergunningsvereiste was, maar wel een wettelijk vereiste voor het verrichten van agrarische activiteiten naast het vliegveld. Bovendien laat deze omstandigheid onverlet dat de vereiste
clearanceals opschortende voorwaarde aan de geldigheid van de erfpachtovereenkomst in de weg stond, zoals het hof zelf in rov. 3.8 van het bestreden vonnis heeft vastgesteld, zodat, nu het hof geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang waarom toch van belang zou zijn dat de
clearancegeen wettelijk vergunningsvereiste was, zijn oordeel evenzeer ontoereikend is gemotiveerd.
clearancegeen wettelijk vergunningsvereiste was, zoals vermeld in rov. 3.10, vierde zin. Dit inzicht geeft het hof wel. Zie onder 3.10.4-3.10.7 hiervoor. Daarmee ontvalt tevens de bodem aan wat het subonderdeel verder nog opmerkt vanaf “Bovendien”, etc., hetgeen steunt op die onjuiste veronderstelling. Ook voor het overige loopt het subonderdeel hier vast. Het hof onderkent de stelling van CAH c.s. dat “de toestemming van CCAA wel een wettelijk vereiste [is]” (zie rov. 3.6). [42] Dit ziet het hof dus als verweer van CAH c.s. tegen de stelling van Wijnmakerij, kort gezegd, dat het vereiste van toestemming van CCAA (voor de vestiging en exploitatie van een wijngaard in de buurt van de luchthaven van Curaçao) niet in de Curaçaose wetgeving is vermeld. Daarin staan wel vergunningsvereisten, maar is die toestemming niet als vergunningsvereiste vermeld, aldus nog steeds Wijnmakerij (zie rov. 3.4 inzake grief 1-3; alsook rov. 3.7, tweede zin, aanhef en sub (iii)). Blijkens rov. 3.10, vierde zin gaat het hof mee met die stelling van Wijnmakerij, daarmee die stelling van CAH c.s. verwerpend. Zie ook onder 3.10.6-3.10.7 hiervoor. Hieruit volgt dat het hof, anders dan het subonderdeel ter zake veronderstelt, wel degelijk expliciet ingaat op die stelling van CAH c.s. Waarom dit laatste niet door de beugel zou kunnen, zet het subonderdeel sub (v) verder niet uiteen: het vervolgt daarin met “Bovendien”, etc., waarover hiervoor. [43] Ook overigens ontwaar ik sub (v) geen separate klacht die nog behandeling behoeft.
(vi).
birdstrikesof andere risico’s voor de burgerluchtvaart, is dit oordeel evenzeer ontoereikend gemotiveerd. Het hof had in dat verband expliciet acht moeten slaan op het essentiële betoog van CAH c.s. dat de laatste keer dat agrarische activiteiten plaatsvonden naast of rondom het vliegveld, nog dateerde uit de periode voordat relevante internationale regelgeving over het toestaan van agrarische activiteiten naast een vliegveld in 2001 in Curaçao is geïmplementeerd. Dat het de eerste keer was dat CCAA te maken kreeg met een project als dat van Wijnmakerij. En dat het ook de eerste keer was dat een formeel verzoek werd gedaan in het kader van het hebben van landbouwgrond rondom de luchthaven onder dat nieuwe wettelijke kader. De veiligheid van de luchthaven en het luchtverkeer staan bovendien bovenaan en gaan voor andere economische belangen, zoals CAH c.s. heeft aangevoerd. Deze stellingen zijn essentieel, omdat zij tot geen andere conclusie kunnen leiden dan dat nog niet eerder een verzoek voor agrarische activiteiten aan CCAA was gedaan onder het geldende regelgevende kader, zodat niet relevant is dat misschien in een verder verleden agrarische activiteiten bij de luchthaven zijn verricht. En dat bovendien om die reden allerminst zeker was dat, gelet op het belang van veiligheid van de luchthaven en het luchtverkeer, toestemming zou worden verkregen voor de activiteiten van Wijnmakerij. Dit feit brengt mee dat irrelevant is of noodzakelijk een causaal verband bestaat tussen de wijngaard van Wijnmakerij en
birdstrikesof andere risico’s voor de burgerluchtvaart, zoals het hof heeft overwogen.
(vii).
clearanceaf te geven. Daaruit volgt immers ontegenzeggelijk dat CAH c.s. op dat moment niet in de veronderstelling verkeerde dat het met die
clearancewel goed zou komen.
clearanceaf te geven, staat zonder meer niet eraan in de weg dat CAH c.s. op een eerder moment gedurende dit onderzoek nog ervan uitging dat de toestemming van CCAA er wel zou komen, zoals besloten ligt in ‘s hofs vaststelling in rov. 3.10, negende zin van het bestreden vonnis (“CAH c.s. hebben zelfs - lopende het onderzoek van ACI -”, etc.). Anders gezegd: uit dit betoog volgt
nietontegenzeggelijk dat CAH c.s., toen zij - lopende dit onderzoek - Korpodeko verzocht over te gaan tot uitbetaling van gelden onder de leningsovereenkomst, niet in de veronderstelling verkeerde dat het met die
clearancewel goed zou komen. Het hof leest in de gedingstukken zijdens CAH c.s. geen stelling ter zake die noopte tot een nadere motivering. Onbegrijpelijk is dit niet. Illustratief is dat uit de vindplaatsen die het subonderdeel hier aanhaalt in essentie niet meer blijkt dan genoemd betoog, waarbij CAH c.s. die mededeling van CCAA herleidt tot een e-mail van CCAA van 25 mei 2016. [47] Dit terwijl voordien door Wijnmakerij al was aangevoerd dat [betrokkene 1] namens CAH c.s. bij brief van 19 februari 2016 - dus ruim drie maanden eerder - Korpodeko heeft verzocht de lening aan Wijnmakerij uit te betalen, aan welk verzoek Korpodeko geen gehoor heeft gegeven. [48] Kortom: hier is geen sprake van een essentiële stelling van CAH c.s. als bedoeld sub (vii).
Het hof baseert zijn oordeel ten onrechte op toerekening naar verkeersopvattingen (rov. 3.10-slot, rov. 3.11)”
)
birdstrikesof andere risico’s zou onderzoeken voordat zij de opschortende voorwaarde in de erfpachtovereenkomst opnam. Het subonderdeel werkt dit als volgt uit.
clearancevoor de activiteiten van Wijnmakerij af te geven, zoals CAH c.s. onderbouwd heeft uiteengezet. Dit is
klacht a.
clearancevoor Wijnmakerij’s activiteiten naast het vliegveld. Die bevoegdheid lag bij CCAA, zoals CAH c.s. uitgebreid onderbouwd heeft betoogd. Dit is
klacht b.
klacht c.
klacht a.
birdstrikesof andere risico’s voor de burgerluchtvaart zou onderzoeken alvorens zij de opschortende voorwaarde van toestemming van CCAA in de erfpachtovereenkomst dicteerde. Als CAH c.s. dit had onderzocht, zo vervolgt het hof in rov. 3.11, laatste zin, dan had zij kunnen weten dat die voorwaarde naar alle waarschijnlijkheid nooit in vervulling zou zijn gegaan.
klacht b.
clearancevoor Wijnmakerij’s activiteiten naast het vliegveld. Want nergens in rov. 3.10-3.11 komt naar voren dat het hof inzake de onder 3.31.1 hiervoor bedoelde onderzoeksplicht van CAH c.s. redeneert vanuit zo’n publiekrechtelijke bevoegdheid of verantwoordelijkheid (laat staan van CAH en/of Hasco).
klacht c.
clearancevan CCAA (een derde) een wettelijk vereiste vormde voor het verrichten van agrarische bedrijfsactiviteiten in de buurt van het vliegveld. Uit die stellingen volgt immers dat, anders dan het hof in rov. 3.11 overweegt, geen voorwaarden zijn gedicteerd door CAH c.s. en het vereiste van de
clearanceniet slechts vanuit CAH c.s., maar juist op grond van de wet als voorwaarde voor de activiteiten van Wijnmakerij moest worden gesteld. Het hof had deze stellingen in zijn oordeel moeten verdisconteren, omdat zij een wezenlijk ander licht werpen op wat de verkeersopvattingen in dit geval van CAH c.s. vergden. Wanneer voorwaarden niet worden gedicteerd, maar op basis van onderhandelingen tussen twee professionele partijen worden overeengekomen, en het risico voor de wettelijk vereiste
clearancebij Wijnmakerij wordt neergelegd, kan, anders dan het hof overweegt, niet zonder meer worden vastgesteld dat een onterechte veronderstelling over de
clearancezijdens CAH c.s. naar verkeersopvatting voor haar rekening komt.