AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vermindering betalingsverplichting wegens overschrijding redelijke termijn bij ontnemingsvordering uit overtreding Diergeneesmiddelenwet
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof 's-Hertogenbosch waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel van een verdachte is vastgesteld op €411.085,- met een betalingsverplichting van €308.313,- aan de Staat. Het betreft ontneming van voordeel uit het afleveren van niet-geregistreerde diergeneesmiddelen in Nederland, over de periode april 1995 tot en met 22 november 2003.
De verdediging voerde onder meer aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn waardoor een adequate verdediging niet meer mogelijk was. Dit verweer werd door het hof verworpen omdat de verdachte een administratieplicht had en gedurende de procedure voldoende gelegenheid had tot het aanvoeren van bewijs en stukken.
De Hoge Raad bevestigt dat de berekeningsmethode van het wederrechtelijk verkregen voordeel zorgvuldig is toegepast, waarbij onder meer gebruik is gemaakt van het VAP-programma en pakbonnen, en dat alleen directe kosten in mindering zijn gebracht. Wel acht de Hoge Raad de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie zodanig dat dit leidt tot vermindering van de betalingsverplichting. De overige middelen worden verworpen. De Hoge Raad vernietigt het arrest slechts voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betreft en vermindert deze volgens de gebruikelijke maatstaf.
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 29 juli 2021 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 411.085,- en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van € 308.313,- aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bespreking van een verweer, de bewijsmiddelen, de onderbouwing van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in het bestreden arrest en enkele passages uit de pleitnota weer. [1]
De verwerping van een verweer, de bewijsmiddelen, de onderbouwing van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en passages uit de pleitnota
4. Het hof heeft een verweer inzake de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering als volgt verworpen:
‘ Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering
De verdediging heeft de in eerste aanleg gevoerde verweren die leiden tot haar conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering dient te worden verklaard, wederom gevoerd.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van het tijdverloop van de ontnemingsprocedure
Allereerst heeft de verdediging verweer gevoerd tegen het tijdstip van de aanvang van de redelijke termijn. Hiertoe is aangevoerd dat september 2004 als aanvangsmoment van de redelijke termijn dient te worden aangemerkt. De verdediging heeft daartoe opgemerkt dat de toezending door het Openbaar Ministerie aan betrokkene van die ontnemingsrapportage in voornoemde maand, een handeling is waaraan in redelijkheid de verwachting kan worden ontleend dat tegen betrokkene een ontnemingsvordering aanhangig zal worden gemaakt.
Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het tijdverloop in deze zaak, geen adequate verdediging meer gevoerd kan worden. Hiertoe heeft zij in hoger beroep aangevoerd dat niet enkel het tijdverloop een rol speelt, maar dat ook andere omstandigheden bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering moeten worden betrokken. Hierbij meent de verdediging dat door de overschrijding van de redelijke termijn de waarheidsvinding in het gedrang is gekomen. Ter toelichting van deze stelling heeft de verdediging betoogd dat het voor de betrokkene zo veel jaren na dato in redelijkheid niet meer mogelijk is om administratief na te gaan of de betrokkene, naast de door het hof in de strafzaak bewezen geachte gevallen, bij alle tienduizenden afleveringen van diergeneesmiddelen wél heeft gediagnosticeerd en/of contact heeft gehad met de geadresseerde.
De advocaat-generaal heeft bij de verwerping van dit verweer aansluiting gezocht bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen en heeft aangevoerd dat vanaf het begin duidelijk was waartegen betrokkene zich moest verweren en dat de overschrijding niet, althans niet in substantiële mate aan het Openbaar Ministere is te wijten. Daarnaast is door de advocaat-generaal opgemerkt dat de betrokkene een administratie bewaarplicht van 7 tot 10 jaar had, waardoor niet in valt te zien waarom er thans geen adequate verdediging meer kan worden gevoerd.
Het aan het verweer ten grondslag gelegde kan derhalve, aldus de advocaat-generaal, niet leiden tot het oordeel dat een ernstige inbreuk is gemaakt op de verdedigingsrechten die van dien aard is en zodanig ernstig is dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRMPro.
Het hof overweegt als volgt.
Een beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan enkel slagen indien er een ernstige inbreuk is gemaakt op de verdedigingsrechten van betrokkene die van dien aard is en zodanig ernstig is dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRMPro. De beslissing om ontneming van het wederrechtelijk voordeel te vorderen, leent zich in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie op de grond dat het instellen of voortzetten van die procedure onverenigbaar is met beginselen van een behoorlijke procesorde. Daarbij geldt als criterium dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) die procedure enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.
Uit het ontnemingsdossier blijkt dat op 5 augustus 2004 het proces-verbaal inhoudende de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gesloten. In dit proces-verbaal wordt de betrokkene genoemd als verdachte. Het te schatten wederechtelijk verkregen voordeel is in de ontnemingsrapportage vastgesteld ten aanzien van twee periodes, te weten de periode van 1 januari 2003 tot 22 november 2003 (periode 1) en de periode van april 1995 tot en met 31 december 2002 (periode 2). In totaal is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op (€ 36.252,81 + € 721.109,25 = ) € 757.362,06. In september 2004 heeft de betrokkene kennisgenomen van de door het Openbaar Ministerie aan haar toegezonden ontnemingsrapportage. Het hof zal september 2004 als uitgangspunt nemen voor het begin van de redelijke termijn in onderhavige ontnemingsprocedure, nu deze maand van toezending en kennisneming van de ontnemingsrapportage de maand is waarin de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen haar een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.
Op 3 oktober 2007 heeft de eerste zitting plaatsgevonden waarna allereerst een schriftelijke voorbereidingsprocedure is bevolen. Hiertoe zijn meerdere schriftelijke conclusies ingediend in 2007 en 2008. Op 13 februari 2008 is in de hoofdzaak vonnis gewezen, waarna daartegen namens de verdachte hoger beroep is ingesteld. Het hof ‘s-Hertogenbosch heeft op 3 maart 2009 arrest gewezen, waarna door het Openbaar Ministerie beroep in cassatie is ingesteld. Op 25 maart 2009 is de ontnemingszaak voor onbepaalde tijd aangehouden in afwachting van een onherroepelijke einduitspraak in de hoofdzaak. De Hoge Raad heeft op 12 juli 2011 de uitspraak vernietigd, en teruggewezen naar het hof ‘s-Hertogenbosch, Op 10 februari 2012 is de ontnemingsprocedure wederom aangehouden in afwachting van de uitspraak van dit hof in de hoofdzaak. Op 17 februari 2015 heeft het hof ‘s-Hertogenbosch uitspraak gedaan, waarna namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Nadat de Hoge Raad op 9 maart 2016 het beroep in cassatie in de hoofdzaak had verworpen, is er op 15 juni 2017 een aanvullende schriftelijke conclusie door de Officier van Justitie ingediend en is daarop op 29 augustus 2017 een schriftelijke reactie van de raadsman gekomen. Uiteindelijk heeft op 27 februari 2018 een inhoudelijke zitting plaatsgevonden waarna wederom een schriftelijke ronde is ingelast. Nadat deze op 17 april 2018 en respectievelijk 28 mei 2018 had plaatsgevonden, is op 7 september de behandeling van de ontnemingszaak gesloten waarna op dezelfde datum door de rechtbank uitspraak is gedaan.
Het hof is van oordeel dat een groot deel van het tijdsverloop is toe te schrijven aan het afwachten van een onherroepelijke einduitspraak in de hoofdzaak. Desalniettemin is het hof van oordeel dat de betrokkene al vanaf het begin van de periode van totstandkoming van de ontnemingsrapportage de mogelijkheid heeft gehad om openheid van zaken te geven. In de ontnemingsrapportage is uitgebreid aandacht besteed aan de feiten en omstandigheden waarop de ontnemingsvordering is gebaseerd. Door de verdediging zijn nadere onderzoekwensen geformuleerd en nadere stukken ingebracht. Voorts had betrokkene gedurende de gehele procedure de mogelijkheid om (aanvullende) verklaringen af te leggen, dan wel verdere inlichtingen te verschaffen.
Daarnaast had de betrokkene gedurende de gehele procedure de mogelijkheid om aanvullende stukken in te brengen nu zij ingevolge artikel 52 AlgemenePro wet inzake Rijksbelastingen een administratieve bewaarplicht heeft. Deze bewaarplicht houdt het volgende in:
"1.
Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.
2.
Administratieplichtigen zijn:
a.
lichamen:
3.
Tot de administratie behoort hetgeen ingevolge andere belastingwetten wordt bijgehouden, aangetekend of opgemaakt."
In de periode van 14 juli 1994 tot 1 juni 1998 was de termijn van deze bewaarplicht 10 jaren, en sinds 1 juni 1998 is de termijn van deze bewaarplicht 7 jaren.
Gelet op deze bewaarplicht is het hof van oordeel dat de betrokkene haar administratie vanaf september 1997 (zeven jaren voorafgaand aan de maand waarin zij kennisnam van de ontnemingsrapportage) op een zodanige wijze moest voeren dat zij te allen tijde een deugdelijke administratie vanaf september 1997 had kunnen overleggen, mede met behulp waarvan de betrokkene zich tegen onjuistheden dan wel onvolkomenheden in de ontnemingsrapportage had kunnen verweren.
Uit al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, is het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel dat er geen inbreuk is gemaakt op de verdedigingsrechten van betrokkene die van dien aard is en zodanig ernstig is dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRMPro.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering wegens de gestelde met het tijdverloop samenhangende ernstige inbreuk op de verdedigingsrechten van betrokkene.
Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de ontnemingsvordering.’
5. Een in de aanvulling opgenomen opmerking vooraf en de in de aanvulling opgenomen bewijsmiddelen houden het volgende in:
‘OPMERKING VOORAF
Het hof realiseert zich dat onder bewijsmiddel 1 onder meer in de tabellen getallen en informatie zijn opgenomen die het hof niet heeft gebruikt bij de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel (WVV). Ook blijkt uit bewijsmiddel 2 dat de opsteller van het Aanvullend rapport van 27 mei 2008 tot de gemotiveerde conclusie is gekomen dat het jaar 1995 bij nader inzien in verband met de vaststelling van het WVV buiten beschouwing dient te blijven. Om vergissingen, onder meer bestaande uit het ten onrechte teveel verwijderen van (getalsmatige) feitelijkheden uit de bewijsmiddelen ( BFK: te voorkomen), heeft het hof ervoor gekozen om ook gegevens in de bewijsmiddelen die het hof niet heeft gebruikt bij de vaststelling van de omvang van het WVV, te laten staan.
1. Het proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel opgesteld door de AID (de ontnemingsrapportage) d.d. 5 augustus 2004, kort gezegd, voor zover inhoudende:
PROCES-VERBAAL
Hierbij verklaren wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , het navolgende:
Index ambtshandeling:
o.
Samenvatting
9.Datering en ondertekening
o. Samenvatting
In deze ambtshandeling wordt een berekening gemaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot de in hoofdstuk 1 genoemde verdachten.
Dit voordeel is behaald met het afleveren van niet geregistreerde diergeneesmiddelen in Nederland door verdachten over de ten laste gelegde periode en de daaraan voorafgaande jaren. Omdat er geen voorraadregistratie wordt bijgehouden en de verkoopfacturen geen specificaties van de afgeleverde middelen geven, is door ons voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruik gemaakt van de bestanden van het VAP programma.
Met behulp van dit programma worden de afleveringen geregistreerd. Per aflevering worden hierin de middelen vastgelegd en het totale factuurbedrag; echter niet de hoeveelheid van de afgeleverde middelen.
1.
Voor de berekening van de afzet van de niet geregistreerde middelen is eerst per middel een gemiddeld bedrag per aflevering bepaald op basis van de afleveringen waar slechts één middel is afgeleverd. Hier heeft het factuurbedrag betrekking op dat ene middel.
2
Vervolgens is voor iedere aflevering in Nederland van het niet geregistreerde middel het onder 1. berekende bedrag als afzet in aanmerking genomen en gesommeerd.
3.
De bepaling van de kosten van deze afleveringen is door ons gebaseerd op de brutowinstmarge en kosten zoals die in jaarrekeningen zijn opgenomen.
Inleiding
Op verzoek van Officier van Justitie, de heer mr. W.A.F. Damen, hebben wij een onderzoek ingesteld contra:
Besloten vennootschap [verdachte]
Besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V.
hierna te noemen "verdachten".
Per 1 april 2004 is het onderzoek voortgezet onder leiding van Officier van Justitie, mevrouw mr. C.H.A. Huisman.
2.Doelstelling onderzoek
De doelstellingen van het onderzoek zijn:
te onderzoeken in hoeverre er wederrechtelijk voordeel is verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten beschreven in het proces-verbaal.
Een onderzoek in te stellen naar de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel, een en ander zoals bedoeld in artikel 36e leden 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht.
De totale onderzoeksperiode ter bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel richt zich zowel op:
- de periode conform het strafdossier, te weten 1 januari 2003 tot 22 november 2003
- de daaraan voorafgaande periode vanaf april 1995 waarin afleveringen van niet geregistreerde diergeneesmiddelen in Nederland aan afnemers hebben plaatsgevonden.
[bedrijf 2] B.V. is naast bovengenoemde besloten vennootschappen eveneens enig aandeelhouder en bestuurder van de besloten vennootschappen [bedrijf 5] en [bedrijf 6] .
Opmerking hof:De b.v. a is de rechtstreekse moeder van zowel de b.v. b als de b.v. c.
3.2
Bedrijfsactiviteiten
D/594
[bedrijf 2] B.V. is ingeschreven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor West-Brabant. De bedrijfsomschrijving volgens deze inschrijving luidt: "Vermogensbeheer en het uitvoeren van pensioenregelingen".
Volgens de inschrijving zijn er geen werkzame personen.
D/596
[bedrijf 1] B.V. is ingeschreven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor West-Brabant. De bedrijfsomschrijving volgens deze inschrijving luidt: "de exploitatie van een of meer dierenartsenpraktijken, de handel in dierenbenodigdheden en -medicijnen".
De handelsnaam van de onderneming vermeldt: [bedrijf 4] . Volgens de inschrijving zijn er acht werkzame personen.
Uit de in beslag genomen administratie blijkt onder meer uit de jaarrekeningen over de jaren 1996 tot en met 2001 dat er inzake deze onderneming geen omzet wordt verantwoord. De jaarrekeningen vermelden als enige bedrijfsopbrengst bedragen betreffende een winstaandeel in de maatschap [bedrijf 7] waarin [bedrijf 1] B.V. een deelneming heeft. [verdachte] is ingeschreven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor West-Brabant. De bedrijfsomschrijving volgens deze inschrijving luidt: “Het verstrekken van diergeneeskundige adviezen, medicijnen, voedermiddelen en verhandelen van medicijnen binnen het additieven alsmede de productie daarvan, het kader van specialistische begeleiding van wedstrijdduiven en sierduiven en al hetgeen daartoe in de ruimste zin behoort". Volgens de inschrijving zijn er vier werkzame personen.
Uit de in beslag genomen administratie blijkt onder meer uit de jaarrekeningen over de jaren 1996 tot en met 2001 dat er inzake deze onderneming jaarlijks een omzet wordt verantwoord; deze omzet heeft betrekking op de afzet van diergeneesmiddelen.
Krachtens artikel 36e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Krachtens artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht kan de verplichting worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan. Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt in dit verbaal uitgegaan van de richtlijn voor strafvordering ontneming zoals vastgesteld door het college van procureurs-generaal op 8 oktober 2002.
Volgens deze richtlijn is, bij toepassing van artikel 36e lid 1 en/of 2 Sr., het uitgangspunt voor de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel: "het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald". Volgens deze richtlijn komen, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, uitsluitend in aanmerking die kosten die in een directe relatie staan tot de voltooiing van het delict.
0/AH/08
In ambtshandeling o/AH/08 is de beslissing van officier van justitie van het Functioneel Parket i.o., dhr. mr. W.A.F. Damen vastgelegd. Uit deze ambtshandeling blijkt dat onderwerp voor het strafrechtelijk onderzoek zijn de middelen die één of meer van de navolgende stoffen bevatten;
• Chlooramfenicol;
• Ronidazol;
• Furaltedone;
• Dimetridazol.
De middelen die één of meer van deze stoffen bevatten in het assortiment van verdachte [verdachte] zijn:
• Parastop;
• 4 in 1 mix
• A.S.
• W.N. .
• B.S.
• Paracapsules
Het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoek naar het wederrechtelijk verkregen voordeel richt zich conform de beslissing van de officier van justitie de heer mr. W.A.F. Damen op bovengenoemde diergeneesmiddelen.
Het voordeel dat is behaald bestaat uit opbrengsten en kosten die voortvloeien uit het afzetten van de niet geregistreerde diergeneesmiddelen in Nederland.
De opbrengsten bestaan uit het bedrag dat door verdachten is ontvangen voor de verkoop van de middelen.
De kosten bestaan uit de inkoop- en/of fabricageprijs van de middelen en portokosten voor het verzenden van de middelen naar de afnemers.
5.2
Perioden berekening voordeel
Het onderzoek naar het wederrechtelijk verkregen voordeel richt zich op de volgende perioden:
- Periode 1:
Strafbare feiten in de periode 1 januari 2003 tot 22 november 2003
1/AH/01 t/m 1/AH/06
In de ambtshandelingen 1/AH/01 tot en met 1/AH/06 zijn de bevindingen van de onderzoeken gerelateerd betreffende bovengenoemde middelen. Uit de onderzoeken blijkt onder meer dat deze middelen aangemerkt kunnen worden als diergeneesmiddelen die als zodanig niet zijn geregistreerd en die door of namens verdachte [verdachte] zijn afgeleverd in Nederland.
D/1275
Uit het VAP programma is als voorbeeld één pagina uitgeprint van het jaar 2003 waaruit de afgeleverde diergeneesmiddelen blijken. Het totale digitale VAP programma is op het kantoor van de A.I.D. digitaal beschikbaar. De pagina is als bijlage D/1275 in het dossier gevoegd.
Periode 2:
Soortgelijke feiten in de periode april 1995 tot en met 31 december 2002
1/AH/01 t/m 1/AH/06
Uit de onderzoeken gerelateerd in ambtshandelingen 1/AH/01 tot en met 1/AH/06 blijkt onder meer dat er door verdachte [betrokkene 1] in de jaren 1991, 1993 en 1998 voor een aantal bovengenoemde middelen registraties als diergeneesmiddel aangevraagd zijn die door het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen negatief beoordeeld zijn dan wel niet-ontvankelijk zijn verklaard. De in 5.1 genoemde middelen zijn, zo blijkt uit de onderzoeken, nooit als diergeneesmiddel geregistreerd geweest.
De aanwijzingen dat er over de periode april 1995 tot en met december 2002 soortgelijke feiten zijn gepleegd met betrekking tot de afleveringen van diergeneesmiddelen die als zodanig niet zijn geregistreerd aan afnemers in Nederland zijn af te leiden uit de volgende bevindingen:
0/AH/54
Uit ambtshandeling o/AH/54 blijkt dat in het digitale VAP programma (Verzend Administratie Programma) vanaf april 1995 de volgende gegevens worden bijgehouden:
- afnemers van de diergeneesmiddelen
- de afgenomen diergeneesmiddelen
- de datum van de verzendingen
- de totaalprijs van de verzonden diergeneesmiddelen.
G/14
Volgens verklaring van getuige [betrokkene 3] worden hierin alle verkopen vastgelegd.
D/1274
Door [verbalisant 3] zijn de aangetroffen VAP bestanden overgezet in een Excel formaat, Uit de bestanden waarin de afleveringen over de periode april 1995 tot en met 20 zijn vastgelegd zijn de regels geselecteerd van afleveringen aan Nederlandse afnemers waarop één of meerdere van de in s.1 genoemde middelen voorkomen.
Uit deze selectie bleek ons dat ook in de jaren 1995 tot en met 2002 afleveringen van de in 5.1 genoemde middelen voorkomen.
D/1276 t/m D/1283
Van deze selectie is als voorbeeld één pagina per jaar een afdruk gemaakt die als bijlage t/m D/1276 tot en met D/1283 is bijgevoegd. Het totale digitale VAP programma is ten kantore van de A.I.D. digitaal beschikbaar.
Er is door het onderzoeksteam nader onderzoek gedaan naar de in het VAP programma vastgelegde afleveringen:
D/1258
Uit het VAP programma is een overzicht van afnemer [betrokkene 2] te [plaats] uitgedraaid. Uit dit overzicht blijkt dat deze afnemer onder meer de middelen B.S., Para, en 4 in 1 mix geleverd heeft gekregen in de periode 1996 tot en met 2001.
0/AH/43
Het onderzoek in de administratie van [betrokkene 2] in relatie tot [verdachte] is beschreven in ambtshandeling o/AH/43.
D/1060 D/1064 t/m D/1090
Uit de kopie-facturen van [verdachte] gericht aan [betrokkene 2] te [plaats] over de periode 1996 tot en met 2001 blijkt niet dat de betreffende middelen gefactureerd zijn omdat op alle facturen "duivenpreparaten" als omschrijving staat.
De naam, het adres; de woonplaats, de datum en het totaalbedrag volgens de facturen komen echter overeen met de gegevens op de eerder genoemde uitdraai uit het VAP programma.
Uit bovenstaande blijkt dat de volgens het VAP programma geleverde middelen zijn gefactureerd aan een Nederlandse afnemer.
De kopie-facturen zijn als bijlagen D/1060 en D/1064 tot en met D/1090 in het dossier gevoegd.
Uit de in beslaggenomen fysieke administratie van verdachten is door ons niet vast te stellen welke diergeneesmiddelen, wanneer en aan welke afnemers zijn afgeleverd. Dit omdat er door verdachten onder meer geen voorraadadministratie wordt bijgehouden en omdat er geen gespecificeerde verkoopfacturen worden gemaakt.
G14
Getuige [betrokkene 3] verklaarde hieromtrent onder meer:
"Voor [verdachte] werk ik met ‘exact ’ (debiteuren en crediteurenadministratie). Hierin wordt geen voorraadadministratie bijgehouden. De voorraadadministratie wordt niet bijgehouden; we kijken zelf wat er eventueel nodig is en besteld moet worden; dit geven we dan door aan [betrokkene 1] . De verkoopfacturen worden gemaakt in ‘word’.
Per klant hebben we een standaarddocument. Als er iets besteld wordt, wordt dit standaarddocument overschreven."
Als uitgangspunt voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden door ons daarom de bestanden van het VAP programma gebruikt waarin de verzonden diergeneesmiddelen en afnemers zijn geregistreerd.
In het VAP programma worden echter geen afgeleverde hoeveelheden geregistreerd.
In de inbeslaggenomen administratie zijn 153 pakbonnen van het jaar 2003 aangetroffen inzake Nederlandse afnemers. Op deze pakbonnen staan de bestelde hoeveelheden per middel wel aangegeven. Daarnaast vermelden de pakbonnen verkoopprijzen van de diergeneesmiddelen en wordt het totale factuurbedrag berekend.
Aan de hand van deze pakbonnen is de vraag gesteld:
Worden de middelen Para, B.S., W.N., A.S. of 4 in 1 mix besteld op de pakbon en, zo ja, voor welk bedrag wordt er afgeleverd per middel?
Om deze vraag te beantwoorden zijn de pakbonnen ingevoerd in een Excel bestand. Aan de hand van dit bestand is vervolgens voor de diergeneesmiddelen Parastop, A.S. poeder, B.S. poeder, W.N. poeder en 4 in 1 mix een zogenaamd "gemiddeld afleverbedrag" per pakbon berekend. Bij de berekening van het gemiddelde afleverbedrag is rekening gehouden met een kortingspercentage en met de portokosten.
De pakbonnen zijn afzonderlijk dan wel met de bijbehorende factuur en/of specificatie dan wel met de bijbehorende aantekening van de bestelling dan wel met de bijbehorende email als bijlagen D/310 t/m D/346, D/362 t/m D/463, D/471 t/m D/482, D/485, D/486, D/495 t/m D/513, D/521 t/m D/548 en D/1109 t/m D/1239 in het dossier gevoegd.
Uit het Excel bestand van de ingevoerde pakbonnen blijken de volgende gemiddelde afleverbedragen:
D/1260 Parastop € 97,77
D/1261 A.S. € 30,76
D/1262 B.S. € 90,27
D/1263 4 in 1 mix € 58,87
D/1264 W.N. € 45,49
Bovengenoemde bedragen drukken de gemiddelde afleverbedragen per pakbon uit. De prijzen zijn inclusief 6% BTW, korting (gemiddelde) en portokosten(gemiddelde). De berekeningen uit het Excel bestand van de gemiddelde afleverbedragen van de aangetroffen pakbonnen zijn als bijlagen D/1260 tot en met D/1264 bijgevoegd in het dossier.
Stap 2
Het berekende gemiddelde afleverbedrag per middel volgens de pakbonnen is vervolgens vergeleken met een gemiddeld afleverbedrag per middel volgens het VAP programma.
D/1274
Door het team Digitaal van de A.I.D. zijn de aangetroffen VAP bestanden overgezet in een XLS formaat, zodat de VAP gegevens voor het onderzoeksteam in Microsoft Excel benaderbaar zijn. Daarnaast zijn de data door het team Digitaal gesplitst in Nederlandse en buitenlandse zendingen en zijn er werkbladen aangemaakt waarmee gerekend kan worden. De werkzaamheden die het team Digitaal heeft verricht zijn beschreven in een proces-verbaal dat als bijlage D/1274 bij het dossier is gevoegd.
Met behulp van de VAP bestanden in Excel zijn de regels geselecteerd waarop alleen het middel Para of alleen het middel A.S. of alleen het middel B.S., of alleen het middel 4 in 1 mix of alleen het middel W.N. afzonderlijk voorkomt. Dit betreft dus afleveringen waarbij slechts één middel is geleverd. Vervolgens zijn de bedragen van deze afleveringen per product getotaliseerd en is dit totaalbedrag gedeeld door het aantal afleveringen. Bij deze selectie zijn alleen de afnemers uit Nederland geselecteerd.
Opgemerkt wordt dat de bedragen opgenomen in het VAP programma eveneens inclusief 6% BTW, kortingsbedragen en portokosten zijn.
De selectie van deze regels geeft voor het VAP programma over 2003 de volgende gemiddelde bedragen per aflevering:
D/1285 Parastop € 48,61
D/1286 A.S. € 23,76
D/1287 B.S. € 46,78
D/1288 4 in 1 mix € 33,36
D/1289 W.N. € 40,41
De uitdraaien van de gemaakte selecties waaruit de gemiddelde bedragen blijken zijn als bijlagen D/1285 tot en met D/1289 bij het dossier gevoegd.
Om deze gemiddelde afleverbedragen te vergelijken met de gemiddelde afleverbedragen volgens de pakbonnen, zijn ze nogmaals in onderstaande tabel naast elkaar gezet:
volgens pakbonnen 2003 volgens selectie VAP programma in 2003
Parastop € 97,77 € 48,61
A.S. € 30,76 € 23,76
B.S. € 90,27 € 46,78
4 in 1 mix € 58,87 € 33,36
W.N. . € 45,49 € 40,41
Uit bovenstaande vergelijking blijkt dat:
de gemiddelde afleverbedragen van de geselecteerde records volgens het VAP programma over 2003 lager zijn dan de gemiddelde afleverbedragen volgens de in de administratie aangetroffen pakbonnen over 2003.
Het VAP programma vermeldt de afnemers en de aan de afnemers afgeleverde diergeneesmiddelen, het vermeldt echter geen afgeleverde hoeveelheden per middel. Om een berekening van de afzet te kunnen maken, is door ons uitgegaan van de gemiddelde afleverbedragen.
Uit bovenstaande uitgevoerde vergelijking tussen de gemiddelde afleverbedragen volgens de pakbonnen en de gemiddelde afleverbedragen volgens het VAP programma blijkt dat de bedragen volgens het VAP programma lager liggen. Voor de berekening van de afzet wordt daarom uitgegaan van het gemiddelde afleverbedrag per middel volgens het VAP programma.
► Stap 3
Met behulp van de VAP bestanden in Excel zijn voor de jaren 1995 tot en met 2002 op dezelfde wijze als vermeld bij stap 2 de gemiddelde afleverbedragen berekend. Hiertoe zijn de regels geselecteerd waarop alleen de middelen Para, A.S., B.S., 4 in 1 mix of W.N. afzonderlijk voorkomen en alleen de afleveringen aan Nederlandse afnemers. Vervolgens zijn de bedragen van de afleveringen per middel getotaliseerd en is dit totaalbedrag gedeeld door het aantal afleveringen.
Deze berekening levert voor de volgende jaren de navolgende gemiddelde bedragen per aflevering op:
(1) Het berekende gemiddelde bedrag ad € 10,80 voor het middel A.S. poeder is gebaseerd op één voorkomende aflevering in het VAP programma in 1996.
In de VAP programma's over de jaren 1995 en 1997 tot en met 1999 is geen enkele aflevering aangetroffen van het middel A.S. poeder. Kennelijk werd dit middel in die jaren niet afgezet.
De aangetroffen aflevering in 1996 is vermoedelijk een invoerfout. Voor 1996 zal, evenals voor de jaren 1995 en 1997 tot en met 1999 een bedrag van € 0,00 gehanteerd worden bij de berekening van de afzet.
(2) Er zijn geen regels aangetroffen waarop het middel 4 in 1 mix afzonderlijk voorkomt. Voor 2002 zal daarom een gemiddelde gehanteerd worden van het berekende bedrag in 2001 en 2003, te weten (€ 49,28 + € 33,36) /2 = € 41,32.
De gemaakte berekeningen over 1995 tot en met 2002 van bovenstaande gemiddelde afleverbedragen zijn als bijlagen D/1290 tot en met D/1297 bij het dossier gevoegd.
► Stap 4
De in bovengenoemde stappen 3 en 4 berekende gemiddelde afleverbedragen per middel zijn vervolgens gehanteerd voor het berekenen van de afzet over de jaren 1995 tot en met 2003.
Voor de afzet aan de Nederlandse afnemers per jaar is per aflevering beoordeeld of de middelen Parastop, A.S. poeder, B.S. poeder, 4 in 1 mix of W.N. poeder zijn afgeleverd. Indien dit het geval is, is voor de desbetreffende aflevering met de bovenstaande berekende gemiddelde afleverprijs gerekend. Opgemerkt wordt dat, in het geval het middel meerdere keren is afgeleverd in verschillende varianten, er slechts één keer het gemiddelde afleverbedrag in de berekening is meegenomen.
Dit levert voor de periode april 1995 tot 22 november 2003 de volgende afzet op:
Van de bovenstaande berekende afzetten over de jaren 1995 tot en met 2003 zijn per jaar 2 afdrukken als bijlagen D/1298 tot en met D/1306 bijgevoegd. Het betreft steeds de eerste en laatste pagina van de berekening.
► Stap 5
0/AH/54
Uit ambtshandeling o/AH/54 blijkt dat een groep vaste afnemers via [bedrijf 4] gefactureerd worden. De afleveringen aan deze afnemers worden in principe in het VAP programma ingevoerd; er worden echter geen bedragen gegenereerd; dit betreft de zogenaamde "code 2 afleveringen".
G14
Volgens de verklaring van getuige [betrokkene 3] worden deze afleveringen aan het einde van het jaar verrekend tussen [verdachte] en [bedrijf 4] . De accountant BDO zou hiermee belast zijn.
D/1098, D/1104, D/1265
t/m
D/1268, D/1269
In hoofdstuk 3.2 is reeds opgemerkt dat [bedrijf 1] B.V., handelend onder de naam " [bedrijf 4] " geen omzet in de jaarrekeningen heeft verantwoord verband houdende met de afzet van diergeneesmiddelen.
Een kopie van de jaarrekeningen 1996 tot en met 2001 van [bedrijf 1] B.V. zijn als bijlagen D/1098, D/1104 en D/1265 tot en met D/1268 bijgevoegd in het dossier.
In de inbeslaggenomen administratie is aangetroffen een "verslag vergadering 05-12-2002: BDO" Dit verslag gaat onder meer over het doorfactureren tussen [verdachte] en [bedrijf 4] . Kennelijk wordt dit doorfactureren vanaf 1 januari 2003 ingevoerd. Het resultaat zal zichtbaar moeten zijn in de jaarrekeningen over 2003; deze zijn echter nog niet beschikbaar.
Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal voor 2003 rekening worden gehouden met bovengenoemde verrekening. De "code 2 afleveringen" die via [bedrijf 4] gefactureerd zijn zullen ook aan [bedrijf 4] worden toegerekend. Een kopie van het verslag van 05-12-2002 is als bijlage D/1269 bijgevoegd in het dossier.
D/1307
De eerder berekende afzet voor het jaar 2003, genoemd onder stap 4, is door ons gesplitst in afzet [verdachte] en afzet [bedrijf 4] (code 2 afleveringen).
Hiertoe is in deze berekening een selectie gemaakt op de zogenaamde "nul leveringen"; de code 2 afleveringen genereren immers geen bedrag.
Dit geeft voor 2003 het volgende resultaat:
[verdachte] [bedrijf 4] Totaal
Para stop 16.770,45 340,27 17.110,72
A.S. poeder 2.162,16 166,32 2.328,48
B.S. poeder 26.477,48 842,04 27.319,52
4 in 1 mix 7.906,32 233,52 8.139,84
W.N. poeder 9.577,17 282,87 9.860,04
62.893,58 1.865,02 64.758,60
Bedragen in euro’s
Een afdruk van de selectie van de "code 2" afleveringen is als bijlage D/1307 bijgevoegd.
De berekende afzet totaal in Nederland van de middelen Parastop, A.S. poeder, B.S. poeder, 4 in 1 mix en W.N. poeder over de verschillende jaren voor [verdachte] en [bedrijf 4] zijn:
Totale afzet volgens het VAP programma (incl. 6% BTW)
[verdachte] (incl. 6% BTW)
[verdachte] (excl. 6% BTW)
[bedrijf 4] (incl. 6% BTW)
[bedrijf 4] (excl. 6 % BTW)
1995
227.700,17
91.695,75
86.505,42
1996
384.281,62
121.625,39
114.740,93
1997
486.275,92
128.029,36
120.782,42
1998
579.020,47
167.767,28
158.271,02
1999
662.066,34
148.745,25
140.325,71
2000
679.559,30
184.352,62
173.917,57
2001
722.131,90
200.331,01
188.991,52
2002
1.122.988,98
83.589,
12 78.857,66
2003
1.177.031,37
62.893,58
59.333,57
1.865,02
1.759,45
Bedragen in euro's
Om inzicht te geven welk deel de geselecteerde middelen uitmaken van de totale afzet volgens het VAP programma is ook de totale afzet volgens het VAP programma in bovenstaande tabel opgenomen.
0/AH/54
Uit het verrichte administratieve onderzoek waarover gerelateerd is in ambtshandeling O/AH/54 blijkt dat niet alle afleveringen in het VAP programma zijn opgenomen. Zo worden de contante balieverkopen bij de [bedrijf 4] niet geregistreerd in het VAP programma en worden de afleveringen die via de [bedrijf 4] gefactureerd worden niet altijd in het VAP programma opgeslagen.
G14
Getuige [betrokkene 3] verklaarde onder meer het volgende:
"U vraagt mij naar de balieverkopen van de kliniek. Ik moet zeggen dat ik hier geen zicht op heb. Gemiddeld 1 keer per week krijg ik een opgave van de kliniek om de voorraad weer bij te vullen. Hiervan wordt echter niets geregistreerd. De balieverkopen worden in ieder geval niet in het VAP programma vastgelegd."
Ten aanzien van de zogenaamde "code 3" afleveringen - dit betreft de afleveringen bij klanten in met name Limburg waar verdachte [betrokkene 1] persoonlijk langs gaat - verklaarde getuige [betrokkene 3] :
“ [betrokkene 1] gaat hier persoonlijk langs om in te enten en producten af te leveren. De klant staat in VAP maar de aflevering, zowel fysiek als financieel, wordt niet in VAP vastgelegd."
0/AH/55
Als we de totale afzet volgens het VAP programma vergelijken met de verantwoorde netto omzet volgens de jaarrekeningen blijkt het volgende:
Totale afzet volgens Totale afzet volgens Netto-omzet volgens de
het VAP programma het VAP programma Jaarrekening
(incl. 6% B.T.W.) (excl. 6% B.T.W.)
1996 384.281,62 362.529,83 401.440,00
1997 486.275,92 458.750,86 554-770,00
1998 579.020,47 546.245,72 673.714,00
1999 662.066,34 624,590,88 771.210,00
2000 679.559,30 641.093,67 736.552,00
2001 722.131,90 681.256,50 781.715,00
Bedragen in euro ‘s
De verantwoorde netto-omzetten volgens de jaarrekeningen liggen hoger dan de totale afzetten volgens het VAP programma.
Uit bovenstaande volgt dat de berekende afzet volgens het VAP programma voor de geselecteerde middelen waarschijnlijk niet volledig is, onder meer door het ontbreken van de balieverkopen en de "code 3" afleveringen.
6.2
Kosten
Volgens de ontnemingsrichtlijn kunnen kosten die in een directe relatie staan tot de voltooiing van het delict (directe kosten) in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Kosten met betrekking tot investeringen, overhead en andere soortgelijke kosten komen niet voor aftrek in aanmerking.
De kosten die [verdachte] maakt blijken uit de jaarrekeningen die zijn opgemaakt door Accountantskantoor BDO. De volgende kosten zijn door ons aangemerkt als kosten die in een directe relatie staan met de voltooiing van de strafbare feiten.
► Inkoopwaarde van de omzet
Omdat de verkochte hoeveelheden onbekend zijn, is als uitgangspunt voor het wederrechtelijk verkregen voordeel de brutomarge gehanteerd over het betreffende jaar zoals dat uit de afzonderlijke jaarrekeningen blijkt.
Uit de jaarrekeningen 1996 tot en met 2001 blijken voor [verdachte] de navolgende omzetten en brutomarges:
D/1270 De jaarrekening over het jaar 1996 vermeldt onder meer het volgende:
Bedrag (fl) In %
Netto omzet 884.659 100,0
Inkoopwaarde van de omzet 191.484 21,6
Bruto marge 693.175 78,4
D/1271 De jaarrekening over het jaar 1997 vermeldt onder meer het volgende:
Bedrag (fl) In %
Netto omzet 1.222.554 100,0
Inkoopwaarde van de omzet 289.228 23,7
Bruto marge 933.326 76,3
D/1099 De jaarrekening over het jaar 1998 vermeldt onder meer het volgende:
Bedrag (fl) In %
Netto omzet 1.484.671 100,0
Inkoopwaarde van de omzet 342.912 23,1
Bruto marge 1.141.759 76,9
D/1272 De jaarrekening over het jaar 1999 vermeldt onder meer het volgende:
Bedrag (fl) In %
Netto omzet 1.699.524 100,0
Inkoopwaarde van de omzet 416.460 24,5
Bruto marge 1.283.064 75,5
D/1105 De jaarrekening over het jaar 2000 vermeldt onder meer het volgende:
Bedrag (fl) In %
Netto omzet 736.552 100,0
Inkoopwaarde van de omzet 198.303 26,9
Bruto marge 538.249 73,1
O/1273 De jaarrekening over het jaar 2001 vermeldt onder meer het volgende:
Bedrag (fl) In %
Netto omzet 781.715 100,0
Inkoopwaarde van de omzet 232.104 29,1
Bruto marge 549.611 70,3
Als grondslagen voor de resultaatbepaling blijkt uit bovenstaande jaarrekeningen voor de netto-omzet en de inkoopwaarde van de omzet het volgende:
"Netto-omzet:
De netto-omzet betreft de opbrengst voor de aan afnemers (derden) geleverde goederen en diensten onder aftrek van toegestane kortingen en exclusief over de omzet geheven belastingen."
en
"Inkoopwaarde van de omzet:
De inkoopwaarde, waaronder begrepen de direct met de inkoop verband houdende kosten, wordt opgenomen tegen de uitgaafprijs. In deze kosten zijn tevens begrepen de kosten wegens afboeking van voorraden tot lagere opbrengstwaarde."
De jaarrekeningen van [verdachte] van 1996 tot en met 2001 zijn als bijlagen D/1099, D/1105 en D/1270 tot en met D/1273 bij het dossier gevoegd.
(...)
De jaarrekeningen over 2002 en 2003 zijn (...) nog niet beschikbaar. Voor deze jaren zal door ons het percentage van de bruto-marge over 2001 gehanteerd worden.
Een gedeelte van het wederrechtelijk verkregen voordeel over 2003 wordt toegerekend aan [bedrijf 1] B.V. (handelend onder de naam [bedrijf 4] ), zie hoofdstuk 5-3, stap 5. Ook van deze besloten vennootschap zijn over 2003 nog geen resultaatgegevens bekend. Daarom zal ook hier het laatst bekende percentage van de bruto-marge van [verdachte] , te weten 70,3%, gehanteerd worden.
► Portokosten
Uit de ons ter beschikking staande gegevens blijkt niet welke kosten er gemaakt zijn voor de afleveringen van niet geregistreerde diergeneesmiddelen.
Uit de jaarrekeningen blijken onder de kopjes "algemene kosten" bedragen inzake portokosten. [verdachte] heeft deze kosten kennelijk gemaakt voor de bezorging van diergeneesmiddelen. Aannemelijk is dat ook een gedeelte van deze kosten gemaakt zijn ten behoeve van de bezorging van niet-geregistreerde diergeneesmiddelen. De portokosten zijn daarom door ons uitgedrukt in een percentage van de omzet.
Omzet Omzet Portokosten Portokosten Portokosten
(in gulden) (in euro) (in gulden). (in euro) in % van de omzet
1995
1996 884.659 66.732 7,5
1997 1.222.554 63.483 5,2
1998 1.484.671 72.528 4,9
1999 1.699.524 (*) 76-.452 4,5
2000 736.552 (*) 50.218 6,8
2001 781.715 (**) 71.946 9,2
2002
2003
(*) Betreft bedrag voor telefoon- en portokosten;
(**) Betreft bedrag voor telefoon-, porto-, en verzendkosten.
De jaarrekeningen van [verdachte] van 1996 tot en met 2001 zijn als bijlagen D/1099, D/1105 en D/1270 tot en met D/1273 bij het dossier gevoegd.
Voor de portokosten geldt, net als voor de bovenstaande inkoopwaarde van de omzet, dat de gegevens over (...) 2002 en 2003 niet beschikbaar zijn. (...) Voor de jaren 2002 en 2003 zal het percentage van 2001 worden gebruikt. Ook voor de [bedrijf 4] zal voor de berekening over 2003 het percentage van 2001, zoals dat bij [verdachte] bekend is, door ons worden gehanteerd.
7.Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
7.1
Wederrechtelijk verkregen voordeel periode 1
> Periode 1: periode 1 januari 2003 tot 22 november 2003
Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt door ons berekend over de tenlastegelegde feiten in de hiergenoemde periode.
Deze periode is geheel opgenomen in het strafdossier.
In de hoofdstukken 5.3, 6.1 en 6.2 zijn voor periode 2 de volgende gegevens berekend voor [verdachte] :
Jaar Afleveringen % Bruto-marge % Portokosten % Marge WVV (in euro)
excl. B.T.W. (B) (C) (B-C) (D * A)
(in euro) (D) (E)
(A)
2003 59.333,57 70,3 9,2 61,1 36.252,81
In de hoofdstukken 6.1 en 6.2 zijn over periode 1 de volgende gegevens berekend voor [bedrijf 4] :
Jaar Afleveringen % Bruto-marge % Portokosten % Marge WVV (in euro)
excl. B.T.W. (B) (C) (B-C) (D * A)
(in euro) (D) (E)
(A)
2003 1.759,45 70,3 9,2 61,1 1.075,02
7.2
Wederrechtelijk verkregen voordeel periode 2
Periode 2: periode april 1995 tot en met 31 december 2002.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt door ons berekend over de soortgelijke feiten in de hiergenoemde periode.
Deze periode is niet opgenomen in het strafdossier.
In de hoofdstukken 5.3, 6.1 en 6.2 zijn voor periode 2 de volgende gegevens berekend voor [verdachte] :
Jaar Afleveringen % Bruto-marge % Portokosten % Marge WVV (in euro)
excl. B.T.W. (B) (C) (B-C) (D * A)
(in euro) (D) (E)
(A)
1995 86.505,42 78,4 7,5 70,9 61.332,34
1996 114.740,93 78,4 7,5 70,9 81.351,32
1997 120.782,42 76,3 5,2 71,1 85.876,30
1998 158.271,02 76,9 4,9 72,0 113.955,13
1999 140.325,71 75,5 4,5 71,0 99.631,25
2000 173-917,57 73,1 6,8 66,3 115.307,34
2001 188.991,52 70,3 9,2 61,1 115.473,81
2002 78.857,66 70,3 9,2 61,1 48.182,03
Totaal 721.109,52
2. De conclusie van repliek, te weten het aanvullend rapport van het Dienstonderdeel Opsporing van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 27 mei 2008, voor zover inhoudende:
F2. [verdachte] IS OPGERICHT PER 1 NOVEMBER 1996
Door de raadsman wordt gesteld dat ten onrechte de jaren 1995 en 1996 in de berekening zijn opgenomen omdat uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat de vennootschap [verdachte] eerst is opgericht per november 1996. De omzetten voorafgaande aan deze datum kunnen derhalve niet worden toegerekend aan de rechtspersoon.
Reactie
Uit rechtshandelingen verricht namens een op te richten besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid kunnen rechten en plichten voor de vennootschap ontstaan wanneer zij die rechtshandelingen na haar oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt of door de zogenaamde directe binding ingevolge artikel 203 lid 4 BurgerlijkPro Wetboek, Boek 2.
Uit de tekst opgenomen in de jaarrekening 1996 van [verdachte] (bijlage D/1270 bij p-v nr. 17069) kan worden afgeleid dat de activiteiten en de activa en passiva van [bedrijf 8] per 1 januari 1996 ingebracht zijn in de vennootschap in oprichting en dat vanaf die datum de activiteiten voor rekening en risico van de vennootschap [verdachte] plaatsvinden.
Conclusie
Met betrekking tot de rechtspersoon [verdachte] is in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte het jaar 1995 opgenomen. Het betreft een bedrag van € 61.332,34, zoals berekend in paragraaf 7.2 van O/ah/55. Dit bedrag dient toegerekend te wórden aan de maatschap met als leden [bedrijf 1] B.V. en [betrokkene 4] .
F5. CODE 2 AFLEVERINGEN NIET ALLEEN VOOR 2003
Door de raadsman wordt gesteld dat bij de berekening niet alleen een correctie gemaakt moet worden in 2003 voor de code 2 afleveringen maar voor de gehele berekeningsperiode.
Reactie
Op basis van de in D/1269 opgenomen tekst hebben wij de code 2 afleveringen vanaf 1 januari 2003 in mindering gebracht op de omzet van [verdachte] en toegerekend aan verdachte [bedrijf 1] B.V.
In het VAP-systeem komen niet alleen in 2003 doch ook in de andere jaren code 2 afleveringen voor. Deze code 2 afleveringen zijn door ons op dezelfde wijze berekend als de overige afleveringen. Ervan uitgaande dat, zoals [betrokkene 3] heeft verklaard, deze werkwijze ook op de eerdere jaren van toepassing is, dienen de afleveringen met code 2 over de gehele berekeningsperiode toegerekend te worden aan [bedrijf 1] B.V.
Door ons zijn ook de code 2 afleveringen uit de jaren 1995 tot en met 2002 geselecteerd zoals in stap 5 van ons rapport beschreven.
Afdrukken van deze selecties worden als bijlage 2 bij dit rapport gevoegd.
In totaal dient over de jaren 1995 tot en met 2002 € 126.193,72 van de berekende omzet toegerekend te worden aan [bedrijf 1] B.V. Uitgaande van de marges zoals in onze berekening in O/AH/55 onder 7.2 gehanteerd, geeft dit een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 86.268,-.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals berekend voor [verdachte] wordt daardoor verlaagd met € 86.268,- minus € 4.633,- = € 81.635,-. Voor 1995 is immers reeds een correctie berekend onder F2.’
6. Het hof heeft de schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt onderbouwd:
‘ Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 17 februari 2015 onder parketnummer 20 003 063-11 onherroepelijk veroordeeld tot straf ter zake van -kort weergegeven- :
Het door een rechtspersoon opzettelijk begaan van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet, meermalen gepleegd.
De betrokkene is bij dit arrest partieel vrijgesproken van het leveren aan [betrokkene 5] en ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het leveren aan [betrokkene 6].
De Hoge Raad heeft op 29 maart 2016 het cassatieberoep verworpen waardoor het arrest onherroepelijk is geworden.
Wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene een voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 (oud) van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.
Het hof zal de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel baseren op het voordeel verkregen uit de verkoop van de diergeneesmiddelen Parastop, A.S., B.S., 4 in 1 mix en W.N. in het jaar 2003, te weten het strafbare feit waarvoor betrokkene is veroordeeld. Daarnaast zal ten aanzien van de verkopen van deze diergeneesmiddelen in de periode van 1996 tot en met 2002 het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel baseren op voordeel uit soortgelijke feiten.
De ontnemingsrapportage van 5 augustus 2004 is opgesteld door de Algemene Inspectiedienst, Dienstonderdeel Opsporing en Inspectie Zuid-Nederland, Team Diergeneesmiddelen (AID). In die rapportage is de berekening onder andere gebaseerd op het Verzend Administratie Programma (VAP) dat in gebruik is bij betrokkene sinds 1 april 1995 en waarin de gegevens zijn geregistreerd van de afnemers van de diergeneesmiddelen, de afgenomen diergeneesmiddelen, de datum van de verzendingen en de totaalprijs van de verzonden diergeneesmiddelen. Uit de voormelde ontnemingsrapportage, in samenhang met de verklaring van de getuige [betrokkene 3] , die heeft verklaard dat in het programma VAP alle verkopen worden vastgelegd, is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat betrokkene ook in voorgaande jaren uit soortgelijke feiten wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald.
De opzet van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
In het dossier is een proces-verbaal d.d. 5 augustus 2004 van de AID opgenomen, bevattende de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Op 27 mei 2008 is een aanvullend rapport van de AID in het geding gebracht waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals berekend voor [verdachte] allereerst is verlaagd met het voordeel dat ten onrechte ten aanzien van het jaar 1995 is opgenomen, zijnde € 61.332,34, nu pas vanaf 1 januari 1996 activiteiten voor rekening en risico van de vennootschap [verdachte] plaatsvinden. Daarnaast is het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel verlaagd met € 81.635,- vanwege de correctie ten aanzien van de "code 2-afleveringen” voor de gehele berekeningsperiode, deze “code 2-afleveringen” dienen te worden toegerekend aan een ander dan aan betrokkene. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daardoor op 27 mei 2008 berekend op € 614.394,72.
De rechtbank heeft ten aanzien van voorgaande correcties overwogen dat allereerst de illegale opbrengsten van het jaar 1995 niet aan de betrokkene kunnen worden toegerekend waardoor de periode waarover het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld wordt beperkt tot de periode vanaf 1 januari 1996 tot en met 22 november 2003 (r.o. 4.3.3). Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de “code 2-afleveringen” over de jaren 1996 tot en met 2002 toegerekend dienen te worden aan een ander dan aan betrokkene, te weten aan [bedrijf 1] B.V. (r.o. 4.3.4). Het hof zal beide correcties eveneens in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrekken.
Daarnaast is er in eerste aanleg door de verdediging onbetwist gesteld en met stukken onderbouwd, dat de diergeneesmiddelen Parastop, W.N. en B.S. voorlopig geregistreerd zijn geweest en na een negatieve beoordeling nog 12 maanden legaal verkocht mochten worden. Dit betekent dat de middelen Parastop tot 15 december 1998, W.N. tot 27 augustus 1998 en B.S. tot 17 september 1998 legaal mochten worden verkocht.
De rechtbank heeft daaromtrent overwogen dat de verkoop van de middelen Parastop, W.N. en B.S. pas na voernoemde data in 1998 illegaal was. Ten gunste van de betrokkene heeft de rechtbank ten aanzien van die middelen het gehele jaar 1998 niet bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking genomen (r.o. 4.3.5). Het hof zal ook deze correcties in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrekken.
Hierna zal het hof de verweren in hoger beroep achtereenvolgens bespreken.
Ondeugdelijke rapportage
De verdediging heeft zich allereerst wederom in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de gebruikte berekeningswijze ondeugdelijk en onbetrouwbaar is. Hiertoe is in hoger beroep aanvullend aangevoerd dat de AID zelf heeft gesteld dat het door haar als basis gebruikte VAP-systeem vele onvolkomenheden kent, waarbij de door de AID gehanteerde rekenmethode niet meer dan een onnauwkeurige schatting op basis van geëxtrapoleerde bedragen is, welke schatting weer op basis van relatief weinig pakbonnen is gemaakt.
Het hof oordeelt als volgt.
In de ontnemingsrapportage wordt onbetwist gesteld dat uit de inbeslaggenomen fysieke administratie van de betrokkene niet is vast te stellen welke diergeneesmiddelen wanneer en aan welke afnemers zijn geleverd, omdat door de rechtspersoon geen voorraadadministratie is bijgehouden en geen gespecificeerde verkoopfacturen zijn opgemaakt.
De AID heeft daarom het gemiddelde afleverbedrag per kalenderjaar en per middel berekend op basis van de afleveringen waarin maar één middel is afgeleverd. Zo heeft men het bedrag berekend dat een klant gemiddeld per bestelling van dat middel besteedt, inclusief 6% BTW en portokosten.
Vervolgens heeft de AID de 6% BTW van bedoeld bedrag afgetrokken en zo per kalenderjaar en per diergeneesmiddel de bruto opbrengst vastgesteld.
Omdat de inkoopkosten van de grondstoffen niet uit de administratie blijken, heeft de AID daarvoor de brutowinstmarge uit de jaarrekeningen van betrokkene gehanteerd. Omdat de portokosten niet uit de administratie blijken, heeft de AID de post portokosten uit de jaarrekeningen van betrokkene overgenomen en uitgedrukt in een percentage van de omzet.
Met de rechtbank stelt het hof voorop dat noch in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht noch in enige andere rechtsregel is bepaald op welke wijze het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden geschat. Het is aan het hof om te beoordelen of met de gekozen berekeningsmethode kan worden gekomen tot een juiste schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof heeft geconstateerd dat de berekeningsmethode die er nu ligt op een zo zorgvuldig mogelijke wijze is gehanteerd. De berekening is zoveel mogelijk gebaseerd op de beschikbare gegevens uit de administratie van de betrokkene, waarbij de berekeningsmethode juist in het voordeel van de betrokkene wordt gehanteerd. Het hof ziet daarom in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding om te oordelen dat het onderzoek onzorgvuldig, ondeugdelijk en onbetrouwbaar is uitgevoerd.
Voor zover de verdediging zich nog op het standpunt heeft gesteld dat, gelet op huidige jurisprudentie, het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden vastgesteld op de besparing van kosten, zijnde de besparing van de aanvragen en kosten van de benodigde vergunningen, verwerpt het hof het verweer van de verdediging. Voor het hanteren van deze alternatieve berekeningswijze dient immers sprake te zijn van een niet-vergunde situatie die wel vergund had kunnen zijn. In onderhavige zaak is evenwel sprake van een situatie waarbij pas na de periode van het verkrijgen van wederrechtelijk verkregen voordeel de betrokkene de diergeneesmiddelen had kunnen laten registreren, daar de wetgeving pas na afloop van bedoelde periode werd gewijzigd ten aanzien van de legaliteit van de (grond)stoffen/bestanddelen die in de desbetreffende diergeneesmiddelen zijn verwerkt. Anders gezegd: ten tijde van het verkrijgen van het wederrechtelijk verkregen voordeel had betrokkene de illegale dierengeneesmiddelen niet kunnen laten registreren. De door de verdediging bepleite alternatieve berekening kan dan ook in deze ontnemingszaak niet worden toegepast.
Seizoeneffect
In hoger beroep heeft de verdediging zich wederom op het standpunt gesteld dat geen rekening is gehouden met het seizoeneffect, nu de in het geding zijnde producten grotendeels seizoensgebonden worden geleverd.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de AID in de ontnemingsrapportage heeft gerekend met gemiddelde bestedingen per bestelling per kalenderjaar. Eventuele seizoensinvloeden op de verkoop van de onderhavige diergeneesmiddelen zijn door die berekeningswijze naar het oordeel van het hof voldoende verdisconteerd. Het hof verwijst in dit verband ook naar het "Aanvullend rapport” van 27 mei 2008, waarin uitvoerig is ingegaan op de stelling van betrokkene over het seizoeneffect en deze stelling gemotiveerd en onderbouwd is weerlegd.
Kosten
De verdediging heeft zich in hoger beroep wederom op het standpunt gesteld dat er rekening dient te worden gehouden met onder andere de kosten van productie, personeel en van huisvesting (huur loodsen). De verdediging heeft hiertoe een rapport d.d. 9 juni 2021 van BDO ingestuurd, waarbij is aangevoerd dat juist de kosten van productie, personeel en van huisvesting, reclame, advertenties, kantoor, drukwerk, contributies, abonnementen en representatie onderdeel uitmaken van de directe kosten althans, voor zover dat anders is, moeten worden betrokken bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, welke kosten ook aannemelijk zijn.
Het hof oordeelt als volgt.
Een kostenberekening kent verschillende doeleinden. Ten aanzien van de kostensoorten dient onderscheid te worden gemaakt tussen de directe en indirecte kosten. Direct zijn kosten die zonder toepassing van enige verdeelsleutel eenvoudig rechtstreeks aan het object van de berekening - bijvoorbeeld een door de onderneming te fabriceren en/of te verkopen product - kunnen worden toegerekend. Een voorbeeld is de inkoopwaarde van de grondstoffen die in het product worden verwerkt. Anderzijds zijn er indirecte kostensoorten (algemene kosten - ook wel overhead kosten genoemd -, zoals kosten van het gebouw waarin de bedrijfsprocessen plaatsvinden, administratiekosten, managementkosten etc.) die uitsluitend via een verdeelsleutel aan het product kunnen worden toegerekend. Indien het doel van de kostenberekening de verkoopprijsstelling van een product is, moeten, om tot de vaststelling van een verkoopprijs te kunnen komen waarin voor de ondernemer een minimaal gewenste netto winstmarge is begrepen, de omvang van alle zowel directe als indirecte kosten van dat product worden vastgesteld.
In verband met de vaststelling van wederrechtelijk verkregen voordeel bestaande uit genoemde winst bij verkoop van in dit geval illegale producten komen uitsluitend de directe kosten voor aftrek op de verkoopopbrengst in aanmerking. De reden hiervan is dat, wanneer ook de indirecte kosten voor aftrek in aanmerking zouden komen, een te laag wederrechtelijk verkregen voordeel zou worden vastgesteld. De omvang van dat voordeel bestaat immers uit de winst die met de - in dit geval - illegale handel is behaald, de besparing van kosten daaronder begrepen. De indirecte kosten hebben daarbij de eigenschap dat zij, de illegale handel weggedacht, ook zouden zijn gemaakt, zodat van besparing ervan geen sprake is.
In dit verband heeft het hof geconstateerd dat betrokkene de productie van duivendiergeneesmiddelen heeft uitbesteed bij GMP bedrijven. Deze maakte de diergeneesmiddelen legaal voor export. Een deel daarvan werd echter ook in Nederland afgeleverd omdat ook hier de ziektes ter bestrijding waarvan de middelen waren bedoeld, zich voordeden. Met de aflevering binnen Nederland werd deze illegaal. Het hof stelt vast dat de op pagina 3 van de brief van BDO van 9 juni 2021 opgesomde kostensoorten (personeel, huur, reclame, advertenties, kantoor, drukwerk, contributies, abonnementen, representatiekosten) naar hun aard geen van alle als directe kosten kunnen worden aangemerkt en dat betrokkene niet, in elk geval onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat (een deel van) die kosten direct, dus zonder toepassing van een in de vorige alinea bedoelde verdeelsleutel (men hanteert immers bij elke kostensoort een percentage van de omzet), aan de productie en verkoop binnen Nederland van ongeregistreerde diergeneesmiddelen kunnen worden toegerekend.
Naar het oordeel van het hof blijkt uit het voorgaande dat de kosten gemaakt ten aanzien van onder andere de productie, personeel en van huisvesting, maar ook de overige benoemde kosten, ook zouden zijn gemaakt wanneer de aflevering van de diergeneesmiddelen binnen Nederland zou zijn weggedacht, en derhalve zijn het geen kosten die uitsluitend ten aanzien van het strafbaar handelen zijn gemaakt.
Het hof is dan ook van oordeel dat deze kosten in verband met de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet voor aftrek in aanmerking komen.
Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel
Uitgangspunten:
- De opbrengsten over 1995 zijn buiten beschouwing gelaten;
- De opbrengsten van Parastop, B.S. en W.N. in 1996, 1997 en 1998 zijn buiten beschouwing gelaten;
- Uit de tabel op pagina 10 van de ontnemingsrapportage blijkt dat in 1996 tot en met 1999 geen A.S. is verkocht;.
- In 1996, 1997, en 1998 gaat het enkel om de illegale verkoop van de 4 in 1 mix.
In de tabel hieronder staan in de 1e kolom de relevante gegevens vermeld uit de tabel van pagina 10 van de ontnemingsrapportage, waarbij voor 2003 is aangesloten bij de tabel op pagina 11 van de ontnemingsrapportage, dat wil zeggen zonder de afzet voor [bedrijf 4] .
In kolom 2 is 6% BTW afgetrokken van de opbrengst.
In kolom 3 staat de opbrengst (exclusief BTW) minus de omzet van de code-2 aflevering (exclusief BTW), zoals die blijken uit de tabel op pagina 10 van de conclusie van repliek, namelijk:
- Alleen 4 in 1 mix:
o 1996 : € 3.788,16;
o 1997 : € 2.046,00;
o 1998 : € 5.965,80;
- Alle middelen:
o 1999 : € 19.494,45;
o 2000 : € 24.328,98;
o 2001 : € 20.556,01;
o 2002 : € 4.275,41;
o 2003 :.€ 1.759,45.
In kolom 4 staat de marge, opbrengst na aftrek van kosten, uitgedrukt in percentages, overgenomen uit de tabel op pagina 17 van de ontnemingsrapportage en voor 2003 uit de tabel op pagina 16.
Jaar Incl. btw Excl. Btw Minus code 2 Marge % Opbrengst netto
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hof het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel bij wege van tussenstand vaststelt op € 416.583,- (afgerond).
Vrijspraak aflevering in 2003 aan [betrokkene 5]
Bij onherroepelijk geworden arrest van 17 februari 2015 van dit hof is betrokkene vrijgesproken ter zake van de aflevering(en) in 2003 aan [betrokkene 5]. Deze vrijspraak heeft evenwel geen consequenties voor de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De opsomming van de bewijsmiddelen in het gecasseerde arrest van 3 maart 2009, waarin genoemde aflevering(en) nog wél bewezen is(zijn) verklaard bevat immers ten aanzien van genoemde [betrokkene 5] uitsluitend een verklaring van deze afnemer en niet (ook) enige aan deze gerichte factuur of pakbon.
Ontslag van alle rechtsvervolging in verband met de leveringen in 2003 aan [betrokkene 6]
In genoemd arrest van 17 februari 2015 van dit hof is betrokkene ontslagen van alle rechtsvervolging in verband met de leveringen in 2003 aan [betrokkene 6]. Hieruit volgt dat de leveringen van diergeneesmiddelen in 2003 aan deze afnemer niet als illegaal kunnen aangemerkt, zodat de met deze leveringen door betrokkene behaalde opbrengst niet als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt. Het hof acht aannemelijk dat ook gedurende de jaren 1996 tot en met 2002 sprake is geweest van leveringen binnen Nederland van een of meer van de in aanmerking komende vijf soorten niet geregistreerde diergeneesmiddelen in verband waarmee, indien die leveringen ten laste waren gelegd, eveneens ontslag van alle rechtsvervolging zou zijn gevolgd.
Bij gebreke van enig ander concreet aanknopingspunt in het ontnemingsdossier zal het hof het bedrag dat om genoemde reden op het tussentijds vastgestelde bedrag in mindering zal worden gebracht, als volgt vaststellen.
Bij de bewijsmiddelen bij het arrest van 3 maart 2009 bevinden zich de volgende pakbonnen, opgemaakt in 2003, ten name van [betrokkene 6] - de bedragen luiden telkens exclusief btw:
d.d. 25-06-2003 € 104,85
d.d. 13-06-2003 € 246,85
d.d. 14-07-2003 € 15,47
d.d. 28-08-2003 € 113,87
d.d. 04-09-2003 € 74,91
d.d. 27-10-2003 € 199,04 +/+
Totaal 2003 € 755,--(afgerond)
Dit bedrag vermenigvuldigd met de voor 2003 geldende marge van 0,611 (61,1%) levert een netto-opbrengst op van (afgerond) € 462,-. Dit is 1,32% (0,0132 deel) van de totale in 2003 behaalde netto-opbrengst.
Het hof zal over de zeven voorafgaande jaren 1996 tot en met 2002 telkens hetzelfde percentage van de behaalde netto-opbrengst hanteren.
Het totaal van de in de jaren 1996 tot en met 2002 behaalde netto-opbrengst bedraagt - afgerond - € 381.446,-. Het totaal van de over die jaren van het tussentijds vastgestelde ontnemingsbedrag is dan: 0,0132 x € 381.446,- = € 5.036,-. Bij dit bedrag moet worden opgeteld het berekende voor aftrek in aanmerking komende bedrag van € 462,-, zodat in totaal van het tussentijds vastgestelde ontnemingsbedrag moet worden afgetrokken een bedrag van (€ 5.036,- + € 462,- =) € 5.498,-.
Daarmee stelt het hof het totaalbedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op (€ 416.583,--/- € 5.498,-=) € 411.085,-‘
7. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 17 juni 2021, heeft de raadsman het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van een overgelegde pleitnota. De pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):
45. Zoals aan het begin van dit pleidooi opgemerkt, stelt de verdediging zich op het standpunt dat de koerswijziging in de jurisprudentie - betreffende de mogelijkheid om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren bij overschrijding van de redelijke termijn waardoor de waarheidsvinding dan wel zorgvuldige oordeelsvorming in het gedrang komt- ook gevolgen zou moeten hebben in de onderhavige zaak.
46. Deze jurisprudentie zag in eerste instantie niet op ontnemingsvorderingen maar veelal steeds op de hoofdzaak.
47. Daarbij ging het erom dat door de extreem lange duur artikel 6 EVRMPro (eerlijk proces) onder druk kwam te staan.
(…)
51. Ook in de onderhavige zaak, heeft het extreem lange tijdsverloop de mogelijkheden van de verdediging ernstig beperkt. Dit vloeit voort uit het feit dat voor de berekening van het wederrechtelijk verkrijgen voordeel moet worden teruggegrepen op vrijwel niet meer bestaande administraties uit de periode 1995 tot en met 2003.
52. Het begon al in de strafzaak zelf. Op het springende punt in de strafzaak bij het hof in 2014 (namelijk of client aan de hand van zijn al dan niet gearchiveerde administratie, bescheiden kon terugvinden die wezen op contact met de geadresseerde uit de tenlastelegging in die periode) moest [betrokkene 1] bij brief d.d. 4 december 2014 aan het hof laten weten dat dit helaas niet meer voor hem terug te vinden was. Door tijdverloop was [betrokkene 1] derhalve ernstig in het nadeel. De betreffende brief wordt als bijlage [Bijlage 1.| aangehecht. Dit was de basis onder de hele zaak.
53. Ook in de ontnemingszaak geldt dat de verdediging geconfronteerd is geworden met het feit dat zoveel jaren na dato zaken gewoonweg niet meer beschikbaar zijn. Zoveel jaren na dato is het voor client in redelijkheid niet meer mogelijk om - los van de door het hof in de strafzaak bewezen geachte gevallen - administratief na te gaan of client bij alle andere tienduizenden afleveringen van diergeneesmiddelen wèl heeft gediagnosticeerd en/of contact heeft gehad met de geadresseerde. Dit is gewoonweg niet meer te achterhalen maar daarmee had [betrokkene 1] wel eventueel aan kunnen tonen dat het merendeel van de - binnen de ontnemingsperiode aan de orde zijnde - leveringen binnen Nederland wel degelijk ‘legaal’ hebben plaatsgevonden. Client had dan tegenwicht kunnen bieden aan de extrapolatie van de leveringen zoals de AID dat heeft berekend. Dat is nu door het verstrijken van de jaren niet meer mogelijk.
54. Ook op meer specifieke punten heeft het tijdsverloop zijn sporen nagelaten. Verwezen wordt hier naar bijvoorbeeld de paragrafen 16 tot en met 21 uit de conclusie van antwoord naar aanleiding van de conclusie van eis deel IV, waar het ging om achterhalen van de productiedocumenten, wat niet meer mogelijk bleek.
55. Ook de pakbonnen bleken niet meer te achterhalen en evenmin de facturen van de bij derden ingekochte productie. Nogal van belang voor het bepalen van de kosten.
56. Hierdoor komt het recht op een eerlijk proces, ernstig in het gedrang.
57. Kort en goed: de waarheidsvinding loopt ernstige averij op door de excessieve duur van de ontnemingsprocedure.
58. Om die reden is geen sprake van een situatie waarin enkel de overschrijding van de redelijk termijn aan het niet-ontvankelijkheidsverweer ten grondslag wordt gelegd maar ook de invloed ervan op de waarheidsvinding.
59. De verdediging is van mening dat daarom de overschrijding van de redelijke termijn zich niet door strafvermindering kan laten compenseren. De overschrijding van de redelijke termijn is zodanig dat de waarheidsvinding verregaand is bemoeilijkt nu het ook in deze zaak gaat om een veelheid aan feiten waar het voor de verdediging erg moeilijk was en is om zonder nader onderzoek in administraties tot conclusies te komen.
60. Daarmee zijn de beginselen van een behoorlijke procesorde in ernstige mate geschonden, hetgeen weer gevolgen heeft voor de vraag of nog sprake is van een eerlijk proces. Eén en ander heeft ook weer invloed op de kwaliteit van het onderzoek door het hof. Daarmee is een zorgvuldige behandeling door het hof onmogelijk gemaakt.
Conclusie
61. Ik verzoek u daarom het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de ontnemingsvordering.
Bespreking van het eerste middel
8. Het eerste middel betreft de verwerping van het verweer dat gelet op het tijdsverloop in deze zaak geen adequate verdediging meer gevoerd kon worden en dat het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering moet worden verklaard. Uit ’s hofs overwegingen zou, zo begrijp ik, niet volgen dat geen sprake is van een bewijsvoering die op gespannen voet staat met ‘ the fairness of the proceedings as a whole’.
9. Uw Raad heeft in het arrest van 1 december 2020 waarin de rechtsregels inzake de toepassing van art. 359a Sv zijn aangevuld en bijgesteld onder meer het volgende overwogen: [11]
‘Niet-ontvankelijkverklaring
2.5.1
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rechtsoverweging 3.6.5 de volgende maatstaf geformuleerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie:
“Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.”
2.5.2
De Hoge Raad verduidelijkt de toepassing van deze maatstaf als volgt. De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRMPro, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bijvoorbeeld bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655), of waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt (vgl. HR 8 september 1998, ECL:NL:HR:1998:ZD1239).
2.5.3
In gevallen waarin zich een of meerdere vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, biedt de onder 2.5.2 besproken maatstaf in beginsel geen ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Het is echter niet uitgesloten, zoals onder 2.3.4 is overwogen, dat in zo’n geval strafvermindering ter compensatie van het daadwerkelijk ondervonden nadeel plaatsvindt.’
10. Het hof heeft vastgesteld dat op 5 augustus 2004 het proces-verbaal inzake de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gesloten. En dat het te schatten wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage is vastgesteld ten aanzien van twee periodes: de periode van 1 januari 2003 tot 22 november 2003 en de periode van april 1995 tot en met 31 december 2002. Op 3 oktober 2007 heeft in de ontnemingsprocedure een eerste zitting plaatsgevonden waarna een schriftelijke voorbereidingsprocedure is bevolen. Op 13 februari 2008 is in de hoofdzaak vonnis gewezen. Het hof heeft voorts overwogen dat de betrokkene al vanaf het begin van de periode van totstandkoming van de ontnemingsrapportage de mogelijkheid heeft gehad om openheid van zaken te geven, dat in de ontnemingsrapportage uitgebreid aandacht is besteed aan de feiten en omstandigheden waarop de ontnemingsvordering is gebaseerd en dat door de verdediging nadere onderzoekswensen zijn geformuleerd en nadere stukken zijn ingebracht. Het hof geeft voorts aan dat de betrokkene gedurende de gehele procedure de mogelijkheid heeft gehad om aanvullende verklaringen af te leggen dan wel aanvullende stukken in te brengen en vestigt daarbij de aandacht op de administratieve bewaarplicht van art. 52 AWRPro.
11. Uit deze overwegingen volgt dat het hof heeft geoordeeld dat zich in de onderhavige zaak niet de situatie voordoet dat (door tijdsverloop) inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Dat is niet onbegrijpelijk. Daarbij heeft het hof kunnen betrekken dat administratieplichtigen ingevolge art. 52 AWRPro gehouden zijn van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen daaruit duidelijk blijken. [12] Ik attendeer er daarbij nog op dat in het arrest dat op 17 februari 2015 in de strafzaak is gewezen is vastgesteld dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is beginnen te lopen op 22 november 2003, ‘de dag waarop het gerechtelijk vooronderzoek is geopend en door de rechter-commissaris onder meer een bedrijfspand van de verdachte is doorzocht’.
12. Aan een en ander doet niet af dat het hof heeft overwogen dat de betrokkene een administratie moest kunnen overleggen vanaf september 1997 terwijl de vaststelling van het wederrechtelijk genoten voordeel op de periode van na 1 januari 1996 ziet. Ik begrijp de verwijzing naar de bewaarplicht aldus dat het hof vaststelt dat de verdachte over het grootste deel van de periode waarop de berekening van het voordeel ziet verplicht de administratie nog moest bewaren. Indien de verdachte ontlastende stukken in het geding had gebracht die op (een deel van) de periode van na september 1997 betrekking hadden, had het hof daar ook voor de voorgaande periode gevolgen aan kunnen verbinden.
13. Het middel faalt.
Bespreking van het tweede middel
14. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof kennelijk ook volgens het hof zelf in de opgave van de bewijsmiddelen onjuiste en niet redengevende gegevens heeft opgenomen. Welke gegevens als redengevend voor het bewijs zijn aangemerkt zou niet eenduidig blijken.
15. Het hof heeft in de aanvulling een opmerking vooraf opgenomen. Daarin geeft het hof aan dat het zich realiseert ‘dat onder bewijsmiddel 1 onder meer in de tabellen getallen en informatie zijn opgenomen die het hof niet heeft gebruikt bij de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel (WVV). Ook blijkt uit bewijsmiddel 2 dat de opsteller van het Aanvullend rapport van 27 mei 2008 tot de gemotiveerde conclusie is gekomen dat het jaar 1995 bij nader inzien in verband met de vaststelling van het WVV buiten beschouwing dient te blijven. Om vergissingen, onder meer bestaande uit het ten onrechte teveel verwijderen van (getalsmatige) feitelijkheden uit de bewijsmiddelen ( BFK: te voorkomen), heeft het hof ervoor gekozen om ook gegevens in de bewijsmiddelen die het hof niet heeft gebruikt bij de vaststelling van de omvang van het WVV, te laten staan.’ Aldus heeft het hof toegelicht dat en waarom in de bewijsmiddelen gegevens staan die niet redengevend zijn voor de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
16. Dat de bewijsmiddelen die in de bijlage zijn opgenomen feiten en omstandigheden dienen te bevatten die redengevend zijn voor de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, kan worden afgeleid uit art. 511g, tweede lid, Sv, jo. art. 415, eerste lid, Sv jo. art. 359, derde lid, Sv. [13] In deze eis ligt in de eerste plaats besloten dat de redengevende feiten en omstandigheden uit de opgenomen bewijsmiddelen dienen te blijken, en in de tweede plaats dat de bewijsmiddelen geen feiten en omstandigheden dienen te bevatten die niet redengevend zijn voor de betreffende beslissing. Beide aspecten van de eis zijn – meen ik – niet van hetzelfde gewicht. Als de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan worden gebaseerd op redengevende feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, ligt – in beginsel – cassatie in de rede. [14] Als in de bewijsmiddelen feiten en omstandigheden zijn opgenomen die niet redengevend zijn voor de beslissing blijft cassatie achterwege indien de beslissing zonder meer toereikend gemotiveerd is indien deze onderdelen worden weggedacht. [15]
17. Uit de overwegingen van het hof kan worden afgeleid dat het hof niet redengevende feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen heeft laten staan. Nu door de stellers van het middel niet is aangevoerd dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet op de in de bewijsmiddelen opgenomen feiten en omstandigheden kan worden gebaseerd, meen ik dat die enkele omstandigheid niet tot cassatie leidt.
18. De stellers van het middel voeren nog aan dat het ‘niet de bedoeling (is) dat betrokkene en de Hoge Raad bijvoorbeeld aan de hand van hetgeen het hof in het arrest heeft overwogen/geoordeeld en de inhoud van de bewijsmiddelen maar moeten nagaan welke gegevens kennelijk niet redengevend zouden zijn en welke niet. Een arrest is geen puzzeltocht.’
19. Die vergelijking met een puzzeltocht gaat naar het mij voorkomt niet op. Het hof heeft onder het kopje ‘Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel’ aangegeven hoe het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend. Het hof vermeldt eerst enkele uitgangspunten die – zo volgt uit de voorgaande overwegingen – correcties betekenen ten opzichte van de benadering die in de ontnemingsrapportage is gevolgd (met uitzondering van het derde uitgangspunt, dat attendeert op een onderdeel van de ontnemingsrapportage). Deze verwoording van uitgangspunten geeft daarmee invulling aan de ‘Opmerking vooraf’ die het hof in de aanvulling heeft opgenomen. Ik merk nog op dat deze uitgangspunten (zo overweegt het hof) aansluiten bij beslissingen van de rechtbank, dat ook de rechtbank in het ontnemingsvonnis van de ontnemingsrapportage is uitgegaan, en dat de verdediging in hoger beroep niet heeft aangevoerd dat onduidelijk is hoe de berekening van de rechtbank zich tot de ontnemingsrapportage verhoudt.
20. Het hof stelt vervolgens voorop dat de relevante gegevens in de eerste kolom van de tabel waarmee het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend staan vermeld op p. 10 van de ontnemingsrapportage, en dat voor 2003 is aangesloten bij de tabel op p. 11. Het hof geeft vervolgens aan dat in kolom 3 de opbrengst (exclusief BTW) is vermeld ‘minus de omzet van de code-2 aflevering (exclusief BTW), zoals die blijken uit de tabel op pagina 10 van de conclusie van repliek’. Die conclusie van repliek is als bewijsmiddel 2 opgenomen. In kolom 4 staat, zo vermeldt het hof, ‘de marge, opbrengst na aftrek van kosten, uitgedrukt in percentages, overgenomen uit de tabel op pagina 17 van de ontnemingsrapportage en voor 2003 uit de tabel op pagina 16’. De laatste kolom is het resultaat van een vermenigvuldiging van de bedragen in kolom 4 met de percentages uit kolom 5. Daarna zijn nog enkele correcties doorgevoerd in verband met een ontslag van alle rechtsvervolging dat op leveringen in 2003 betrekking heeft. Tegen deze berekening worden in cassatie geen bezwaren geformuleerd.
21. Een en ander brengt mee dat het middel faalt.
Bespreking van het derde middel en afronding
22. Het derde middel houdt in dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn, in het bijzonder de inzendtermijn in cassatie, is geschonden.
23. Op 2 augustus 2021 is namens betrokkene beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 11 juli 2023 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendingstermijn van acht maanden met meer dan vijftien maanden is overschreden. Dat dient tot vermindering van de betalingsverplichting te leiden.
24. Het eerste en tweede middel falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Het derde middel slaagt. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad niet binnen twee jaar nadat beroep in cassatie is ingesteld arrest zal wijzen, ook dat dient tot vermindering van de betalingsverplichting te leiden. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.Ik vermeld nog dat Uw Raad eerder twee keer arrest heeft gewezen in de strafzaak die aan deze ontnemingszaak ten grondslag ligt; zie HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5971 en HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:521 (art. 81 ROPro).