Conclusie
[eisers] zijn erfpachters van de Gemeente. SEBU is een stichting die meerdere erfpachters vertegenwoordigt. Zij stellen zich op het standpunt dat de erfpachtvoorwaarden ABU74 en ABU83 van de Gemeente niet toepasselijk zijn, althans dat een aantal bepalingen uit de ABU74 en ABU83 onredelijk bezwarend zijn, dat het gemeentelijke conversiebeleid hen ten onrechte anders behandelt dan erfpachters op wie de ABU89 van toepassing zijn en dat de Gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld bij het doen van een aanbod op basis van haar conversiebeleid. De hierop gebaseerde vorderingen zijn door rechtbank en hof afgewezen. De tegen de oordelen van het hof gerichte cassatieklachten slagen naar mijn mening niet. [1]
(ii) Het recht van erfpacht van [eiser 2] is gevestigd op 23 maart 1978. De aanvangscanon bedroeg f 1.912,50 per jaar. Bij brief van 16 oktober 1996 is aangekondigd dat deze met ingang van 1 april 1997 zou worden verhoogd naar f 2.602,60 per jaar. [eiser 2] heeft het recht van erfpacht op 11 oktober 2004 verkocht en geleverd aan [eiser 5] . De canon is met ingang van 1 april 2017 verhoogd naar € 2.032,24.
(iii) Op 6 december 1979 is aan Ontwikkelingsmaatschappij Lunetten B.V. een recht van erfpacht uitgegeven. Bij akte van dezelfde datum is dit recht van erfpacht gesplitst in meerdere appartementsrechten. [eiser 3] heeft op 1 oktober 2014 één van die appartementsrechten gekocht. De canon bedroeg € 858,66 per jaar.
(iv) [eisers onder 4] hebben op 27 maart 1990 een recht van erfpacht verkregen. Zij hebben daarbij de canon afgekocht voor een periode van 50 jaar tegen betaling van een bedrag van f30.000,- zijnde de grondwaarde op dat moment. Daarnaast betalen zij een niet-herzienbare canon van f 25,- per jaar.
- brief van 20 april 2018 aan [eiseres 1] , waarin een te betalen bedrag is genoemd van € 137.272,97;
- brieven van respectievelijk 11 mei 1993 én 16 oktober 1996 aan [eiser 2] waarin te betalen bedragen zijn genoemd van € 47.300,- respectievelijk f 78.000,-;
- brief van 4 mei 2018 aan [eiser 5] waarin een te betalen bedrag is genoemd van € 52.161,-;
- brief van 4 mei 2018 aan [eiser 3] waarin een te betalen bedrag is genoemd van € 17.611,95;
- brief van 20 april 2018 aan [eisers onder 4] waarin een te betalen bedrag is genoemd van € 29.641,93.
De in 2018 gedane aanbiedingen zijn gebaseerd op de Conversieregeling erfpacht 2017.
2.Procesverloop
De rechtbank heeft in haar vonnis van 11 februari 2021 geoordeeld dat [eiser 2] , [eiser 5] en [eiser 3] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen en de vorderingen van [eiseres 1] , [eisers onder 4] , [eiser 4b] en SEBU afgewezen.
Het hof heeft bij arrest van 30 mei 2023 het vonnis van de rechtbank van 11 februari 2021 vernietigd voor zover [eiser 2] , [eiser 5] en [eiser 3] daarin niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun vorderingen, en heeft de vorderingen van [eisers] en SEBU op afgewezen en het vonnis in zoverre bekrachtigd.
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
- de toepasselijkheid van art. 6:233 onder Pro b en 6:234 BW en van de ABU74 en ABU83 (onderdelen 1.1-1.3);
- de onredelijk bezwarendheid van de bepalingen in de ABU74 en ABU83 over periodieke canonherziening (onderdelen 2.1-2.12):
- de onredelijk bezwarendheid van de bepalingen in de ABU74 en ABU83 over de deskundigenprocedure (onderdelen 3.1-3.3);
- de onredelijk bezwarendheid van de bepalingen in de ABU74 en ABU83 over de canonherziening na 50 jaar (onderdelen 4.1-4.3);
- de onredelijk bezwarendheid van de bepalingen in de ABU74 en ABU83 over de bevoegdheid van de Gemeente om de algemene en de bijzondere bepalingen te wijzigen (onderdeel 5);
- de schending van het gelijkheidsbeginsel op de grond dat erfpachters bij toepassing van de ABU74 en ABU83 zwaarder worden belast dan erfpachters op wie de ABU89 van toepassing zijn (onderdelen 6.1-6.4);
- of bepaalde vorderingen behandeling behoefden (onderdelen 7.1-7.4);
- de toetsing van de Conversieregeling erfpacht 2017 (onderdelen 8.1-8.3);
- de zorgvuldigheid van de gemeentelijke informatievoorziening (onderdelen 9.1-9.4); en
- de onredelijk bezwarendheid van het boetebeding in de ABU74 en ABU83 (onderdeel 10).
Onderdeel 11 bevat een op de voorgaande onderdelen louter voortbouwende klacht.
In het middel worden [eisers] en SEBU in beginsel gezamenlijk aangeduid als [eisers] Ik zal hierna van [eisers] en SEBU spreken.
Omdat voorheen gebruikte algemene voorwaarden met het oog op genoemde afdeling moeten worden ‘gescreend’ en waar nodig aangepast, geeft art. 191 lid 1 ONBW Pro aan de gebruikers tot één jaar na de inwerkingtreding de tijd. [5] De inhoudstoets van art. 6:233 onder Pro a BW (onredelijk bezwarendheid) kon vervolgens krachtens art. 191 lid 2 ONBW Pro vanaf 1 januari 1993 ook worden toegepast op ‘oude’ algemene voorwaarden.
Over het algemeen wordt aangenomen dat art. 191 lid 2 ONBW Pro restrictief moet worden uitgelegd en niet ziet op de vernietigingsgrond van art. 6:233 onder Pro b BW. In de toelichting op art. 191 lid 2 BW Pro is dit punt onvoldoende onder ogen gezien. [6] De ratio om art. 6:233 onder Pro a BW alsnog te laten gelden voor ‘oude’ voorwaarden, gaat niet op bij de informatieplicht. De informatieplicht dient primair ter bewerkstelliging van ’informed consent’ en heeft voorts een dossierfunctie. [7] Met het oog op ‘informed consent’ is het achteraf alsnog voldoen aan de informatieplicht mosterd na de maaltijd. Ten aanzien van de dossierfunctie zou dit op zichzelf nog nut kunnen hebben.
Doorslaggevend is mijns inziens het argument dat de opvatting van het onderdeel zou leiden tot de onwenselijke consequentie dat ‘oude’ algemene voorwaarden achteraf vernietigbaar zouden worden wegens het niet alsnog nakomen van een informatieplicht die niet gold ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst. Dat zou − ook ruim 30 jaar na de invoering van het Nieuw BW− tot allerlei onvoorziene en onoverzienbare gevolgen kunnen leiden. De krachteloosheid van allerlei ‘oude’ erfpachtvoorwaarden is daarvan slechts een voorbeeld. De rechtsopvatting waarop het onderdeel berust, moet daarom worden verworpen.
Onderdeel 1.1slaagt niet.
Onderdeel 1.2faalt reeds op deze grond.
Volgens het subonderdeel hanteert het hof in rov. 3.25 een te afstandelijke toets door slechts in abstracto aan te geven welke elementen naar zijn oordeel de conclusie rechtvaardigen dat de voorwaarden niet onredelijk bezwarend zijn en verzuimt het hof ten onrechte een oordeel te geven over de vraag of de verhoogde canon op zichzelf onredelijk kan zijn en/of is in verhouding tot hetgeen gebruikelijk is. Volgens het subonderdeel was die concretere beoordeling in het bijzonder vereist in het licht van het door [eisers] onder uitvoerige motivering ingenomen standpunt dat een concrete toepassing van de in art. 7.1.1 gehanteerde begrenzingen ertoe leidt dat [eisers] veel zwaarder worden belast dan redelijk en passend is bij de huidige marktrealiteit en het betreffende erfpachtrecht.
Anders dan het onderdeel veronderstelt, is het hof wel ingegaan op de vraag of de verhoogde canon op zichzelf onredelijk kan zijn. In rov. 3.26 overweegt het hof immers dat het daarnaast van oordeel is dat [eiseres 1] , [eiser 3] en [eiser 2] [10] tegenover het verweer van de Gemeente − waarin zij uiteengezet heeft dat de laatste canonherziening na een tijdvak van 10 jaar voor [eiseres 1] een verhoging van € 73,50 per maand, voor [eiser 2] € 37,87 per maand en voor [eiser 3] € 1,83 per maand bedroeg − onvoldoende hebben toegelicht dat de canonherziening in hun geval ook daadwerkelijk op een onredelijk bedrag is gesteld.
In rov. 3.28 overweegt het hof dat en waarom slechts een abstracte beoordeling kan plaatsvinden ten aanzien van [eisers onder 4] (in hun geval kan slechts op basis van nieuwe erfpachtvoorwaarden een nieuwe canon worden geheven) en SEBU (als belangenorganisatie). Het hof overweegt voorts dat [eisers onder 4] en SEBU onvoldoende hebben toegelicht waarom bij een abstracte toetsing tot een ander oordeel moet worden gekomen dan bij [eiseres 1] , [eiser 3] en [eiser 2] .
in de eerste plaatsover onbegrijpelijkheid van rov. 3.25. Het legt hieraan ten grondslag dat het hof niet in zijn beoordeling heeft betrokken de omstandigheid dat de in de voorwaarde opgenomen maximeringen van de canonstijging hun betekenis verliezen doordat de canon bij aanvang is bepaald op 8 tot 10% van de grondwaarde en dat dit – zeker naar huidige maatstaven buitenproportioneel hoge percentage – de beschermende werking aan deze maximeringen ontneemt.
de beschermende werking aan de maximeringen in het beding ontneemt. Voor zover met de klacht bedoeld is dat het hof aan deze stelling voorbij is gegaan, faalt de klacht derhalve.
Daarnaast faalt de klacht, omdat het hof in het kader van de toets of een beding onredelijk bezwarend is, niet behoefde in te gaan op de hoogte van de canon zoals overeengekomen bij het sluiten van de overeenkomst. Art. 6:231 onder Pro a BW sluit zogeheten kernbedingen uit van de voornoemde toets. Overigens is niet onbegrijpelijk dat het hof betekenis heeft toegekend aan de beschermende werking van de maximeringen in het beding. Deze maximeringen staan immers los van de hoogte van de afgesproken canon. Dat het hof in het kader van de toets op onredelijk bezwarendheid niet is ingegaan op de hoogte van aanvangscanon, maakt zijn oordeel dus niet onbegrijpelijk.
in de tweede plaatsdat in dit verband onbegrijpelijk is dat het hof overweegt dat het redelijke canonpercentage de afgelopen jaren mogelijk lager is geweest dan 5% maar dat de Gemeente daar onweersproken tegenover heeft gesteld dat dit percentage bij uitgifte hoger lag (rov. 3.25, eerste alinea, voorlaatste zin). Het subonderdeel betoogt dat de omstandigheid dat het percentage bij uitgifte hoger lag, geen voordeel oplevert voor de erfpachter dat tegenover de onredelijkheid van het geminimaliseerde percentage van 5% kan worden gesteld omdat de erfpachters een canon betaalden die op dat veel hogere percentage was gebaseerd.
in de derde plaatsdat voor zover het hof heeft beoogd te overwegen dat het canonpercentage bij uitgifte eerder aan de lage kant was, omdat de rente hoger was, en dat [eisers] die stelling van de Gemeente onvoldoende zouden hebben bestreden, dat onbegrijpelijk is. De aanvangscanonpercentages bedroegen immers 8 tot 10% en [eisers] hebben uitgebreid hebben bestreden dat dat op dat moment een redelijk en bij erfpacht passend canonpercentage was. Zij hebben juist expliciet gesteld dat zowel de aanvangscanon als het aanvangspercentage buitenproportioneel hoog waren. Het hof kon niet zonder nadere motivering aan die stelling voorbijgaan, aldus de klacht.
in dit opzichteen vergelijking met huur van die gronden gemaakt kan worden. Deze overweging is niet onbegrijpelijk.
De klacht mist overigens feitelijke grondslag waar deze naar voren brengt dat het hof heeft overwogen dat het achterwege laten van depreciatie in uitzonderlijke gevallen is toegestaan. Dat heeft het hof niet overwogen.
Daarnaast volgt uit dit oordeel dat de erfpachter gedwongen wordt deskundigen in te schakelen nu de Gemeente als vast beleid geen depreciatie toepast terwijl die depreciatie wel noodzakelijk is of ten minste kan zijn om tot een redelijke canon te komen, zodat de beslissing dat sprake is van een voldoende omschreven en transparante canonherziening ook in dat opzicht onjuist, althans onbegrijpelijk is.
de wijze waaropde canon periodiek wordt herzien (in de ABU74 en de ABU83) afdoende is omschreven en daarmee voldoende transparant en voorzienbaar is. Het hof kon dit overwegen zonder in te hoeven gaan op de stellingen van [eisers] en SEBU met betrekking tot het door hen gestelde vereiste van depreciatie. Immers, dat de betreffende bedingen geen depreciatie voorschrijven, doet aan de door het hof aangenomen transparantie van die bedingen niet af.
Het onderdeel klaagt dat het hof deze stelling van [eisers] mede had moeten beoordelen op basis van art. 6:233 onder Pro a BW en op basis van het criterium of het beding oneerlijk is in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen, gelet op de – ook volgens het hof (rov. 3.12) – in acht te nemen richtlijnconforme interpretatie en mede gelet op het door het hof (in rov. 3.17) gehanteerde uitgangspunt dat de vraag of de bedingen onredelijk bezwarend zijn moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.
Voor de vraag of een beding onredelijk bezwarend is, is in consumentenzaken ook de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU over het transparantievereiste van betekenis.
Het hof had de in cassatie in ieder geval veronderstellenderwijs aan te nemen omstandigheid dat de erfpachtvoorwaarden niet aan [eisers] ter hand zijn gesteld, derhalve moeten betrekken bij de beantwoording van de vraag of sprake is van onredelijke bezwarendheid en het had die vraag bevestigend moeten beantwoorden, althans zijn beslissing nader moeten motiveren dan hij heeft gedaan, aldus het onderdeel.
Het onderdeel maakt verder niet duidelijk, onder verwijzing naar vindplaatsen in de stukken van het geding in feitelijke instanties, dat het hof had moeten begrijpen dat de stellingen van [eisers] en SEBU in verband met hun beroep op art. 6:233 onder Pro b jo. 6:234 BW, door hen ook ten grondslag werden gelegd aan hun beroep op art. 6:233 onder Pro a BW (vgl. voor de weergave van die stellingen rov. 3.23).
dat opzegging onwenselijk is, omdat een dergelijk traject geld en capaciteit kost, terwijl een erfpachter die van zijn recht van erfpacht af zou willen, dit recht eenvoudig kan verkopen en overdragen. Bovendien kan een erfpachter verzoeken om wijziging van de algemene, en/of bijzondere voorwaarden die aan zijn recht van erfpacht zijn verbonden.” Het hof weegt het belang van de Gemeente bij het
niet-bestaan van een recht van de erfpachter tot tussentijdse opzegging mee. Daartegen over staat dat de erfpachter zijn recht kan verkopen en om wijziging van de voorwaarden kan verzoeken. Deze afweging ten aanzien van het ontbreken van een opzeggingsbevoegdheid geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk te noemen in het licht van het betoog van het onderdeel.
Het ontbreken van een opzeggingsbevoegdheid is verder slechts een van de elementen die het hof in rov. 3.25 in ogenschouw heeft genomen. Het hof kon dit element meewegen zonder daarbij te betrekken of een hogere canon tot een lagere waarde van het erfpachtrecht leidt.
Het onderdeel betoogt voorts dat de bestreden overweging is gebaseerd op een onbegrijpelijke lezing van art. 7.1.1-4 ABU. Blijkens die bepaling wordt, naar [eisers] hebben betoogd en ook de Gemeente stelt, aan de deskundigen niet de vraag voorgelegd wat de redelijke canon is, maar wat de nieuwe grondwaarde dient te zijn.
Het onderdeel betoog ten slotte, samengevat, dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de (essentiële) stellingen van [eisers] dat de formulering van de ABU (de definitie in art. 1.1 sub c ABU) depreciatie juist beoogt uit te sluiten, ook bij de vaststelling van de grondwaarde door deskundigen. Daaruit volgt dat [eisers] hebben aangevoerd dat de ABU74/83 een redelijke canonherziening beperken en aldus onredelijk bezwarend zijn, omdat het depreciëren van de grondwaarde wordt uitgesloten. Het vaststellen van de grondwaarde door deskundigen neemt de onredelijkheid van het minimumpercentage van 5% niet weg, zodat de op basis van het deskundigenadvies vastgestelde canon nog steeds veel hoger is of kan zijn dan de redelijke en gebruikelijke canon. Het vaststellen van de nieuwe grondwaarde door deskundigen beschermt [eisers] dus niet tegen een onredelijk hoge canon.
Een eventuele depreciatie van de grondwaarde kan dan door die deskundigen worden toegepast, mochten zij dat nodig vinden, maar depreciatie is op zichzelf geen vereiste om tot een redelijke, periodieke, canon te komen.” De Gemeente had aangevoerd dat de deskundigen depreciatie kunnen toepassen op de door haar vastgestelde grondwaarde. Het hof heeft dit standpunt van de Gemeente kennelijk gevolgd en is op dit punt tot een andere uitleg van de ABU gekomen dan [eisers] en SEBU hadden bepleit. Dat maakt zijn uitleg van de ABU74 en de ABU83 nog niet onbegrijpelijk. Voor het overige faalt de klacht in het voetspoor van onderdeel 2.1.
Ten overvloede merk ik het volgende op. De bedoelde uitspraak is in het procesdossier te vinden als een productie bij de ‘Pleitaantekening comparitie’. Het blijkt te gaan over het handelen van een taxateur die in opdracht van de Gemeente een rapport heeft opgesteld. De uitspraak ziet dus niet op het handelen van deskundigen als bedoeld in de ABU74 en de ABU83. Voorts wijs ik erop dat de rechtbank (rov. 4.43) onder verwijzing naar onder meer deze uitspraak heeft overwogen dat het toepassen van depreciatie geen keihard vereiste is. Reeds hierom valt niet in te zien dat het oordeel van het hof in rov. 3.25 onbegrijpelijk is in het licht van deze uitspraak.
Het hof verwijst naar art. 6:236 onder Pro n BW. Hier is bepaald dat een beding in algemene voorwaarden tussen een gebruiker van algemene voorwaarden en een wederpartij die een natuurlijk persoon is, als onredelijk bezwarend wordt aangemerkt als dat voorziet in de beslechting van een geschil door een ander dan de rechter die volgens de wet bevoegd zou zijn, tenzij het de wederpartij een termijn gunt van tenminste een maand nadat de gebruiker zich op dit beding heeft beroepen om voor de beslechting van het geschil de bevoegde rechter te kiezen. [15]
Heeft het hof de hiervoor vermelde strekking niet miskend, dan had het diens beslissing in ieder geval nader dienen te motiveren in het licht van de stelling van [eisers] dat de in art. 6:236 onder Pro n BW genoemde termijn niet het beding is opgenomen. Gezien het overgangsrecht is deze bepaling ook van toepassing op alle algemene voorwaarden die zijn bedongen vóór de inwerkingtreding van de wet.
Omdat het hof oordeelt dat geen sprake was van een beding als bedoeld in art. 6:236 onder Pro n BW, heeft het hof niet getoetst of het beding de in art. 6:236 onder Pro n BW bedoelde termijn van een maand bevat. Dat laatste is op zichzelf niet onbegrijpelijk te noemen.
Daarnaast is het oordeel ten aanzien van de onafhankelijkheid van de deskundigen en de kosten een ontoelaatbare verassingsbeslissing. Het onderdeel licht verder toe wat tegen de overweging van het hof aangevoerd had kunnen worden.
Daarmee heeft het hof de in het onderdeel genoemde stellingen van [eisers] en SEBU afdoende gemotiveerd verworpen. Een miskenning van het feit dat de Gemeente gehouden is haar grondbeleid toe te passen, is in de overwegingen van het hof niet te lezen.
Het subonderdeel verwijst overigens met betrekking tot de stelling over de gehanteerde parameters, die niet toekomstig maar actueel zouden zijn, naar “Procesinleiding e.a. rnrs. 2.59-2.61; Conclusie van Repliek rnrs. 2.47-2.53; Memorie van Grieven rnr. 7.113.” (voetnoot 41 procesinleiding in cassatie). Ik zie daar deze stelling echter niet terug. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag.
Het subonderdeel verwijst overigens naar “Conclusie van Repliek rnrs. 5.76-5.77; Memorie van Grieven; 7.73-7.75.” (voetnoot 43 procesinleiding in cassatie). Daarin valt echter niet de stelling te lezen dat van de gebondenheid van de Gemeente aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet te veel verwacht kan worden omdat de Gemeente zich daar nu al niet aan houdt als het aankomt op het vaststellen van de hoogte van de canon. Evenmin wordt daarin iets opgemerkt over het huidige grondbeleid van de Gemeente. Ook daarom faalt de klacht.
Euriborhypotheken), rov. 3.6. Volgens dit arrest mag geen acht worden geslagen op de omstandigheid dat de toepassing van het beding in een concreet geval kan worden getoetst aan de redelijkheid en billijkheid of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De beslissing van het hof impliceert volgens het onderdeel dat het hof bij diens beoordeling van de onredelijk bezwarendheid van het beding wel rekening heeft gehouden met het feit dat die toets nog zal kunnen plaatsvinden, zodat zijn beslissing niet in stand kan blijven.
Het hof heeft echter in rov. 3.36 het oog op iets anders. De overweging van het hof bouwt voort op de inherente beperkingen die de algemene beginselen van behoorlijk bestuur meebrengen volgens de rechtspraak van de Hoge Raad voor de wijze waarop de Gemeente haar bevoegdheden kan uitoefenen. Deze beperkingen liggen besloten in de rechtsverhouding tussen de burger en de gemeentelijke overheid, en zijn verbonden met de bijzondere positie van de gemeentelijke overheid en van het gemeentelijke erfpachtbeleid. Omdat de beperkingen in de rechtsverhouding zelf besloten liggen, kunnen zij bijdragen tot het oordeel dat een beding in de erfpachtvoorwaarden niet onredelijk bezwarend is. [20]
onderdeel 5is dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk, omdat het hof zonder afdoende motivering voorbijgaat aan door [eisers] en SEBU concreet naar voren gebrachte punten.
Zij hebben aangevoerd dat er onvoldoende consumentenbescherming plaatsvindt bij het bedingen van algemene voorwaarden in het kader van erfpacht. In het Berenschot-rapport. is benadrukt dat er geen orgaan is dat toezicht houdt op het uitgeven van gronden in erfpacht. De gemeenteraad heeft een kaderstellende en controlerende functie, die echter blijkens de praktijk onvoldoende is om consumenten daadwerkelijk bescherming te bieden.
Voorts hebben zij gewezen op de definitie in art. 1.1 sub d van de ABU 74/83, die ertoe leidt dat de Gemeente de bevoegdheid heeft de erfpachtovereenkomst in zijn geheel te wijzigen, terwijl het de erfpachters ingevolge art. 5.1.1 ABU 74/83 niet is toegestaan de erfpacht op te zeggen, en zij hebben gesteld dat de mogelijkheid tot opzegging een essentieel onderdeel is van de evenwichtigheid van een dergelijk wijzigingsbeding.
in de eerste plaatsover de overweging in rov. 3.41 dat de gevallen van [eisers] en erfpachters die een recht hebben gekregen na de periode waarop de AVU89 van toepassing werden, niet gelijk zijn aan elkaar, omdat het gaat om een ander erfpachtrecht in een andere periode gebaseerd op ander beleid. Volgens het onderdeel is die beslissing onjuist althans onvoldoende gemotiveerd in het licht van de (essentiële) stelling van [eisers] dat er materieel geen onderscheid bestaat tussen die beide erfpachtrechten, omdat die bedie het gebruiksrecht van grond geven om daarop een woning te hebben en daarin geen relevante verschillen bestaan. De rechten van de erfpachters zijn gelijk, terwijl de plichten sterk verschillen in het nadeel van [eisers] , aldus de klacht.
in de tweede plaatsdat de beslissing van het hof onjuist althans onbegrijpelijk is in het licht van de (essentiële) stelling van [eisers] en SEBU dat de wijze waarop de aanvangscanon of afkoopsom (c.q. prijs) die bij aanvang van beide soorten erfpachtrechten (resp. ABU74/83 en AVU89) is vastgesteld, niet van elkaar verschilt, en dat de ABU74/83 er nimmer toe kunnen leiden dat de financiële voorwaarden voordeliger uitpakken dan de AVU89, zodat daarin geen rechtvaardiging kan worden gevonden voor later intredende ongelijkheid. Het maken van een onderscheid dat niet wordt gerechtvaardigd door een objectief relevant verschil is immers uitdrukkelijk in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De periode waarin iemand een erfpachtrecht verkrijgt kan zoals [eisers] en SEBU naar voren hebben gebracht niet als een relevant verschil worden aangemerkt en dus het onderscheid niet rechtvaardigen. Dit heeft immers geen invloed op de rechtspositie van de Gemeente en haar verhouding tot [eisers] , aldus de klacht.
onderdelen 6.3 en 6.4houden voor het overige klachten in die slechts voortbouwen op de
onderdelen 6.1 en 6.2. Zij dienen daarom, evenals die onderdelen, te falen.
De in rov 3.25 gegeven overwegingen, die tot het oordeel leiden dat het beding (in zijn algemeenheid) niet onredelijk bezwarend is, kunnen niet het oordeel dragen dat de concrete toepassing van de begrenzingen niet tot een onaanvaardbare uitkomst leidt. Ook het hof constateert dat het canonpercentage van 5% naar de maatstaven van dat moment hoger dan gebruikelijk is, terwijl evident is dat dit hogere percentage tot een hogere canon leidt.
Het oordeel in rov. 3.26 dat [eisers] niet inzichtelijk hebben gemaakt dat de door de Gemeente vastgestelde canon onredelijk hoog is, is onbegrijpelijk in het licht van de door [eisers] aangevoerde argumenten en de [deskundigenrapporten] die [eisers] hebben ingebracht.
De toetsing aan art. 6:233 onder Pro a BW verschilt van de toetsing aan art. 6:248 lid 2 BW Pro. De toetsing van art. 6:233 onder Pro a BW – welke bepaling als sanctie een vernietigingsgrond bevat – houdt naar haar aard een beoordeling in van omstandigheden die zich hebben voorgedaan voor of ten tijde van het sluiten van de overeenkomst (ex tunc). Bij de beoordeling of de toepassing van een beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, kunnen ook omstandigheden worden meegewogen die zich na de contractsluiting hebben voorgedaan, zoals de wijze waarop de overeenkomst is uitgevoerd (ex nunc). [25]
De overweging van het hof over de vraag of het beding onredelijk bezwarend is (rov. 3.25) en over de redelijkheid van de uitkomst van de toepassing van het beding (rov.3.26) kunnen dus ook dienen ter adstructie van een oordeel over de vraag of in het concrete geval van [eiseres 1] , [eiser 3] en [eiser 2] toepassing van de begrenzingen van art. 7.1.1-1 ABU naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof brengt dit m.i. tot uitdrukking in de tweede volzin van rov. 3.46. Daaraan doet niet af dat het hof hier niet nogmaals heeft verwezen naar art. 6:248 BW Pro.
Het onderdeel wijst voorts niet op concrete stellingen die het hof bij een toetsing aan art. 6:248 lid 2 BW Pro afzonderlijk nog zou hebben moeten betrekken. In de toelichting op grief 15, waarop het hof reageert in rov. 3.46, hebben [eisers] in het algemeen verwezen naar “hetgeen de Erfpachters in eerste aanleg en hiervoor naar voren hebben gebracht” en voorts naar de niet nader gemotiveerde stelling dat een beroep op de begrenzingen van art. 7.1.1 ABU74 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (memorie van grieven nrs. 7.169 en 7.173). In het licht hiervan getuigt het bestreden oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde het geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.
Bij de toetsing van het beding aan art. 6:233 onder Pro a BW overweegt het hof (in rov. 3.25) dat de deskundigen depreciatie van de grondwaarde kunnen toepassen, mochten zij dat nodig vinden, maar dat depreciatie op zichzelf geen vereiste is om tot een redelijke periodieke canon te komen.
Deze overweging is op het eerste gezicht niet sluitend, omdat het gaat om de uitleg van het beding en niet om de in rov. 3.25 beoordeelde vraag of het beding onredelijk bezwarend is. Indien rov. 3.25 wordt gelezen in verbinding met rov. 3.20 is de overweging echter voldoende begrijpelijk. Uit rov. 3.20 blijkt dat het hof de uitleg die [eisers] en SEBU geven aan het begrip ‘werkelijke grondwaarde’ verwerpt. Het hof zou de gevorderde verklaring voor recht dus niet hebben toegewezen. Tegelijkertijd ziet het hof blijkens rov. 3.25 in de ABU geen belemmering voor deskundigen om desgewenst een depreciatie toe te passen. Anders dan het onderdeel nog aanvoert, blijkt uit het bestreden arrest niet dat het hof geen eenduidig beeld had bij ‘de werkelijke grondwaarde’.
Bij de vordering onder c wordt de vraag voorgelegd welk artikel zwaarder weegt. De in art. 7.1.2 lid 1 opgenomen uitsluiting van de begrenzing bij de berekening van de nieuwe canon of de bevoegdheid in art 7.2 ABU om nieuwe bepalingen op te stellen inclusief begrenzingen. Eisers begrijpen het zo dat na 50 jaar de in art. 7.1.1 ABU opgenomen begrenzingen (geen lagere canon en minimaal 5%) bij toepassing van art. 7.1.2 ABU komen te vervallen en niet via art. 7.2 ABU weer opnieuw kunnen worden ingevoerd. Het oordeel van het hof dat de vordering afstuit op het oordeel dat de bedingen in de ABU niet onredelijk bezwarend zijn is, onjuist en onbegrijpelijk, aldus de klacht.
Volgens art. 7.1.2-2 − het onderdeel noemt dit: art. 7.1.2 lid 2 − gelden in dat geval niet de in het eerste lid en in lid 1A van het vorige artikel aangegeven begrenzingen van de herziening van de canon.
Art. 7.2 betreft de eenzijdige wijziging van de algemene bepalingen en/of de bijzondere voorwaarden door de Gemeente.
De erfpachters hebben de verhouding tussen art. 7.1.2 en 7.2 ABU aan de orde gesteld zowel in kader van hun beroep op de onredelijk bezwarendheid van art. 7.1.2 ABU (met het argument dat het beding zeker in de uitleg van de Gemeente onredelijk bezwarend is) als in het kader van de meer subsidiair gevorderde verklaring voor recht dat art. 7.1.2 ABU74 respectievelijk ABU83 [29] ook gelding heeft indien de Gemeente een beroep op art. 7.2 toekomt (inleidende dagvaarding nrs. 4.144 respectievelijk 4.151-4.152).
onderdeel 7.3bedoelde) gevorderde verklaring voor recht niet beoordeeld heeft, en wordt het hof verzocht deze vorderingen alsnog toe te wijzen “op basis van hetgeen de Erfpachters in eerste aanleg en hiervoor naar voren hebben gebracht “(nrs. 7.172-7.173).
In de toelichting op grief 15 is echter ook verwezen naar het standpunt dat de erfpachters eerder in de memorie van grieven hebben ingenomen. Daar hebben zij niet langer betoogd dat aan het einde van het erfpachttijdvak de canon zou moeten worden vastgesteld zonder dat de beperkingen van de art. 7.1.1-1 en 7.1.1-1A zouden gelden. Zij hebben daarentegen in hoger beroep uitsluitend betoogd dat de Gemeente krachtens art. 7.2 de bevoegdheid heeft het minimumpercentage weer in te voeren (zie in 3.80.5). Met dit betoog ontviel de grondslag aan de in rov. 45 onder c bedoelde vordering tot verklaring voor recht.
De Gemeente is in de memorie van antwoord (nrs. 92-94) haar verweer tegen grief 15 niet op deze vordering ingegaan, maar heeft zich beperkt tot een verwijzing naar de gronden waarop de rechtbank art. 7.1.2-2 had beoordeeld.
Het hof heeft de memorie van grieven kennelijk zo gelezen dat het kon volstaan met een oordeel over de onredelijk bezwarendheid van art. 7.1.2-2 ABU, en dat er geen reden meer was om nog afzonderlijk in de te gaan op de verhouding tussen de art. 7.1.2-2 en 7.2 ABU zoals deze aanvankelijk aan de orde werd gesteld in de in rov. 45 onder c bedoelde vordering tot verklaring voor recht. In het licht van het hiervoor geschetste partijdebat is dit niet onbegrijpelijk te noemen. Dit verklaart afdoende het oordeel in rov. 3.46.
Onderdeel 7.3faalt daarom.
onderdelen 7.1-7.3.
onderdeel 3.2. Nu dat onderdeel faalt, gaat ook deze klacht niet op.
Allereerst wordt het aanbod niet op basis van de WOZ-waarde van de grond vastgesteld, zoals het hof overweegt. De afdeling belastingen van de Gemeente stelt immers de WOZ-waarde van de grond niet vast doch de WOZ-waarde van de zaak als geheel met de fictie van volle eigendom.
Daarnaast gaat het hof ongemotiveerd voorbij aan alle door [eisers] tegen de wijze waarop de grondwaarde wordt vastgesteld en het aanbod wordt berekend, ingebrachte bezwaren. Deze overweging van het hof is onjuist en tevens een aanvulling van de feiten die in strijd komt met art. 24 Rv Pro omdat geen van beide partijen heeft gesteld dat de aanbieding op de WOZ-waarde van de grond is gebaseerd. De aanbieding is gebaseerd op een residueel bepaalde ongedeprecieerde grondquote van de WOZ-waarde van de gehele zaak. Dat is iets wezenlijk anders, omdat het afleiden van de grondwaarde uit de WOZ-waarde een aantal stappen vereist en het op geen enkele wijze is uitgesloten dat bij die stappen onredelijke aannames zijn gemaakt.
Indien het oordeel van het hof zo moet worden gelezen dat elke uit de WOZ-waarde afgeleide vaststelling van de grondwaarde zonder meer tot een redelijk aanbod leidt, dan is dat oordeel onjuist en onbegrijpelijk. Niet is uitgesloten dat, zoals [eisers] naar voren hebben gebracht en in het onderdeel wordt toegelicht, de gehanteerde grondquotes leiden tot een waarde die hoger uitkomt dan de redelijke waarde van de erfpachtzaak.
Het hof heeft immers overwogen, samengevat, (i) dat het de Gemeente vrijstond om op basis van de Conversieregeling aanbiedingen te doen en de voorwaarden daarbij te bepalen, (ii) dat het enkele feit dat de Gemeente van de erfpachters afkoopsommen heeft bedongen die meebrachten dat de erfpachters een veelvoud van de werkelijke grondwaarde bij uitgifte van de rechten van erfpacht moesten betalen, niet maakt dat de Gemeente daardoor in strijd handelde met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, (iii) dat de in de aanbiedingen genoemde bedragen zijn gebaseerd op de WOZ-waarde van de grond en de tot 2016 geldende canon en daarmee niet onredelijk zijn, (iv) dat de nodige informatiebijeenkomsten en gelegenheden tot inspraak zijn geboden en (v) de gedane aanbiedingen voldoende transparant zijn.
De conversiewaarde wordt bepaald op basis van de WOZ-waarde van het jaar voorafgaande aan de conversie. Van de WOZ-waarde wordt een grondquote genomen volgens een vaste lijst. (…) Deze grondwaarde wordt naar het einde van het lopende canontijdvak gebracht en vervolgens contant gemaakt met een rekenrente van5%.” Door te overwegen dat de aanbiedingen zijn gebaseerd op de WOZ-waarden, sluit het hof aan bij de stellingen van [eisers] en SEBU, al verwoordt het hof het iets anders en werkt het hof dit punt niet verder uit.
Ook klaagt het onderdeel dat de beslissing van het hof dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van de Gemeente omdat sommige erfpachters mogelijk veiligheidshalve hebben gekozen om hun recht van erfpacht te converteren naar aanleiding van de in de Infographic vermelde canon, onjuist althans onbegrijpelijk is. Bij deze beslissing baseren deze erfpachters hun afweging immers op de informatie die aan hen is verstrekt door de Gemeente. Indien deze informatie onjuist is, konden zij niet de keuze maken die voor hen het meest voordelig was, aldus, samengevat, het onderdeel.
De stelling dat erfpachters door de als voorbeeld genoemde canon worden beïnvloed in hun keuze om al dan niet te converteren en hun beslissing baseren op de informatie die aan hen is verstrekt door de Gemeente, heeft het hof beoordeeld. Het hof sluit niet uit dat sommige erfpachters geschrokken zijn van het voorbeeld in de Infographic. Het hof oordeelt dat de Gemeente daardoor in ieder geval niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens erfpachters zoals [eisers] die zich bij hun beslissing niet hebben laten leiden door het voorbeeld of jegens niet-erfpachters zoals SEBU. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.
onderdeel 9.1klaagt
onderdeel 9.2dat sprake is van rechtsweigering doordat het hof geen oordeel heeft gegeven over de redelijkheid van de hoogte van de in de Infographic bij wijze van voorbeeld genoemde canon.
Overigens verwijst het onderdeel niet naar vindplaatsen in de stukken in feitelijke instanties waaruit blijkt dat de stellingen over op de waarde van het erfpachtrecht, de financierbaarheid daarvan en de verwachting voor toekomstige financiële lasten reeds eerder zijn aangevoerd. [32] Dergelijke feitelijke stellingen kunnen niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd.
onderdeel 4.3).
Onderdeel 11voert aan dat bij het slagen van ten minste een van de voorgaande klachten, de beslissingen in rov. 3.55-3.64 niet in stand kunnen blijven.
onderdelen 1-10van het principale middel aangevallen overwegingen, zodat
onderdeel 11in zoverre reeds hierop afstuit.
onderdelen 1-10van het principale middel aangevallen overwegingen. Het onderdeel dient te falen. Nu deze onderdelen niet slagen, geldt hetzelfde voor
onderdeel 11.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
onderdeel 2.3.1is ingesteld onder de voorwaarde dat een klacht uit onderdeel 2 of 3 van het principale middel slaagt (zie het incidentele middel onder 2.3.2). Nu dit niet het geval is, behoeft deze klacht geen behandeling.