Conclusie
1.Inleiding
3.Procesverloop
Eerste aanleg
4.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1is miskend dat de toewijzing in het verzetvonnis van de vorderingen A, B en C met de daaraan gekoppelde dwangsomveroordelingen niet integraal had moeten worden vernietigd. Als in een
verstekvonnis in kort geding een vordering op straffe van verbeurte van dwangsommen wordt toegewezen, maar bij het wijzen van het
verzetvonnis het (spoedeisend) belang aan de gevorderde voorlopige voorzieningen inmiddels is komen te ontvallen, dan brengt die enkele laatste omstandigheid nog niet mee dat de voorzieningenrechter in het verzetvonnis de bij verstek toegewezen vorderingen integraal moet vernietigen. Als en voor zover (ook achteraf gezien) ten tijde van het verstekvonnis wel spoedeisend belang bestond, moet de voorzieningenrechter in het verzetoordeel die veroordeling voor het verleden (in beginsel) in stand laten voor de periode waarin nog wél spoedeisend belang bestond (en afwijzen voor de periode daarna). Hoe dan ook geldt dit als er voldoende belang van een eiser is, zoals hier, om aanspraak te kunnen (blijven) maken op (volgens hem) verbeurde dwangsommen in de tijd dat gedaagde zijn verplichtingen uit het verstekvonnis (ook achteraf gezien ten onrechte)
nietis nagekomen. Althans geldt dit als eiser zoals in dit geval wordt geconfronteerd met een gedaagde die een verstekveroordeling niet nakomt en dan zelf, als eiser, maar met veel energie en het doen van grote financiële offers maatregelen neemt die de nadelige gevolgen van de tekortschietende gedaagde mitigeren, maar daardoor zelf het spoedeisend belang aan zijn vorderingen doet ontvallen; dan mag gedaagde niet worden ‘beloond’ voor die niet-nakoming van het verstekvonnis door de grondslag voor de (eventueel) door hem verbeurde dwangsommen alsnog te vernietigen wanneer de gedaagde in verzet komt. De voorzieningenrechter had dan ook de bij verstek toegewezen vorderingen A, B (deels) en C in het verzetvonnis in stand moeten laten voor de periode waarin DME spoedeisend belang had bij de gevorderde ordemaatregelen en op basis van het verstekvonnis zijn dan ook in zoverre (mogelijk) dwangsommen verbeurd. Zodoende had het hof de bekrachtiging van de toewijzing van de vorderingen A, B en C met de daaraan gekoppelde dwangsomveroordelingen niet integraal moeten vernietigen.
subonderdeel 1.2een motiveringklacht tegen rov. 4.3. Volgens het hof ontbrak
ten tijde van het verzetvonnis van 31 mei 2021spoedeisend belang doordat DME erin was geslaagd haar eigen platform op te zetten (gelanceerd op 8 maart 2021), dat op 31 mei 2021 al geruime tijd was voltooid, terwijl de migratie van klanten toen al bijna drie maanden gaande was. Het hof heeft echter niet vastgesteld dat
ten tijde van het verstekvonnis op 1 februari 2021geen spoedeisend belang (meer) aanwezig was, en evenmin dat op die datum overigens geen grond bestond voor toewijzing van het gevorderde. Daarom is niet toereikend gemotiveerd waarom er toch geen grond bestond de in het verstekvonnis toegewezen voorzieningen in stand te laten voor de periode tussen de datum van het verstekvonnis (1 februari 2021) en het moment dat volgens het hof geen spoedeisend belang meer aanwezig was.
nietaan de orde is). Wel heeft volgens wat in de wandeling de
Ciba Geigy/ […] -leer is gaan heten de partij die door dreiging met executie zijn wederpartij heeft gedwongen zich naar een in kort geding gegeven verbod of gebod te gedragen, onrechtmatig gehandeld wanneer zij, naar achteraf uit de uitspraak in het bodemgeschil blijkt, niet het recht had de wederpartij te houden aan hetgeen waartoe die partij in kort geding is veroordeeld. Aan die aansprakelijkheid staat, als uitgangspunt, het enkele feit dat de veroordeelde partij geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het kortgedingvonnis niet in de weg [6] . Dit Nederlandse stelsel van ‘in beginsel’
de factorisicoaansprakelijkheid voor tenuitvoerlegging van kortgedinguitspraken in zaken waarin vervolgens afwijkend wordt geoordeeld in de bodemzaak, staat nog onverkort overeind na de recente uitspraak in zaak C-473/22
Mylan/Gilead [7] . Daar was na zaak C-688/17
Bayer/Richter [8] twijfel over gerezen, maar die is door het Luxemburgse Hof weggenomen [9] .
geendefinitief karakter als een vonnis (of dat nu in kort geding is of in een bodemprocedure) waarbij een dwangsom is opgelegd na aanwending van een rechtsmiddel wordt
vernietigd. Vernietiging van een uitspraak (in kort geding of in een bodemzaak) heeft namelijk tot gevolg dat de uitspraak met terugwerkende kracht geacht moet worden niet te hebben bestaan. Op grond van de uitspraak verrichte handelingen of betalingen – zoals betaling van aanvankelijk verbeurde dwangsommen – moeten worden teruggedraaid als onverschuldigd verricht (zie art. 6:210 lid 2 BW Pro en art. 6:203 lid 3 BW Pro). Door de vernietiging van het vonnis komt de titel aan de betreffende dwangsommen te ontvallen. Het gevolg hiervan is dat die dwangsommen niet langer zijn verbeurd en dat deze, voor zover al geëxecuteerd, moeten worden terugbetaald [10] . Het zal duidelijk zijn dat DME belang heeft bij haar klachten over de integrale vernietiging door het hof van de toegewezen vorderingen
versterkt met dwangsomin het verstek- en verzetvonnis.
ex nuncbeoordelen: heeft de eisende partij
op het moment van wijzen van de uitspraak in appelnog spoedeisend belang bij de gevorderde voorlopige voorziening? Dat is te beoordelen aan de hand van de stand van zaken op het moment van het oordeel in hoger beroep [11] .
ex tuncterecht was, omdat er toen wel spoedeisend belang bestond, maar b) dat vanwege inmiddels (
ex nunc) niet meer (voldoende) aanwezig spoedeisend belang de gevraagde voorzieningen in appel (met werking voor de toekomst) worden afgewezen [13] .
X/Stg. Berregratte [14] over verhuur van een onroerende zaak. Bij kortgedingvonnis werd verhuurster veroordeeld om op straffe van een dwangsom onmiddellijk het rustig genot aan huurder te verschaffen. Het hof vernietigde dit vonnis, maar uit zijn overwegingen bleek dat bedoeld was om die vernietiging alléén te laten werken voor de periode ná het verstrijken van de opzegtermijn die hier volgens een prognose van het bodemrechteroordeel in acht had moeten worden genomen. Door de
integralevernietiging in appel van het kortgedingvonnis kwam de aanspraak van huurder op vóór bedoeld tijdstip eventueel verbeurde dwangsommen te vervallen en een daarop gerichte
motiveringsklacht trof doel in cassatie.
ambtshalveverplicht zo’n splitsing aan te brengen? Dat lijkt bepaald niet te volgen uit rov. 3.5 van het al aangehaalde arrest
[…] / […]en is volgens A-G Huydecoper (en mij) ook onwenselijk [15] , omdat het te ver zou strekken, zeker als het om beoordelingen in kort geding gaat, om een ingrijpende en uitzonderlijke ambtshalve verplichting tot ‘bewaking’ van dit probleem bij de appelrechter te leggen, zeker als het partijdebat zich daartoe niet heeft uitgestrekt. Huydecoper gaf in zijn conclusie vóór
X/Stg. Berregratteaan dat als het partijdebat alleen ziet op de kwestie of er redenen bestonden voor een verbod of gebod als gevorderd en de vraag van mogelijke temporele beperking daarvan niet aan de orde is gekomen, de appelrechter dan niet hoeft in te gaan op de vraag of er aanleiding is voor splitsing. Het is aan de partij die het aangaat om stellingen daarover te betrekken en eventueel haar petita daarop aan te passen. Niet ondenkbaar is hier het gevaar van verrassingsbeslissingen, zo voeg ik daar aan toe – al kan ter zitting in appel zoiets natuurlijk ook door het hof uit eigener beweging worden aangekaart. Uit
[…]lijkt mij ook bepaald niet te volgen dat het hier om een ambtshalve plicht van de appelrechter gaat als partijen daar verder niet over reppen.
[…]-leer dat er geen splitsingsplicht lijkt te bestaan. Zij bepleit het tegendeel: de appelrechter zou wel verplicht moeten zijn om rekening te houden met de belangen van de dwangsomcrediteur en zij betoogt dat de executant van het vonnis in eerste aanleg in geval van veranderde omstandigheden recht heeft op toetsing
ex tunc [16] . Zij wijst op punt 2.16 van de conclusie van A-G Bakels vóór
Telfort/Scaramea,al aangehaald, waarin hij uiteenzet dat als gedaagde ondanks een dwangsom niet aan de veroordeling voldoet, eiser genoodzaakt zal zijn uit te zien naar alternatieven. Als hij deze heeft gevonden en de noodzaak voor het treffen van de voorziening dus in hoger beroep is vervallen, zou het onjuist zijn als de appelrechter zou volstaan met een enkele vernietiging van het bestreden vonnis en weigering van de gevraagde voorzieningen. De dwangsom zou dan niet meer (voldoende) functioneren als prikkel tot nakoming, omdat eisers in dergelijke gevallen bekneld raken tussen de hamer van hun schadebeperkingsplicht en het aambeeld van het verlies van hun recht op de inmiddels verbeurde dwangsommen. Een gedaagde zou dan 'beloond' worden voor het negeren van het rechterlijk bevel. Soortgelijke, zij het niet identieke overwegingen gelden als bij een verbod inmiddels geen (spoedeisend) belang meer bestaat, omdat het verboden gedrag na - en in de regel als gevolg van - het in eerste instantie gewezen vonnis is gestaakt. Beekhoven van den Boezem leidt hieruit af dat op de appelrechter in een dergelijk geval een verplichting zou moeten rusten om rekening te houden met deze belangen. Dat lijkt mij op zich ook, maar ik zie met Huydecoper (en als ik het goed zie ook Bakels) geen overtuigende redenen waarom dat
ook ambtshalvezou moeten als het partijdebat daar geen aanleiding toe geeft. Als dit punt aan de orde is gesteld door (meestal) eiser (in eerste aanleg), dan zal de rechter daarop moeten responderen, maar voor een ambtshalve plicht daartoe zie ik geen aansprekende gronden.
X/Stg. Berregratte,maar ik zie niet - net zo min als ik dat in 2016 zag [17] - dat daarin een
ambtshalveplicht tot restrospectie kan worden gelezen. Uit het arrest volgt lijkt mij alleen dat áls het hof retrospectie toepast, dit ook op logisch consistente wijze in het dictum moet weerklinken [18] - en als dat niet gebeurt, dat daartegen met succes een motiveringsklacht kan worden gericht in cassatie. Ik kom daar bij de bespreking van de motiveringsklacht (subonderdeel 1.2) nog op terug (de motiveringsklacht treft hier volgens mij doel).
proceskostenveroordeling, impliceert naar ik meen niet dat de appelrechter ook een
ambtshaveretrospectieplicht heeft met het oog op eventueel verbeurde dwangsommen uit de eerste aanleg.
ambtshalveplicht tot
ex tunctoetsing als het partijdebat daar niet over is gegaan. Ik zie evenmin ruimte voor de in de rechtsklacht bepleite subregel dat dat althans zou moeten gelden in een geval als dit waarin eiser inmiddels zelf had geregeld wat gedaagde had moeten doen en dan door inmiddels geconstateerd gebrek aan spoedeisend belang in appel tegen een afwijzing en vernietiging zonder splitsing aanloopt, waardoor gedaagde wordt ‘beloond’ voor aanvankelijke niet-nakoming van het verstekvonnis. Eiser had dat zelf moeten aankaarten in appel en moeten aandringen op splitsing, maar dat is niet gebeurd. Ambtshalve splitsing is niet uitgesloten, zo hebben we gezien, maar aan rechterlijk beleid overgelaten en het al dan niet splitsen door het hof kan dan niet op juistheid worden getoetst, maar in cassatie kunnen wel motiveringseisen worden gesteld aan het oordeel [20] . Hierop strandt dan ook in mijn ogen de rechtsklacht van subonderdeel 1.1.
ten tijde van de beslissing van de appelrechter, geen voldoende (spoedeisend) belang heeft bij de met haar vorderingen A, A1, B en C gevraagde voorlopige voorzieningen. Vervolgens heeft het hof in rov. 4.3 met het oog op vordering E geoordeeld – eveneens onbestreden in cassatie – dat DME door voltooiing van het eigen platform de nadelige gevolgen van de blokkade voor een groot deel zelf heeft weten op te heffen zodat
ten tijde van het verzetvonnisgeen voldoende spoedeisend belang meer bij haar vorderingen bestond. Deze overwegingen betreffen dus een beoordeling
ex nuncvan de situatie ten tijde van het oordeel in hoger beroep en
ex tuncvan de situatie bij wijzen van de
verzetprocedure. Het hof is daarmee op basis van retrospectie tot afwijzing van de vordering voor de toekomst gekomen, maar heeft in het dictum geen splitsing aangebracht.
ten tijde van het verstekvonniseen grondslag bestond voor een met dwangsom versterkte veroordeling. Het hof heeft niet expliciet vastgesteld dat er ten tijde van het verstekvonnis geen spoedeisend belang bestond (zo ook DME bij s.t. 3.2) en ik lees het hofoordeel (net als, als ik het goed zie, dupliek [verweerder 2] 2.7-2.8) zo dat het hof
in het midden laatof er ten tijde van het verstekvonnis wel spoedeisend belang bestond. Het hof komt tot het oordeel dat er op basis van het verstekvonnis geen dwangsommen zijn verbeurd omdat er
ten tijde van het verzetvonnisal geen voldoende spoedeisend belang meer bestond en de voorzieningenrechter de in het verstekvonnis toegewezen vorderingen A, B en C in het verzetvonnis niet in stand had mogen laten.
X/Stg. Berregrattevolgt wel dat àls het hof retrospectie toepast, dit ook op logisch consistente wijze moet gebeuren en dat daarvan ook in het dictum moet blijken. Nu het hof niet alleen is nagegaan of in hoger beroep (nog) voldoende spoedeisend belang bestond, maar ook of er in eerste aanleg wel een grondslag was voor een met dwangsom versterkte veroordeling, is niet begrijpelijk dat het hof
alleende situatie ten tijde van het
verzetvonnis in zijn beoordeling heeft betrokken en die ten tijde van het
verstekvonnis in het midden laat [22] .
verzetvonnis moeten bezien. Aangezien het partijdebat geen aanleiding gaf tot restrospectie en bij afwezigheid van een ambtshalve plicht daartoe, zou het hof vordering E op zich eenvoudig hebben kunnen afwijzen op de grond dat er
ex nuncgeen spoedeisend belang (meer) bestond bij vorderingen A, A1, B en C (zoals geoordeeld in rov. 4.2), zodat vernietiging van de in eerste aanleg gegeven uitspraken ertoe leidt dat de aan die veroordelingen verbonden (eventueel verbeurde) dwangsommen met terugwerkende kracht niet verschuldigd zijn.
X/Beregratte-uitspraak te parafraseren). Daarbij zou het hof dan wel óók hebben dienen na te gaan of er spoedeisend belang was in de periode
tussen het verstekvonnis(1 februari 2021)
en het verzetvonnis(31 mei 2021) - of een gedeelte daarvan - en vervolgens of er reden was om het
verstekvonnis gedeeltelijk in stand te laten voor die periode. De tijdlijn is hier immers: blokkade op 22 januari 2021 (rov. 4.1), verstekvonnis 1 februari 2021, alternatief eigen platform DME op 8 maart 2021 definitief in de lucht (ook rov. 4.1, volgens rov. 4.3 ten tijde van het verzetvonnis op 31 mei 2021 al geruime tijd voltooid met een al bijna drie maanden aan de gang zijnde migratie van haar klanten daar naar toe). Maar het hof doet dus iets anders. Het overweegt dat er
ten tijde van het verzetvonnisgeen spoedeisend belang meer was bij de vorderingen A, B (deels) en C, kort gezegd omdat DME al een werkend eigen platform had opgezet toen. Daarom had de voorzieningenrechter in verzet die in het verstekvonnis toegewezen vorderingen A, B (deels) en C in verzet niet in stand mogen laten, zodat op basis van het verstekvonnis ‘dus’ geen dwangsommen zijn verbeurd, zo oordeelt het hof. Dat is niet toereikend gemotiveerd, omdat er een ‘gat’ zit tussen 1 februari 2021 en tenminste 8 maart 2021 waarin het alternatieve platform volgens het eigen voorlopig oordeel van het hof nog
niet‘definitief in de lucht was’, zodat er mogelijk vanaf betekening van het verstekvonnis van 1 februari 2021 tot in ieder geval 8 maart 2021 potentieel dwangsommen kunnen zijn verbeurd. Alleen al daarom lijkt mij de motiveringsklacht van subonderdeel 1.2 doel te treffen. De motivering in rov. 4.3 waarom op grond van het verstekvonnis geen dwangsommen zijn verbeurd, is niet sluitend en daarom ontoereikend.
heropenden de met het verstekvonnis aanvankelijk geëindigde instantie
voortgezet [26] . Volgens art. 147 lid 1 Rv Pro wordt de(zelfde) instantie heropend: het exploot van verzet geldt als conclusie van antwoord, waarmee de gedaagde verweer kan voeren tegen de ingestelde eis. Er is, anders dan bij hoger beroep, bij verzet dus
geensprake van een
nieuwe instantie, maar van heropening en voortzetting van de betreffende instantie die aanvankelijk uitmondde in een verstekuitspraak. Aan de andere kant is verzet een (gewoon) rechtsmiddel tegen een verstekuitspraak [27] . Het vonnis dat in de verzetprocedure wordt gewezen, treedt in de plaats van het verstekvonnis, dat zijn rechtskracht behoudt totdat het wordt vernietigd, bekrachtigd of anderszins niet langer rechtskracht heeft [28] . Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van de verstekuitspraak, tenzij deze uitvoerbaar bij voorraad was verklaard (art. 145 Rv Pro). De regels van het verstek en verzet gelden ook voor de procedure in kort geding (art. 259 Rv Pro) [29] .
subonderdeel 1.3vertrekt vanuit de veronderstelling dat het oordeel in rov. 4.3 over niet langer aanwezig spoedeisend belang mogelijk rust op de passage uit die rechtsoverweging dat het juridische traject van deze zaak naast de migratie naar het eigen platform als ‘extraatje’ was ingezet. Als dat zo is, is dat oordeel onjuist of onbegrijpelijk aldus deze klacht. Die behoeft gelet op het slagen van subonderdeel 1.2 lijkt mij geen bespreking meer, maar mist overigens feitelijke grondslag, omdat nergens uit blijkt dat spoedeisend belang-oordeel op de veronderstelling is gebaseerd, waar de klacht van uitgaat (in gelijke zin s.t. [verweerder 2] 2.14).