Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
5 januari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 23 juli 2011 werd aangehouden met buitensporig geweld door politie, waarbij hij letsel opliep. Tijdens de aanhouding gebruikte de politie pepperspray en werd de verdachte meerdere malen gestompt, wat leidde tot gebitsletsel en andere verwondingen. De verdachte bedreigde daarna een politieambtenaar, wat hem ten laste werd gelegd.
Het hof stelde vast dat het geweld buitensporig was en dat een verbalisant bewust onjuist had gerapporteerd in het proces-verbaal, wat een ernstige inbreuk op de procesorde vormt. Desondanks oordeelde het hof dat het recht op een eerlijk proces niet was geschonden omdat de camerabeelden en medische verklaringen aan het dossier waren toegevoegd, waardoor het vormverzuim was hersteld.
Het hof achtte aannemelijk dat het buitensporige geweld bij de aanhouding een psychische overmacht veroorzaakte bij de verdachte, waardoor diens bedreigingen emotioneel en niet strafbaar waren. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep, waarbij het belang van een eerlijke procesorde werd benadrukt, maar ook het feit dat de verdachte niet definitief was beroofd van een eerlijk proces.
Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens psychische overmacht na buitensporig geweld bij aanhouding.